dinsdag, juli 07, 2026

Albert Verwey, ‘Vier sonnetten’

Uit: Tweemaandelijksch tijdschrift jrg. 1 (1894-1895), deel I, afl. 1 (september 1894), p. 52 – 55. De romeins genummerde sonnetten zijn niet door witregels verdeeld in strofen. Het inspringen van regels met staand rijm is in het overigens diplomatische afschrift van de DBNL-scan hieronder oneerbiedig genegeerd als ware het maar ouderwetse franje zonder zin.

Bij het lezen van enkele sonnetten van Henriëtte (Labberton-)Drabbe onlangs, dwaalden mijn gedachten af naar wat ik mij herinnerde van sommige van Albert Verweys post-Tachtiger-gedichten, dus van het werk van (ver) na de breuk met Kloos.

Toen hij nog een echte Tachtiger was, schreef Verwey volgens mij mooie sonnetten, maar vooral zijn epische gedichten klinken nog steeds fantastisch, zoals ‘Persephone’ en ‘Demeter’ – voor het eerst verschenen in De nieuwe gids jrg. 1 (1885-1886), afl. 1 (oktober 1885) – geschreven in de rijmloze jambische pentameter, de V-8 onder de metrische motoren. Die gedichten laten zich goed en soepel lezen en begrijpen.

Daaraan deed níet het werk van Drabbe me denken, wel aan Verweys latere werk, voor zover ik dat werkelijk ken, want niemand verplichtte me destijds het te lezen (behalve Aarde, maar dat heb ik ongelezen door het tentamen ‘Aspecten’ weten te leiden; nooit geweten waarom het zo heette) en ik vond wat ik ervan las niet erg indrukwekkend, zacht gezegd.

Verwey werd, na veel gedoe in en met De nieuwe gids, samen met Lodewijk van Deyssel, oprichter en redacteur van het Tweemaandelijksch tijdschrift. Ik heb de feiten nog niet helder op een rijtje want ik ben de ene helft vergeten en heb de biografie van Madelon de Keizer, Als een meeuw op de golven (2017) nog steeds niet gelezen voor de andere helft. In de nieuwe fase van zijn redacteur- en dichterschap schreef Verwey, in mijn optiek, een soort brokkige, knarsende essays of betogen op rijm als ware hij een autodidactisch filosofisch, meer in het bijzonder spinozistisch geschoolde, geestelijke voorganger en doordrammer; zijn hart lijkt niet zo hard te bonken in dat latere werk; de bloedgang is eruit.

Daaraan moest ik dus door Drabbe denken. Om mijn indruk te verifiëren, zocht ik de eerste van Verweys poëtische bijdragen aan zijn eigen nieuwe tijdschrift op. Dat was ‘Vier sonnetten’, al dan niet toevallig even veel als in de eerste bijdrage van Drabbe aan de tweede aflevering van dat blad, haar debuut.

Verweys interpunctie lijkt net wat schraler, efficiënter dan die van Drabbe'; aangezien hij echter veel meer syntactische ommetjes in zijn zinnen maakt, die hij afperkt met komma’s en streepjes, heeft hij uiteindelijk veel meer interpunctie nodig dan Drabbe. Bij Verwey tel ik 4 dubbele punten, 6 puntkomma’s, 6 vraagtekens, 8 streepjes, 11 punten en 56 komma’s, summa 91 leestekens. De score van Drabbe is: 4 streepjes, 6 puntkomma’s, 6 vraagtekens, 9 punten, 9 dubbelepunten en 50 komma’s, ergo totaliter 84 leestekens. Veel ontlopen ze elkaar toch niet.
                                        

Het prosodisch krakende karakter van beider werk steekt vooral in de schokkerige versificatie van de inhoud, extra bemoeilijkt door het eindrijm waar elke regel in gesmoord moest worden. Waar Drabbe zich in vier sonnetten met 21 elisies uit de syntactische en metrische problemen trachtte te redden, zie ik er bij Verwey maar liefst 35, waarvan 22 gemarkeerd met een apostrof of een zonder meer weggelaten stomme ‘e’, en 13 ongemarkeerd in de schoot van de lezer worden geworpen.

Het lijken kleine aantallen op een lettergrepentotaal van (14x4x10=) 560 (de lichte naslag bij slepend eindrijm tel ik niet mee). Toch struikel ik er tijdens het lezen voortdurend over. De lelijkste elisies van Verwey lijken me ‘ge Al-in-Een’ (I, r. 3) en ‘Ge, als’ (II, r. 3); ook ‘Uw liedre’, Uw’ (I, r. 11) mag er zijn: twee elisies in één woord, waarvan de tweede over een woordgrens en een komma heen. In d’elisies , en natuurlijk de sonnetvorm, toont zich de stilistische verwantschap van deze dichters.

