Des niet tegenstaande [2012 = tegen: aaneenschrijven van wat los duidelijker is] las ik in de NRC een interview met Gerrit Kouwenaar. Hij zegt daarin onder meer: 'Ik denk dat mijn latere werk de lezing van mijn eerdere werk heeft vergemakkelijkt, net als bij Lucebert.' Heel goed mogelijk, en zelfs dit interview draagt ertoe bij; en vergeet ook het oeuvre van Faverey niet, denk ik er bij, daarmee gebeurde iets dergelijks.
Maar wat nu zegt de interviewende journalist? Die zegt:
Tot de jaren vijftig golden klassieke sonnetten van dichters als J.C. Bloem en Adriaan Roland Holst als het hoogst haalbare in de Nederlandstalige poëzie. De Vijftigers pakten het anders aan.Heu? Klassieke sonnetten van dichters als J.C. Bloem en A. Roland Holst?? (want zoals Bloem J.C. heet, en Van Eyck P.N. en niet: Sjaak en Piet, heet Roland Holst A., en niet Adriaan, voor gewone lezers). Sonnetten? Bloem? Holst?? Maar kijk: dit is wat de geïnterviewde dichter zelf zegt:
„Geen gerijmel. Geen voorgeschreven dreun”, zo vat Kouwenaar hun zelf verkozen opdracht samen. „Begrijp me goed: de vooroorlogse dichters mochten er zijn, maar ze waren van toen. Gorter is nog altijd modern, die schreef krankzinnig goede gedichten. Ook Bloem en Roland Holst hebben perfecte gedichten geschreven, maar na de oorlog moest er iets anders komen. De oorlog was voor ons allemaal cruciaal geweest. De wereld was voorgoed veranderd. We moesten niet voortzetten wat er al was.”Komt geen sonnet bij te pas. Ik ken Bloem vooral van lang-, zeer langwerpige, zogeheten gestaltegedichten uit zijn eerste bundel, Het verlangen, en kortere, steeds kortere uit zijn latere werk; en de Prins der Dichters, Roland Holst, - geheel anders dan zijn revolutionaire tante - ken ik ook van verhalende, epische, mythische, groots opgezette gedichten van lange adem, breder uitzwaaiend dan het monument op de Dam kan bevatten. Klopt toch, dat beeld?
Dat roept om feiten. Maar: hoe leg je een oeuvre-indruk naast de opmerking over (beeldvormende) klassieke sonnetten? Door te proberen te tellen (maar pas op: als een letterkundige gaat tellen, gaat het mis.)
Boekenkast open. Verzamelde gedichten van Bloem erbij gepakt (Amsterdam 1980; 1e druk 1965, en die gaat weer terug op een uitgave van 1953, toen deze dichter wel ongeveer uitgedicht was; een mooi afzetpunt dus voor de Vijftigers). Op een totaal van 161 gedichten (was dat genoeg, voor de rechtvaardiging van een bestaan? Ja, het was) zie ik niet meer dan 14 (zegge: veertien) sonnetten, evenveel sonnetten als het sonnet regels heeft; toeval bestaat niet. Maar: dat is slechts 8,96% van de gedichten, of, afgaande op het totaal aantal bladzijden: 5,69% van het oeuvre. Dat lijkt me nou niet echt een sonnettenbakker waar verzet tegen aan moest worden getekend. En daar zitten enkele beroemde bij, 'Dichterschap', 'De Dapperstraat' en 'Insomnia', maar dat is toch echt niet de gehele Bloem.
Jany dan. Ik tel in diens Verzamelde werken, deel 1 en 2 (Amsterdam 1948, iets moderners heb ik in deze donkere dagen in het westen, op de laatste trans niet bij de hand, maar dat geeft niet waar het gaat om het vinden van een afzetpunt voor de Vijftigers) 53 sonnetten op 217 gedichten; dat is 24,42%. Maar: daar begint het gedonder: wat is bij Holst een gedicht, wat een samengesteld gedicht, wat een reeks, wat een afdeling? Vraag het Mosheuvel die Een winter aan zee onderzocht en er niet uit kwam (L. Mosheuvel, Een roosvenster; aantekeningen bij Een winter aan zee van A. Roland Holst. Groningen 1980).
