woensdag, april 22, 2026

Om

In krantenkoppen zie ik vaak een wanhopig dan wel ondoordacht, maar in ieder geval mijns inziens foutief gebruik van ‘om’.

[hier dat lijstje plakken met irriterende citaten, voornamelijk uit de Volkskrant en van NOS-nieuws. Oh ja: ‘krantenkoppen’ hierboven even vervangen door ‘koppen boven nieuwsberichten’]

Maar zelf kan ik er ook wat van. Op Klasse! plaatste ik een stukje over de Nederlandse vertaling van Susan Taubes roman Lament for Julia. Een trouwe en zeer spitse lezer wees me erop dat ik in de titel  en de labels van mijn blogpost dat boek aanduidde als: Treurzang om Julia. Fout! Zo staat het niet op het omslag, zo staat het niet op de titelpagina (de enig juiste bron voor de titelbeschrijving), niet op de Franse titel en tweemaal niet op het achterplat, evenmin in de tekst van de flap van de voorkant van het omslag.

Mijn vrijwillige corrector was zo aardig erbij te vermelden dat hij ‘om’ mooier vond, maar ja, het was niet in overeenstemming met de bibliografische feiten. Ik ben dat geheel met hem eens en heb inmiddels zowel de kop van mijn tekst als het label aangepast.

[tot mijn schrik, ontstentenis en ach-laat-ook-maar zag ik zoëven dat de fout nog wel in de URL van het stukje staat; geen idee hoe dat aan te pakken...]

Ik denk dat ik ‘om’ niet alleen mooier vind, maar ook beter, qua betekenis (en ik denk dat mijn privé-corrector dat ook vindt en bedoelt). Het boek lijkt namelijk helemaal niet bedoeld te zijn als een treurlied ten behoeve van Julia noch als een treurlied dat aan Julia ten geschenke zou (kunnen) worden aangeboden. Welnee, het is de ik-verteller die een roman lang zijn/haar/diens verdriet uit, verdriet om het verdwijnen van Julia, dat wil zeggen om het verdwijnen van de ware, autonome, oorspronkelijke, onbedorven Julia, verpletterd als die wordt door de last van conventies en gewoonten en fatsoensnormen en navenante zelfkritiek.

Een treurzang is, volgens het WNT:
1. een rouwzang; dan is de implicatie dat Julia niet alleen figuurlijk maar ook letterlijk dood zou zijn , wat niet geheel onaannemelijk is, al luiden de eerste zinnen van de roman: ‘Ze is weg. Julia heeft me verlaten. Dit keer voorgoed, denk ik.’;

2. een treurdicht; wat in dit geval de betekenis hierboven niet uit- maar juist insluit, met dien verstande dat ‘dicht’ metonymisch moet worden opgevat als aanduiding van wat het woordenboek noemt: een ‘letterkundig product’;

3. ‘(Fig. of oneig.) Relaas van droevig stemmende feiten’; ook dat past prima bij deze roman: heel het leven van Julia is een aaneenschakeling van meer of minder droevig stemmende feiten, zeker in de optiek van de ik-verteller.

Een alternatieve benaming voor een treurzang is, nog steeds volgens het woordenboek: ‘elegie’ of ‘klacht’. En als ik met die termen als zoeklicht een lexicon van literaire termen in duik, kom ik in een woud terecht van na- en aanverwante namen, waaronder: ‘klaaglied’. En dáár is de bron, meer in het bijzonder: in mijn leeslijst voor het eindexamen. Ik moet me wel heel sterk vergissen als ik Marnix Gijsens Klaaglied om Agnes (verschenen in 1951 met een omvang van 185 pagina’s) ver weg in het laatste kwart der jaren zeventig van de voorgaande eeuw niet gelezen zou hebben.

Of ik het boek nog bezit, waarschijnlijk een pocketeditie, mogelijk iets substantiëlers uit mijn vaders boekenkast, zou ik na kunnen gaan, maar omdat primo Nederlandstalig literair proza in mijn huisboekerij twee rijen dik staat geparkeerd als betrof het zwarte SUV’s op zaterdagmiddag  in de hoofdstedelijke P.C. Hooftstraat en secundo mijn linkerarm nog steeds niet volledig is hersteld van de heftige ontmoeting met een witte Toyota Aygo op de negentiende des vorigen maands, ga ik er niet naar op zoek; te veel gedoe want in principe staat er maar één werk per auteur voor op de plank.

Ik zie op het wereldwijde web dat Gijsens boekje in mijn eindexamenjaar zelfs is verschenen in een Bulkboekuitgave. Wat jammer dat ik er, behalve Gijsens eigen naam en de titel van deze roman, geen herinneringen aan heb, zelfs niet aan de referenties aan Glucks Orfeo ed Euridice, dat later een van mijn klassieke favorieten geworden is, om niet te zeggen: de enige opera waar ik wel van kan genieten.

Wat ik wilde zeggen: ik denk begrepen te hebben waardoor ik het verkeerde voorzetsel gebruikte.

[715 woorden voor of om of betreffende 1 voorzetsel]

donderdag, april 02, 2026

Een goede metafoor spreekt boekdelen

Soms hoef je, dat is althans mijn ervaring, een metafoor niet eens volledig te doorgronden om ervan te kunnen genieten. Vandaag gebeurde dat bij een metafoor in de column van Frank Heinen in de Volkskrant van gister. Het cursiefje handelt over de vreselijke oud-minister, thans weer vulgaire maar niet minder abjecte parlementariër Mona K.

De tenor, het verbeelde van de metafoor is het recente conflict over partijmacht en zeggenschap dat oplaaide tussen het bestuur van de beslist belabberdste boerenpartij BBB en het inmiddels voormalige partijlid K.

Het vehicle of het beeld van Heinens metafoor is dit:

een frontale botsing tussen de oeuvres van Willem Shakespeare en Yvon Jaspers

Een eerste analyse leert al dat dit beeld zelf ook weer een vorm van beeldspraak bevat doordat er culturele eenheden (oeuvres, oftewel: collecties van materialisaties van abstracte geestesproducten) impliciet worden vergeleken met voer-, vaar- en/of vliegtuigen, want dat zijn de verkeersmiddelen die we, mijns inziens, het best kennen als dingen die in de werkelijkheid letterlijk met elkaar in botsing kunnen komen. Het met ‘botsingen’ benoemen van wat er in CERN-achtige cyclotrons gebeurt met subatomaire materie, is een ander bekend voorbeeld van de beeldende kracht van het metaforisch gebruik van het woord ‘botsing’.

Het tweede woord van het beeld, het bijvoeglijke naamwoord ‘frontale’, versterkt in mijn lezing de beeldende kracht van deze metafoor. Het gaat hier niet om twee voertuigen (ik zelf denk dan eerlijk gezegd, op grond van recent opgedane praktijkervaring, in concreto aan een gemotoriseerd voertuig en een rijwiel) die haaks op elkaar knallen; dan is de impact vergelijkbaar met die van wat heet: een eenzijdige aanrijding, zoals wanneer een auto of fiets tegen een boom aan rijdt. Bij een frontale botsing bewegen beide betrokken vervoersmiddelen in tegengestelde richting waardoor de impact van de collisie veel groter is dan die van een eenzijdige waarbij maar één betrokkene zich verplaatst.

Hoewel ik het oeuvre van Shakespeare niet volledig heb gelezen (ik noteer het er maar bij zodat iedereen er naar hartenlust aanstoot aan kan nemen dat ik er toch iets over zeg), en stiekem denk dat dit ook voor Heinen geldt, ben ik van mening dat de columnist in kwestie, schrijvend over het conflict BBB-K., met de referentie eraan vooral doelt op de bloederige, van moordzucht doordrenkte koningsdrama’s van de wereldberoemde Britse bard en minder of zelfs in het geheel niet op diens even liefde- als raadselrijke sonnetten. Een metafoor, met zijn intrigerende samenspel van vehicle en tenor, van beeld en verbeelde, komt pas werkelijk tot bloei in zijn specifieke context.

Ik wist, toen ik de column las, serieus absoluut niet wie Yvon Jaspers was. Ik dacht werkelijk dat Heinen, zoals zijn collega-Volkskrant-columnist en romancier Arnon Grunberg een dag eerder had onthuld te doen, domweg een voornaam uit de ene overlijdensadvertentie had gelicht en een achternaam uit een andere, om te ontkomen aan een cliché of te voorkomen dat hij een bestaand persoon zou kwetsen terwijl hij een volstrekt willekeurig verzonnen persoon wilde noemen waarvan niemand zelfs maar zou durven vermoeden dat die de auctor intellectualis van willekeurig welk soort oeuvre zou kunnen zijn, het complete tegendeel van Shakespeare dus.

Mijn leeslol werd nog groter toen hier thuis op mijn navraag werd onthuld dat Yvon Jaspers buiten mijn bubbel beroemd is als de presentatrice van het tv-programma Boer zoekt vrouw  ik heb er wel eens een aflevering van bekeken – dat alleen met een fors aantal dwanggedachten te scharen is onder de culturele noemer ‘oeuvre’. Ook al schrijft ze daarnaast kinderboeken en is ze actrice en moeder van twee kinderen, voor de literaire evenknie van de Sweet Swan of Avon zal niemand haar ooit aanzien (en verder dan een enkele ‘Boer’ reikt haar overeenkomst met BBB ook niet).

Die incompatibiliteit geeft de impact van de frontale botsing in de metafoor van Heinen een enorme boost. De juiste woordkeus als semantische deeltjesversneller.


Dit bericht kreeg een tweede leven via het digitale vakblad voor neerlandici Neerlandistiek.nl

zondag, februari 15, 2026

Ruisbestuiving

Ik houd wel van kruisbestuivingen. Johann Sebastian Bach leerde ik pas goed kennen dankzij Douglas Hofstadter, Leoš Janáček door Harry Mulisch, Peter Brötzmann via Piet Gerbrandy, Ludwig von Beethovens laatste pianosonate, Opus 111, door Peter Buwalda, hoewel dat muziekstuk mijn smaakpalet niet diepgaand heeft veranderd. Wel vond ik het leuk dat ik het ook tegenkwam in Checkout 19 van Claire-Louise Bennett. Ik voel me toch, terecht of niet, wat meer op gelijke hoogte met de auteur annex verteller als ik diens of dier referenties enigszins begrijp of zelfs alleen maar herken.

Soms ook leer ik door de ene roman een andere kennen van een andere schrijver, soms op termijn zelfs een heel nieuw oeuvre. Maar in de genoemde roman van Bennett, verschenen in 2021, komt, onder veel, onder zeer veel meer, A Room With a View ter sprake, de roman van E.M. Forster uit 1908, die ik al wel eens eerder had opengeslagen, meen ik, louter omdat het een klassieker zou zijn, maar er stond me niets meer van bij en nu werd er dus opnieuw letterlijk, met titel en auteur en al, en meer dan eens aan gerefereerd, ook indirect door een interessant voorval in Checkout 19 (vrouw laat zich niet commanderen door man) waardoor ik dacht: laat ik het nog eens proberen en er een digitale versie van inzien; een gratis leesfragment is fluks en zonder gerucht in mijn e-lezer gedaald.

Tot mijn grote schrik bleek, toen ik de paperback van Bennett even terzijde had gelegd, de grote, beroemde roman van Forster overeenkomsten te vertonen met een sterk verwaterde versie van werk van onze eigen Louis Couperus, Eline Vere (1888/1889) bijvoorbeeld. De wollig en zijïg geformuleerde tierelantijnen en couperieuze prozaruches ontbreken gelukkig bij Forster, maar het beleefde en vormelijke getreuzel en getrut en het gedoe met klasse- en sekseverschilletjes en het sociaal geneuzel over toenmalige onwelvoeglijkheden zijn er, tien jaar later, bepaald niet minder om. Ik vind (het fragment dat ik las van) Forsters roman, zeker tegen de achtergrond van het briljante, ruwe en schijnbaar rommelige Checkout 19, als literair prozawerk niet of nauwelijks meer te pruimen anno heden; alles wat Bennetts roman interessant en bij vlagen duizelingwekkend maakt, ontbreekt in de taal, de stijl en het verhaal van Forster. Of Bennett de verontwaardiging over de ondergeschikte positie van de vrouw ook beter onder woorden brengt dan Forster, heb ik niet kunnen vaststellen; ga ik niet doen ook, want dan zou ik meer moeten lezen in A Room With a View, wat me, zeker nu ik Checkout 19 nog niet uit heb, beslist niet aanlokkelijk lijkt.

