Posts tonen met het label Stijl. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Stijl. Alle posts tonen

zondag, mei 10, 2026

Prognoses

In Trouw legt Gerwin van der Werf aan de vooravond van de uitreiking van de Libris literatuurprijs 2026 uit wat in zijn optiek de kwaliteiten zijn waarmee Coco Schrijbers – volgens hem weinig opvallende – roman Het gezoem van bijna alles zich onderscheidt van de andere genomineerde werken: 

Het zit hem in dat destructieve, gepaard aan de kalme vertelstem. En in de mooie observaties (‘we zijn wat we bij herhaling doen’), de beeldende stijl.

Daarnaast noemt hij nog het gegeven dat het boek ook handelt ‘over de kracht van literatuur.’ Deze vierde reden waarom volgens Van der Werf deze roman de prijs zou moeten winnen, haalt hij in mijn optiek onderuit door erna op te merken: ‘Daar kun je als jury wel wat mee.’ Alsof de jury zit te wachten op andermans motivatiegronden. En dan: wat moet ik er als lezer ermee? Bovendien houdt het laatste argument van Van der Werf geen steek, omdat hij het niet verbindt aan de kracht van de roman van Schrijber, maar aan het effect van de brieven die het hoofdpersonage in de roman schrijft aan haar familieleden, althans naamgenoten.

Wat betreft de eerste trits van argumenten is het opvallend dat Van der Werf voor maar één ervan het begin van een onderbouwing geeft, namelijk door een enkel citaat te geven als voorbeeld van wat hij mooie observaties vindt. Wat hij verstaat onder een kalme vertelstem, behoeft kennelijk geen betoog; en ook wat een beeldende stijl is, laat hij over aan de lezer om in te vullen; me dunkt een uiterst gewaagde argumentatieve beweging. Mijn voorkeur voor bijna uit de bocht gierende en niet noodzakelijk maar wel bij voorkeur met een enkel graec- of latinisme gekruide overdrijvingen zal immers niet door iedereen gedeeld worden.

Overigens lijkt het erop, doordat hij er niets dan een komma tussen plaatst, dat Van der Werf ‘de beeldende stijl’ gebruikt als alternatieve aanduiding voor ‘de mooie observaties’. Daardoor raak ik de draad van zijn betoog helemaal kwijt.

In de Volkskrant noteert Bo van Houwelingen in een vergelijkbaar artikel een heel andere waardering. Het is haar ‘werkelijk een raadsel wat deze roman op de shortlist te zoeken heeft’. Het in feite saaie (vgl. Van der Werfs ‘weinig opvallende’) boek is haars inziens namelijk 

volgepropt met zó veel inspirational quotes (‘Doen wat je hart je ingeeft’), pseudofilosofie (‘Waarom is er iets en niet niets?’) en quasipoëtische onzin (‘Het gezoem van bijna alles heeft iets in gang gezet wat onomkeerbaar is’) dat mensen als vanzelf gaan geloven dat het mooi en diep is.

De als argumenten fungerende citaten lijken me kort maar duidelijk; alleen de kwantificatie blijft onder de maat.

Het gezoem van bijna alles kan dus met vrucht door mij ongelezen blijven; ik hoef er geen scherp langs de rand van het aanvaardbare snijdende, met beschaafde barbarismen gepeperde hyperbolen in te verwachten.

P.S.
Volgens 1 Tessalonicenzen 5:21 moet ik alles onderzoeken. Daarom las ik een stukje van Het gezoem van bijna alles in het proefje dat de firma Kobo me, als trouwe elezer, gratis aanbiedt. Ik las in het begin van het eerste hoofdstuk (op de tweede papieren pagina, zag ik later in de stenen boekwinkel):

Ze is vergeten het gas uit te draaien, maar een onzichtbaar windje waait het stilletjes uit."

Kan een windje het gas uitwaaien van ‘een tweepits kookplaat’? En dan nog wel een onzichtbaar windje? En ook nog eens stilletjes? Of kan de wind, die bij mijn weten van nature onzichtbaar is, door het open raam op driehoog in feite alleen maar het vuur van de kookplaat uitblazen? Dat lijkt me levensgevaarlijk; niets wijst erop dat Cato in een aanleun-seniorenflat woont met aangepaste aparatuur; ze is in deze scène 18 jaar. Maar nee hoor, dat zie ik verkeerd; Schrijber ziet geen gevaar en noteert direct erna:

Het leven is haar gunstig gezind en alles en iedereen helpt een handje mee.

Een eindje verder, als ‘Catootje’ naar college fietst, is er sprake van een ‘snijdende wind’ die ‘haar bruine krullen in de klit [waait]’. Het kan verkeren.

Ik zal niet meteen concluderen dat er in de bijbel alleen maar onzin staat, maar in dit geval had ik zonder bezwaar vast kunnen houden aan mijn eerder getrokken conclusie: Het gezoem van bijna alles kan met vrucht door mij ongelezen blijven. Te veel humbug, te veel clichés en te veel onzin in dertig woorden. 

Dat versta ik niet onder hyperboliek, evenmin het noodlottig ongeval waardoor in een volgende levensfase van Cato, in het tweede hoofdstuk, haar vijfjarige tweeling bij het onbewaakt spelen verpletterd wordt onder de door hun toedoen omvallende, nieuwe, ‘diepblauw gelakte’ ijskast ‘van roestvrij staal’ die ‘hoger [is] dan hun moeder’ en die, toen hij net was geplaatst, ‘niemand [...] ooit meer van zijn plek zou krijgen’. 


woensdag, april 22, 2026

Om

In krantenkoppen zie ik vaak een wanhopig dan wel ondoordacht, maar in ieder geval mijns inziens foutief gebruik van ‘om’.

[hier dat lijstje plakken met irriterende citaten, voornamelijk uit de Volkskrant en van NOS-nieuws. Oh ja: ‘krantenkoppen’ hierboven even vervangen door ‘koppen boven nieuwsberichten’]

Maar zelf kan ik er ook wat van. Op Klasse! plaatste ik een stukje over de Nederlandse vertaling van Susan Taubes roman Lament for Julia. Een trouwe en zeer spitse lezer wees me erop dat ik in de titel  en de labels van mijn blogpost dat boek aanduidde als: Treurzang om Julia. Fout! Zo staat het niet op het omslag, zo staat het niet op de titelpagina (de enig juiste bron voor de titelbeschrijving), niet op de Franse titel en tweemaal niet op het achterplat, evenmin in de tekst van de flap van de voorkant van het omslag.

Mijn vrijwillige corrector was zo aardig erbij te vermelden dat hij ‘om’ mooier vond, maar ja, het was niet in overeenstemming met de bibliografische feiten. Ik ben dat geheel met hem eens en heb inmiddels zowel de kop van mijn tekst als het label aangepast.

[tot mijn schrik, ontstentenis en ach-laat-ook-maar zag ik zoëven dat de fout nog wel in de URL van het stukje staat; geen idee hoe dat aan te pakken...]

Ik denk dat ik ‘om’ niet alleen mooier vind, maar ook beter, qua betekenis (en ik denk dat mijn privé-corrector dat ook vindt en bedoelt). Het boek lijkt namelijk helemaal niet bedoeld te zijn als een treurlied ten behoeve van Julia noch als een treurlied dat aan Julia ten geschenke zou (kunnen) worden aangeboden. Welnee, het is de ik-verteller die een roman lang zijn/haar/diens verdriet uit, verdriet om het verdwijnen van Julia, dat wil zeggen om het verdwijnen van de ware, autonome, oorspronkelijke, onbedorven Julia, verpletterd als die wordt door de last van conventies en gewoonten en fatsoensnormen en navenante zelfkritiek.

Een treurzang is, volgens het WNT:
1. een rouwzang; dan is de implicatie dat Julia niet alleen figuurlijk maar ook letterlijk dood zou zijn , wat niet geheel onaannemelijk is, al luiden de eerste zinnen van de roman: ‘Ze is weg. Julia heeft me verlaten. Dit keer voorgoed, denk ik.’;

2. een treurdicht; wat in dit geval de betekenis hierboven niet uit- maar juist insluit, met dien verstande dat ‘dicht’ metonymisch moet worden opgevat als aanduiding van wat het woordenboek noemt: een ‘letterkundig product’;

3. ‘(Fig. of oneig.) Relaas van droevig stemmende feiten’; ook dat past prima bij deze roman: heel het leven van Julia is een aaneenschakeling van meer of minder droevig stemmende feiten, zeker in de optiek van de ik-verteller.

Een alternatieve benaming voor een treurzang is, nog steeds volgens het woordenboek: ‘elegie’ of ‘klacht’. En als ik met die termen als zoeklicht een lexicon van literaire termen in duik, kom ik in een woud terecht van na- en aanverwante namen, waaronder: ‘klaaglied’. En dáár is de bron, meer in het bijzonder: in mijn leeslijst voor het eindexamen. Ik moet me wel heel sterk vergissen als ik Marnix Gijsens Klaaglied om Agnes (verschenen in 1951 met een omvang van 185 pagina’s) ver weg in het laatste kwart der jaren zeventig van de voorgaande eeuw niet gelezen zou hebben.

Of ik het boek nog bezit, waarschijnlijk een pocketeditie, mogelijk iets substantiëlers uit mijn vaders boekenkast, zou ik na kunnen gaan, maar omdat primo Nederlandstalig literair proza in mijn huisboekerij twee rijen dik staat geparkeerd als betrof het zwarte SUV’s op zaterdagmiddag  in de hoofdstedelijke P.C. Hooftstraat en secundo mijn linkerarm nog steeds niet volledig is hersteld van de heftige ontmoeting met een witte Toyota Aygo op de negentiende des vorigen maands, ga ik er niet naar op zoek; te veel gedoe want in principe staat er maar één werk per auteur voor op de plank.

Ik zie op het wereldwijde web dat Gijsens boekje in mijn eindexamenjaar zelfs is verschenen in een Bulkboekuitgave. Wat jammer dat ik er, behalve Gijsens eigen naam en de titel van deze roman, geen herinneringen aan heb, zelfs niet aan de referenties aan Glucks Orfeo ed Euridice, dat later een van mijn klassieke favorieten geworden is, om niet te zeggen: de enige opera waar ik wel van kan genieten.

Wat ik wilde zeggen: ik denk begrepen te hebben waardoor ik het verkeerde voorzetsel gebruikte.

[715 woorden voor of om of betreffende 1 voorzetsel]

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het digitale vakblad voor, door en over taal-, letter- en communicatiekundige neerlandici.

donderdag, april 02, 2026

Een goede metafoor spreekt boekdelen

Soms hoef je, dat is althans mijn ervaring, een metafoor niet eens volledig te doorgronden om ervan te kunnen genieten. Vandaag gebeurde dat bij een metafoor in de column van Frank Heinen in de Volkskrant van gister. Het cursiefje handelt over de vreselijke oud-minister, thans weer vulgaire maar niet minder abjecte parlementariër Mona K.

De tenor, het verbeelde van de metafoor is het recente conflict over partijmacht en zeggenschap dat oplaaide tussen het bestuur van de beslist belabberdste boerenpartij BBB en het inmiddels voormalige partijlid K.

Het vehicle of het beeld van Heinens metafoor is dit:

een frontale botsing tussen de oeuvres van Willem Shakespeare en Yvon Jaspers

Een eerste analyse leert al dat dit beeld zelf ook weer een vorm van beeldspraak bevat doordat er culturele eenheden (oeuvres, oftewel: collecties van materialisaties van abstracte geestesproducten) impliciet worden vergeleken met voer-, vaar- en/of vliegtuigen, want dat zijn de verkeersmiddelen die we, mijns inziens, het best kennen als dingen die in de werkelijkheid letterlijk met elkaar in botsing kunnen komen. Het met ‘botsingen’ benoemen van wat er in CERN-achtige cyclotrons gebeurt met subatomaire materie, is een ander bekend voorbeeld van de beeldende kracht van het metaforisch gebruik van het woord ‘botsing’.

Het tweede woord van het beeld, het bijvoeglijke naamwoord ‘frontale’, versterkt in mijn lezing de beeldende kracht van deze metafoor. Het gaat hier niet om twee voertuigen (ik zelf denk dan eerlijk gezegd, op grond van recent opgedane praktijkervaring, in concreto aan een gemotoriseerd voertuig en een rijwiel) die haaks op elkaar knallen; dan is de impact vergelijkbaar met die van wat heet: een eenzijdige aanrijding, zoals wanneer een auto of fiets tegen een boom aan rijdt. Bij een frontale botsing bewegen beide betrokken vervoersmiddelen in tegengestelde richting waardoor de impact van de collisie veel groter is dan die van een eenzijdige waarbij maar één betrokkene zich verplaatst.

Hoewel ik het oeuvre van Shakespeare niet volledig heb gelezen (ik noteer het er maar bij zodat iedereen er naar hartenlust aanstoot aan kan nemen dat ik er toch iets over zeg), en stiekem denk dat dit ook voor Heinen geldt, ben ik van mening dat de columnist in kwestie, schrijvend over het conflict BBB-K., met de referentie eraan vooral doelt op de bloederige, van moordzucht doordrenkte koningsdrama’s van de wereldberoemde Britse bard en minder of zelfs in het geheel niet op diens even liefde- als raadselrijke sonnetten. Een metafoor, met zijn intrigerende samenspel van vehicle en tenor, van beeld en verbeelde, komt pas werkelijk tot bloei in zijn specifieke context.

Ik wist, toen ik de column las, serieus absoluut niet wie Yvon Jaspers was. Ik dacht werkelijk dat Heinen, zoals zijn collega-Volkskrant-columnist en romancier Arnon Grunberg een dag eerder had onthuld te doen, domweg een voornaam uit de ene overlijdensadvertentie had gelicht en een achternaam uit een andere, om te ontkomen aan een cliché of te voorkomen dat hij een bestaand persoon zou kwetsen terwijl hij een volstrekt willekeurig verzonnen persoon wilde noemen waarvan niemand zelfs maar zou durven vermoeden dat die de auctor intellectualis van willekeurig welk soort oeuvre zou kunnen zijn, het complete tegendeel van Shakespeare dus.

Mijn leeslol werd nog groter toen hier thuis op mijn navraag werd onthuld dat Yvon Jaspers buiten mijn bubbel beroemd is als de presentatrice van het tv-programma Boer zoekt vrouw  ik heb er wel eens een aflevering van bekeken – dat alleen met een fors aantal dwanggedachten te scharen is onder de culturele noemer ‘oeuvre’. Ook al schrijft ze daarnaast kinderboeken en is ze actrice en moeder van twee kinderen, voor de literaire evenknie van de Sweet Swan of Avon zal niemand haar ooit aanzien (en verder dan een enkele ‘Boer’ reikt haar overeenkomst met BBB ook niet).

Die incompatibiliteit geeft de impact van de frontale botsing in de metafoor van Heinen een enorme boost. De juiste woordkeus als semantische deeltjesversneller.


Dit bericht kreeg een tweede leven via het digitale vakblad voor neerlandici Neerlandistiek.nl

woensdag, september 24, 2025

Over opgeven

Vertrouw geen blurb. Een waarheid als een koe, waar ik steeds niet aan denk als ik in wezen al over de kooptwijfel heen ben. Leuk onderwerp, dacht ik, toen ik er iets over las in een vooralsnog betrouwbare bron, namelijk Filosofie Magazine. Ik zeg er ‘vooralsnog’ bij, omdat ik het blad nog niet zo lang lees, maar tot nu toe wel met interesse vooraf en tevredenheid na dien.

Waar gaat het over? Over opgeven, beter nog, omdat het misschien verkeerde associaties kan genereren: over het boek van Adam Phillips met de titel On giving up. (Penguin, z.p., 2024, 160 blz.). Ik las een interview met de schrijver, een psychoanalyticus met een ‘omvangrijk oeuvre’ op zijn naam; hij is ook hoofdredacteur van de Penguin Modern Classics-vertalingen van Sigmund Freud. Het interview intrigeerde me en ook de paginagrote foto van Phillips die eraan voorafgaat viel bij mij zeer in de smaak. Daarbij deed de onzichtbare grensovergang tussen filosofie en psychoanalyse ook een duit in het zakje; die gaf wellicht de doorslag: spoorslags toog ik naar de webwinkel.

En als dan pontificaal op het omslag John Gray wordt geciteerd: ‘The best living essayist writing in English’, dan wordt zelfs post factum mijn koop- en aansluitende leesdrift bepaald niet getemperd maar aangewakkerd.

Ik had kritischer kunnen zijn en beter mijn zout op de aanwezige slakken moeten strooien: Gray noemt Phillips niet The best essayist’. Nee, Phillips zou alleen uitsteken boven het maaiveld van de levende essayisten en, tweede inperking, boven het maaiveld van de in het Engels schrijvende essayisten. Het barst naast hem wellicht van de even goede en betere doch dode essayisten, om nog maar te zwijgen van de levende en dode anders dan Engelstalige essayisten. Het essay is, nota bene, uitgevonden door een inmiddels bijzonder dode, buitendien Franstalige denker. Ik had op mijn hoede moeten zijn.

Onder het citaat van Gray staat er nog een, van John Banville: ‘One of the best prose stylists in the language’. Een flutblurb van jewelste bij nader inzien en als je het mij vraagt omdat Banville niet aangeeft om welke taal het gaat (grapje) en omdat hij het alleen maar heeft over de stijl en niet over de tekstsoort en daardoor niets zegt over de inhoud. Hetzelfde had hij kunnen zeggen over noem maar welke gothic novelist dan ook en ik had mijn digitale pensioen- en AOW-pegeltjes diep in mijn portemonnaie laten gedijen. Wel eerlijk is het van Banville dat hij niet zo overdrijft als Gray; Phillips zou maar ‘een van de beste’ zijn, waarmee hij duidelijk heeft aangegeven dat er volgens hem nog veel meer beste stilisten in de (betreffende) taal zijn.

Een andere alarmbel had af moeten gaan bij het lezen van het eerste van de vier motto’s die voorafgaan aan de eigenlijke tekst; dat eerste motto begint zo: ‘Another way of saying this would be’. Nog voor het boek begonnen is, nog voor er iets gezegd is, wordt er al een andere manier geopperd om hetzelfde te zeggen. Hoe kon ik weten dat Phillips inderdaad ongeveer niets van wat hij heeft te zeggen in één keer in de juiste vorm weet te gieten.

Hoe groot mijn belangstelling voor het onderwerp ook is, hoe warm en kruidig het als een amuse gueule  in het interview ook werd opgediend, na 26% van het boek gelezen te hebben, heb ik de hoop opgegeven om ooit tot het einde ervan te geraken. De stijl van Phillips is onverdraaglijk. Zodra hij aan een zin begonnen is, onderbreekt hij zichzelf door er een betrekkelijk zinledige parenthese in te weven, een flodderige onderbreking van de zin in de vorm van een tussen komma’s, streepjes of haakjes genoteerde oprisping. Inderdaad: drie notatiewijzen voor een en hetzelfde soort zins- en betoogdraadontwrichting.