Verder zie ik, net als bij Drabbe, een poëticale, zelf-reflexieve thematiek bij Verwey, maar zijn pantheïstische filosofie geeft hem, lijkt het, meer zelfvertrouwen dan het persoonlijke leed haar, de drie jaar jongere, eenzame collega-dichter, twee maanden later in hetzelfde blad.

Als andere kenmerken van Drabbes sonnetten tekende ik eerder op: de hoge vergelijkingenfrequentie, lidwoord-onbruik en de afwijkende woord-volgorde. Het aantal vergelijkingen was vooral in Drabbes eerste sonnet hoog; in de overige valt het wel mee. Bij Verwey is zo goed als geen vergelijking te signaleren; hij spreekt meer in keiharde metaforen, beelden, en over dat beeldend dichten dicht hij ook. Dat wekt wel verwachtingen.

De Drabbeaanse lidwoorddeletie zie ik niet bij Appie (zoals Verwey onder de Tachtigers wel heette toen het nog pais was en vree).

Afwijkingen van de gewone woordvolgorde zijn bij Verwey feitelijk haast niet te constateren, daar er in zijn sonnetten vrijwel geen normaal gestructureerde zin voorkomt.
Wie het beter weet, mag het zeggen.
Ik! Sprak schrijver dezes en gaf als voorbeeld:

Is er dan één stip dat met lange togen / Wij niet slurpen U door ruimte en in tijd?

Een meer gewone zinsbouw zou kunnen zijn:

Is er dan één stip dat U wij niet met lange togen door ruimte en in tijd slurpen?

Maar het enige wat deze parafrase mij leert, is dat ik werkelijk niets begrijp van deze zin... Ik ben bang dat nadere analyse van de gedichten alleen maar meer misverstand en onbegrip oplevert.

Vreemd vind ik hieraan, dat Verwey een grote betoogdrang laat zien, terwijl hij wat mij betreft een heel moeizaam te volgen betoog presenteert, doorspekt met een overkill aan Shakespeareaanse, paradoxale woordspelletjes. Het sextet van sonnet I, bij voorbeeld, begrijp ik, om kort te gaan, niet. En hoe verder ik lees, hoe sterker ik me door Verwey het lezersharnas in voel gejaagd. Klapstuk lijkt me dat hij niet in staat lijkt ook maar een enkel fatsoenlijk beeld, een krachtige metafoor neer te zetten waarmee hij uitbeeldt wat in gewone taal niet te vatten is, terwijl hij anderzijds niet lijkt te twijfelen aan zijn alsvangodgegeven dichterlijke beeldkracht. Hij blijft in taaie zinnen steken.


I.

Wie zal met taaie zinnen U betoogen
o Leven, U, Uw Zijn, Uw Heerlijkheid?
Dat ge Al-in-Een, en Een-in-Al, vermogen
En oorzaak U-zelf, en geens andren zijt?
Hebben wij dan Uw licht niet in onze oogen?
Is met Uw lachen niet ons hart verblijd?
Is er dan één stip dat met lange togen
Wij niet slurpen U door ruimte en in tijd? -
Heb ’k dan maar niet voor ’t zelf zijn, al mijn dagen,
U puur, met woord, met gebaar, die maar zijn
Uw liedre’, Uw daden: - mensch en dingen dragen
Ze vóór mij prijken, Uw prins’lijke schijn -
Wat dan, langs lijntjes van stellen en vragen,
Bewijzen ze Uw Zijn-Schijn, Schijn-Zijn, Uw Zijn - 


II.

Ik ben U-zelf, Leven, één van de velen.
Ik zoek U niet, - waar zou ’k? - maar houd mij blij,
Dat Ge, als in ding en dier, óók zijt in mij,
En ’k heb hen lief, omdat ’k met hen moet deelen.
Deelen, maar rijkst in uiting schiept Gij mij:
Een vogel mag een beeldloos liedje kweelen,
Mij, mensch, gaaft Gij het beeld, Uw beeld daarbij;
En ’k beeld het Hoogste in dichterlijke spelen.
Wie U in beelden weêrtebeelden weet,
Dien gaaft Gij ’t schoonste en hoogste van uw wezen,
En eenerlei zijn zulken vreugde en leed.
Want beeld komt hun uit beiden opgerezen,
En blijdschap rijst daar Gij ze erkennen deedt
U zelfs geheimste, als op ’t gelaat te lezen. 


III.

