De geboorte van de moderne poëzie in Nederland. 1900-1940. Prometheus, Amsterdam 2025. Gebonden, zonder stofomslag, met leeslint. 1262 pagina’s.
Nadat hij met tuitende en steeds rooder ooren van de inspanning zich een weg door Een nieuw geluid had gebaand, tussendoor genietend van het kennelijk plezier waarmee de auteurs hun omvangrijke studie hebben geschreven (er zijn nogal wat schalkse grapjes in te vinden), werd deze hermeneut niet zoo vroolijk bij het lezen van verschillende recensies over deze dikke poëziehistorische turf. Alle lof – zeker in dagbladen, die hierna onbesproken blijven – klonk hem toch soms wat onbezonnen of hol in de oren, als Faint Praise, zoals Gail Pool dat in 2007 noemde in een boek met die titel.
Laat me dit illustreren met een klein overzicht, met korte besprekingen van besprekingen van Een nieuw geluid die in de openbare digitale ruimte te vinden zijn op min of meer in poëzie of literatuur in het algemeen gespecialiseerde websites.
Persoonlijke noot
1. Mathijs Sanders bespreekt Een nieuw geluid op 21 mei 2026 op Neerlandistiek.nl. Het vakblad is, terwijl ik dit tik, helaas nog steeds van de lijn; ik heb mijn oude aantekeningen, die ik maakte nog voor dit blogbericht werd geconcipieerd, helaas nog niet kunnen verifiëren. Enig voorbehoud is dus gewenst; Sanders’ bespreking hier weglaten ging me te ver.
Sanders verwoordt allereerst het standpunt van de auteurs toen ze nog aan het begin van hun megaklus stonden in 1995:
Niet de vertrouwde canon moest het uitgangspunt zijn, maar de totale poëzieproductie. Onderzoek naar de ‘feiten’ dus, op basis van een databestand met alle dichtbundels en liefst ook alle literaire tijdschriften waarin poëzie werd gepubliceerd, in ieder geval (men moet zich beperken) voor de periode tot de Tweede Wereldoorlog.
Interessant, zeker in onze tijd van post truth: de feiten zet hij tussen aanhalingstekens. En: feiten zijn in dit geval kennelijk alle dichtbundels en ‘liefst’ ook alle literaire tijdschriften waarin poëzie werd gepubliceerd (maar kennelijk niet ‘echt’ alle). Hoe dicht nadert hun praktijk hun ideaal? Waar liggen de grenzen? En dan: wat staat er precies in dat databestand? Waar is het überhaupt?
Andere karakteriseringen van het boek/werk van Dorleijn & Van den Akker zijn:
documentair onderzoek, mede op basis van archieven, naar selectie- en classificatieprocessen in wat destijds nog niet ‘het literaire veld’ werd genoemd.
Ze laten de feiten spreken. [Maar] Ook in Een nieuw geluid betekenen feiten pas iets als deze worden geïnterpreteerd.
Wat houdt ‘documentair onderzoek’ in? Hoe onderzoeken de auteurs de genoemde processen? Hoe laten ze feiten spreken? Welke feiten of ‘feiten’ zijn dat? Zijn het die bundels en die tijdschriften? Laten die dan uit zichzelf processen zien? Sanders maakt het niet duidelijk.
2. Hans Puper noemt op 13 juni 2025 op Meander Een nieuw geluid zonder blikken of blozen een ‘monumentale poëziegeschiedenis, een standaardwerk’. Met de eerste kwalificatie kan ik instemmen; over de tweede twijfel ik, daar is meer tijd voor nodig. Puper zegt verder:
De moderne Nederlandse poëzie van 1900 tot 1940 is nooit zo uitgebreid en systematisch beschreven.
[...]
Poëzie ontstaat niet alleen aan de schrijftafel, stellen [Dorleijn & Van den Akker] in de proloog. Dat gebeurt in de context van de literaire ruimte: ‘in de redactieburelen van tijdschriften, in het kantoor van een uitgeverij en vooral onder de pen van de critici die de gedichten en de dichter beoordelen en hem of haar een plaats toekennen en een gezicht geven.’ (Dat laatste is tegenwoordig natuurlijk niet meer het geval). Ook de voorkeuren van lezers, hun koop- of leengedrag, de oordelen van boekhandelaars en bibliothecarissen, kranten, literaire tijdschriften, commerciële geïllustreerde bladen, interviews, literatuuronderwijs en later ook de radio maken deel uit van die literaire ruimte. De ontwikkeling, groei en differentiatie van die ruimten is de rode draad die door het boek loopt. Om daar inzicht in te krijgen was een gigantisch gegevensonderzoek nodig [...].
