maandag, augustus 24, 2026

Drs J.Ph. van Oostromme

Lang, heel lang geleden werd ik met ongeveer 249 anderen onderwezen in onder andere de historische grammatica van het Nederlands. Zo heette dat vak, geloof ik; het ging eigenlijk (althans in mijn herinnering) over de grammaticale eigenaardigheden van uiteenlopende historische vormen van het Nederlands. Maar misschien stond er in de studiegids gewoon ‘Zeventiende-eeuws vertalen’ en was het vak verwant en gekoppeld aan ‘Middelnederlands vertalen’. Studiegidsen werden in die tijd gestencild, dus daar is nu geen spaan van over, vrees ik. Naslag is vrijwel onmogelijk. Dit is maar wat ik er nog van weet.

Hoe dan ook en waar het om gaat: de docent van het vak was drs J.Ph. van Oostrom, Jules voor intimi; maar dat waren wij als studenten natuurlijk niet en deze docent hield wel van decorum en dus ook van ‘meneer’ als aanspreekvorm. Hij ging steevast gekleed in overhemd, stropdas, blauwe blazer met blikken blingbling-knopen, grijze pantalon met omslagen en brogues; oogde kortom als een loepzuivere Leidsche bal in onze Utrechtse bijt vol T-shirts en jeans.

Formeel en functioneel en inhoudelijk was Van Oostrom nog niet rijp voor een mooi pensioen toen hij onze docent was, maar in onze ogen, die in eerste instantie louter op uiterlijk afgingen, al wel; dat gaf zijn aangeboren charme alleen maar meer glans. Hij wist ons te vertellen dat vroeger, toen hij zelf nog studeerde, het gebruik was dat studenten opstonden wanneer de docent de collegezaal betrad. En ja hoor, dat werd door ons in no time geregeld want hij lag ons meteen na aan het hart. Na de eerstvolgende pauze kwam meneer Van Oostrom, zijn cigarette netjes ergens anders uitgedrukt, het lokaal weer in en verrezen wij opeens massaal en synchroon. Hij was er stil van, nog voor hij een woord had gesproken.

Ik denk dat het Van Oostrom was die zijn colleges doorspekte met allerlei feitjes en niet-noodzakelijke weetjes van het eermalige Nederlands en van de ontwikkeling van die wonderlijke taal. En ik weet zeker dat Van Oostrom de docent met de meeste en leukste subtiele humor was, al moet hier ook W.P. Gerritsen genoemd worden, zeker bij gelegenheden die net naast en buiten de strikte grenzen van de academie plaatsvonden.

Het wordt, voor ik verder afdwaal, tijd dat ik probeer te voldoen aan mijn blogopdracht van vandaag: de poëzie van Albert Verwey te koppelen aan de geestrijke colleges van Van Oostrom. Dat kan via de diachrone taalkunde waar de laatste alles van leek te weten. Ik vond al de historische mutaties die hij opdiste reuze interessant onder andere omdat daardoor verschillende talen elkaar onderling gingen belichten; een venster en een fenêtre, een tafel en een table zeiden elkaar opeens gedag, vogels uit het Fries en Engels naderden elkander, dat soort gedoe, chevalier en caballero ook, en was dat laatste niet Van Oostroms sigarettenmerk?

Eenmaal ging het college, of een door Van Oostrom ingeslagen zijpad, over de apocope van -e. Ik lees nu via een zoekmachine en de DBNL dat apocope in het algemeen ‘door de 17e-eeuwse Nederlandse taalbouwers [werd] gepropageerd om de beknoptheid van de moedertaal te stimuleren’, maar ik herinner me alleen wat Van Oostrom zei over de apocope van specifiek de -e. Zie bijvoorbeeld de afstoting van de onbeklemtoonde slot-e waardoor Heere werd tot Heer, en einde soms tot eind.

Ik citeer hier, zij het zonder aanhalingstekens, de bron in de DBNL nog steeds. Het gekke is, dat ik me herinner dat Van Oostrom juist uitlegde dat de apocope van -e niet voorkwam als de -e werd voorafgegaan door een -d-. Hij zei erbij dat dat maar goed was ook, omdat er anders problematische gevallen op zouden duiken. We hoefden maar te denken aan een woord als kudde.