Grappig is dat het nu pas goed tot me doordringt dat de referentie aan Beethovens Opus 111 in Checkout 19 niet direct is maar verloopt via, want verwerkt is in, de referentie aan A Room With a View. Bennett laat haar vertelster, die net als de hoofdpersoon van Forsters roman, in navolging van haar zelfs, naar Florence is gereisd, in haar herinneringen aan die reis hele passages uit de roman samenvatten. Bijvoorbeeld:

Emerson [...] senses that Lucy’s petulant surface does not correspond one bit to what she is truly made of. Lucy Honeychurch has a promise. [...] Mr Beebe [...] recalls an occasion in Tunbridge Wells when, performing on the piano for the women and men of the parish, Lucy selected to play ‘Opus 111’ by Beethoven, a perverse choice, according to one guest, to which Mr Beebe counters[:] ‘If Miss Honeychurch ever takes to live as she plays, it will be very exciting – both for us and for her’ – yes indeed, Lucy Honeychurch had a promise.

De thematiek van de incongruentie van binnen- en buitenwereld, van schijn en wezen, die van belang is in Checkout 19, blijkt, meer dan ik althans wist, ook in Forsters roman mee te spelen, net zoals die niet afwezig is in Buwalda’s trilogie in spe. Wat precies de betekenis van Beethovens sonate is in deze context, weet ik nog niet.

vrijdag, januari 30, 2026

Ik begrijp het wel, maar het staat er niet - leve de halsstarrige lezer

 


Uiterst wrang, deze beschrijving op #Bluesky van de even wrange Minneapolische werkelijkheid anno 2026. Maar echt helemaal klopt-i niet, qua formulering, leek me. Er wordt in het tekstje maar één groep mensen genoemd op wie de prominent voorop geplaatste bepaling betrekking kan hebben: ‘burgers’.

Voor je het weet, lees je het bericht verkeerd en denk je dat de nieuwswaarde ervan is dat burgers niet, en zeker thuis niet behoren te beschikken over ‘moderne militaire technolog[ie]’. Maar een dergelijke duiding strookt evident niet met het beeld erbij: niet de burgers zijn met moderne militaire technologie uitgerust, maar de bezoekers. De enige burger op de foto heeft een standaard-technologische telefoon in haar hand. Haar mond wijkt van schrik wijd open. In het land van wijlen Good en Pretti kan je immers in koelen bloede door staatsagenten vermoord worden als je zichtbaar een telefoon bij je hebt (er staat ook nergens in hun grondwet dat ze telefoons mogen bezitten).

Het hele misverstand had voorkomen kunnen worden als de berichtgever de actie niet in een passieve constructie had gevangen, maar deze met de executeurs er expliciet bij had benoemd en beschreven: ‘Uitgerust met moderne militaire technologie zoeken agenten van ICE, de federale vreemdelingen-politie, burgers in de VS thuis op’.

Dan nog kan je denken: ‘Komen die agenten op bezoek met allemaal militaire technologie? Da’s toch ook niet gezellig op de koffie?!’

Of: ‘Waren ze die burgers dan kwijt? En hoe diep hebben die burgers zich thuis verstopt, dat er militaire technologie voor nodig is om ze te kunnen (her)vinden?’

Of zouden de vier, in het Bluesky-bericht niet genoemde, agenten toch in werkelijkheid iets anders doen met een knaldemper, een laserwapen, een vuurwapenrailinterfacesysteem, een munitiemagazijnvergroter en een magazijndraagzak? Ja, op de foto staat er in de Amerikaanse bron bij: ‘Dat lijkt allemaal meer thuis te horen op een slagveld’.

Kortom: zo eenvoudig is het allemaal niet. Misschien was louter de foto met annotaties afdoende.

donderdag, januari 15, 2026

De mislukking

Of het verstandig is, weet ik niet, maar op 13 januari 2026 kocht ik deel I van de biografie van Willem Frederik Hermans, Willem Otterspeers De mislukkingskunstenaar (De Bezige Bij 2013), over de jaren 1921-1952.

In de kasten met tweedehands boeken op de eerste verdieping van boekhandel Het colofon hier in Arnhem was ik op zoek naar iets anders, een willekeurige roman van Dola de Jong. Mirjam van Hengels schitterende biografie Dola (De Bezige Bij 2022) had ik net uit en een plek gegeven op de biografieënplank van mijn huisbieb, vlak naast haar Ganzentijd (De bezige Bij 2025) al is dat niet echt een biografie en zeker geen schrijversbiografie. Haar Campert-bio, Een knipperend ogenblik (De Bezige Bij 2018), las ik, zij het niet helemaal, digitaal, dus die laat zich niet op een echte plank zetten, hoewel een plek op de figuurlijke bovenste zeer verdiend zou zijn; jammer dat ik in mijn boekenkasten slechts één letterlijke plank met ruimte voor bio’s heb. Of beter: had. Die plank is bomvol, onder meer doordat daar al jaren het dikke maar ongelezen deel II van de Hermans-biografie staat, De zanger van de wrok (De Bezige Bij 2015), over de jaren 1953-1995. Ik ga toch zeker niet het tweede deel van een biografie lezen zonder het eerste ervan te kennen. Vandaar mijn vertraagde maar toch nog impulsieve aanschaf eerder deze maand.

Andersom lukt wèl. Ik bedoel: na het eerste deel van de biografie van Van Deyssel, Harry Pricks In de zekerheid van eigen heerlijkheid (Querido 1997, 1080 bladzijden), was ik echt niet meer in staat het tweede zelfs maar te lenen of aan te schaffen, laat staan open te slaan en te lezen. De twee delen van de Van Eeden-biografie van Jan Fontijn daarentegen (Tweespalt en Trots verbrijzeld, Querido 1990 resp. 1996, samen een schamele 1265 bladzijden) las ik beide en nog in de juiste volgorde ook (steeds gekker).