Leven, zij zeggen van het Dichter wezen,
Dat het iets groots en iets bizonders is;
En toch komt niets in géén mensch opgerezen,
Of ’t is een beeld en een gelijkenis.
Door andren hoor ik Wetenschap geprezen:
Die droomt niet wat maar Schijnt, die leert wat Is;
Maar ’t eerste Weten, splitsing van ons Wezen,
Verbééldt gesplitst eeuwge verbintenis.
Zoo zie ik, Leven, en wees Gij mijn Richter,
Niets vreemds in wat elk mensch doet, groot en klein;
En ’k zie geen Dicht als droom en ’t Weten lichter,
Maar álles is Noodzakelijke Schijn;
En in die Gij zijt, dat’s de ware Dichter,
Maar ’k vat niet hoe Ge in één mensch niet zoudt zijn. 


IV.

In alle menschen is ’t Geloof gebóren,
Leven, dat Gij er zijt, en komen zult;
Zijt in het Gaande, en in een ónverloren
Beeld zijn zult als de tijden zijn vervuld.
Eens zag de Menschheid U door englenkoren
Verkondigd, kind tot zoen van zonde en schuld,
Om aan een kruis te dragen de óns beschoren
Wraak, bloedend beeld van Deemoed en Geduld.
En nu dat beeld vergaan als alle beelden,
Zien zij nog altijd of geen kim bloedrood -
Blijden die in zich dragen al de weelden
Van U, zágen zij maar ’t diepst Wezen bloot -
Want onder al de Beelden die ons deelden
Leeft het Geloof aan U: dat kent geen Dood.


P.S.
Digitaal heb ik wel even grasgeduind in Verweys verzamelde gedichten, maar kon daarin geen heruitgave van deze vier sonnetten ontdekken, laat staan varianten.




zaterdag, juli 04, 2026

Varianten | Twee versies van 'Westerbouwing' van Henriëtte (Labberton-)Drabbe


De vier gedichten waarmee Henriëtte Labberton-Drabbe (toen nog: Henriëtte Drabbe) debuteerde in het Twee-maandelijksch tijdschrift – jrg. 1 (1894-1895), aflevering 2 (november 1894), p. 201-204 – heeft zij ongeveer achttien jaar later opgenomen in haar debuutbundel Enkele verzen (W. Versluys, Amsterdam 1912, p. 7-10). Ook Labberton-Drabbe was kennelijk een dichter die niet ophield met peuteren aan haar werk, zo blijkt al bij een vluchtige verkenning van de varianten in haar vier eerste sonnetten. Behalve dat ze de volgorde van de gedichten licht veranderde en twee ervan alsnog een titel gaf, terwijl ze een van de reeds gegeven titels bij bundeling wijzigde, behalve dat dus, heeft ze ook in de tekst van sommige gedichten kleine en grote veranderingen aangebracht.

Het bloed van een gepensioneerde tekstediteur die zich jarenlang op academisch niveau bezig heeft gehouden met het opstellen en onderzoeken van variantenapparaten, blijkt op de vreemdste momenten weer in d’ oude ad’ren te kunnen gaan vloeien. Ik kon het niet laten om de twee versies van het allereerste, gepubliceeerde gedicht van Labberton-Drabbe ooit overzichtelijk in een mini-apparaatje bijeen te vegen.

Voor een leesinstructie van dit bijzondere tekstgenre verwijs ik graag naar een van de apparaatdelen in de reeks Monumenta Litteraria Neerlandica. Laat ik er hier alleen dit van zeggen: de varianten worden per regel gepresenteerd; staat er maar één enkele versregel, zoals bij de eerste regel van ‘Westerbouwing’, dan heeft de dichter daar niets in veranderd; staan er twee, dan zijn de niet-veranderde tekstdelen van de betreffende regel niet herhaald onder de eerste versie, alleen de veranderde delen van de tweede versie worden dan weergegeven. Alle aandacht kan zo uitgaan naar de varianten.

In het hieronder staande apparaat is goed te zien waar Labberton-Drabbe na 1894 verder is gegaan met het werken aan ‘Westerbouwing’, het gedicht dat in beide bronnen de eerste plaats van de publicatie inneemt.

Omdat de spatiëring voor het apparaat van belang is door het gebruik van zogeheten meeleestekens ([ en ]), terwijl juist die spaties tussen tekst- en ook apparaattekens in een webblog niet te temmen zijn, heb ik een foto van het typoscript van het apparaat gemaakt en hier opgenomen; alles ten dienste van het gerief van de geïnteresseerde lezer.

Wat meteen opvalt, is dat de reviserende dichter het aantal interpunctietekens aan het einde van versregels heeft gereduceerd. Aan het eind van r. 2, 6 en 13 zijn twee komma’s weggehaald en een afbreekstreepje (met de functie van een gedachtenstreepje); de dubbelepunt aan het eind van r. 13 blijft behouden. Ik denk dat vooral de variant in de eerste strofe mogelijke syntactische onduidelijkheid heeft weggenomen.