Een tweede stilistisch manco, dat doorzeurt tot in de betoogtrant, is het onophoudelijke ge-‘or’. Het lijkt in eerste instantie of Phillips zich voorzichtig zoekend en heel genuanceerd probeert uit te drukken, iets wat in een essay best goed kan, al denk ik met angst en vrees terug aan mijn lectuur van Menno ter Braaks oeverloze schuchterheid, die hem noopte tot het tussen aanhalingstekens zetten van ongeveer ieder begrip waar hij gebruik van probeerde te maken. Ook Phillips lijkt maar niet tot stevige uitspraken te durven komen en weigert mij als lezer bij de hand te nemen en vastberaden door de materie te leiden naar de panoramapositie waar hij met mij uit wenst te komen.

Tijdens het lezen van On giving up was ik niet onmiddellijk begonnen met het markeren van stijlkreukels, maar op een gegeven moment merkte ik dat ik mijn hoofd niet bij het betoog kon houden en begon ik te vrezen dat er minder betoog was dan er zijpaden om, langs en onder het betoog heen werden bewandeld. Het duurde niet lang eer ik de regelmaat zag: primo de afleidende oprispingen, secundo de ‘or’-brokjes en ‘and’-klontjes met een herhalings-, om niet te zeggen: stottereffect.

Na 26% las ik de eerste pagina maar eens opnieuw. Hoe welwillend had ik die bij de eerste leesgang kennelijk gelezen. Ik schrok de tweede keer: zo graag wilde ik mijn veronderstelling nou ook weer niet ondersteund zien. Ik citeer de eerste zin van de ‘Prologue’:

When people say, in the ordinary way of things, that they are giving up, they are usually referring to something like smoking, or alcohol, or chocolate, or any of the other anaesthetic pleasures of everyday life; they are not, on the whole, talking about suicide (though people do tend to want to give up only their supposedly self-harming habits).

De stoorzenders zal ik hieronder markeren (helaas ontbreekt het me aan typografische techniek om een analyse weer te geven zoals Richard Lanham doet in Analyzing Prose):

When people say, in the ordinary way of things, that they are giving up, they are usually referring to something like smoking, or alcohol, or chocolate, or any of the other anaesthetic pleasures of everyday life; they are not, on the whole, talking about suicide (though people do tend to want to give up only their supposedly self-harming habits).

Het semantische nut van de parentheses ‘in the ordinary way of things’ en ‘on the whole’ ontgaat me. De zin van de enumeratie ‘smoking’ - ‘alcohol’ - ‘chocolate’ verdwijnt als sneeuw voor de zon van de leuke, overkoepelende formulering die erachteraan komt: ‘anaesthetic pleasures of everyday life’. Bovendien lijkt me ‘tobacco’ - ‘alcohol’ - ‘chocolate’ met drie stofnamen een betere enumeratie van wat samengenomen ‘pleasures’ heten. Als, tot slot, de laatste parenthese als een zinvolle aanvulling op of nuancering van de eraan voorafgaande deelzin bedoeld is, begrijp ik niet waarom die nuance of aanvulling door de haakjes is weggemoffeld uit de hoofdzin.

Wat, zo vraag ik mij af, verandert er aan het gezegde, als het in de volgende vorm wordt gegoten:

When people say that they are giving up, they are usually referring to the anaesthetic pleasures of everyday life; they are not talking about suicide.

Het antwoord lijkt me: er staat hetzelfde, maar dan duidelijker en steviger, misschien ook uitdagender.

Maar goed, kennelijk wil Phillips wat hij te zeggen heeft op zijn eigen manier zeggen. Waarom geef ik me daar niet aan over? Ik kan me er niet aan overgeven omdat de stijl van Phillips mij in de weg zit, omdat hij al schrijvende draalt, draait, struikelt en zevert.

Een eind verder in het boek, in paragraaf III van het hoofdstuk ‘On Giving Up’, het eerste hoofdstuk na de ‘Prologue’, staat op pagina 90 van de 558 pagina’s die het boek telt op mijn e-lezer, deze zin:

And so the reason Freud proposes something that is by his own admission ‘theoretical’ – neither verifiable nor falsifiable empirically – and that had no obvious biological validity (how could there, in Darwins terms, be an instinct to not survive?), is, I think, that he needs to find a way of addressing or acknowledging or talking about modern human experience, the wish to give up.

Hoewel het door de opening ‘And so’ duidelijk is dat Phillips hier een conclusie formuleert die hij trekt uit het voorafgaande, stopt hij er toch weer sporen in van dat nog vers in het geheugen liggende voorafgaande, maar ook een nieuwe overweging die eigenlijk behoort tot het aan de conclusie voorafgaande. Hij gaat, als Slijmering in Max Havelaar, zo ontzettend moeizaam vooruit, doordat hij steeds treutelpasjes op de plaats maakt of zelfs achteruitstruikelt terwijl ik als nieuwsgierige lezer vooral verder wil. Waarom zou ik anders een essay lezen?

De toegepaste stijltechnieken in het hierboven staande citaat zijn achtereenvolgend:

- parenthese met streepjes,
- parenthese met haakjes, met daar weer in een
- parenthese met komma’s,
- oprisping tussen komma’s, plus
- enumeratie met ge-‘or’, en als klap op de vuurpijl
- explicatie bij een onnodig omslachtige formulering.

Het hele boek gaat over ‘the wish to give up’ maar Phillips omschrijft zijn centrale onderwerp in het citaat op het laatst maar eens als ‘a modern human experience’, wat in feite neerkomt op een onberedeneerde, niet onderbouwde stelling; wat dus die explicatie nodig maakt. Alsof dat nog niet genoeg is, voegt hij daar nog een opmerking aan toe: ‘The most secular wish of all […]’. Maar dan schrikt hij van zijn eigen straffe woorden, wellicht ook omdat hij daarmee buiten de lijnen van zijn essay kleurt, en vlakt hij vervolgens zijn eigen oprisping halfslachtig uit met ‘[…], one might say.’

Nog heeft hij geen genoeg van zijn eigen peripatetische getreuzel, want de volgende alinea begint zo: 

We should note, in passing, that […].

Van werkelijk ‘passing’ is evenwel nauwelijks sprake, laat staan van doorlopen, opschieten, gaan met die banaan.

Het valt te vrezen dat al dit stilistisch geëchternach de uitkomst is van een welbewuste strategie om zogenaamd aangenaam, quasi ex tempore, losjes formulerend ergens proberen te komen (zie de woorden ‘ordinary’, ‘usually’ en ‘everyday life’ in het eerste citaat). Ik wens Phillips nog veel plezier op zijn wandeling in zijn slordig aangeharkte parkje, maar ik ga de hond ergens anders uitlaten en mijn Senecaanse kuiergang oefenen.

[...]

Dat gedaan hebbende, heb ik alle moed die me nog restte verzameld en heb ik me nog eens in de leesstand gedwongen en ben verder gegaan met lezen in het hoofdstuk ‘Dead or Alive’. Helaas struikelde ik daar over dezelfde stilistische hindernissen en drong zich bovendien een nog niet eerder (h)erkende stilistische onhebbelijkheid van Phillips op aan mijn aandacht. Net als de parentheses en het ge-‘or’ en -‘and’ lijkt ook deze stijlkronkel een symptoom te zijn van Phillips grenzeloze onmacht om in de meest letterlijke zin, althans in steenkolen-Engels, to the point te komen.

Hij maakt zijn zinnen niet af, zelfs niet als hij wel al een full stop heeft genoteerd; met een zekere regelmaat kachelt hij daarna verder met een onderdeel van de voorgaande zin. Daardoor ontsieren onvolledige zinnen als de volgende zijn essay:

That life hass to be invaded and [sic] subjugated as though it is a foreign country, not somewhere we are already living in. Life as elsewhere, something we have to get to, or [sic] find, or [sic] seek out.

De zin is iets beter te begrijpen wanneer je weet dat ze afhankelijk is van de voorgaande, die begint met: ‘The implication here being’, waaraan voor de punt al vier bijzinnen zijn vastgeknoopt; de hierboven geciteerde is de vijfde in dezelfde reeks. Zo moeilijk vindt Phillips het om te zeggen dat een personage in een roman, die hij zelf in zijn betoog heeft betrokken, reflecteert over ‘this strange elusiveness of life that seems to haunt and [sic] drive the narrative’, namelijk van The Wings of the Dove van Henry James. Zo ingewikkeld is het niet wat het personage bedenkt: ‘Life [...] was what he must somehow arrange to annex and possess.’

Overbodig te zeggen dat Henry James hier niet vervalt in een Phillipsiaans ge-‘and’ omdat hij geen relatie van platte identiteit legt door middel van zijn voegwoord, zoals Phillips wel aan de lopende band doet in zijn wanhopige zoektocht naar het juiste woord, maar een relatie van chronologie en contiguïteit.

Verder – om het zo maar te zeggen – dan 29% van On Giving Up (mijn e-lezer houdt dat op deze manier bij) kom ik niet, of wil ik niet komen, of kan ik door de stijl van Phillips niet komen. 

zondag, augustus 17, 2025

Gestrikt

Nog niet heel lang ben ik geabonneerd op Filosofie Magazine maar het genoegen dat ik eraan beleef is al groot. Een helder, steeds verrassend en ook leerzaam periodiek.

