zondag, mei 10, 2026

Prognoses

In Trouw legt Gerwin van der Werf aan de vooravond van de uitreiking van de Libris literatuurprijs 2026 uit wat in zijn optiek de kwaliteiten zijn waarmee Coco Schrijbers – volgens hem weinig opvallende – roman Het gezoem van bijna alles zich onderscheidt van de andere genomineerde werken: 

Het zit hem in dat destructieve, gepaard aan de kalme vertelstem. En in de mooie observaties (‘we zijn wat we bij herhaling doen’), de beeldende stijl.

Daarnaast noemt hij nog het gegeven dat het boek ook handelt ‘over de kracht van literatuur.’ Deze vierde reden waarom volgens Van der Werf deze roman de prijs zou moeten winnen, haalt hij in mijn optiek onderuit door erna op te merken: ‘Daar kun je als jury wel wat mee.’ Alsof de jury zit te wachten op andermans motivatiegronden. En dan: wat moet ik er als lezer ermee? Bovendien houdt het laatste argument van Van der Werf geen steek, omdat hij het niet verbindt aan de kracht van de roman van Schrijber, maar aan het effect van de brieven die het hoofdpersonage in de roman schrijft aan haar familieleden, althans naamgenoten.

Wat betreft de eerste trits van argumenten is het opvallend dat Van der Werf voor maar één ervan het begin van een onderbouwing geeft, namelijk door een enkel citaat te geven als voorbeeld van wat hij mooie observaties vindt. Wat hij verstaat onder een kalme vertelstem, behoeft kennelijk geen betoog; en ook wat een beeldende stijl is, laat hij over aan de lezer om in te vullen; me dunkt een uiterst gewaagde argumentatieve beweging. Mijn voorkeur voor bijna uit de bocht gierende en niet noodzakelijk maar wel bij voorkeur met een enkel graec- of latinisme gekruide overdrijvingen zal immers niet door iedereen gedeeld worden.

Overigens lijkt het erop, doordat hij er niets dan een komma tussen plaatst, dat Van der Werf ‘de beeldende stijl’ gebruikt als alternatieve aanduiding voor ‘de mooie observaties’. Daardoor raak ik de draad van zijn betoog helemaal kwijt.

In de Volkskrant noteert Bo van Houwelingen in een vergelijkbaar artikel een heel andere waardering. Het is haar ‘werkelijk een raadsel wat deze roman op de shortlist te zoeken heeft’. Het in feite saaie (vgl. Van der Werfs ‘weinig opvallende’) boek is haars inziens namelijk 

volgepropt met zó veel inspirational quotes (‘Doen wat je hart je ingeeft’), pseudofilosofie (‘Waarom is er iets en niet niets?’) en quasipoëtische onzin (‘Het gezoem van bijna alles heeft iets in gang gezet wat onomkeerbaar is’) dat mensen als vanzelf gaan geloven dat het mooi en diep is.

De als argumenten fungerende citaten lijken me kort maar duidelijk; alleen de kwantificatie blijft onder de maat.

Het gezoem van bijna alles kan dus met vrucht door mij ongelezen blijven; ik hoef er geen scherp langs de rand van het aanvaardbare snijdende, met beschaafde barbarismen gepeperde hyperbolen in te verwachten.

P.S.
Volgens 1 Tessalonicenzen 5:21 moet ik alles onderzoeken. Daarom las ik een stukje van Het gezoem van bijna alles in het proefje dat de firma Kobo me, als trouwe elezer, gratis aanbiedt. Ik las in het begin van het eerste hoofdstuk (op de tweede papieren pagina, zag ik later in de stenen boekwinkel):

Ze is vergeten het gas uit te draaien, maar een onzichtbaar windje waait het stilletjes uit."

Kan een windje het gas uitwaaien van ‘een tweepits kookplaat’? En dan nog wel een onzichtbaar windje? En ook nog eens stilletjes? Of kan de wind, die bij mijn weten van nature onzichtbaar is, door het open raam op driehoog in feite alleen maar het vuur van de kookplaat uitblazen? Dat lijkt me levensgevaarlijk; niets wijst erop dat Cato in een aanleun-seniorenflat woont met aangepaste aparatuur; ze is in deze scène 18 jaar. Maar nee hoor, dat zie ik verkeerd; Schrijber ziet geen gevaar en noteert direct erna:

Het leven is haar gunstig gezind en alles en iedereen helpt een handje mee.

Een eindje verder, als ‘Catootje’ naar college fietst, is er sprake van een ‘snijdende wind’ die ‘haar bruine krullen in de klit [waait]’. Het kan verkeren.

Ik zal niet meteen concluderen dat er in de bijbel alleen maar onzin staat, maar in dit geval had ik zonder bezwaar vast kunnen houden aan mijn eerder getrokken conclusie: Het gezoem van bijna alles kan met vrucht door mij ongelezen blijven. Te veel humbug, te veel clichés en te veel onzin in dertig woorden. 

Dat versta ik niet onder hyperboliek, evenmin het noodlottig ongeval waardoor in een volgende levensfase van Cato, in het tweede hoofdstuk, haar vijfjarige tweeling bij het onbewaakt spelen verpletterd wordt onder de door hun toedoen omvallende, nieuwe, ‘diepblauw gelakte’ ijskast ‘van roestvrij staal’ die ‘hoger [is] dan hun moeder’ en die, toen hij net was geplaatst, ‘niemand [...] ooit meer van zijn plek zou krijgen’. 


Geen opmerkingen: