donderdag, augustus 20, 2026

Poëza of prozie?

Pas nog had iemand me iets gevraagd over het lange gedicht, epische poëzie, een oude academische liefhebberij van me. Prompt sla ik in de bibliotheek hier ter stede lukraak een nieuwe aanwinst open waarvan ik al bladerend denk: dat zou er weer een kunnen zijn. Het werk, niet van paginanummers voorzien, bestaat uit 240 (genummerde) tekstblokken van elk vijf regels; drie blokken per bladzijden. Dat oogt als een nieuw fragmentarisch opgebouwd of episodisch, lang gedicht. Nou heb ik de grens tussen wel en geen gedicht, proza en poëzie en tussen lang en kort nooit waterdicht en lekvrij in een begripsomschrijving kunnen of willen gieten, maar toen ik thuis in het boek (88 pagina’s inclusief voor- en nawerk) begon te lezen, begon ik te gelijker tijd te twijfelen.

Ik zag en las de eerste twee bladzijden van de tekst:


1

Langs de oude walmuur vindt hij zichzelf terug,
visjes gaan er snel vandoor als hij in het water
kijkt, alleen slakken in het oevergras blijven over.
Buitenom een leegte waarin glazen druppels
in beweging komen, een boom het uitzicht kaapt.

2

Op afstand herten in het park, gedumpt, alleen
oproepbaar voor wie ze een korst brood gunt.
Nu hij hier is, een rij duiven op de omheining
hem aanstaart, een ree met moeite een stuk appel
wegmoffelt, weet hij even niet wat te doen.<

3

Onder het lopen schildert hij de opgedane
indrukken over, hij stuukt en plamuurt ze, laat licht
toe waar grauw overheerst. Niet langer aarzelend
wil hij uitschreeuwen wat iedereen aangaat, maar
niet verstaat: de wereld gaat aan zichzelf ten onder.

4

De stad slaapt, vogels vliegen over, lokroepen
kleuren moeiteloos het glorende ochtendlicht.
Steeds dichterbij het voorjaar, dagen worden langer.
In het opvanghuis gaan de ramen op, zonlicht
glipt naar binnen, niet één dakloze die het ziet.

5

’s Avonds een bleke maan die in parken gluurt,
zoekend naar die ene man wiens oogopslag en
waggelgang zij herkent. Voorwaarts sjokt hij,
doelloos straatbeeld in, straatbeeld uit, geen
antwoord op een vraag niet acuut gesteld.

6

Wat is het leven anders dan verzaken aan
verlangens, afgezien van een weldadige droom?
Na elk ontwaken vindt hij zichzelf terug,
verzint een godheid die hem vogels laat zien.
Gesmiespel, maar herkennen doen ze hem niet.


Dat ziet er van een afstandje best als poëzie uit, volgens mij. En er zit ook een verhaaltje in met, naast een gepersonaliseerde maan, een focaliserend menselijk personage als hoofdpersoon, een verhaaltje met een vertellende instantie.

De vertelstructuur is niet zo sterk dat het werk me meteen aan Tempel en kruis van H. Marsman doet denken. Natuurlijk niet, want daarin dient de vertelinstantie zich al in de eerste regel aan als een verteller, een ik-verteller, zoals ook L. Marsman dat doet in De dichter en de duivel en H. Gorter in Mei, maar die laatste doet dat pas in de tweede regel.

Het onderhavige verhaal gaat over het wel en wee van een hedendaagse dakloze. De hoofdfiguren van Marsman, Marsman en Gorter zijn minder dak- of (t)huisloos, maar toch ook minstens dwalend, verdwaald en/of op zoek naar een Heimat, veilige eenheid van zijn of bezield verband. Die thematische overeenkomst is er.

Zoals me wel vaker overkomt, heb ik helaas ook de lectuur van deze tekst, Parkscènes van Frans Budé (Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2025), voortijdig beëindigd wegens formele, technische en uiteindelijk esthetische incommensurabiliteit tussen tekst en lezer. Ik kan dus verder niet uitweiden over de aan- of afwezige verhaaldraad. Wel over de vorm van de eerste zes strofeïden.

Dat de tekst geen eindrijm heeft, heet ik een zegen. Eindrijm kàn een dichter helpen om op gedachten te komen, maar weerhoudt hem, haar of hun er juist vaak van en kan dan leiden tot oeverloze kletskoek. John Milton wist dat al eeuwen geleden. Dat Gorter in Mei zijn gepaard eindrijm meer dan vierduizend regels zonder al te grote nonsens vol weet te houden, mag een wonder heten, en verrassend is het niet dat hij het later achterwege liet (in Pan).

Dat de kwintetten van Parkscènes geen metrum kennen, lijkt me een gemiste kans, omdat dat dwangbuis de dichterlijke zoektocht naar het juiste of zelfs het ongezochte maar graag gevonden woord kan stimuleren. Maar zoals zowel H. als L. Marsman laat zien, kan een dichter die wat op diens lever heeft, ook zonder werkoverspannend metrum een daverende boodschap verkondigen.