In het jongste nummer (8, jaargang 2025) trof me de rubriek ‘Hetzelfde anders’ (p. 81) in het bijzonder. Ik wil er graag op reageren, omdat vooral de tekst mij aan het denken zette. En met de tekst bedoel ik dan natuurlijk (?) vooral de vorm waarin de tekst gegoten is, de zinnen en de gebruikte woorden. Ik citeer eerst, onder het bijbehorende beeld, de tekst, met door mij toegevoegde regelnummers en plaats mijn kanttekeningen eronder.

Beeld: Bianca Sistermans

 Instappen

1. Schoenen zijn strikt genomen middelen. 2. We schieten ze aan als we iets uit de schuur moeten pakken, zodat we geen koude, vieze of natte voeten krijgen, en we ons niet bezeren. 3. Maar zodra we instappen voelt iedereen zich onmiddellijk verheven boven deze middelmatigheid. 4. Bij schoenen met hakken is dit letterlijk zo, en omdat de middelmatigheid afneemt naarmate de hak hoger wordt, is de verheffing tot een nieuwe status quo radicaler. 5. Maar ook met klompen, sloffen of kaplaarzen stappen we telkens moeiteloos en zonder het te willen in een andere wereld. 6. En dat zien we als we schoenen zien: de middelen die we gebruiken om te doen wat we willen, brengen ons ook altijd iets wat we niet wilden, maar wel willen.


Ad 1. Wat zijn schoenen als we ze – of: het concept ‘schoen(en)’ – niet strikt nemen?

‘Strikt’ betekent iets als: streng, nauwkeurig, precies (ik vaar al jaren betrekkelijk blind op het gedigitaliseerde Woordenboek der Nederlandsche Taal). Misschien is in deze context bedoeld: ‘letterlijk (en dus niet figuurlijk)’. Maar dan nog: wat zijn schoenen wanneer we ze niet strikt nemen? Beschermmiddelen wellicht die om iets anders dan (menselijke) voeten gaan, zoals handschoenen en kabelschoenen. Zo ontzettend afwijkend is dat toch niet?

Dat probleem daargelaten, lijkt het me zonder meer duidelijk dat schoenen middelen zijn, zeker voor wie schoenen gebruikt, of dat nu is om droge, schone en/of minder snel bezeerde voeten te hebben en houden, dan wel om er hard(er) mee te lopen of (met specifieke modellen) beter bergen mee te kunnen beklimmen. Of om mee te voetballen. Er zijn immers verschillende soorten schoenen die elk voor een specifiek doel gemaakt zijn. Zelfs zijn er schoenen die vooral het aanzien van de drager vergroten, die laten zien dat de eigenaar een zekere smaak en/of veel geld heeft. Zo heeft elke schoen, of elk paar schoenen, een doel en is daarom inderdaad te zien als middel.

Alleen voor de schoenmaker zijn (nieuwe c.q. gerepareerde) schoenen een doel; maar dan zijn ze, in combinatie met het ambacht, nog steeds ook middelen, namelijk om geld mee of aan te verdienen.

Het lijkt hierom overbodig om in deze zin de specificatie ‘strikt genomen’ op te nemen; er hoeft immers geen semantische vaagheid uit de weg te worden geruimd. Een korter alternatief volstaat: Schoenen zijn middelen.

Na deze herformulering valt me eens te meer op dat het woord ‘middelen’ wèl te ruim, te vaag, te weinig specifiek is. Uit de erop volgende zin blijkt pas dat bedoeld is: ‘hulpmiddelen’ of, beter nog, ‘gebruiksvoorwerpen’.

Ad 3. Het (tegenstellend) voegwoord ‘Maar’ leidt tot verwarring omdat in deze derde zin geen tegenstelling wordt geschetst met de strikt genomen schoenen; er wordt hier immers niet gezegd dat schoenen, wanneer we ze aan hebben getrokken, opeens geen middelen meer zouden zijn, maar doelen, of immateriële concepten. Dat is maar goed ook, want schoenen, aan of uit, blijven schoenen.

Waar ‘deze middelmatigheid’ naar verwijst of aan refereert, is onduidelijk, tenzij hier ‘middelmatigheid’ als een soort neologisme is gebruikt om ‘het middel-zijn’ mee aan te duiden, dat in zin 1. werd opgevoerd. ‘Middelmatigheid’ wijst normaliter op een eventuele, maar in (het voorafgaande deel van) het tekstje zelf niet genoemde of zelfs maar gesuggereerde geringe kwaliteit, het niet-uitnemend zijn of de alledaagsheid van iets.

Ad 4. In deze zin wordt het al te vaak misbruikte woord ‘letterlijk’ letterlijk misbruikt. Wie voelt zich nou werkelijk en niet-figuurlijk boven zijn of haar schoenen verheven wanneer hij of zij daarin is gestapt? Hopelijk niemand. Men kan, geschoeid met iets beters dan slippers en evident met discoschuiten met blokzolen aan of antieke cothurnen, zich hooguit een ietsje meer boven de aarde verheven voelen dan blootvoets of op kousen dan wel sokken.

Ad 5. Opnieuw is het voegwoord ‘Maar’ niet op zijn plaats, wederom omdat er niet een tegenstelling wordt geformuleerd maar een stelling wordt uitgewerkt en bekrachtigd, de stelling dat niet alleen schoenen een gevoel van verheffing zouden kunnen bewerkstelligen maar ook andere vormen van voetbekleding.

Waarschijnlijk moest ik het tekstje minder serieus nemen dan ik vooronderstelde op grond van het medium waarin het is opgenomen, want de termen ‘verheffing’ en ‘status quo’ lijken hier, strikt genomen, ook niet echt op hun plaats, figuurlijk gesproken; ze lijken ingezet te zijn als ingrediënten van een opzettelijk humoristische, quasi-filosofische amuse gueule, dit ondanks het gegeven dat het stukje helemaal achterin het magazine is opgenomen, een plek waar vroeger in ik weet niet meer welk literair tijdschrift de rubriek ‘De proppenschieter’ stond.

Toch plaats ik mijn misschien al te serieuze reflectie hier, omdat, primo, in het bijschrift van de rubriek ‘Hetzelfde anders’ staat: ‘Coen Simons en Bianca Sistermans kijken nog eens goed in woord en beeld’ (mijn cursief; FS) en, secundo, op de bijgeleverde foto strikt genomen geen schoenen maar Zweedse klompen of muilen staan afgebeeld. Een schoen – ik baseer me wederom op het WNT – is: de ‘Buitenste voetbekleeding, bepaaldelijk van een buigzame stof en uit meer dan enkel een zool bestaande.’


Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het digitale vakblad voor Nederlandse taal- en letterkunde.

donderdag, juni 19, 2025

‘Why I Write’

Zo af en toe kruist een tekst van Joan Didion mijn pad bij wijze van spreken. Ook deze keer verliep het contact via een straatbibliotheekje hier in de buurt. Daar zag ik Let Me Tell You What I Mean. Zo heet het volgens de titelpagina. Op het omslag heet het let me tell you what I mean. Het boek heeft een voorwoord van Hilton Als. Het is de heruitgave anno 2022 als paperback door 4th Estate in London van hetzelfde werk dat oorspronkelijk, waarschijnlijk als hardback, verscheen in 2021.

Dit gevonden exemplaar zag er nog geheel ongelezen uit, zonder kreuk of vouw of marginalia, maar met wel twee boekenleggers van Walter’s Bookshop in Groningen, en achterop een prijsstickertje dat me leert dat ik met deze vondst bijna veertien euro, het equivalent van bijna negen pond, heb bespaard op mijn boekenbudget (als ik dat zou hebben). 

Omdat van veel essays de titel me weinig zegt, begon ik, op een zonnige donderdagmiddag, met een essay, oorspronkelijk uit 1976, waarvan ik onderwerp en titel wel begreep: ‘Why I Write’. Ik maak deze notitie over dit essay hier, omdat ik er een heel mooie ‘uitspraak’ in tegenkwam over stijl, die ik graag verder wil verspreiden, omdat anders dit tot voor kort ongelezen exemplaar zo weinig leven krijgt:

Grammar is a piano I play by ear, since I seem to have been out of school the year the rules were mentioned. All I know about grammar is its infinite power. To shift the structure of a sentence alters the meaning of that sentence, as definitely and inflexibly as the position of a camera alters the meaning of the object photographed. Many people know about camera angles now, but not so many know about sentences. The arrangement of the words matters, and the arrangement you want can be found in the picture in your mind. The picture dictates the arrangement.

Daar wil ik het vooralsnog bij laten, voor ik Boileau erbij betrek. Het volgende stuk in de bundel heet trouwens ‘Telling Stories’. Dat wil ik ook lezen. 

 

 

dinsdag, juni 10, 2025

Vergrotender trapper

Het gebeurt nog steeds: ik wil iets lezen omdat de kop boven een artikel in de krant mijn aandacht trekt. Nu was het een bericht dat meldde dat men in Iran bezig is het houden, het vervoeren en/of het uitlaten van honden aan regels te binden en zelfs te verbieden; dat laatste lijkt het doel. Autocraten hebben immers idiote trekjes. Nu dit weer. Gevolg? Iraanse burgers met een gezonde afstand tot de malle mores van de denkpolitie gaan juist honden aanschaffen, vervoeren en uitlaten in de openbare ruimte.