Opnieuw is de vraag: waar is die gigantische berg gegevens? Waar en hoe hebben Dorleijn & Van den Akker hun materiaal gedocumenteerd en opgeslagen, wat waren bij het zoeken hun grenzen, wat hun selectiecriteria? Wat is hun systematiek? Hebben ze daadwerkelijk, zoals Puper suggereert, zowel uitgebreid als systematisch al de voorkeuren van lezers uit de betreffende periode onderzocht en hun koop- of leengedrag en alle oordelen van alle boekhandelaren, bibliothecarissen, kranten, literaire tijdschriften, commerciële geïllustreerde bladen, interviews, het literatuuronderwijs en de radio? Puper zegt er niets over maar wekt wel de suggestie dat hij een boek heeft gelezen dat zestig maal dikker moet zijn dan dat in de boekhandel voor geïnteresseerden te koop is. Zijn imaginaire exemplaar zou een fors voorbeeld van Rezeptionsforschung kunnen zijn.
3. Op Tzum schrijft AEde de Jong op 18 juni 2025 over deze studie, ‘een kloek werk’ dat ‘niet alleen een naslagwerk, maar ook een leesboek’ zou zou zijn:
[Dorleijn & Van den Akker] hebben alle dichtbundels die tussen 1900 en 1940 in het Nederlands in Nederland zijn verschenen[,] meegenomen in hun analyse. Daarnaast hebben ze zoveel mogelijk Nederlandse tijdschriften uit die periode compleet doorgenomen op poëzie.
Ik vraag me af wat dat is: iets meenemen in je analyse. En: hoe gaat die analyse en wat is het object ervan? Wetenschappelijk georiënteerde recensenten zouden kunnen reppen van de methode: wat is de toegepaste methode? Waarom legt deze recensent dat niet uit? Of staat het ook niet in het dikke boek vermeld?
Verder vraag ik mij af: hoeveel tijdschriften zijn ‘zoveel mogelijk tijdschriften’? Wat beperkte de mogelijkheden richting volledigheid? En wat betekent, zeker in het kader van een literatuurgeschiedenis, het compleet doornemen van tijdschriften op poëzie? Zijn de onderzoekers er niet iets duidelijker over welke tijdschriften ze precies hebben doorgenomen ‘op poëzie’, en over wat ze dan na dat doornemen hebben opgenomen in hun databank?
Ook dit heeft te maken met methode, en met corpusafbakening. Zijn de auteurs wel duidelijk over hun methode(n)? Of is hun verhandeling misschien voor de recensent een tikkeltje te hoog gegrepen?
De Tzum-recensent meldt verder:
In tegenstelling tot hun voorgangers wilden [Dorleijn & Van den Akker] zich niet op sleeptouw laten nemen door de contemporaine beeldvorming, maar deze juist bestuderen. Op basis daarvan hebben ze de literatuurgeschiedenis enigszins gecorrigeerd. Het boek ontstond ‘vanuit een gevoel van onbehagen over de praktijk van de literatuurgeschiedschrijving.’ Die liet zich te veel leiden door de beeldvorming van auteurs en hun tijdgenoten.’
Wat verandert er aan de geschiedschrijving als je niet de contemporaine beeldvorming volgt, maar de contemporaine beeldvorming bestudeert? Hoe doe je dat? De beeldvorming was: Kloos is groot. Bestudering van de beeldvorming zal dan toch wel moeten leiden tot de conclusie dat men vroeger Kloos groot vond?
De methodebeschrijving lijkt De Jong onverkort en kritiekloos te hebben overgenomen uit het besproken boek. De vraag die hij in zijn recensie stelt noch beantwoordt, is: hoe bestudeerden de auteurs de contemporaine beeldvorming? Daartoe hadden ze bijvoorbeeld min of meer contemporaine handboeken literatuurgeschiedenis kunnen analyseren, want die vormden mede het beeld. Of doen de auteurs van Een nieuw geluid toch aan wat in de literatuurwetenschap ooit heette: Rezeptionsforschung? Op welke theorie bouwen ze voort? Welke materialen gebruiken ze daarvoor? Het tellen van gedichten in bundels en tijdschriften lijkt eerder neer te komen op Produktionsforschung.
Verder: welke concrete, feitelijke correcties brengt Een nieuw geluid aan op de resultaten van eerdere literaire geschiedschrijving? Ter Braak, niet bepaald een dichter of poëziecriticus van formaat, ontbreekt niet in dit boek, met zijn standaardpraatje over damesromans terwijl we al jaren weten dat daar meer dan één steekje aan los zit. Correctie was daar wel op zijn plaats geweest.