Het tweede deel van het WFH-biodiptiek had ik ooit in een opwelling voor een appel gekocht, en zie: nu heb ik eindelijk het eerste deel erbij, voor een ei. Het geheel is formeel zoals dat heet: tweedehands, maar in feite spiksplinternieuw en ongelezen; de leeslinten lagen bij aanschaf nog in haastige boekbindersplooien vanuit het midden van de rug tussen omslag en schutblad gefrommeld. En daar zat ik dan, met (862+1150=) 2012 bladzijden biografie van een notoire brompot, geschreven door iemand van wie ik nou niet direct denk dat-i er een veel opgewekter humeur op nahoudt. Maar ja, Hermans, hè, een van De-Grote-Drie, hè... zeggen de tot in hun literair-historische typeringen diep-christelijke literatuurders. Van geen van de andere drie à vier Grote-Drieërs – Claus, Mulisch, Reve, Wolkers – las ik de biografie, trouwens. Dus: exit die smoes-motivatie voor het lezen van dat soort studies; er is waarschijnlijk wel sprake van een zekere vorm van professional peer pressure. Misschien overheerst in dit geval een milde vorm van sensatiezucht. WFH was immers een raspolemist en beroepsschoffeerder. Wat voor een karakter kan daaraan ten grondslag hebben gelegen?

Opmerkelijk aan deel I is dat de pagina’s 785 tot en met 836 vol staan met noten, met 1137 noten, wat neerkomt op 1,4 noot per pagina van slechts een half levensverhaal dat 31 jaar beslaat. In de bio van Dola de Jong plaatst Van Hengel in minder dan 280 bladzijden tekst geen enkele noot, het andere uiterste; wel staat achterin een algemene verantwoording van de bronnen van het gehele levensverhaal. Een getalsmatige vergelijking van de hele bio van Hermans, die 75 jaar werd, met die van Dola, die all in 304 bladzijden telt, en over maar liefst 92 levensjaren handelt, leert dat WFH gemiddeld ruim 27 pagina’s beschrijving per geleefd jaar krijgt en Dola maar 3,3 bladzij.

Het verschil in biografische aanpak tussen beide werken moge onder meer blijken uit de enige referentie aan Dola de Jong die er in De mislukkingskunstenaar te vinden is (pagina 591):

Hermans bracht ook bezoeken aan Leo Vroman en de schrijfster Dola de Jong. Beide waren niet echt een succes, het eerste omdat hij het echtpaar Vroman onnavoelbaar excentriek vond, het tweede omdat de vertaling van het verhaal ‘Paranoia’ die De Jong hem in het vooruitzicht had gesteld niet doorging. En toen zat zijn bezoek aan New York er alweer op [...].

Het moet gezegd dat de bio van Dola niet voorzien is van een personenregister en die van Hermans wel (p. 839-875; Aya Zikken en Andreas Burnier, zo blijkt daaruit, heeft Hermans voor 1953 niet ontmoet; maar dit ter zijde). Ook moet gezegd dat ik een register bij het lezen van Dola geen seconde gemist heb; dat boek positioneert zich dan ook een beetje excentrisch in het genre. Maar zodra er een ander persoon in ter sprake komt, krijgt die doorgaans wel enige context. Otterspeer schrijft over Dola de Jong niets anders dan dat zij een schrijfster zou zijn en voornemens was een verhaal van Hermans te vertalen. Dat zij inmiddels Amerikaans staatsburger was, een deels Nederlands-, deels Engelstalig oeuvre op haar naam had staan, en dat zij allerlei activiteiten ontplooide om de literaire uitwisseling tussen Amerika en Nederland na de oorlog aan te zwengelen dan wel gaande te houden, geen woord erover van Otterspeer. Hermans had in New York net zo goed bij ene Richard Simmillion op bezoek kunnen zijn gegaan.

Een of ander neemt niet weg dat ook Otterspeer, met al zijn noten en het personenregister en de verantwoording en de inleiding over de (of deze) biografie onmiskenbaar een persoonlijke visie op het leven en karakter van Hermans neerzet, niet alleen een feitelijk relaas. Heel het boek is erop (in)gericht om aan te tonen dat Otterspeer gelijk heeft met zijn typering van de schrijver als een mislukkingskunstenaar; de biograaf noemt zijn biografie dan ook terecht zelf ‘een monomaan boek’; misschien is ‘manisch’ ook een passend attribuut.

Dat een schrijversbiograaf het literaire oeuvre van de betreffende auteur niet kan negeren, lijkt me op z’n zachtst gezegd evident. Maar de wijze van omgaan met dat werk staat naar mijn inzien nog wel ter discussie. Otterspeer springt heel erg luchthartig om met Hermans’ werk als materiaal voor zijn biografie:

Pa Hermans moet menigmaal met fierheid verhaald hebben van het geschiedenisonderwijs dat hij van [Joh. H.] Been genoot. Althans, de vader van Richard Simmillion deed dat [...].

Richard Simmillion, voor alle duidelijkheid zeg ik het er nu even bij, is de verteller en hoofdpersoon van Hermans’ naar hem genoemde, postuum uitgegeven onvoltooide autobiografische roman (2005), van een werk van fictie dus. Simmillions vader was inderdaad niet de bedoelde Johan Hermans. Van enig ‘moeten’ kan hier dus geen sprake zijn. Toch is dat een werkwoord dat Otterspeer hier maar ook elders inzet om een veronderstelling om te buigen naar een feitelijk gegeven, ook als er geen bron voor lijkt te zijn: 

Zij [Johan Hermans’ aanstaande vrouw, Rika Eggelte] moet hem bij die gelegenheid [hun verloving in 1911] een zilveren houder voor luciferdoosjes geschonken hebben, uitgevoerd in de stijl van de Wiener Secession waarop haar zoon later zo dol zou zijn.

Zo staat het er, met weer een dwingende ‘moet’, op pagina 45. De lezer heeft nog zo’n 740 bladzijden en 41 jaar van Hermans’ leven de ruimte om uit te zien naar de tijd waarin de zoon metterdaad dol blijkt te zijn op deze zilveren houder voor luciferdoosjes, uitgevoerd in de stijl van de Wiener Secession; er is geen zakenregister aanwezig. Het zilveren ding blijkt genoemd te worden ‘in een mooi melancholisch verhaal’ (wellicht een knipoog naar de welgeïnformeerde Hermans-kenner).

Gegevens over de moeder van de schrijver, en over haar naaimachine, ontleent de biograaf, zo blijkt uit noot 46, botweg aan de verhalenbundel De laatste roker. Netjes, die noot, met daarin de drie paginanummers waar de betreffende citaten te vinden zijn. Maar zou, vergelijkenderwijs, Wim Hazeu als biograaf van Gerrit Achterberg aan het gedicht ‘Beau lieu’ in Spel van de wilde jacht ontleend mogen hebben dat het witte kasteel van de baron Van Lynden van Sandenburg een balkon en regenpijpen had, of moest hij daarvoor toch echt even een reëel ommetje maken naar het landgoed aan de Langbroekerwetering waar de dichter in 1905 in de koetsierswoning achter de oranjerie geboren werd?

We zien hier bovendien hoe diep Otterspeer in de familiaire buidel tast in een bizarre poging om het leven van de schrijver te beschrijven, beuzelachtige veronderstelde feitjes over diens fictieve vader en reële moeder daarbij niet uit de weg gaand, gegevens van vergelijkbaar biografisch belang als het loze onderhoud dat Hermans in New York had met de Vromannetjes en met De Jong anno 1948.

Dat Otterspeer in deel een van zijn verhaal een dikke duizend keer naar een bron verwijst, maakt wat mij betreft zijn betoog niet betrouwbaarder, zeker niet waar hij verwijst naar materiaal uit het Hermans-archief, want dat is voor de gewone mens vooralsnog onbereikbaar opgeslagen in het Literatuurmuseum. En dan nog, we mogen er toch op vertrouwen dat een biograaf correct citeert? Het probleem zit niet in de citaten, maar in de wijze waarop de biograaf ze inzet. 

Otterspeer gaat met zijn feiten en Hermans’ teksten om als waren het gedresseerde zeehondjes. Twee bladzijden na de passage over de vertaling van ‘Paranoia’ die niet gemaakt werd door Dola de Jong, noteert hij (en ik schenk de lezer even de precieze context):

‘Hundertwasser’ is geen Simmillion-verhaal, het is niet autobiografisch. En zelfs met autobiografie moet een biograaf op zijn hoede zijn. Toch moet er iets dergelijks gebeurd zijn.

Met ‘toch’ denkt de biograaf het gat tussen een en ander, tussen feit en fictie te lappen. Het ‘moet’ volgens hem zo zijn. En na nog een zin begint hij de erop volgende alinea doodleuk met: ‘Hoe het ook zij, [...].’

Wie es eigentlich gewesen, dat te achterhalen, is toch precies een belangrijk deel van de opdracht van de biograaf? De stoplap, ontleend aan de spreektaal, wordt hier ingezet als een amateur-postmodern anything goes dat een biograaf mijns inziens niet voegt. ‘Mijn moeder heeft al haar kasten op slot’, citeert de biograaf op pagina 66 schijnbaar de auteur, maar de dienstdoende noot verwijst naar een (personage in een) roman als bron, Ik heb altijd gelijk. Ja, ja.

‘Als alles wat hij in ‘‘Elektrotherapie’’ schrijft teruggaat op geleefde werkelijkheid, bouwde hij [...] een ultrakortegolfzender’, noteert de biograaf op pagina 71 over de tienjarige WFH, om vervolgens een anekdote op te dissen over ene Ronald, inclusief een verwijzing naar het notenapparaat naar een bron, namelijk het verhaal ‘Elektrotherapie’. Kennelijk is aan de voorwaarde die genoemd werd in de bijzin zonder meer voldaan, zonder er een woord aan vuil te maken dat een literair verhaal van Hermans wel iets anders is dan het leven van Wim. Verder lijkt de biograaf Hermans ook op zijn woord te geloven wanneer hij later, in zijn volwassen leven van gevierd schrijver herinneringen ophaalt aan zijn jeugd in interviews en memoireachtige geschriften. Zo, zo.

Aldus ontstaat, met alle dank aan de zichzelf beschrijvende beschrevene zelf, het aandoenlijke beeld van een geïsoleerd en geniaal kind dat door de wereld om hem heen niet begrepen werd maar omgekeerd de wereld van de grote mensen om zich heen ook niet begreep (intelligent maar niet verstandig, meen ik dat de biograaf hem ergens typeert). Op zich niets bijzonders, lijkt mij. De vraag blijft onbeantwoord hoe het kon zijn dat zo’n jeugd in dit geval tot een volgens velen groot schrijverschap heeft geleid, althans een ontwikkeling in die richting niet in de weg heeft gestaan. De biograaf had er wellicht goed aan gedaan wat rond te lezen in Het drama van het begaafde kind van Alice Miller, een boek waar Van Hengel aan refereert in Dola. Van Hengel komt erdoor tot een griezelig goed beeld van de blokkades die De Jongs schrijverschap mede typeren. Otterspeer komt op eigen houtje niet verder dan Hermans’ amateur-psychologische privé-ideeën en z’n eigen biografologische inzichten in de menselijke geest, die blijkens een olijk ‘Er is weinig psychologisch inzicht voor nodig [...]’ (p. 50) niet al te diep steken.

Ik maak even kortsluiting en meld dat er in mijn achterhoofd iets bleef zeuren over gedoe met de Hermansbiografie (vandaar ook mijn referentie aan het veronderstelde humeur van de biograaf en aan mijn twijfel of de aanschaf van De mislukkingskunstenaar een goede zet was, zeker gelet op mijn jarenlange onwilligheid om om in het tweede deel van de biografie een blik te werpen). Mijn geheugen werd danig opgefrist toen ik, aanbeland op pagina 72, toch maar eens wat recensies ging zoeken. Eén volstond. Deze. Blijkt dat ik, toen ik het begon te tikken, intuïtief meteen een goede titel boven dit bericht had geplaatst.

Of ik de lezer hierna nog lastig val met mijn aantekeningen bij mijn verdere lectuur, zo het daar nog van mocht komen, staat nog te bezien.

Dit bericht, maar niet het of de appendix, kreeg een tweede leven via Neerlandistiek.nl, het digitale vakblad voor Nederlandse taal- en -letterkundigen.

Appendix
Het opdissen van literaire citaten als biografisch feitenmateriaal houdt de biograaf krachtdadig vol. Braaf geeft hij er vaak een noot bij of een verzamelnoot (één noot voor een cluster van citaten) met een bronvermelding als: ‘‘‘Een toerist’’, p. 30-31.’ Waar die toerist te vinden is, mag de lezer zelf uitpluizen: van de gehele bron geeft de biograaf alleen de informatie bij eerste vermelding ervan. Pech voor mij dat ik pas bij noot 168 een verwijzing naar ‘Een toerist’ vond; mag ik heel die notenbrij terug gaan lepelen op zoek naar die ene titel.

Resultaat van de zoektocht: ook noot 69 was kennelijk niet de eerste vermelding, jammer joh; noot 66 evenmin, want ook daar staat alleen maar: ‘Een toerist’ plus paginanummer. Eerdere noten die naar deze bron verwijzen, zijn er niet; ik heb de eerste 65 noten er nogmaals op nagezocht. In een geheel ander, digitaal, werk vond ik mijn vermoeden bevestigd: het betreffende verhaal er een dat is opgenomen is in de postume literaire uitgave Richard Simmillion.

Toeval bestaat niet: ik zoek iets feitelijks op in de biografie betreffende de biografie en de biografie is niet informatief. Los daarvan is het eindeloze gebabbel van de biograaf over WFH’s leraren op het Barlaeus van een bedroevend oudehoerderig niveau en dan ook nog goeddeels gebaseerd op de langetenig gekrenkte en in literatuur omgesmede vertekende herinneringen van de grote Een-van-de-Drie, die bij voorbeeld zijn lerares Grieks niet beter weet te typeren dan als ‘[e]en soort manwijf met een baard en een zware stem’, een typering die de biograaf nog wel probeert bij te stellen, want op ‘de foto’ (zo schrijft hij zonder nadere verwijzing naar een bron) is ‘een ‘‘manwijf met een baard’’’ volgens hem niet te zien, maar nochtans ‘zal [zij] wel een stevige dame geweest zijn’ (p. 104). En zo geeft de biograaf mevr. dr. M. J. Baale, volgens Wikipedia ‘de eerste vrouwelijke doctor in de klassieke letteren van Europa’ en ‘een geboren docente’, over het graf van de megalomane schrijver heen nog een venijnige trap na, wellicht in een poging het misogynisme van zijn vereerde object te evenaren. Zou hier meespelen dat onze Wim op zijn eindrapport van de (eerste keer) tweede klas van het gymnasium slechts een 3 had voor Grieks?

Hoe dan ook, zeg ik de hooggeleerde biograaf maar na, de identificatie van de reële persoon W.F. Hermans en willekeurig welk door hem verzonnen literair evenbeeld, zoals Richard Simmillion, neemt groteske vormen aan als de biograaf, zoals op pagina 135, gemakzuchtig noteert: ‘[...], zo realiseerde Wim/Richard zich’.

In mijn optiek is deze hele biografie weinig meer dan oefenmateriaal voor een cursus cursorisch lezen.

woensdag, november 19, 2025

Prijzen winnen

Buwalda brak in 2010 door met zijn debuutroman Bonita Avenue, waar hij verscheidene grote prijzen voor won

Deze (deel)zin las ik vandaag op mijn lijfstek Neerlandistiek.nl in een notitie die mijn aandacht af probeerde te leiden van de met de Prix Goncourt 2024 gelauwerde roman Houris (2024) van Kamel Daoud die ik nu aan het lezen ben, althans de digitale Nederlandse vertaling ervan (en wat deed het me zeer toen ik gisteren in mijn boekenwinkel hier in de provinciehoofdstad aan de Nederrijn het papieren werk zag staan in de originele, zachtgele Gallimard-uitgave en in de oorspronkelijke taal, althans die waarin het is geschreven: dat zou ik toch best hebben kunnen proberen te lezen... als ik niet zo langzaam las, het boek niet zo dik was, mijn pensioen niet eindig, het literaire aanbod niet zo groot...). Deze twee romans zijn onvergelijkbaar; dat weet ik nu al. Maar daar is het me niet om te doen.

Die zin, dus. Nee, ik wil niet stilstaan bij dat ‘doorbreken’, al vraag ik me wel af waar je, zeker als debutant, doorheen breekt; of: op welke hoogte Buwalda is doorgebroken. Boog hij nog goed mee met zijn enkels en knieën en ging het mis bij zijn heupen of brak hij pas ter hoogte van zijn nek door? Hier zal wel bedoeld zijn wat het WNT optekent als ‘doorbreken II’, in de betekenis: ‘1. Eene opening —, een weg breken door.’ Met Bonita Avenue, zo begrijp ik de hoofdzin, brak Buwalda door de figuurlijke muur van het stilzwijgen van de recensenten en/of door het evenmin letterlijke prikkeldraad van de heining om de ongeïnteresseerde lezersmassa.

Buwalda wist met Bonita Avenue de aandacht van veel professionele en koopgrage lezers te trekken. Dat was een grote prestatie, niet in de laatste plaats omdat het hier gaat over een doorbraak van een schrijver met een debuut. Als je even niet oplet, zou je kunnen denken dat de verschijning van een debuut op zichzelf, om niet te zeggen: per se al een doorbraak moet heten, namelijk het slaan van een bres in de verdedigingswal van de verzamelde meesmuilende literaire poortwachters. Doorgaans ploeteren schrijvers zich immers moeizaam een weg langs tijdschrift- en andere redacteuren naar steeds meer sterren en ballen uitdelende recensenten en een langzaam groeiend lezerspubliek, en pas na jaren is er dan opeens de doorbraak naar de erkenning, naar elkaar napratende tv-showpresentatoren en naar hordes  bestsellerlezers. Denk aan the long and winding road to fame van Wessel te Gussinklo. Buwalda legde dat pad met één kleine stap af, en nog wel meteen met zijn allereerste literaire stap. En Buwalda deed meer; nam een enorme sprong vanuit het duister en leverde hoge kwaliteit: zijn debuut werd, met een nuance verschil ten opzichte van de weergave door Neerlandistiek.nl, genomineerd voor verscheidene grote literaire prijzen, en enkele daarvan werden daadwerkelijk aan het boek toegekend. Ik vaar even op het bekende Wikipedia-kompas door de literaire ruimte:

Het boek kreeg nominaties voor de Libris Literatuur Prijs 2011, de NS Publieksprijs 2011 en de 25ste AKO Literatuurprijs voor hetzelfde jaar. Op 22 september 2011 won Buwalda de Academica Debutantenprijs. Op 30 oktober 2011 won hij ook de Selexyz Debuutprijs. Hij won bovendien de Anton Wachter-prijs voor de beste debuutroman in 2012. [mijn koppeltekentje; IdvH; of moet het Anton-Wachterprijs zijn?]

Ik vaar voor alle zekerheid ook nog even via een andere koers:

In 2010 debuteerde hij [d.i. Peter Buwalda] met Bonita Avenue. Met dit eerste boek werd hij genomineerd voor twaalf literaire prijzen waarvan hij er vijf daadwerkelijk won, waaronder de Academica Debutantenprijs, de Selexyz Debuutprijs en de Anton Wachterprijs. 

Voor de echte, heel literaire zwaargewichtklasse van de grote prijzen werd het werk kennelijk uiteindelijk toch nog iets te licht bevonden en bleef de roem beperkt tot de eer van de nominaties, maar de drie debuutprijzen waar dit debuut voor was genomineerd, werden alle drie daadwerkelijk toegekend (andere toegekende prijzen worden gek genoeg niet genoemd). Dat lijkt heel redelijk, en niet minder eervol, rekening houdende met de grote hoeveelheden debuten die er toen al, en nog altijd, vaak zonder enig mededogen van een scherpe bureauredactie, op de markt gesmeten worden.

Het nieuws dat Neerlandistiek.nl trouwens tussen neus en lippen door brengt in de hierboven maar half geciteerde volzin, is: de Academica Debutantenprijs, de Selexyz Debuutprijs en de Anton Wachter Prijs behoren tot de ‘grote [literaire] prijzen’. Ik maakte destijds, in de aanloop naar de uitreiking aan Buwalda, mijn debuut als jurylid van de Academica Debutantenprijs (die eerder en later anders heette en inmiddels ter ziele is), maar heb toen noch later vast kunnen stellen dat dat een ‘grote prijs’ zou zijn, althans gemeten in eenheden voor al dan niet Bourdieueske, literair-sociologische importantie.

Nee, het probleem-van-deze-dag zit in de bijzin. Omgebouwd tot hoofdzin luidt de mededeling:

Buwalda won voor zijn debuutroman Bonita Avenue verscheidene grote prijzen.

Deze bijzin (vastgeknoopt als ze is aan de hoofdzin over Buwalda’s doorbreken) suggereert een persoonlijke en doelgerichte, competitieve inspanning van Buwalda, zij het ook een inspanning met een groter belang dan alleen het eigen belang: hij won die prijzen voor zijn boek. Edelmoedigheid in de letteren: alles voor het boek. Zo kennen we Buwalda: ‘Ik ga die Academica Debutantenprijs voor mijn debuut winnen!’ Maar niet heus.

Ik geloof dat er sprake is van een soort contaminatie: Buwalda won de prijs, met dien verstande dat ze aan hem werd toegekend, iets waar hij niets bijzonders voor kon doen, waar hij niets bijzonders voor zou hebben kunnen doen. Hij kreeg de prijs vanwege zijn prestatie een goed boek geschreven te hebben naar de maatstaven van een jury in een prijzencircus waar nauwelijks regels gelden. Strikt genomen was geen enkele van de toegekende prijzen voor Peter Buwalda; het was zijn boek dat ermee gelauwerd werd, omdat het een uitzonderlijk goed boek was en is. De prijs was voor het boek. Hij won de prijs vanwege het boek. Hij nam de prijs in ontvangst omdat het boek geen handen had voor een boeket, geen portemonnaie voor de poet.

Dat staat er, kennelijk. 

maandag, november 10, 2025

Unruhig wandern, wenn die Blätter treiben (I en II)

I
Samenstellingen vind ik al jaren leuk, zelfs al voor ik me had gerealiseerd dat ‘samenstelling’ zelf een samenstelling is. Zeker bezien in combinaties zijn samenstellingen leuk, zoals het woord voor worst-voor-op-brood en het woord voor worst-gemaakt-van-ossenvlees en dat voor worst-die-gemaakt-is-door-middel-van-roken en dat voor een worstje-dat-kennelijk-geluid-maakt; heel verschillende soorten worst, vreemd genoeg aangeduid met nogal gelijkvormige samenstellingen.


Samenstellingen zijn dus ook moeilijk, of op z’n minst: complex. Toen ik maar heel eventjes met een zoekmachine mijn neus om het hoekje van de taalkunde stak, vond ik een bacheloreindwerkstuk (wat een lelijke samenstelling is dàt) over dit onderwerp waarvan het eerste hoofdstuk ‘Introductie’ heet en de eerste paragraaf van het tweede hoofdstuk van het eerste deel ook ‘Introductie’ heet en de eerste subparagraaf van de tweede paragraaf van het tweede hoofdstuk van het eerste deel ook weer ‘Introductie’ heet. Een onderwerp dat met zo veel glijmiddel wordt aangeboden, moet wel heel erg stroef zijn.

Samenstellingen vormen, anders bekeken, kennelijk een taalkundige ijsbaan waarop je heel gemakkelijk op je bek kan gaan. De paragrafen 2.3.1., 3.1 en 4.1 hebben, dit voor de volledigheid, ook de reeds genoemde titel. Met 35 bladzijden hoofdtekst, waarin 135 analytische voorbeeldconstructies, lijkt me deze deels comparatistische fenomenologie van de Nederlandse samenstelling best wel lang èn grondig voor een doorsnee BA-werkstukje dat anno 2011 maar 7,5 ects waard was, weet ik nog. Ik ga mijn tengels hier dus niet branden aan de vraag of ik hier iets opdis over linkshoofdige dan wel (non-)copulatieve samenstellingen. Leve het pensionaat.

Gelukkig zijn sommige enkelvoudige woorden, laat ik voor het gemak zeggen: monomorfematische nomina, ook heel leuk, en dan in het bijzonder die, waarmee aan een (ontelbare) massa in de werkelijkheid kan worden gerefereerd. Een voorbeeld is ‘blad’, dat, vooral in, maar ook buiten een samenstelling, massaaanduidend kan worden gebruikt. Je kunt immers zeggen dat een boom veel ‘blad’ heeft, of, afhankelijk van het betreffende seizoen, juist dat er veel ‘blad’ op het trottoir ligt. Evenzogoed kan je dan met een ander soort zelfstandig naamwoord spreken van veel ‘bladeren’ of ‘blaadjes’.

Ik moest daar, rustig kuierend, aan denken toen ik, net uit de trein, in T., op weg naar mijn kleinkinderen, een bladkorf op het overigens onbezoedelde trottoir zag staan met een bordje erop dat aangaf dat er alleen ‘blad’ in de korf mocht worden gestort; wellicht stond er toch ‘bladerenin het uitleggende, toelichtende tekstje op het aan de korf bevestigde bordje, maar het verzamelpunt heette welzeker ‘bladkorf’ (de hond was mee, ik had geen hand vrij om er een foto van te maken). Van een ‘bladerenkorf’ kan in doorsnee Nederlands geen sprake zijn, als je het mij vraagt. Wel kennen we, sprak hij familiair, daarin de ‘fietsenstalling’, als we het toch eventjes over trottoirverontreinigingbestrijdingsmiddelen hebben, en niet de ‘fietsstalling’, daarentegen wel de ‘rijwielstalling’ en niet de ‘rijwielenstalling’, volgens mij. Zoals er wel ‘broodbakkers’ zijn, zonder enige concurrentie van ‘brodenbakkers’. Met ‘koekenbakkers’ ligt dat een nuance anders. In tijden van oorlog, waar we bijna weer aan toe zijn, is alles nog weer anders: met een ‘raket’- en een granaatwerper kan een staatsmoordenaar maar één raket respectievelijk granaat per eufemistische worp naar de vijand werpen, tenzij er sprake is van een stalinorgel, terwijl bommenwerpers vrijwel synchroon in één worp tientallen bommen uit kunnen strooien, om, nu de maan weer dóór de bomen kan schijnen, nog een eufemisme te gebruiken; opmerkelijk is dat er ook bommentapijten zijn, maar dat die niet geknoopt of geweven worden. Ook het verschil tussen de vijand en de vijanden verdient taalkundige verdieping; maar ik ben inmiddels al te ver gedwaald van het trottoir met de blaadjes waar het allemaal mee begon.

Het eind van de bladellende is nog niet in zicht. Op de website van de bladkorfaanbiedende instantie van de betreffende gemeente las ik:

Tot en met week 51 kunt u hier [d.i. in de bladkorf op het trottoir] alleen bladeren kwijt die afkomstig zijn van bomen in de openbare ruimte, niet van bomen uit uw eigen tuin.

Hoe te handelen met blad van privébomen dat op straat valt, laat zich niet raden maar wordt overgelaten aan de bladblazende ruimdenkendheid van de brave burger in kwestie. Deze moet overigens wel op zijn of haar of diens hoede zijn, want er staat in vette letters op dezelfde website:

Natte bladeren op straat kunnen glad worden en gevaarlijk zijn.

Opeens werd me duidelijk dat in de etymologische achtergrond van de bladkorf hoogstwaarschijnlijk de muilkorf een grotere rol speelt dan ik tot dan voor mogelijk had gehouden.

II
Omdat er al zo veel onwaarheid in de wereld is en zo weinig toetsing, en ook omdat een mens zich zo maar vergist zou kunnen hebben, en tevens om geen excuses aan te hoeven bieden voor een waarneming die niet gedaan is, heb ik de volgende opadag het ophefveroorzakende bordje toch maar op de gevoelige plaat (of het equivalent daarvan in een slimfoon) vastgelegd (zie bijgaand plaatje). Het object heet daadwerkelijk ‘bladkorf’.

Wat ik nog niet wist, is dat het bordje het Nederlands (voor zover ik het althans ken) ook nog eens verrijkt met een nieuw woord, een samenstelling wederom: ‘bladafval’. Dat betekent niet de rotzooi die, bij voorbeeld door een zware regenbui, van een blad wordt gespoeld en op de grond eronder valt, maar juist de bladeren die, zoals ten gevolge van een herfstig briesje, van een of meer bomen naar en uiteindelijk op het aardoppervlak vallen.

Leuk is, dat er ook rekening is gehouden met laaggeletterde computergebruikers (mensen die niet goed kunnen lezen, maar wel allerlei digitale indexen begrijpen). Zij kunnen onder de klassieke tekst (louter letters) vernemen dat het niet is toegestaan (X) om takjes en takken in de korf te dumpen (want dat zijn geen bladeren, maar de dingen waar voorafgaand aan de herfst de bladeren aan vast zaten), noch om er gras in te lozen (want dat is zelfs nooit aan een boom of struik verbonden geweest), noch om etensresten in de korf te keilen (want idem en dito). De laaggeletterden zijn bevoorrecht met hun instructie, want naaldafval en eikels mogen zij, anders dan anderen, wel (V) in de bladkorf deponeren. Voor hen is een bladkorf een blad-, naald- en eikelkorf. Waar de kastanjes te laten, ligt nog ter discussie in de gemeenteraad.

Geletterden genieten veel aanzien bij de firma Arvi, want zij worden geacht te begrijpen dat de onder de plaatjes staande tekst impliceert dat hier onder ‘bladafval’ alleen wordt verstaan het blad dat buiten een ieders tuin van een niet in iemands tuin staande boom is gevallen. Alleen gemeenteboomblad, dus.

Het percentage PVV-stemmers mag dan schrikbarend hoog zijn in T., verstand van blad, val, mijn en dijn heeft die burgerij daar kennelijk wel, en sommigen, wellicht een meerderheid, daarnaast ook van naalden en eikels.

Deel I van dit bericht kreeg een tweede leven in het digitale vakblad voor Nederlandse-taal- en -letterkundigen, Neerlandistiek.nl.