Maar voor ik het artikel ten einde had gelezen, was mijn aandacht al weggedwarreld naar een prikkelende formulering in het bericht in de digitale Volkskrant (d.d. 9 juni 2025). Ik citeer:


Ik denk dat ik zelf de formulering ‘steeds vaker’ heel vaak gebruik in gesprekken en monologen, dus zo gek is die in wezen misschien niet, maar ermee geconfronteerd op schrift struikelt mijn lezend oog er wel over als iemand anders er gebruik van maakt.

Er zitten twee haakjes aan de formulering in mijn optiek (neem me de pijnlijke beeldspraak niet kwalijk). In de eerste plaats lijkt er in de frase de suggestie te zitten van een oneindige acceleratie, iets wat in weinig tot geen tijd tot een fysieke onmogelijkheid moet leiden. Je kunt iets morgen tweemaal doen, en dat is dan vaker dan vandaag eenmaal, en vervolgens kan je het overmorgen driemaal doen, wat weer vaker is dan de dag ervoor, en daarna viermaal en zo verder, maar hoeveel verder dat kan gaan, lijkt me gebonden aan een grens, om niet te zeggen: eindpunt. Op één dag kan je een hond bijvoorbeeld maximaal 96 keer een kwartier uitlaten. Meer kwartieren zitten er nu eenmaal niet in een etmaal, en een hond korter dan een kwartier uitlaten is volkomen onzinnig, zeker als je, zoals ik, multatuliaans op drie-hoog-achter woont. Ik laat het aan een rekenkundig begaafder iemand over om uit te vogelen hoelang je bezig bent om een hond elke dag een kwartier meer uit te laten dan de dag ervoor, maar mijn intuïtie zegt: het is een beperkte reeks. Kortom: ‘steeds vaker’ is een onmogelijkheid, zodra die grens is bereikt. En daarom vind ik het een beetje een onzinnige formulering.

In de tweede plaats denk ik dat er in Iran waarschijnlijk maar heel weinig mensen zijn die daadwerkelijk zelfs maar basaal ‘vaak’ een hond kopen, zelfs in het huidige kynokataklyptische tijdsgewricht. Ook daar moet een fysieke grens aan zijn, al was het maar omdat je (veel) geld (over) moet hebben om steeds weer een hond erbij te kunnen kopen, en om steeds meer honden te voeren en, inderdaad, om die steeds talrijker wordende hondenschare ook nog eens steeds vaker per etmaal uit te laten; met zestien honden haal je de 96 keer per dag echt niet, zelfs niet als je al die beesten hebt geleerd strikt synchroon te poepen en de burgerplicht verzaakt om de shit achter al die hondenaarzen op te ruimen. Iraniërs zijn in onze ogen misschien een mythisch volk, maar zo verheven lijkt me bovenmenselijk.

Ik begrijp ook wel dat de journalist van dienst een en ander niet zo letterlijk, maar heel anders bedoeld heeft. Ik denk en hoop dat de verslaggever heeft willen zeggen dat meer (vooral jonge en rijke) Iraniërs de laatste tijd een hond kopen dan in de tijd voordat de hondenrestricties van hogerhand van kracht werden. Of er ook ‘steeds’ meer hondeneigenaren bijkomen, kan ik van hier uit niet overzien, maar op een gegeven moment moet de voorraad jonge en rijke Iraniërs (financieel en anderszins) uitgeput zijn. Dat laat zich raden, hoe duur hier de olie ook wordt.


Een grappige (pas op, dit wordt een lange zin) bijkomstigheid, zo dacht ik na een blik in het WNT, is dat een betekenis van – en synoniem voor – ‘vaak’, voor zover ik weet, niet de mogelijkheid biedt er een vergelijkbare, tot vreemde, fictieve of imaginaire (wan)toestanden leidende formulering mee te maken. Immers: ‘dikwijls’ kent, bij mijn weten (en de gratis online Van Dale ondersteunt dat), geen vergrotende trap. We weten nu wellicht waarom.

Rest de vraag: waaraan dankt ‘vaak’ de mogelijkheid tot vorming van de vergrotende, en zelfs ook de overtreffende trap, terwijl er geen ‘dikwijlzer’ en ‘dikwijlst’ is, noch ‘dikkerwijls’ en ‘dikstwijls’?


Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online vaktijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde.

woensdag, maart 26, 2025

Dat kan toch best anders... (aflevering 2)

Enig genoegen beleefde ik aan het lezen van Camping van Maartje Wortel (Prometheus, Amsterdam 2024; digitale editie naar de eerste druk, 2024) niet. Wat een aanloop naar een intrigerende roman lijkt te zijn, blijkt al ruim voor de helft van het boek, dat op papier 240 pagina’s bevat, te verzanden in een vlakke herhaling van luchthartige tot laffe zetten, zonder enige spanning, zonder verdieping van personages of thematiek, zonder enig klaarblijkelijk vooropgezet plan zelfs; en het einde is er met de haren bij gesleept. Het merendeel is afval van de werkplaats van een taxidermist: vulling van een dode mus.

De stijl sprankelt nergens, verleidt op geen enkele wijze tot gretig verder lezen, is ingetogen noch uitbundig, maar zo grijs dat zelfs pasticheren onbegonnen werk is. 

Wel lijkt het taalgebruik door de bank genomen in orde. Op enkele bedenkelijke, en daardoor taalkundig maar niet literair interessante passages na.

1. Het begon al op de eerste digitale pagina, waar iemand knikkers telt ‘[d]oor het stof van de knikkerzak heen’.

2. Vier ‘bladzijden’ verder staat een zin die in mijn hoofd maar geen betekenis weet te ontsteken:

De voorspellingen die ze had gedaan over de kwaliteit van water weken bijna nooit af, behalve de regelrechte afgrond in.

De zin staat, zoals ze hierboven staat, in het boek. Ik heb het citaat vier keer gecontroleerd, waarvan een maal door het van achter naar voren te lezen en te vergelijken met de brontekst.

Het blijft de vraag of er niet onder andere moet staan: ‘de kwaliteit van het water’, met het lidwoord dat sub 1 al voor problemen zorgde. Maar dan nog is de betekenis van de zin onbevattelijk, voor mij althans.

Daarnaast is het me onduidelijk waarvan de voorspellingen al dan niet afweken.

Het laatste deel van de volzin is wel een beetje een grappige ontsporing, zeker met dat ‘regelrechte’ als bijvoeglijk naamwoord, terwijl het me tegelijkertijd aardeduister is en blijft, wat een ‘regelrechte afgrond’ zou kunnen zijn.

3. Negentig bladzijden verder staat dit:

Hij was een van de weinige mariniers die geen dieren at, vooral geen vis.

Een syntactische enkel-/meerfout van de eerste orde: het onderwerp is in dit geval meervoudig, de persoonsvorm ten onrechte enkelvoudig. Maar ook hier is het laatste deel van de zin wel enigszins grappig, want hoe kan je ‘vooral geen vis’ eten als je überhaupt geen dieren eet. Het is evenwel van dezelfde flauwe soort humor als hierboven sub 2. 

4. Geen echte taalfout, maar wel zinloos-ongewoon geformuleerd is:

[Z]e had net als niemand van ons een keuze.

Zeg dat ze, net als iedereen of wij allemaal, geen keuze had, en iedereen snapt het onmiddellijk.

5. Van het zwembad, ‘[h]et grootste pluspunt van de camping’, wordt het volgende gezegd:

Er was echter geen glijbaan of duikplank, je kon ook niet in het zwembad staan, behalve als je groter was dan één meter negentig.

De roman heeft, afgezien van deze zin, geen enkele verwantschap met enige vorm van magisch-realisme.

6.        [H]ij zag eruit alsof hij in staat was een coupe te plegen.

Ik heb geen idee hoe je een haardracht of een ijsschaaltje pleegt.

8. Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden zijn toch moelijker dan men soms denkt:

Hij droeg een montuur met een goud montuur dat mooi afstak bij zijn huid.

Hieronder volgt, in aansluiting op item 4, de categorie ‘niet fout maar wel onhandig geformuleerd c.q. getuigend van een zeer vervelend soort neo-literaire nep-ironie annex dito besluiteloosheid’. Kwestie van smaak, ook dat.

7. Een kleine ingreep is soms al een verbetering.

een land [...] waar zij lokale specialiteiten zouden proeven in authentieke eetgelegenheden, die zij meestal meteen in hun hand uitspuugden.

Dit klinkt als een groteske, bijna letterlijk; is eenvoudig te verbeteren:

een land [...] waar zij in authentieke eetgelegenheden lokale specialiteiten zouden proeven, die zij meestal meteen in hun hand uitspuugden.

8. Onhandig geformuleerd, en lelijk:

Martha mocht dan wel niet van tennis houden, de jongens wel.

Laat dat domme, spreektalige, eerste ‘wel’ weg, en er is een vuiltje minder aan de lucht.

9. ‘Misschien van alles.’

En daarmee wordt dan de ontwikkeling van de intrige (voor zover aanwezig) gaande gehouden... dam per’apsez.

10. Alsof de auteur per woord betaald werd:

Rafi was een vriend van een vriend van een van de geliefden van Mila’s vriendinnen. Die vriendin hield er meerdere geliefden op na.

11. Perhaps be damned, om Pound nog maar eens te citeren uit het typoscript van The Waste Land:

Maar je went aan alles als je geen keuze hebt. En je went waarschijnlijk zelfs aan alles als je wel een keuze hebt. 