Misschien heb ik, met mijn toenmalig jongelingenhoofd, de oude meester niet geheel begrepen, of maar half gehoord. Maakt niet uit: deze regel plus uitleg is tekenend voor de heerlijke colleges van Van Oostrom, die daarmee zwier en zwaai wist te geven aan iets wat ik aanvankelijk maar saaie materie vond.

Aan al dit moest ik denken toen ik, omdat ik eerder op deze plek bekend heb de bundel Aarde van Albert Verwey niet gelezen te hebben hoewel die tot de tentamenstof van de cursus Aspecten behoorde, dit vergrijp probeerde te compenseren door die bundel nu alsnog eens in te zien, ook omdat ik kanttekeningen plaatste, eerlijker: bedenkingen had bij de zangerigheid van Verweys post-Tachtiger poëzie.

Het komt nooit meer goed tussen mij en dat aspect van het oeuvre van Verwey. Ik struinde digitaal door zijn werk en stuitte op de bundel De Joden. Verzen (Mouton & Co., ’s Gravenhage, 1892, via Google Books; in de DBNL kon ik het werk niet vinden). In de derde regel van het ‘Eerste verhaal’ dwingt namelijk Verwey zijn lezer tot een apocope van -e na een dubbele -d-, en dat nog wel door een elisie van een -n aan te geven, terwijl daarna meteen een komma staat, een syntactische grens, die in mijn opvatting een samensmelting met een woord dat erna komt zo niet onmogelijk dan toch wel erg geforceerd maakt. De manier waarop Verwey zijn woorden ook hier weer in het metrum wringt, vertoont trekken van grof verbaal geweld.

Lees maar:

Abram was oud en woonde in Mamre: ’t kamp stond
Staatlijk met al zijn tente’: in ’t laatste licht
Weidden op ’t veld de kudde’, en herders waakte’ er,
Één hier, één daar; en heel d’orizon langs
Strekten zich bossche’ en tusschen ’t eerste en ijl
Hakhout dwaalde wel ’n beest: in de kampstraat
Vrouwen en kindre’ en oude manne’, en ’t kaaklen
Roezemoeste er.

De dichter bedoelt:

in het laatste licht weidden op het veld de kudden, en herders waakten er

maar dwingt je te lezen:

in tlaatste licht weidden op tveld de kud en herders waakt er

Had deze dichter dan geen oren? Hoe kan daarenboven kakelen nou roezemoezen?


Dit bericht kreeg een tweede leven op

het digitale vakblad voor neerlandici


donderdag, augustus 20, 2026

Poëza of prozie?

Pas nog had iemand me iets gevraagd over het lange gedicht, epische poëzie, een oude academische liefhebberij van me. Prompt sla ik in de bibliotheek hier ter stede lukraak een nieuwe aanwinst open waarvan ik al bladerend denk: dat zou er weer een kunnen zijn. Het werk, niet van paginanummers voorzien, bestaat uit 240 genummerde tekstblokken van elk vijf regels; drie blokken per bladzijden. Alle lof voor de typograaf die daarom de paginanummers wegliet.

Het geheel oogt als een nieuw, fragmentarisch opgebouwd of episodisch, lang gedicht. Nou heb ik de grens tussen wel en geen gedicht, proza en poëzie en tussen lang en kort nooit waterdicht en lekvrij in een begripsomschrijving kunnen of willen gieten (wel eens pragmatisch een minimum lengte van 200 regels voorgesteld), maar toen ik thuis in het boek (88 pagina’s inclusief voor- en nawerk) begon te lezen, begon ik te gelijker tijd te twijfelen.

Ik zag en las de eerste twee bladzijden van de tekst:


1

Langs de oude walmuur vindt hij zichzelf terug,
visjes gaan er snel vandoor als hij in het water
kijkt, alleen slakken in het oevergras blijven over.
Buitenom een leegte waarin glazen druppels
in beweging komen, een boom het uitzicht kaapt.

2

Op afstand herten in het park, gedumpt, alleen
oproepbaar voor wie ze een korst brood gunt.
Nu hij hier is, een rij duiven op de omheining
hem aanstaart, een ree met moeite een stuk appel
wegmoffelt, weet hij even niet wat te doen.

3

Onder het lopen schildert hij de opgedane
indrukken over, hij stuukt en plamuurt ze, laat licht
toe waar grauw overheerst. Niet langer aarzelend
wil hij uitschreeuwen wat iedereen aangaat, maar
niet verstaat: de wereld gaat aan zichzelf ten onder.