De recensent van Tzum refereert aan de casus-Leopold; ook dat is geen nieuws. Diens dichtwerk hangt in Een nieuw geluid nog steeds hoog in de canonboom terwijl zijn output kwantitatief bezien, gemeten in het harde aantal gedichten in bundels en tijdschriften, niet heel erg groot was; aanvankelijk wilde hij zelfs helemaal niets publiceren; Boutens’ roofdruk Verzen (1912) zette hem er min of meer toe aan.
Ook de positie van de Tachtigers ontstond niet in de jaren 80 van de 19e eeuw, zoals we altijd geleerd hebben, maar begin 20e eeuw. ‘Het evenement van Tachtig (in de jaren tachtig van de negentiende eeuw) werd pas een bepalend, de literatuur en zelfs algehele cultuur funderend element rond 1900, dus inderdaad achteraf.’
Ik denk toch echt dat de positie van de Tachtigers ontstond in de jaren Tachtig van de negentiende eeuw. Dat hun poëtica pas later breder werd gedeeld, was al bekend. G.H. ’s-Gravesande had dat al gedocumenteerd in De geschiedenis van de Nieuwe Gids (1955). Gerben Colmjon publiceerde in 1963 een boekje over De beweging van tachtig. Een cultuurhistorische verkenning in de negentiende eeuw met daarin een hoofdstuk met de titel: ‘Geen donderslag bij heldere hemel’. Het zaad voor de Tachtiger bloemen was her en der al eerder gezaaid.
Los daarvan lijkt het me niet fout om de toenmalige vernieuwing van de poëzie te dateren op 1882 of 1885: toen werden de diverse bloemen vergaard en werd het zaad intensiever verder uitgezaaid. Dat het gewas pas breed werd geoogst vanaf 1900 lijkt me geen literairhistorisch nieuws. Asselbergs schreef in 1951 ruim vierhonderd bladzijden vol over Het tijdperk der vernieuwing van de Noordnederlandse letterkunde en die periode liep ‘van 1885 tot heden, voorzover zij als geschiedenis kan worden behandeld.’ (p. vii)
Tot slot van zijn recensie in Tzum zegt AEde de Jong:
Het boek gaat niet zozeer over de Tachtigers en hun invloed, maar over het begin van de ‘moderne’ poëzie rond 1900. Een nieuw geluid plaatst dan ook een belangrijke kanttekening bij de heersende literatuurgeschiedenis, die te veel leunt op de beeldvorming die contemporaine auteurs begin 20e eeuw zelf in het leven hebben geroepen.’
Of De Jong heel het boek goed gelezen heeft, lijkt me nog een klein beetje ter discussie te staan; ik zag in Een nieuw geluid weinig concrete kanttekeningen bij ‘de heersende literatuurgeschiedenis’. De hiervoor genoemde werken van ’s-Gravesande, Colmjon en Asselbergs staan niet in de bibliografie van secundaire literatuur van Een nieuw geluid.
4. Op De lage landen schrijft Koen Vergeer op 16 juli 2025 :
[Dorleijn & Van den Akker] gingen de ontwikkeling van de moderne poëzie aan het begin van de twintigste eeuw nu eens echt onderzoeken aan de hand van de feiten, en daarbij niet de structuren van de al bestaande literatuurgeschiedenissen volgen.
Het eerste wat ze deden, was al het materiaal verzamelen. Dat hebben ze geweten: een gigantische hoeveelheid dichtbundels (circa tweeduizend!), tijdschriften, artikelen, bloemlezingen, brieven, interviews (een nieuw genre in die tijd) en andere getuigenissen kwam boven water. Maar ja, hoe zet je zoiets om in grafieken en getallen?
Wat is ‘echt’ onderzoeken, waarin verschilt het van ander onderzoeken, en hoe deden Dorleijn & Van den Akker dat? Vergeer refereert aan ‘harde, verifieerbare data’ waar de empirische literatuurwetenschap om vraagt. Wat zijn in dit kader harde literairhistorische feiten? Hoe sterk of ‘echt’ is het onderzoek als niet duidelijk is hoeveel dichtbundels er feitelijk, daadwerkelijk bij betrokken zijn? En wat zijn de aantallen van andere gebruikte materialen? En inderdaad: hoe zetten de auteurs teksten om in grafieken en getallen?