 12. In plaats van de thee krijgt de lezer het leeg getrokken zakje geserveerd:

Milla was iemand die vaak een zin eindigde met: weet je nog? In de hoop dat ze het allemaal nog wisten en tegelijkertijd in de hoop dat ze het allemaal zouden kunnen vergeten.

Met een beetje redactie valt hier nog wel wat van te maken, al verkies ik een plekje op een andere camping.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

maandag, januari 20, 2025

Dat kan toch best anders...

Op de een of andere manier had hij geen honger en voelde hij zich niet moe meer.

Toen ik deze zin las, op pagina 201 van Marcel Mörings roman Mordechai (Prometheus, Amsterdam 2025), was de boot aan.

Wat vooraf ging
De eerste zin van deze 506 bladzijden dikke roman had me meteen het verhaal in gesleurd:

Toen Mordechai Gompertz zijn interviewer buiten westen sloeg was hij tweeënzeventig jaar oud en bevond hij zich op het toppunt van zijn roem.

Ook de tweede, die veel langer is, mag er zijn, al was het maar vanwege de tussenzin over de veronderstelling dat Mordechai de Nobelprijs ‘waarschijnlijk allang [zou] hebben gekregen als hij niet zoveel over joden en zo weinig over politiek had geschreven’. Ja, Möring-ironie! Meer! Ga door!

Wel jammer (maar dit terzijde, en onder voorbehoud, want het is een heikel puntje, geloof ik), wel jammer van de spatie, de spatie die ontbreekt tussen ‘zo’ en ‘veel’. 

Mordechai bleek, terwijl ik nog niet eens op de helft was, dè nieuwe Nederlandse roman te zijn waar ik al een tijd op zat te wachten, zeg maar ongeveer sinds Nirwana (2023) van Tommy Wieringa, een stevige, veel omvattende vertelling met grote vaart en stevige Schwung, potige zinnen, een brede blik en een grote thematische greep, tot ver buiten de pluizige grens reikend van het naveltje van (het narratologische alter ego van) een auteur. Het was al een tijd geleden dat ik een Möring had gelezen en ik had erg veel zin in deze nieuwe; en gelukkig voldoet hij geheel aan mijn verwachtingen.

Maar toen
Bijna geheel, moet dat zijn. Voorop staat dat ik, al lezende, grote moeite heb gehad het boek weg te leggen voor een rondje met de hond, een maaltijd, wat broodnodige slaap of zelfs aandacht voor de allerliefste. Maar toch was er al vroeg iets wat in het hoekje van mijn lezende oog stak.

Möring, dat blijft voorop staan, schrijft meeslepend, gevarieerd, kleurrijk, niet slap, niet flauw, niet plat, niet simplistisch-realistisch, gelukkig wel zonder futiele jargon-nabootsingen en focalisatie-constructies van twaalf- tot zeventienjarigen en andere millennialeske romanflauwekul. Eén spatie te weinig, dat moet kunnen, die zien we door de vingers, evenzo de klassieke verwarring van ‘niet het minst’ en ‘niet in het minst’ (175). Overigens staat op pagina 224 van Mordechai wel de juiste formulering.

Dit
Maar wat echt niet kan, vind ik, is het gratuit strooien met de quasi-nuancerende, maar in wezen morsdode, oeroude stoplap ‘op een of andere manier’. Als je niet weet hoe iets precies gebeurt of in elkaar steekt, zeg er dan niets over of probeer die onzekerheid, dat zoeken en tasten, nauwkeurig te formuleren; daar ben je, dacht ik, schrijver voor. Een stoplap helpt je beschrijving echt geen millimeter vooruit. Allez, niemand ontkomt eraan dat er af en toe een (spreektalige) stoplap in hun geschreven tekst sluipt, maar frequent en bij voortduring dezelfde stoplap in je tapijt weven getuigt op z’n minst van redactionele, maar ook van schrijverlijke luiheid (goed opgelet: de beeldspraak met de ingeweven stoplap klopt niet).

Möring verbruikt in Mordechai heel wat schrijfgaren aan deze stoplap. Een voorbeeld (het enige dat ik ben tegengekomen met de extra nuance ‘vreemde’ erin):

Hij kon ook Rivka zien, die op de bank in de kamer muisstil zat te wezen en op de een of andere vreemde manier leek het alsof hij hoorde wat zij dacht. (54)

Wat verandert er aan deze beschrijving, wanneer we haar in de volgende vorm aan het papier of scherm  toevertrouwen?

Hij kon ook Rivka zien, die op de bank in de kamer muisstil zat te wezen en het leek alsof hij hoorde wat zij dacht.

Mijn antwoord: niets, helemaal niets, geen ruk, geen hol, geen nuance, geen spanning, geen twijfel, geen moer, helemaal niets.

Dit was niet de eerste verschijning van deze uitgekauwde betekenisloze stoplap uit de categorie ‘op (de) een of andere manier’ in deze roman. Ik was hem in de voorgaande vijftig bladzijden, denk ik, al zeven of tien keer (te veel) tegengekomen; ik heb die niet genotuleerd; maar vanaf dat moment was mijn maat vol en ben ik wel gaan boekhouden, tegen mijn zin want de roman is echt heel goed, maar ik geloofde op de een of andere manier mijn eigen ogen eigenlijk best wel niet. Een bladzij verder was het weer raak:

Op de een of andere manier was het nooit goed. Alles was te veel of te weinig, te veel controle door de overheid of niet genoeg, te veel aandacht voor minderheden of te weinig, te veel informatie of juist niet, te veel vrijheid of niet genoeg. (55)

Dat kan ook anders, en niet minder goed maar beter:

Het was nooit goed. Alles was te veel of te weinig, te veel controle door de overheid of niet genoeg, te veel aandacht voor minderheden of te weinig, te veel informatie of juist niet, te veel vrijheid of niet genoeg.

Nog geen twintig pagina’s verder, weer raak, nu in een zin die tevens een alinea is:

Op de een of andere manier putte Mordechai daar weinig troost uit. (71)

Doet de volgende formulering het niet net zo goed?

Mordechai putte daar weinig troost uit.

Desnoods:

Mordechai kon daar maar weinig troost uit putten. 

En als het echt nodig is, al snap ik de reden niet, kan dit ter variatie:

Mordechai kon daar hoe dan ook maar weinig troost uit putten. 

Dan duurt het even, maar na bijna vijftig bladzijden is er weer een, eveneens in een alinealange zin:

Op de een of andere manier moest Mordechai aan zijn grootvader denken en daarna aan de allereerste Gompertz, die van het zoekgeraakte of, waarschijnlijker, niet-bestaande boek. (119) 

Dat kan best anders:

Mordechai moest aan zijn grootvader denken en daarna aan de allereerste Gompertz, die van het zoekgeraakte of, waarschijnlijker, niet-bestaande boek. (119) 

Of, om er een kleurtje aan te geven:

Onwillekeurig moest Mordechai aan zijn grootvader denken en daarna aan de allereerste Gompertz, die van het zoekgeraakte of, waarschijnlijker, niet-bestaande boek. 

Verderop:

Het was een innerlijk conflict dat hem nooit had verlaten en nu was dat op de een of andere manier actueel geworden, zonder dat hij goed kon definiëren waarom. (155)

Dat kan met gemak ruimschoots beter, want het ‘op een of andere manier’ wordt ook al weergegeven door ‘zonder dat hij goed kon definiëren waarom’:

Het was een innerlijk conflict dat hem nooit had verlaten en nu was dat actueel geworden, zonder dat hij goed kon definiëren waarom.

Nog geen twintig kantjes verder:

Van Flo was niets te verwachten en hij kon zich op de een of andere manier niet onttrekken aan... Wat? (169)

Dat kan beter:

Van Flo was niets te verwachten en hij kon zich niet onttrekken aan... Wat?

Meteen aan de ommezijde:

Op de een of andere manier had hij een geweldige bende verwacht, kleren op de vloer, een aanrecht met een vieze vaat van een week of meer, dode planten, een lege koelkast en overal flessen en volle asbakken. (170-171)

Zie toch hoe slinks in deze beschrijving wordt aangegeven dat de flessen hoogstwaarschijnlijk leeg zullen zijn door de eraan voorafgaande lege koelkast en de clichématige combinatie met de expliciet volle asbakken erna. Maar de formulering van de verwachting kan beter:

Hij had een geweldige bende verwacht, kleren op de vloer, een aanrecht met een vieze vaat van een week of meer, dode planten, een lege koelkast en overal flessen en volle asbakken.

  Zes bladen verder:

Het was een korte ontmoeting geweest, maar een die Mordechai had aangemoedigd om Berlins essay ‘Two Concepts of Liberty’ te lezen en dat had op de een of andere manier bijgedragen tot zijn boek. (176)

 Ik val, niet voor mijn plezier, in herhaling: dit kan beter:

Het was een korte ontmoeting geweest, maar een die Mordechai had aangemoedigd om Berlins essay ‘Two Concepts of Liberty’ te lezen en dat had bijgedragen tot zijn boek.

 Twee zijden later:

De jaren zestig en de echo daarvan, de jaren zeventig, waren eindelijk voorbij en nu leek een tijdperk te beginnen waarin jonge mensen werkelijk anders waren en hoewel hij zelf niet meer tot die groep behoorde was hij op de een of andere manier vervuld van een ongekend soort optimisme.

Proef het verschil – of, als je het mij vraagt, het ontbreken ervan – tussen deze twee versies van dezelfde mededeling, waarvan de laatste is ontstaan door een minimale redactionele ingreep, namelijk het wissen van zes woorden:

De jaren zestig en de echo daarvan, de jaren zeventig, waren eindelijk voorbij en nu leek een tijdperk te beginnen waarin jonge mensen werkelijk anders waren en hoewel hij zelf niet meer tot die groep behoorde was hij vervuld van een ongekend soort optimisme.

Stijl wordt onder andere gemarkeerd door woordkeus. Mijn stelling is dat het verschil tussen de twee formuleringen in de bovenstaande paren steeds bestaat uit slechts zes dezelfde woorden, dat het verschil in stijl, in zeggingskracht en in inhoud van de twee formuleringen steeds volkomen nihil is, dat de betreffende zes woorden inhoudsloos zijn en dat ze daarom zonder afbreuk te doen aan de kern van de stijl van Möring met een gerust hart uit de tweede druk van de roman weggelaten kunnen worden.

Mocht dat laatste werkelijkheid worden (of bij een latere druk, kan ook, als het boek snel en goed verkoopt), dan ben ik gaarne bereid die herziene versie aan te schaffen en mijn exemplaar van de eerste druk (hardcover met stofomslag) cadeau te doen aan iemand met een smalle beurs en die niet struikelt over repetitieve klein- of onbenulligheden.

Nog geen twintig bladzijden verder duikt de formule, aan het eind van een zin die zestien regels beslaat, weer op; ik citeer hem in de kleinste context; ik laat het aan de lezer om het citaat zónder de zes vermaledijde woorden te lezen:

dat hij [...] de pornograaf was van zijn familiegeschiedenis en dat hij dat op de een of andere manier, diep van binnen, eigenlijk altijd had geweten. (192)

Voor alle duidelijkheid: dat ‘diep van binnen’ geeft al aan dat het niet gaat om evidente kennis, en ook dat ‘eigenlijk’ suggereert iets in die richting.

Omdat variatie verfrissend kan zijn, citeer ik hierna wel de zinnen die in het boek verontreinigd zijn met de stoplap, maar ik laat die stoplap achterwege, en waar nodig (ten gevolge van de emendatie) heb ik, eveneens stilzwijgend, de woordvolgorde veranderd. In enkele gevallen citeer ik voor een goed begrip ook de zin die voorafgaat aan of volgt op de zin met de gewraakte woordklont.

201 - Hij had geen honger en hij voelde zich niet moe meer.

214 - Hij had dit zelf tot stand gebracht maar het leek ineens onwerkelijk en hij kon zich zelfs al niet eens meer goed herinneren hoe hij dat had gedaan.

215 - Klara en Ephraim, ze waren beiden aanleiding voor het gesleep met het familiearchief.

256 - Mordechai was nog geen Australiër tegengekomen die zich niet verbonden voelde met het land waar zijn voorouders vandaan kwamen.

262 - De logica zei dat de moderne dynamiek van relaties betekende dat twee op de drie paren op den duur uit elkaar gingen, maar hij had gedacht dat zij aan die statistiek zouden ontkomen.

281 - Hij schrok van die gelijkenis.

286-287 - Hij had nooit nagedacht over haar voorgeschiedenis.

315 - Ze was van middelbare leeftijd, een kop kleiner dan Ephraim, haar zwarte haar was met een lint bijeengebonden in een vlecht en je kon niet zeggen of ze slank of mollig was.

337 - Hij had zijn wenkbrauwen opgetrokken. In het donker van de slaapkamer kon ze dat niet zien, maar ze wist dat toch.

341 - Ze verstonden elkanders taal niet, maar dat was geen beletsel. Ze spraken met elkaar en Ephraim begreep dat de schipper zijn god dankte dat hij meestal op zee was en daardoor weinig meekreeg van oorlogen, opstanden conflicten en vetes. ‘De zee,’ zo begreep Ephraim zijn mengeling van woorden en gebaren, ‘is een goede moeder.’

345 - De gebeurtenissen op de kermis hadden hem doen terugdenken aan de jaren die achter hem lagen.

364 - Hij herinnerde zich zijn moeder, Jetta van Vlies, als een lieve vrouw toen hij een kind was, dat was veranderd toen hij opgroeide. Hij wist niet waarom.

365 - Dat ze thuis Jamaica-rumbonen snoepte was niet in tegenspraak met haar periodieke vroomheid.

373 - De verkoop van de winkel en het boek zouden bijna genoeg opleveren voor een huis. Hij moest meer geld verdienen. 

392 - Haar rectie stelt hem teleur. Alsof het er niet toe doet dat hij weggaat.

409 - De scènes vloeien in elkaar over en het was alsof hij door Carls ogen naar de werveling van beelden staarde, alsof hij hem werd en met hem opzag naar een groot onzegbaar iets wat er moest zijn, maar nergens zichtbaar was.

410 - ‘Hij was natuurlijk zo gek als een deur,’ zei de opzichter toen hij en Mordechai waren gaan kijken. ‘Maar ik voel me een lul als ik denk aan wat hij heeft gedaan.’

432 - Zijn resolute optreden had tot gevolg dat het hele groepje volgde.

436 - Ze had in de rij gestaan toen hij in een Groningse boekhandel signeerde, een vrouw van Ruths leeftijd, midden vijftig, gehuld in bontgekleurde lappen stof die bij elkaar waren gekomen in de vorm van kleding.

446 - Zelfs toen het bonzen zich verplaatste naar de ramen werd zijn rust er niet door verstoord.

450 - Hij  vertelde over zijn ontmoeting met mevrouw Wolf en, toen dat naar zijn zin niet genoeg verklaarde, over Ruth en dat zijn grootmoeder veel meer moeder was geweest. Het was ook nodig om over Ephraim en Maurice te vertellen om duidelijk te maken dat Ruth en Rebekkah alles alleen hadden gedaan en voor hij het wist zei hij dat het allemaal begonnen was met de allereerste Gopertz: [...].

459 - Dat jonge mensen ondanks een leven voor zich vroeg konden sterven en ouderen met een lage levensverwachting nog flink ouder konden worden maakte geen deel uit van de rekensom.

465 - Het minst van alles begreep hij het chauvinisme van mensen die het bijzonder vonden dat ze in Amsterdam, New York of Beijing woonden, dat ze zich identificeerden met een stad, een land.

483 - Hij schudt zijn hoofd. Het is zelfs een geruststellende gedachte dat Judith daar woont.

486 - Ze waren ongeveer even oud, maar hij was haar blijven zien als de vrouw die hem ooit in haar schuur had laten slapen. In de tussenliggende jaren [...] waren er kraaienpootjes rond haar ogen verschenen, haar haar was grijs geworden, op de rug van haar handen schemerden levervlekken.

488 - Hij had dat... vertrouwd... gevonden.

490-491 - Mordechai herkende in haar gezicht de trekken van Rebekkah en dat verontrustte hem. 

502 - Hij kon er niet aan ontkomen om het verhaal van Lichtenstein te vertellen.

 

P.S. 

Hors concours, want het lijkt me meer een ondeugdelijke formulering dan alleen maar een stoplap: 401 - Waarom had iemand hem hier opgehangen? Vanwege het een of ander oude bijgeloof?’ Dat moet toch zijn: Vanwege een oud bijgeloof?’?

 

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

  

Post P.S.

Een dikke tien jaar geleden las ik Mörings Louteringsberg. Tot mijn verbazing zag ik net (21-02-2025) dat ik toen over een of andere stoplap struikelde.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde. 

donderdag, augustus 08, 2024

Kummer aller Art

Fragmentje uit een scène in een Duitse post voor spoedeisende hulp: 

‘Was habe ich denn?’, fragt Onkel Ulrich [Schwester] Gertrud, und man sieht ihm an, dass er sich fürchtet. ‘Das weiß ich nicht, ich hab ja nicht Medizin studiert’, sagt Gertrud, ‘aber Ihre Angst auch nicht.’

Alleen al om deze scène zou men Mariana Leky het Kruis van Literaire Verdiensten moeten opspelden. Het citaat is te vinden in haar bundel columns Kummer aller Art (DuMont Buchverlag, Köln 2022). 

Ook de aanprijzing van het boek in het boek zelf is stilistisch de moeite waard, (hoe vaak worden die tekstjes door de auteur zelf geschreven) en – voor zover ik dat kan beoordelen terwijl ik nog maar een aselecte steekproef van 22,4 % van de bundel heb gelezen – volledig waarheidsgetrouw:

Klug, humorvoll und mit großem Sinn für Feinheiten und Absurditäten porträtiert Mariana Leky Lebenslagen von Menschen, denen es nicht an Zutraulichkeit mangelt, wohl aber am Mut zur Erkennntnis, dass man dem Leben nicht dauerhaft ausweichen kann.

Bij nader inzien dacht ik even dat het eerste citaat, waar het me hier om gaat, dat uit de scène in de SEH, misschien vooral zo goed is door de inhoud van de mededeling, namelijk dat je angst vaak niet gebaseerd is op kennis en dus grote kans loopt niet gegrond te zijn op een stevige laag van feiten, en dat je er in een angstige situatie beter aan doet, af te wachten hoe zich de boel gaat ontwikkelen dan onmiddellijk te panikeren.

Daarna bedacht ik dat die inhoud al welbekend is, niet in de laatste plaats door het culturele cliché ‘De mens lijdt nog het meest / door het lijden dat hij (m/v/x) vreest’.

In derde instantie echter zag ik dat dit afgereden Nederlandse cliché in stilistisch opzicht weinig meer is dan slappe thee, goed voor op een spreekwoordelijk tegeltje, en dan de prullenbak in met die dooddoener.

De formulering die Leky voor deze (kennelijk grensoverschrijdende) volkswijsheid kiest, is op het eerste gezicht misschien ook niet al te fraai, vooral door dat driewerf ‘nicht’. Daar staat tegenover dat die drie ontkenningen keurig zijn verdeeld over drie korte deelzinnen.

Daarvan lijken me de eerste twee geheel spreektalig; het ontbreekt hun aan een vakkundige boetsering. De eerste is een heel alledaagse flutzin; de tweede geeft een verklaring bij die mededeling met behulp van een luchtig ertussen geworpen ‘ja’ in plaats van een wat meer formeel ‘denn’, ‘nämlich’ of ‘schließlich’.

Dan de derde deelzin van Schwester Gertrud. Die is de klap op de vuurpijl, liever gezegd: een genadeloos en staccato mitrailleursalvo van vier knalharde trocheïse stampvoeten met een schokkend groot gat erin en met een grafische hoofdrol voor de a/A: ‘aber Ihre Angst auch nicht.’

Daar komt natuurlijk bij dat deze deelzinnen onderdeel zijn van een korte dialoog, die een onderdeel is van een kleine scène, waarin door dat slotakkoord opeens een derde, tot dan abstract gebleven personage, wordt geconcretiseerd, zodat het ook geobjectiveerd wordt, waardoor het hanteerbaar kan worden.

Dat laatste hoop ik in ieder geval voor Onkel Ulrich.

P.S.
Alles is relatief. Nu ik, vier dagen later, het boek uit heb, moet ik er toch bij aantekenen dat de erin verzamelde ‘literarische Kolumnen’ door de bank genomen een tikkeltje saai, of vervelend of monotoon ben gaan vinden. Misschien moet een mens columns ook helemaal niet bundelen en heruitgeven. Eens per maand een enkele column in Psychologie Heute was wellicht een betere dosering. Of, hand in eigen boezem, ik moet leren prozabundelingen niet te binge-lezen.

De stukjes van Leky blijken namelijk weinig meer te zijn dan verslagjes van weinig verheffende, alledaagse voorvalletjes van haarzelf en/of huisgenoten, kleinburgerlijke evenementjes met een licht-tragisch of semi-dramatisch, veelal weemoedig aspect, opgediend op een bedje van licht-hyperbolische en even zachtzinnig-ironische formuleringen, met hier en daar een toefje voorzichtig absurdisme. Het hangt allemaal zo ongeveer een beetje als het ware tussen Godfried Bomans en Simon Carmiggelt, voor zover ik me nog iets kan herinneren van hun midden in de vorige eeuw geteleviseerde, steeds nèt niet laatdunkende, doorgaans goedgemutste en altijd oubollige beschrijvingen van lotgevalletjes van Nederlandse soortgenoten, met kleine tussenpozen voorzien van een vleugje zelfspot, aan de waarheid waarvan de kijker allengs ging twijfelen.

zondag, juni 23, 2024

Weer over een zin

Ik las deze zin:

Een doorn is geen splinter, want daar zitten geen weerhaakjes aan.

Mijn eerste, onmiddellijke, onbekookte reactie was: ‘Ja, duhuh! Niet dus! Aan een splinter zitten géén weerhaakjes, aan een doorn juist wèl, althans: dat kan voorkomen!’

Vervolgens, na een moment van bezinning, bedacht ik dat een beetje schrijver dat natuurlijk (pun intended) ook wel weet, en dus niet zoiets wil zeggen als wat ik in die zin las. De meer naar de dieptestructuur neigende formulering van deze zin zou dus niet zijn:

a) Een doorn is geen splinter, want aan een doorn zitten geen weerhaakjes.

maar: 

b) Een doorn is geen splinter, want aan een splinter zitten geen weerhaakjes.

Na een tweede moment van overwegingen (het is weer zo’n geval van: ik begrijp het wel, maar het staat er niet) vroeg ik me af waarom de betreffende schrijver, Daniël Rovers, hier in één, weliswaar samengestelde, zin van het ene grammaticale onderwerp (Een doorn) plots overstapt of -springt naar een ander, namelijk daar, dat hier kennelijk (maar m.i. niet klaarblijkelijk) naar splinter verwijst? Inderdaad neem ik daarbij de vrijheid te veronderstellen dat mijn intuïtie me niet bedriegt. Dat ik het slachtoffer kan zijn van syntactisch gezichtsbedrog, zou ik waarschijnlijk eigenlijk juist niet moeten uitsluiten.

Enige bijkomende overwegingen waren geen overwegingen maar vragen: ‘Hoe kan ik deze zin beter formuleren?’ en: ‘Hebben echt alle doorns (doornen) weerhaakjes?’

Als antwoord op de tweede vraag kwam in mij naar boven: ‘Ik dacht het niet.’ Maar een bioloog ben ik niet en m’n rozenstruiken heb ik, toen ik die nog had, nooit met behulp van een microscoop bezien. 

Op mijn biologische lekenvraag (ik lijd nauwelijks aan biologische intuïtie) gaf de zoekmachine op zondagochtend mij niet snel genoeg een helder antwoord. Wel kreeg ik de onbedoelde informatie dat een bamboesplinter, in weerwil van Rovers apodictische uitspraak, weerhaakjes maakt. Rovers’ maxime klopt dus (ook) van de andere kant niet.

Nu gaat het in de roman waar ik de zin in las, Walter (Wereldbibliotheek, Amsterdam 2011, pagina 31) over een splinter van de vloer van een slaapzaal in een klein-seminarie in Noord-Brabant in 1953; ik vermoed (inderdaad, ik weet niets van rooms-katholieke architectuur) dat bij de bouw daarvan weinig met bamboe werd gewerkt. Dat moet toch ook in de overweging worden betrokken, met andere woorden: het kan zijn dat Rovers zijn hoofdpersoon, Walter, bij wie de focalisatie ligt, niet verder laat kijken dan zijn neusje lang is of dan zijn eikenhouten dormitorium klein was.

Daar komt nog bij dat Walter (plm. 13 jaar oud in het betreffende hoofdstuk) door die splinter terugdenkt aan een preek van een pater die refereerde aan de doornenkroon van Jezus van Nazaret die, voor zover ik de dominee eertijds goed begrepen heb, niet van bamboe was gefabriceerd (diens doornenkroon, bedoel ik). De nieuwe bijbelvertaling heeft het over doorntakken als basismateriaal van dat sarcastische ornament, lees ik op Wikipedia.

Ik tik verder en wacht intussen op een interessante suggestie van een plantkundige bioloog op mijn tweede vraag.

Nog voor ik een antwoord kon gaan bedenken op de eerste vraag, trof mij de herinnering aan een andere tweedelige zin met nevenschikkend voegwoord, die ik reeds had gelezen en geciteerd voor ik was begonnen aan het lezen van de roman van Rovers. Die zin trof ik aan in een recensie in De gids van 1933 door Martinus Nijhoff van Jeanne van Schaik-Willings roman Uitstel van executie (1932):

De puinhoop is niet het leven, maar het gras dat er groeit.

Daar is ook wel wat ontleedkunde op los te laten. Maar zelfs tastend op je syntactische klompen voelt de verhouding tussen de twee delen van deze zin in nuce veel evenwichtiger aan. Bijzonder is wellicht dat pas na lezing van de gehele zin duidelijk wordt dat De puinhoop niet het onderwerp is van de eerste deelzin, maar het naamwoordelijk deel van het gezegde ervan. Doordat de ontkenning in de eerste deelzin (gemarkeerd door niet) benadrukt wordt door de afwijkende formulering van de zin, krijgt deze veel nadruk, en de erop volgende positieve propositie in de tweede deelzin krijgt daardoor eens te meer aandacht, die ook getrokken wordt door de alliteratie van gras en groeit. Dat laatste woord van de zin staat in vol contrast met de inhoudelijke noties die verbonden zijn aan de eerste woordgroep ervan. Mooier kan een antithese niet geformuleerd worden.

Wat nu, dacht ik, als ik de Rovers-zin licht aanpas in de richting van de Nijhoff-zin:

Een doorn is geen splinter, want er zitten geen weerhaakjes aan.

Dán zou de verwijzing in het tweede deel (door er) naar het onderwerp in het eerste deel volgens mij meer voor de hand liggen. Het bijwoord daar in de Rovers-zin verwijst volgens mijn intuïtie net wat anders dan het er van Nijhoff. Ik zou wel willen weten of dat formeel en theoretisch klopt.

Bij aanpassing van de Nijhoff-zin in de richting van de Rovers-zin gebeurt er in mijn syntactische gevoelscentrum echter gek genoeg nagenoeg niets :

De puinhoop is niet het leven, maar het gras dat daar groeit.

Wel kan het zijn dat daar nu de mogelijkheid heeft de lezer af te leiden van de puinhoop naar een andere plaats; en dat is niet de bedoeling.

Behalve op hulp, bijstand, informatie en inzicht van een plant-, hoop ik nu ook op die van een taal- of taalgebruikskundige, iemand die schik heeft in dit soort (minimalistische) varianten in zinsbouw of woordkeus met al dan niet verwarrende implicaties voor de betekenis.

Bouwstenen van deze post verschenen eerder op Instagram s.v. De vrolijke hermeneut ©
Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.