Ik heb eerst al die dingen geteld die sonnetten lijken, maar heb daarna via de inhoudsopgave, afgaande op titels en als zodanig genoteerde beginregels, geteld hoeveel gedichten er volgens de dichter in staan. Dus toen ik de boeken doorbladerde, telde ik 'Ruimtezang I', 'II', 'III', 'IV' en 'V' als vijf sonnetten; maar in de inhoudsopgave staat alleen 'Ruimtezang', en dat heb ik dus geteld als één gedicht. Dat schiet wel lekker op, maar het klopt niet. Om een vergelijking met Bloem mogelijk te maken: op een totaal van 479 pagina's kom ik niet verder dan 11,06%.
Overigens kwam ik nog een pracht van een regel tegen, de openingsregel van een aan P.N. van Eyck opgedragen gedicht:
Is dan de wereld een vergeefsche woon?En nu het toch over Van Eyck gaat: in zijn Verzameld werk deel 1 en 2 (daterend uit 1958) tel ik op totaal 833 pagina's poëzie slechts 14 sonnetten; dat is dus 1,68%.
Het literatuurwetenschappelijk voordeel van een sonnet is dat het is klaar is voor de pagina vol is, of het nu klassiek, à la Shakespeare of anders is; en gelukkig is het werk van Bloem, Holst noch Van Eyck gestapeld in de uitgaven die ik inzag. Bij dit getel heb ik domweg het nummer van de laatste pagina met een gedicht erop als maatstaf genomen, en willens en wetens over het hoofd gezien dat het eerste gedicht pas op pagina 7 staat (Bloem) of 9 (Holst), en ook dat Holst meer witte pagina's heeft dan Bloem, om reeksen en delen en afdelingen te scheiden.
1,7, 5,7 of 11%: ik zie dat niet als typische sonnettenoeuvres. Dan kan je beter kijken naar het werk van Achterberg. Dat is al onderzocht op dat punt, door Otterloo (Het Achterberg-sonnet; bijdrage tot de interpretatie van Achterbergs sonnetten. Göteborg 1982). Hij onderscheidt 255 sonnetten in dat oeuvre dat zo'n 1000 bladzijden beslaat; 25,5%. Maar daar moet dan wel bij gezegd worden dat Achterberg pas na de oorlog stevig aan het sonnetteren sloeg, dus toen hij zijn naam al gevestigd had, zeker voor de Vijftigers, die Achterberg trouwens een van de weinige goede dichters onder hun voorgangers vonden. Misschien moeten we dan uitwijken naar Vestdijk, Hoornik, Hoekstra, Aafjes, weet ik welke andere nu meer of minder vergeten dichter tegen wie die Vijftigers zich af meenden te kunnen en te moeten zetten. Vasalis? Ik kan me daar geen sonnet bij voorstellen (en weet niet waar haar Verzameld werk is: dat is zo'n onhandig formaat, past niet in de kast) maar zij zorgde met haar dichten wel voor het zand waar de Vijftigers hun hakken in konden zetten. Jan Kal: die bakte sonnetten aan de lopende band, maar was van ver na Vijftig. Marsman? Sonnetten? Leopold? Sonnetten? Waar komt dat toch vandaan? En: hoe maken we dat, als het er is - rekenkundig, cijfermatig, statistisch - hard?
Kerstpuzzle. Want ergens heeft Kouwenaar het inderdaad gezegd, over die sonnetten, dat het ondingen zouden zijn, hangmatten voor luie zielen. Maar wier luie zielen bedoelde hij? Had hij wel concrete dichters voor ogen, of doelde hij op iets vaags als een poëticale tijdsgeest? Waarschijnlijk. Misschien was zelfs dat sonnet alleen maar een concretisering van iets onduidelijks waar hij zich tegen af wilde zetten. Iets ontelbaars.
P.S. (2e kerstdag) Vasalis' verzamelde gedichten teruggevonden (mooie uitgave uit 1997, gezet uit de Remer van Noordzij). Toch nog zes sonnetten (waarvan twee omgekeerde, met eerst het sextet en dan het oktaaf) op 122 bladzijden. Maar dat blijft een schamele 4,91%. Het is echt die vorm niet, die 't 'm deed.

1 reacties:
Vreemd geheugenverlies van Kouwenaar. Hij schreef zelf eerst vooral sonnetten, zie bijvoorbeeld in Parade der Profeten (oid), Nanne
Een reactie plaatsen