4

De stad slaapt, vogels vliegen over, lokroepen
kleuren moeiteloos het glorende ochtendlicht.
Steeds dichterbij het voorjaar, dagen worden langer.
In het opvanghuis gaan de ramen op, zonlicht
glipt naar binnen, niet één dakloze die het ziet.

5

’s Avonds een bleke maan die in parken gluurt,
zoekend naar die ene man wiens oogopslag en
waggelgang zij herkent. Voorwaarts sjokt hij,
doelloos straatbeeld in, straatbeeld uit, geen
antwoord op een vraag niet acuut gesteld.

6

Wat is het leven anders dan verzaken aan
verlangens, afgezien van een weldadige droom?
Na elk ontwaken vindt hij zichzelf terug,
verzint een godheid die hem vogels laat zien.
Gesmiespel, maar herkennen doen ze hem niet.


Dat ziet er van een afstandje best als poëzie uit, volgens mij, als gedichten, korte teksten met veel wit erom. Maar er zit ook een verhaaltje in met, naast een gepersonaliseerde maan, een focaliserend menselijk personage als hoofdpersoon, een verhaaltje met een anonieme vertellende instantie.

De vertelstructuur is niet zo sterk dat het werk me meteen aan Tempel en kruis van H. Marsman doet denken. Natuurlijk niet, want daarin dient de vertelinstantie zich al in de eerste regel aan als een verteller, een ik-verteller, een personage, zoals ook L. Marsman dat doet in De dichter en de duivel en H. Gorter in Mei, maar die laatste doet dat pas in de tweede regel.

Het onderhavige verhaal gaat over het wel en wee van een hedendaagse dakloze. De hoofdfiguren van Marsman, Marsman en Gorter zijn minder dak- of (t)huisloos, maar toch ook minstens dwalend, verdwaald en/of op zoek naar een Heimat, veilige eenheid van zijn of bezield verband. Die thematische overeenkomst is er.

Zoals me wel vaker overkomt, heb ik helaas ook de lectuur van deze tekst, Parkscènes van Frans Budé (Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2025), voortijdig beëindigd wegens formele, technische en uiteindelijk esthetische incommensurabiliteit tussen tekst en lezer. Ik kan dus verder niet uitweiden over de aan- of afwezige verhaaldraad. Wel over de vorm van de eerste zes strofeïden.

Dat de tekst geen eindrijm heeft, heet ik een zegen. Eindrijm kàn een dichter helpen om op gedachten te komen, maar weerhoudt hem, haar of hun er juist vaak van en kan dan leiden tot oeverloze kletskoek. John Milton wist dat al eeuwen geleden. Dat Gorter in Mei zijn gepaard eindrijm meer dan vierduizend regels zonder al te grote nonsens vol weet te houden, mag een wonder heten, en verrassend is het niet dat hij het later achterwege liet (in Pan).

Dat de kwintetten van Parkscènes geen metrum kennen, lijkt me een gemiste kans, omdat dat dwangbuis de dichterlijke zoektocht naar het juiste of zelfs het ongezochte maar graag gevonden woord kan stimuleren. Net als rijm kan metrum een heuristische functie hebben, en zeker de al door Milton aangeraden versregel met vijf jamben is behalve een beperking van de vrije uitloop van de taal tegelijk eenvoudig in het gebruik. Maar zoals zowel H. als L. Marsman laat zien, kan een dichter die wat op diens lever heeft, ook zonder werkoverspannend metrum een daverende boodschap verkondigen, een indrukwekkende zienswijze verwoorden.

Wat me verbaast in Parkscènes, is dat de niet rijmende en niet metrische dichter toch zijn heil zoekt in het gebruik van enkele dichterlijke begrenzingen en anderzijds dito vrijheden opeist. De scènes zien eruit als strofen van een gedicht, door de wijze waarop ze gezet zijn: iedere versregel ervan eindigt voordat het einde van de zetregel is bereikt. Er waait, als gezegd, veel wit om de woorden.

Maar de regels worden niet gekenmerkt door een gelijk aantal lettergrepen, waartoe metrum vaak toe verplicht. De regels van de eerste strofe bestaan uit 12, 13, 14, 12 resp. 12 lettergrepen, die van de tweede uit 12, 10, 13, 12 resp. 11, die van de derde strofe: 13, 13, 12, 12 rep. 13. Gemiddeld 12,26 syllaben per regel, zonder dat er een reden of aanleiding lijkt te zijn voor de variatie en ik ook geen doel of beoogd effect vermag te zien dat ermee bereikt zou kunnen worden.