Uiteindelijk besloten de twee schrijvers het verhaal van de poëzie gewoon [sic] nog eens opnieuw [sic] te vertellen, maar nu dan op basis van ‘de feiten’. Het resultaat is dat zij de literaire ruimte van die tijd zelf beschrijven. De literaire ruimte is eigenlijk het smeermiddel tussen de enorme stapeling van namen en dichtbundels die een literatuurgeschiedenis vaak is.
Geen enkel inzicht biedt deze recensent in de wijze waarop documenten omgezet werden in grafieken en getallen. Het lijkt zo eenvoudig: ‘gewoon nog eens opnieuw vertellen’. Maar dat was juist helemaal niet de bedoeling van de auteurs. Ze wilden de geboorte van een nieuw geluid laten horen op een nieuwe wijze op basis van nieuw onderzoek. Maar, zegt de recensent vergoelijkend:
Natuurlijk ontkomen Dorleijn en Van den Akker niet echt aan de bekende wegen. Een geschiedenis wordt niet helemaal nieuw als je haar empirisch onderzoekt. Voor wie, zoals ik, Nederlandse literatuur heeft gestudeerd, is dit boek veelal een feest van herkenning, nu aangevuld met zeer gedetailleerde informatie en verhalen uit de literaire ruimte.
Hoe natuurlijk is het dat de auteurs (al dan niet ‘echt’) niet ontkomen aan de bekende wegen? En is het werkelijk zo dat in eerdere handboeken literatuurgeschiedenis geen gedetailleerde informatie en verhalen uit de literaire ruimte zijn opgenomen? Kan je een boek over poëziegeschiedenis zonder meer vergelijken met een boek over literatuurgeschiedenis, dus over proza- en poëziegeschiedenis (en essayistiek, toneel...)?
Vervolgens verdwijnt ook het eigenzinnige van het besproken boek uit beeld in de recensie van Vergeer:
Analyses zijn er ook van de grote klassiekers, die – het kan niet anders – de boventoon voeren in deze geschiedenis.
Waarom kan dat niet anders? Voeren analyses van de grote klassiekers werkelijk de boventoon in deze studie, of heeft Vergeer net als ik de hoofdstukken over de christelijke poëzie, de socialistische poëzie en over werk van lager allooi stiekem extreem-cursorisch gelezen?
En verder: wat is in Een nieuw geluid precies de relatie tussen kwalitatief, hermeneutisch onderzoek en kwantitatief, empirisch onderzoek? Vergeer, die naar eigen zeggen ‘Nederlandse literatuur heeft gestudeerd’, legt het niet uit en weet het ook niet op te diepen uit het besproken boek. Wel stelt hij monter:
De lijvige tabellen (restanten van de harde feiten) met wie er allemaal over poëzie schreef, spreken voor zich’.
Ik laat mij door Vergeer bij gelegenheid graag eens de ‘lijvige tabellen’ aanwijzen die hij in Een nieuw geluid heeft gevonden en via hem laat ik ze dan ook graag tot mij spreken, al die ‘restanten van harde feiten’. Ik hoorde er namelijk niet veel van, toen ik het boek zelf las.
Zo bijzonder veel tabellen bevat Een nieuw geluid niet. Het zijn er zes. Ze staan op pagina 46, 436, 438, 575, 891 en 898-899. Hooguit één tabel is lijvig te noemen, namelijk die met een omvang van 55 regels en vier kolommen, het geheel wegens de lengte afgedrukt op twee pagina’s. Soms heet een eenvoudige lijst, of een overzicht of zelfs een inhoudsopgave al een ‘tabel’, zoals op pagina 562, 655, 1097 en 1110.
Misschien studeerde Vergeer al Nederlands toen de computer nog in de luiers lag, de kwantitatieve methode ernaast. Mij lijkt het probleem dat Dorleijn & Van den Akker te weinig en niet goed inzichtelijk gebruik maken van hun databank vol harde feiten die hun gigantisch gegevensonderzoek hun heeft opgeleverd. Ik had veel meer (echte) tabellen verwacht.
5. Bijna had ik zoals Havelaar of Stern in de vertelling over Saïdja en Adinda de lezer gewaarschuwd: myn verhaal is eentoonig; net als dat van de recensenten. Maar dan komt Kila van der Starre op 10 oktober 2025 op De reactor.org met een uitvoerige, kundige, serieuze bespreking. Zij heeft gefundeerde kritiek op de ‘minutieus uitgewerkte kolossale studie met een encyclopedisch karakter.’ Anders dan de voorgaande recensenten legt zij het accent op het concept van de literaire autonomie, naar het mij voorkomt volkomen terecht, want Dorleijn & Van den Akker, leerlingen van A.L. Sötemann, wijden veel aandacht aan die poëticale autonomieclaim van de nieuwe poëzie, zij smeden er zelfs een nieuwe variant bij, de autonomie-plus. Geen enkele van de hiervoor genoemde besprekers heeft die term, met of zonder plus, zelfs maar genoemd, laat staan besproken.
Het autonomieconcept vormt het aangrijpingspunt voor Van der Starres kritiek. Om kort te gaan:
De auteurs verliezen zich gedurende de studie [...] in hun obsessie met het autonomistische fenomeen. Daardoor laten ze te vaak een kritische houding varen ten opzichte van hun eigen positie als onderzoekers, de afbakening van hun corpus en de vraag in hoeverre de wens van de onderzochte dichters om autonoom te zijn ook de werkelijkheid was.
Net als andere recensenten praat ook Van der Starre de auteurs braaf na wanneer ze de feiten, de dichtbundels, de tijdschriften en de (pre-digitale) databank noemt die ze daarmee zouden hebben ingericht. Net als de andere besprekers weet Van der Starre niet hoe die gegevens in die databank eruit zien. Wel legt ze kort maar krachtig uit wat ‘autonomie-plus’ inhoudt, volgens Dorleijn & Van den Akker:
Autonomie-plus is de opvatting dat poëzie zelfregulerend is en haar eigen wetten volgt (de autonomistische opvatting die we al kenden), maar tegelijkertijd sterk verbonden is met de wereld buiten die poëzie (een heteronomistische opvatting die vóór het verschijnen van deze studie juist tegenover de autonomistische werd geplaatst). Met andere woorden: juist dankzij haar autonomie kan moderne poëzie iets zeggen over en teweegbrengen in de wereld.
Van der Starre, die zelf onderzoek verricht naar niet-doorsnee-poëzie, naar poëzie buiten het boek (en in de wereld), heeft haar eigen focus ingezet in haar bespreking en zij ziet ‘dat Dorleijn en Van den Akker eigenlijk constant worstelen met het feit dat die autonomie in wezen nooit overtuigend dominant was’ in de door hen onderzochte periode.
Lees vooral haar artikel; het gaat op interessante wijze in discussie met Een nieuw geluid. Zo schetst Van der Starre de fundamenteel autonomistische en dus niet louter objectieve positie van Dorleijn & Van den Akker met een helder citaat uit hun tweede Intermezzo:
Tachtig had de autonomie op schitterende wijze [sic] gerealiseerd, maar er school ook een groot gevaar in: als de kunst niet langer de dienstmaagd van politiek, sociaal engagement en (religieuze) levensbeschouwing was, dreigde ze haar maatschappelijk belang en dus haar relevantie te verliezen. Om de status van kunst veilig te stellen, was het noodzakelijk haar maatschappelijk te legitimeren, zonder echter de essentie van de autonomie op te geven.
Ik zou eraan toe willen voegen dat mij deze extreem uitgepuurde vorm van de autonomie-opvatting niet vanzelfsprekend een correcte of volledige weergave lijkt van de positie die de Tachtigers verkozen in te nemen. Alleen al het startblok van die beweging, Gedichten (1882) van Perk (op pagina 35 van Een nieuw geluid per ongeluk Verzen genoemd), is een toonbeeld van uiterst moralistische poëzie, vol uitspraken over hoe het leven geleefd moet worden; nieuw is niet de afwezigheid van een buitenliteraire moraal, nieuw is wel dat Perk een volkomen individualistische moraal predikt, compleet van God los: ‘Wie wat zijn aard beveelt, verricht, is goed’. Daarmee eindigt sonnet LX, ‘Wilg en popel’, dat begint met: ‘Meen niet, dat éene deugd voor allen past!’
En die Tachtigers, die hadden hun Shelley wel gelezen, Shelley die dichters zag als ‘the unacknowledged legislators of the world’. Dát is ook hùn nieuwe, zelf verworven, dichterlijke autonomie: dichten over zieleroerselen en over wat (al dan niet in de wereld) die ziel in beroering brengt, zonder een dwingend, prescriptief en algemeengeldend moreel kader a priori, en vooral zonder het volgens hen achterhaalde, christelijke korset. Ze hadden de poëzie heel hoog zitten. Daarom schreef Kloos in zijn inleiding tot Perks Gedichten:
De poëzie is [...] een hartstocht, [...] een dronkenschap, [...] een gloed en een verlangen, een gezicht en een verheffing, waarbuiten geen waarachtig heil voor den mensch te vinden is, en die alleen het leven levenswaard maakt.












