dinsdag, december 20, 2011

Kwestie van perspectief

Tijdens het college Actuele Literatuur heb ik Bonita Avenue van Peter Buwalda behandeld. Beter is misschien te zeggen dat de studenten het boek gelezen, beschouwd, bestudeerd, geanalyseerd en becommentarieerd hebben aan de hand van vier 'opdrachten' die ik had geformuleerd. Beter is te zeggen dat ik enkele van de opdrachten opgesteld had en dat ik er één ontleend had aan het weblog van Huub Beurskens. In augustus had hij enkele foutjes in de roman aangewezen, kleinigheden. En hij wees op een eigenaardigheid van de roman waar, voor zover hij kon nagaan, niemand der recensenten over was gevallen of bij stil was blijven staan: dat twee van de verhaallijnen, die van Sigerius en Aaron, personaal verteld worden, en één, het relaas van Joni, door een ik-verteller. Beurskens noteert over dat vertellen op Nonnolles:
Vrijwel elke bespreker die ik las heeft het over drie hoofdfiguren, te weten Sigerius, de stiefvader van Joni, die Joni zelf en Aaron, Joni’s vriendje. Vervolgens heeft men het over drie standpunten van waaruit de verhalen convergerend tot één groot verhaal personaal worden verteld. Personaal wordt er inderdaad verteld in de hoofdstukken die de optiek van Sigerius en die van Aaron tonen (respectievelijk 8 en 7 hoofdstukken), maar niet in de Jonihoofdstukken: die zijn namelijk alle vijf gesteld in de ik-vorm! En dat kan, gezien het kaliber van Buwalda, beslist geen ‘foutje’ zijn, over het hoofd gezien door zowel de auteur als zijn redacteur…
Waarom ziet of signaleert, voor zover ik het heb kunnen nagaan, niemand dit? Voor mij maakt juist dit gegeven, en niet zozeer het plot of de schets van de hedendaagse zeden, het boek pas echt intrigerend… Wanneer alleen Joni het over zichzelf in de ik-vorm heeft, is zij daarmee dan niet de (zich inlevende of juist vertekenende, fictionaliserende) bedenkster van de optiek van de andere figuren? Is zij dan niet ook de vertelster van de andere 15 hoofdstukken? Is er dan in feite slechts één hoofdfiguur of figuur met een hoofd waarin zich alles (in opdracht van de schrijver uiteraard) afspeelt?
Dat is op zijn minst het overdenken en teruglezend checken waard: Bonita Avenue zou er als het ware van binnenuit door kunnen kantelen. Wie weet quasi compleet terug naar zijn auteur...
Wat is er nu leuker dan eerst de kritische lezer te op de vingers te tikken: de ijverig tellende studenten hadden meteen door dat Joni niet in vijf, zoals Beurskens schrijft, maar in zes hoofdstukken aan het woord is, zoals ze ook signaleerden dat die hoofdstukken steeds, maar niet systematisch, afwisselend van perspectief zijn.

Naast het verschil tussen de personale vertelwijze van Siem en Aaron enerzijds en de ik-vertelling van Joni anderzijds is ook nog opmerkelijk dat de verhalen van Joni en Aaron vanuit 2008 worden verteld, lang na de in hun aller verhaal cruciale, maar vooral symbolische ontploffing in Enschede, terwijl het verhaal van Siem vanuit 2000 wordt verteld. Dat kan ook moeilijk anders, aangezien hij eind van dat jaar zelfmoord pleegt. Maar het maakt nogal wat uit, of je over iets kan vertellen wat al jaren achter de rug is, of wanneer alles nog vers is.

En daar komt nog iets bij. De vertellingen van Joni en Aaron staan, afgezien van alle terugblikken die in elk van de verhaallijnen übertalrijk zijn, in de onvoltooid verleden tijd; niks bijzonders, dat heet gewoon een episch praeteritum. Maar Siems relaas staat in de onvoltooid tegenwoordige tijd, praesens historicum. Dat is een opmerkelijk contrast; het benadrukt hoe beperkt Siems blik op de gebeurtenissen is, relatief. Wat betreft de Aaronvertelling is het in dit verband aardig op te merken dat daarin vanuit 2008 terug wordt geblikt in allerlei diepten van het verleden en dat er van daar uit dan weer vooruit wordt geblikt naar wat Aaron, na de grote klap, aan zijn psychiater vertelt; vooruitblik in terugblik dus en dan ook nog met professionele bijstand.