Hoewel er de dichter kennelijk niets in de weg is gelegd om af en toe een regel een beetje op te rekken, maakt hij toch gebruik van het ouderwets-dichterlijke enjambement, het conflict tussen enerzijds het dichterlijke regeleinde en anderzijds het taalkundige zinseinde (of deelzin- of zinsdeeleinde). Zo is regel 2 van strofe 1 syntactisch en inhoudelijk onvolledig en als versregel zinledig, omdat de persoonsvorm pas in de erop volgende regel staat. Het enjambement van de regels 4 en 5 van dezelfde strofe heeft een vreemd semantisch effect, want ‘een leegte waarin glazen druppels’ aanwezig zijn, is niet leeg.

Ook strofe 2 bevat een merkwaardig enjambement. Er staat: ‘Op afstand herten in het park, gedumpt, alleen’, terwijl die herten met hun allen en dus bij elkaar in een park zijn gedumpt. Hoezo zijn ze dan alleen? Die onduidelijkheid wordt bij verder lezen opgeheven; dan blijkt dat de herten slechts gedumpt zijn, maar niet alleen. Wel zijn ze daarnaast slechts (= alleen) oproepbaar voor iemand met brood. De vraag is echter wat een oproepbaar hert is. Hoe roep je een hert op? Hubertus overkwam het gewoon, en zonder brood. Dat is meer iets voor eendjes; maar die zijn hier niet. Zelfs de visjes zijn weg.

Een old school ergocentrist gaat misschien Merlyn-istisch-exegetisch glimlachen bij het in een volgende regel als het ware weggemoffelde woord ‘wegmoffelt’, dat als persoonsvorm de deelzin in de vorige regel syntactisch volledig maakt. Vroeger zijn over dat soort strapatsen hele proefschriften volgeschreven. Hier en nu ligt er niemand meer wakker van, zeker niet in zo’n prosodisch rommelige context als Parkscènes.

Er verschijnt overigens wel een absurdistische tekenfilm voor mijn geestesoog als ik me een beeld probeer te vormen van een ree dat met moeite een stuk appel wegmoffelt, eens te meer daar de ree lijkt te behoren tot de groep van de gedumpte herten die oproepbaar zijn met een korst brood. Waar komt dan die appel opeens vandaan? Schaamt de ree zich voor zijn appel? Kan je een hert met brood en een ree met een appel oproepen? En waar en hoe verdwijnt dat aas dan weer?

Rest nog de lezersvraag van vandaag: is deze tekst misschien beter als proza?

Langs de oude walmuur vindt hij zichzelf terug, visjes gaan er snel vandoor als hij in het water kijkt, alleen slakken in het oevergras blijven over. Buitenom een leegte waarin glazen druppels in beweging komen, een boom het uitzicht kaapt.
Op afstand herten in het park, gedumpt, alleen oproepbaar voor wie ze een korst brood gunt. Nu hij hier is, een rij duiven op de omheining hem aanstaart, een ree met moeite een stuk appel wegmoffelt, weet hij even niet wat te doen.
Onder het lopen schildert hij de opgedane indrukken over, hij stuukt en plamuurt ze, laat licht toe waar grauw overheerst. Niet langer aarzelend wil hij uitschreeuwen wat iedereen aangaat, maar niet verstaat: de wereld gaat aan zichzelf ten onder.
De stad slaapt, vogels vliegen over, lokroepen kleuren moeiteloos het glorende ochtendlicht. Steeds dichterbij het voorjaar, dagen worden langer. In het opvanghuis gaan de ramen op, zonlicht glipt naar binnen, niet één dakloze die het ziet.
’s Avonds een bleke maan die in parken gluurt, zoekend naar die ene man wiens oogopslag en waggelgang zij herkent. Voorwaarts sjokt hij, doelloos straatbeeld in, straatbeeld uit, geen antwoord op een vraag niet acuut gesteld.
Wat is het leven anders dan verzaken aan verlangens, afgezien van een weldadige droom? Na elk ontwaken vindt hij zichzelf terug, verzint een godheid die hem vogels laat zien. Gesmiespel, maar herkennen doen ze hem niet.


Dit bericht kreeg een tweede leven op

het digitale vakblad voor neerlandici