Wat me verbaast in Parkscènes, is dat de dichter toch zijn heil zoekt in het gebruik van enkele dichterlijke begrenzingen en anderzijds dito vrijheden. De scènes zien eruit als strofen van een gedicht, door de wijze waarop ze gezet zijn: iedere versregel ervan eindigt voordat het einde van de zetregel is bereikt. Er waait veel wit om de woorden.

Maar de regels worden niet gekenmerkt door een gelijk aantal lettergrepen. De regels van de eerste strofe bestaan uit 12, 13, 14, 12 resp. 12 lettergrepen, die van de tweede uit 12, 10, 13, 12 resp. 11, die van de derde strofe: 13, 13, 12, 12 rep. 13. Gemiddeld 12,26 syllaben per regel, zonder dat dat er een reden of aanleiding lijkt te zijn voor de variatie en ik ook geen doel of beoogd effect vermag te zien dat ermee bereikt zou kunnen worden.

Hoewel er de dichter kennelijk niets in de weg is gelegd om af en toe een regel een beetje op te rekken, maakt hij toch gebruik van het dichterlijke enjambement, het conflict tussen enerzijds het dichterlijke regeleinde en anderzijds het taalkundige zinseinde (of deelzin- of zinsdeeleinde). Zo is regel 2 van strofe 1 syntactisch en inhoudelijk onvolledig en als versregel zinledig, omdat de persoonsvorm pas in de erop volgende regel staat. Het enjambement van de regels 4 en 5 van dezelfde strofe heeft een vreemd semantisch effect, want ‘een leegte waarin glazen druppels’ aanwezig zijn, is niet leeg.

Ook strofe 2 bevat een merkwaardig enjambement. Er staat: ‘Op afstand herten in het park, gedumpt, alleen’, terwijl die herten met hun allen en dus bij elkaar in een park zijn gedumpt. Hoezo zijn ze dan alleen? Die onduidelijkheid wordt bij verder lezen opgeheven; dan blijkt dat de herten slechts gedumpt zijn, maar niet alleen. Wel zijn ze daarnaast slechts oproepbaar voor iemand met brood. De vraag is dan echter wat een oproepbaar hert is. Hoe roep je een hert op? Hubertus overkwam het gewoon, en zonder brood. Dat is meer iets voor eendjes; maar die zijn hier niet. Zelfs de visjes zijn weg.

Een old school ergocentrist gaat misschien Merlyn-istisch-exegetisch glimlachen bij het in een volgende regel als het ware weggemoffelde woord ‘wegmoffelt’, dat als persoonsvorm de deelzin in de vorige regel syntactisch volledig maakt. Vroeger zijn over dat soort strapatsen hele proefschriften volgeschreven. Hier en nu ligt er niemand meer wakker van, zeker niet in zo’n prosodisch rommelige context.

Ik krijg overigens wel een absurdistische tekenfilm voor mijn geestesoog als ik me een beeld probeer te vormen van een ree dat met moeite een stuk appel wegmoffelt. Eens te meer daar het ree tot de groep lijkt te behoren van de herten die oproepbaar zijn met een korst brood. Waar komt dan die appel opeens vandaan? En waar verdwijnt die? Kan je een hert met brood en een ree met een appel oproepen?

Rest de lezersvraag van vandaag: is deze tekst misschien beter als proza?

Langs de oude walmuur vindt hij zichzelf terug, visjes gaan er snel vandoor als hij in het water kijkt, alleen slakken in het oevergras blijven over. Buitenom een leegte waarin glazen druppels in beweging komen, een boom het uitzicht kaapt.
Op afstand herten in het park, gedumpt, alleen oproepbaar voor wie ze een korst brood gunt. Nu hij hier is, een rij duiven op de omheining hem aanstaart, een ree met moeite een stuk appel wegmoffelt, weet hij even niet wat te doen.
Onder het lopen schildert hij de opgedane indrukken over, hij stuukt en plamuurt ze, laat licht toe waar grauw overheerst. Niet langer aarzelend wil hij uitschreeuwen wat iedereen aangaat, maar niet verstaat: de wereld gaat aan zichzelf ten onder.
De stad slaapt, vogels vliegen over, lokroepen kleuren moeiteloos het glorende ochtendlicht. Steeds dichterbij het voorjaar, dagen worden langer. In het opvanghuis gaan de ramen op, zonlicht glipt naar binnen, niet één dakloze die het ziet.
’s Avonds een bleke maan die in parken gluurt, zoekend naar die ene man wiens oogopslag en waggelgang zij herkent. Voorwaarts sjokt hij, doelloos straatbeeld in, straatbeeld uit, geen antwoord op een vraag niet acuut gesteld.
Wat is het leven anders dan verzaken aan verlangens, afgezien van een weldadige droom? Na elk ontwaken vindt hij zichzelf terug, verzint een godheid die hem vogels laat zien. Gesmiespel, maar herkennen doen ze hem niet.