Deze complexe vertelwijze, met dat meervoudige perspectief en die voor- en achteruitblikken door de tijd heen, gecombineerd met het grondmotief van de leugenachtigheid van ieder van de personages, maken het lezen van deze roman tot een intrigerende bezigheid. Net als de personages moet de lezer steeds de of een juiste gang van zaken zien te (re)construeren. Niet geheel bezijden de waarheid overdenkt Aaron het volgende: 'Bedrog? Jawel. Maar ze logen allemaal in die boerderij. Het was een gezin van heimelijke worstelaars. Hoewel hij wist dat het een slap excuus was, hield hij zichzelf voor dat iedereen in de boerderij zijn geheimen had - Sigerius, Tineke, Joni, hij, iedereen verzweeg wel iets.'

Om op Beurskens' vraag terug te komen: we, de studenten en ik, hebben de suggestie overwogen: zou Joni de centrale vertelinstantie zijn, die alles bij elkaar fabuleert? Ze moet dan wel een levendige fantasie hebben, want bij veel van wat Sigerius en Aaron meegemaakt hebben, was ze niet aanwezig. Maar dan nog: we zagen de winst niet. Te minder omdat de roman niet over één persoon gaat, maar over minstens drie personen; die meervoudigheid - en de wederzijdse geheimenis - is essentieel voor de roman. Een naar solipsisme neigende vertelstructuur zou niet stroken met het keiharde realisme van de roman; en als er dan een perspectief zou moeten zijn dat alles bestiert, dan zou dat beter dat van Aaron geweest kunnen zijn; die is zo psychotisch als een loden deur (hou me ten goede: ik bedoel solipsisme en psychotisch hier alleen maar als metaforen). Nee, we dachten aan geen andere motivatie voor het verschil in vertelling dan dat van het onderscheid: je weet al lezend daardoor steeds met wie en wiens optiek je te maken hebt.

Hoewel de roman fabelachtig goed geconstrueerd is, moet ik toch afronden met het signaleren van de mogelijkheid van een klein foutje. Sigerius denkt in hoofdstuk 5 terug aan zijn affaire met Isabelle in 1999; hij zei haar toen: 'Als je het maar stílhoudt' (weer dat verheimelijken dat de hele roman doortrekt); dan wordt er over haar reactie verteld: 'Ze ontdooide niet, ze ontplofte. Ze ontplofte zoals SE Fireworks een jaar later zou ontploffen.' (p. 159-160) Het is niet echt fout, want Sigerius' verhaalheden is inmiddels aanbeland op 20 mei 2000, dus daags na de explosie, maar toch, het strookt niet echt met Sigerius' perspectief om vanuit 1999, wanneer de zaak-Isabelle speelt, vooruit te denken; ik bedenk me nu dat die man eigenlijk helemaal niet vooruit denkt misschien, anders dan Aaron (die kinderen wil van Joni) en Joni (die rijk wil worden). Hier steekt de overigens vrijwel afwezige, onzichtbare vertelinstantie toch even de kop op, die het niet laten kan het explosiemotief door de roman te weven.

1 reacties:

Huub Beurskens zei

Beste Fabian,

Ik denk dat jullie er met je conclusie niet ver naast zitten. Hier een fragment uit een e-mail van Peter Buwalda aan mij, d.d. 31 augustus 2011 - voor wat het waard is wat een auteur over zijn eigen werk zegt:
'Over Joni als ik: ik had verschillende redenen om met de perspectieven te goochelen, ik wilde de autobiografie ondermijnen door alleen de vrouw een ik te laten zijn, het mezelf eigenlijk daarmee nog wat moeilijker maken, me dwingen nog wat empathischer te moeten schrijven vanuit het vrouwelijke, zeg maar. Ook wilde ik de lezer een tamelijk onzichtbaar handvat geven om de drie 'hoofden' uitelkaar te houden: Siem is een 'hij' in de tt, Aaron een 'hij' in de vt, Joni een 'ik' dus in de vt. Alle drie anders, dus. Tenslotte wilde ik mezelf aantonen dat ik of derde persoon lood om oud ijzer is, ik wilde kijken of ik ze alledrie even dichtbij de handeling en de lezer kon brengen. Mijn conclusie is dat het niet zo heel veel uitmaakt, kennelijk. ik hoor niemand zeggen dat ze Joni 'echter' vinden dan de mannen, of dat ze de mannen 'ronder' vinden en minder navelstaarderig dan Joni, etc. Het was een technisch experimentje.'