in the eyes of the world, they, and they alone, are entitled to pass judgment on the novel, to have any thoughts and feelings deemed legitimate, because they have gone all the way.
De uitlezers zijn, als het gaat om oordelen, volgens Chaouli uit beter hout gesneden dan de niet-uitlezers want
They have faith in the author, and in the written word. They have hope: they do see a book’s flaws, yet they are steadfast in believing that just around the next corner things could get better.
Gek genoeg weten volgens Chaouli ook de uitlezers dat een boek dat hen, terwijl ze aan het lezen zijn, niet bevalt, verderop meestal niet beter wordt:
If pressed, they would admit that this is unlikely, that in fact it has never happened to them that a book, after fifty hapless pages, suddenly hits its stride on page 51. But you never know, do you.
De druk om romans uit te lezen heeft volgens Chaouli echter een andere dan een sociale of psychologische bron; die druk komt voort uit de roman:
the real power, and the real mystery, of the pressure to finish a book comes not from society nor from some neurotic impulse in my head, but from the work itself. Something in the structure of the work demands it, demands it because it touches something in the structure of our lives. This is true of any work arranged around a plot, however loose, and it is true because the worlds of these works (novels, plays, movies, TV series) have a beginning, a middle, and an end. They have a beginning and a middle because they have an end. When dealing with them, like it or not, we must deal with the end, their end and ours.
Dat een literair werk een eenheid zou zijn of als zodanig beschouwd kan worden, is een aanname die ik wel ken uit het leerzame Merlyn en door de ergocentrische doctrine die tijdens mijn opleiding Nederlandste taal- en letterkunde in Utrecht gangbaar was, om het zacht uit te drukken. De eigen invulling die Chaouli eraan geeft, een halve eeuw later ongeveer, levert een intrigerend betoog op, dat ik hier verder onbesproken kan laten, omdat het, oneerbiedig geformuleerd, weinig nieuws biedt.
Waar ik wel even bij stil wil staan, is het dat Chaouli geen gegevens, geen feiten, geen namen en rugnummers aandraagt voor zelfs maar een begin van een onderbouwing van zijn aanname dat niet-uitlezers geen oordeel over een roman zouden mogen vormen en formuleren. Hij houdt het bij een ‘strange moral pressure’ en de dwang van ‘the eyes of the world’ die hem het recht op een oordeel zouden onthouden. Vervolgens gaat hij uitleggen waarom die pressie en die dwingende ogen terecht kunnen zijn, namelijk omdat die wortelen in de semantische en esthetische structuur van de roman, in de structuur van iedere roman.
Jammer, erg jammer is dat Chaouli in heel zijn essay, dat inderdaad niet meer dan een essay is, niet ingaat op zijn ideetje dat zelfs notoire uitlezers, onder enige druk, zouden toegeven dat het nooit gebeurt dat een boek, na vijftig ongelukkige pagina’s, plotseling op pagina 51 de goede kant op gaat. Van dergelijke ‘ongelukkige’ romans zou hij zich toch heel goed kunnen afvragen waar het door komt dat ze zo ‘ongelukkig’ zijn, waardoor ze het zo slecht getroffen hebben, in concreto: welke fouten, vergissingen of zwakke plekken (‘flaws’) ze vertonen en waarom het in dergelijke gevallen terecht kan zijn dat een lezer de keuze maakt om ze niet ten einde toe te lezen (waarbij het minimumaantal van vijftig wèl gelezen pagina’s misschien een provocatieve slag in de lucht is).
Wat eerder al de Merlyn-isten en mijn docenten vergaten met nadruk mee te nemen in hun overwegingen en waaraan nu ook Chaouli lichtvoetig voorbijgaat, is de wellicht al te elitair of exclusief klinkende restrictie dat alleen een goede roman een eenheid is waarvan de volle betekenis de lezer pas echt en volledig raakt wanneer zij of hij of hen die leest tot aan het eind.*
*Hiermee had ik dit bericht natuurlijk willen besluiten. Maar ik moet er nog dit aan toevoegen. Wat een goede roman is, staat niet voor iedereen in universeel beton gegoten of in dito marmer gebeiteld, maar lijkt me afhankelijk van de literatuuropvatting van iedere individuele lezer. Er zijn waarschijnlijk wel meer lezers dan literatuuropvattingen, bovendien kan een lezer zich ontwikkelen, dus kan er sprake zijn van gelijkluidende oordelen van lezers. Daardoor kunnen literaire prijzenjury’s en recensenten hun kritische werk doen en uitgevers hun series van klassiekers opzetten. En wanneer die harmonie ontbreekt, is er de mogelijkheid om te proberen uit te leggen waar dat door komt, ook een vorm van literaire kritiek.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten