dinsdag, maart 15, 2016
maandag, februari 01, 2016
Quotum, of: geconsolideerd inzicht, dan wel: Bel, 'spits', Bloed en rozen
[E]ind vorige [= 19e] eeuw ontstond er een diepe kloof tussen kunstenaar en maatschappij. Het gevolg was dat er zich een even wijde gaping dreigde te openen tussen de nieuwe literatuur en het publiek. De tegenstelling tussen de hoge kunst en de ontspanningslectuur, die waarschijnlijk al in de hele negentiende eeuw aanwijsbaar is, werd opeens op de spits gedreven.Ton Anbeek en Jaap Goedegebuure, Het literaire leven in de twintigste eeuw. Leiden: Martinus Nijhoff 1988: 18-19.
De Tachtigers [...] staken hun minachting voor het grote publiek niet onder stoelen of banken. Hiermee dreven ze de tegenstelling tussen 'hoge kunst' en ontspanningslectuur, die al de hele negentiende eeuw aanwijsbaar was, welbewust op de spits.Helleke van den Braber, Geven om te krijgen. Literair mecenaat in Nederland tussen 1900 en 1940. Nijmegen: Vantilt 2002: 61-63.
Aan het eind van de negentiende eeuw hadden veel kunstenaars zich afgekeerd van de samenleving. Er ontstond een breuk tussen auteur en publiek, tussen kunstenaar en maatschappij. De tegenstelling tussen hoge literatuur en ontspanningslectuur, die al in de negentiende eeuw bestond, werd toen door sommige auteurs op de spits gedreven.Jacqueline Bel, Bloed en rozen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900-1945. Amsterdam: Bert Bakker 2015: 78.
woensdag, januari 20, 2016
Bel, Braak, Bloed en rozen
![]() |
| Uit: Menno ter Braak, Mémoires involontaires. Facsimile-editie bezorgd door ir. Elizabeth de Vooze. Oldenkotte: J. W. Vreugdendal & Zn, 1916, p. 573. |
donderdag, december 24, 2015
Bel, Piet, Bloed en rozen
Bij tijd en wijle zegt ze, niet alleen over die bijna of helemaal vergeten werken, dat een boek ook nu nog leesbaar is. Dat vind ik dan weer jammer eigenlijk, omdat een serieus handboek niet een babbeltje is aan de stamtafel van café DWDD, in mijn optiek. Bovendien weet ik niet of ik precies die boeken die Bel (nog) leesbaar vindt, eveneens leesbaar vind. En wat zegt het als ik al dan niet mèt haar van mening zou zijn dat de interviews van E. d'Oliveira "heel leesbaar en beeldend geschreven" zijn? En mag ik tegensputteren: 'Maar die van zijn kleinzoon zijn leesbaarder en beeldender geschreven"? En dan nog: ik zou die interviews echt niet meer lezen wegens leesbaarheid van hun geschreven-zijn, maar vanwege de erin opgeslagen informatie over de toenmalige literatuur en literaire smaak. Dit terzijde.
Waar ik naartoe wilde: wat schetst mijn vroolijke verbazing als ik in deze Belse baksteen zomaar een aparte paragraaf ingeruimd zie voor de dichter wiens werk - althans een klein stukje ervan - onderwerp was van mijn doctoraalscriptie? Geen idee, maar het is zo. Ik denk dat het voor het laatst was in het handboek dat ik eertijds als student moest bestuderen, herstel, althans nuancering: de handboeken literatuurgeschiedenis die de studenten Nederlandse taal- en letterkunde te Utrecht moesten bestuderen, ergens in het laatste kwart van de vorige eeuw. Want we moesten toen alle vier de delen tot ons nemen van het reeds in het eerste des betreffende hoorcollege tamelijk vakkundig neergesabelde Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde.
In deel IV (vijfde, geheel herziene, druk, Den Bosch 1976), handelend over de 'Moderne letterkunde derde tijdvak 1875-1916', meer in het bijzonder als onderdeel van de 'Derde generatie 1905-1916', noemt G.P.M. Knuvelder 'mijn' dichter op maar liefst 43 bladzijden, en vijftien daarvan beslaan die ene, alleen aan hem gewijde paragraaf. Dat aantal haalt hij bij Bel niet, maar toch heeft Querculus bij haar nog altijd 34 mentions, inclusief die eigen paragraaf van 4,33 pagina's. Dat is vet meer dan zijn generatiegenoot Gossaert krijgt (20); dat het veel minder is dan twee andere generatiegenoten krijgen, ligt wel in de rede, afgaande op hun klaarblijkelijk 'belang': A. Roland Holst en J.C. Bloem scoren 43 respectievelijk 51 pagina's met vermeldingen.
Wat zou mijn dichter daarvan gevonden hebben, deze 'zeloot van een pantheïst', die zelf - niet in z'n eentje overigens - een tijdschrift oprichtte dat hij Leiding noemde?
woensdag, december 16, 2015
Bel, belang, bloed en rozen
Vervolgens haalt ze Carel Scharten (De gids, 1907) citerend en parafraserend aan, die Gorter en Roland Holst "grote dichters" vond, en Adama van Scheltema wat "zwakker" van stem maar wel een "lichte, gemakkelijk-áánsprekende bariton", Van Collem een "aanstellerige epigoon van de Tachtigers", en Bonn met zijn "futtige ongeliktheid" wel plezierig. (234-235)
Wat gebeurt hier nu precies op het gebied van evaluatie? Die Scharten was een contemporaine criticus, en Bel is een 21ste-eeuwse literatuurhistorica; hun oordelen lijken overeen te stemmen. Maar van de laatste zou ik toch meer argumentatie willen horen: op grond van welke overwegingen noemt ze Herman en Henriette de belangrijkste socialistische dichters en Adama van Scheltema (alleen maar) eentje met een groot lezerspubliek?
Het doel van de socialistische dichters was - denk ik - het verheffen van het arbeidersvolk. En in dat opzicht lijkt me Adama van Scheltema, met zijn grote publicitaire reikwijdte ('s mans werk is nog steeds met geen mogelijkheid te omzeilen in antiquariaten) wel een tikkie belangrijker dan Gorter en Holst.
Maar Gorter krijgt aansluitend nog een hele eigen paragraaf van vier pagina's toegemeten in deze literatuurgeschiedenis: 'Gorter en De school der poëzie' (235-238). Daardoor lijkt hij als nóg 'belangrijker' te worden beoordeeld dan al die anderen (Scharten beschrijft hem en Holst echter ook als "koorzangers van een nieuw geloof, maar uitklaterend [sic] een verouderde kaste-taal").
Anders gezegd: de polyperspectiviteit van Bel lijkt me hier kieskeurig en niet neutraal-beschrijvend (en ik weet ook wel dat neutraal niet mogelijk is, maar toch...) Daar pieker ik dan over op woensdagochtend.
woensdag, december 09, 2015
Bel, brows, bloed en rozen
En ook de literatuur voor de jeugd krijgt er - gerelateerd aan de invoering van de leerplicht - zijn plekje, tot en met een van de eerste series die ik zelf vrijwel integraal las, zonder overigens in de gaten te hebben gehad dat het literatuur zou hebben kunnen wezen: de avonturen van Pietje Bell. Wat erger is: ik had, lezende in de jaren zes- en zeventig, geen idee dat Pietjes avonturen uit 1914 stamden. Je zou er bijna toe overgaan die boekjes te herlezen (maar jaren geleden heb ik, omdat mijn zoon er toen aan begon, weer eens een exemplaartje van de Bob Evers-reeks ter hand genomen, en dat is me toen niet goed bekomen; ik houd dus maar liever de vage maar goede herinnering aan meneer Bell in stand).
Een en ander zet de boel lekker in perspectief.
maandag, december 07, 2015
Bel, bloed, poen en rozen
Onder de kop 'De auteurs: broodschrijverij en mecenaat' schrijft ze: 'Aan het eind van de negentiende eeuw hadden veel kunstenaars zich afgekeerd van de samenleving.' (78) En: 'In de negentiende eeuw waren dichters en schrijvers vaak graankoopman, leraar, dominee of priester geweest [...]. Maar Kloos, Van Deyssel en Boutens konden een vaste werkkring niet combineren met hun kunstenaarschap. De Tachtigers kozen welbewust voor onmaatschappelijkheid.' (78) Daarmee lijkt Boutens een Tachtiger te zijn geworden. Overigens lees ik op Wikipedia: 'In 1894 aanvaardde hij [=Boutens] de betrekking van leraar klassieke talen aan de jongenskostschool 'Noorthey' te Voorschoten,' en dat hij dat tien jaar volhield.
Maar daarna wordt het nog wat vreemder: Kloos ging 'af en toe "in de kost" bij Frederik van Eeden [...]. Lodewijk van Deyssel kampte altijd met geldgebrek. Aanvankelijk logeerde hij vaak bij het echtpaar Verwey in Noordwijk en ook Van Eeden stopte hem regelmatig geld toe.' (78) Daar zou een noviet in de letteren uit af kunnen leiden dat Verwey en Van Eeden geen Tachtigers waren, net zo min als Gorter, die immers leraar was. (80) Verwey heeft zijn jonge jaren een betrekking gehad bij "de firma Schrikker en Peereboom, commissionairs in effecten, Kerkstraat 211" te Amsterdam. (Maurits Uyldert, De jeugd van een dichter. 1948: 75)
Vervolgens staat er te lezen dat 'Arnold Aletrino [...] arts [was] en Frederik van Eeden psychiater. J.C. Bloem en P.N van Eyck waren juristen.' (80) Nou ja, Bloem en Van Eyck hebben inderdaad rechten gestudeerd en promoveerden ook in dat vakgebied (op stellingen), daarom zou je ze, ik zou haast zeggen: de jure jurist kunnen noemen, maar Van Eyck, bijvoorbeeld, schraapte zijn dagelijkse poen aanvankelijk bijeen als correspondent van de NRC te Rome, en in 1918 'kreeg hij een ambtelijke functie op het Ministerie van Landbouw. Tussen 1920 en 1935 werkte hij voor de NRC als correspondent in Londen' (viva Wikipedia); in 1935 kwam hij, zoals Bel dat beschrijft, 'terecht aan de universiteit' (80), maar bepaald niet als jurist.
Al met al kan je je afvragen - en dat bedoelde ik met mijn eerste zin - hoe dat beeld van die Tachtigers als bohémiens eigenlijk is ontstaan en in hoeverre en voor wie het überhaupt geldt, en welke schrijvers er in voorgaande eeuwen allemaal graanhandelaar waren, naast Cornelis Paradijs.
In de volgende paragraaf, onder de noemer 'Netwerken, huwelijken en petite histoire', noteert Bel: 'Via tijdschriftredacties ontstonden belangrijke netwerken, maar veel schrijvers en kunstenaars werden door "gewone" vriendschap, huwelijk of familieband bij elkaar gebracht." De tweede alinea begint zo: "Nieuwe familiebanden ontstonden ook door huwelijken." (80) En dan wordt onder anderen Albert Verwey opgevoerd die, net als Frederik van Eeden en Willem Witsen, trouwde met "een dochter van de beroemde liberale en welgestelde geleerde Johannes van Vloten." Vreemd genoeg wordt alleen van Verwey gezegd dat hij "daardoor een zorgeloos leven [kon] leiden, zonder kostwinner te hoeven zijn." Me dunkt dat deze constatering beter past in de vorige paragraaf, maar dan moet je wel weer de vraag stellen of Verwey zich daadwerkelijk had afgekeerd van de maatschappij.
Direct volgend op de juist geciteerde opmerking over de zorgeloze Appie, staat er: "Bekend was ook de schrijversfamilie Alberdingk Thijm, met als beroemdste representant Lodewijk van Deyssel. Vader Alberdingk Thijm was voorvechter van de katholieke emancipatie, voorstander van samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland, en oprichter van het Vlaamse [sic] tijdschrift Dietsche Warande." (80) In de context van de ontwikkelingen aangaande de broodschrijverij en het mecenaat is het interessant om de positie van vader en zoon Thijm wat sterker en contrasterend uit de doeken te doen; papa is te omschrijven als een 'katholieke koopman en homme des lettres", zoals Ruiter en Smulders dat doen in hun Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 (1996: 32) terwijl zoonlief zich inderdaad voluit meende toe te moeten leggen op alleen die tweede karakteristiek: "Voor Van Deyssel/Thijm, beroepsschrijver maar geen rentenier à la Flaubert, was het nauwelijks mogelijk aan de kost te komen", noteert Larens Ham in Door Prometheus geboeid (2015: 149).
Ik ga die biografieën en dergelijke toch eens met hernieuwde aandacht herlezen.