Verder heeft de dichter anno 1912 goed bezuinigd op leestekens die elisies markeren. Zo is ‘d’aarde’ in r. 8 geworden tot ‘de aarde’ terwijl er nog steeds elisie moet worden toegepast, gelet op het metrum en het aantal lettergrepen. Maar zeker de contemporaine lezer hoefde niet extreem versgevoelig te zijn om zelfstandig die lettergreep met stemloze klinker bij (mentale) voordracht weg te strijken. In r. 11 is ‘ijz’ren’ geworden tot ‘ijzren’. Aan ‘leên’ in regel 13 viel, mede door de rijmpositie, niets te wijzigen. In die tijd waren de accents circonflexes gelukkig nog gebruikelijk. 

Misschien heeft iemand de dichter erop gewezen dat ‘donzig goed’ door een dirty mind geassocieerd kon worden met ‘ondergoed’. Ze heeft het niet laten staan maar een variant aangebracht, helaas met een extra elisie op de koop toe: ‘donzge stof’.

Dat in r. 8 ‘is’ vervangen is door ‘gaat’ lijkt me een sterke verbetering, te meer daar dan ‘over’ in zijn meer gebruikelijke betekenis kan blijven functioneren in plaats van de tekst op te zadelen met een soort germanisme. Ook hier weet ik niet wat de overwegingen van de dichter geweest zijn; ik kan alleen mijn duiding van het effect van de variant geven.

Misschien is de grootste verbetering de vervanging van ‘avonddonker’ door ‘avondschemer’ in het eerste kwatrijn. Daardoor wordt de klok in het gedicht als het ware enigszins teruggedraaid. Aan het eind van het gedicht, in het laatste terzet, blijkt immers dat het nog niet donker kan zijn omdat daar nog het ‘hardrood zonnebloed’ de landelijke scène belicht.


Dat is het probleem met variantenonderzoek: het kost erg veel tijd maar de opbrengst is niet per definitie erg imponerend. Labberton-Drabbe speelde met haar werk waarschijnlijk niet in de eredivisie der Nederlandsche letteren, dus van een volledige historisch-kritische editie van haar oeuvre zal het niet meer komen, zeker nu die tak van sport  niet meer tot de 21-ste-eeuwse Olympische Spelen in Academia behoort.

Bij het scheiden van de markt, struikelde ik, interpretatieve-hordenlopend zonder varianten nog over het slot van dit sonnet, meer in het bijzonder de wonderlijke, gewrongen formulering ‘een ijskoud floers / Van koele wreedheid’. Een thermisch rampje. En in dat licht, om niet te zeggen: bij die temperatuur, word ik er toch, domheid voorwendend, toe verleid te vragen wie nou eigenlijk die ‘starre leên’ is? Net zo’n gekunsteld personage misschien als ik ooit bij P.N. van Eyck tegenkwam: ‘weeke peul’.

P.S.
Mijn herinnering aan Van Eyck is waarschijnlijk vertekend door mijn sluimerende plaaggeest (vergis je niet, ik heb een zwak voor Querculus, op enige van wiens gedichten uit Herwaarts. Gedichten 1920-1945, 2e dr. [1980] ik ben afgestudeerd). Als ik via de DBNL door zijn verzamelde gedichten blader en zoek, vind ik, afgezien van een echte peul in een moestuin, slechts het navolgende in deel III van de II-de zang van Medousa. Een mythe (1947, p. 92 van de oorspronkelijke, papieren uitgave), waar Medousa door ’t open raam van een eenzaam herdershuisje op een schemer-wijde hei naar binnen blikt en moeizaam, langs een lampje, ziet:

Doch schemerig de verste hoek, het bed,
Waar, leunend aan het kussen, op het dek
Dat bijna afgleed, naakt, een jongeling zat,
Het langgelokte hoofd wat achterwaarts,
De rechter elboog op de peul, een hand
Aan ’ t dunne gaas om ’ t haast ontsluierd lijf
Van ’t slanke meisje dat dicht naast hem stond,
Wier lichtblond golvend, half ontbonden haar
En schouder, als de omplooide rug en leest,
Een zachte weerglans nog van ’t lampje ving.

Labberton-Drabbe staat inderdaad niet alleen met haar elisies in de Nederlandse letteren. Ook Van Eyck ging soms ver om het metrum recht te doen, maar doorgaans loopt zijn Medusa sierlijk als een hinde, eerlijk waar. En hij heeft z’n Milton goed gelezen: weg met dat eindrijm in het epische vers.

Een eerdere versie van dit bericht kreeg een nieuw leven op Neerlandistiek.nl, het digitale vakblad voor neerlandici.