Posts tonen met het label Leesclub. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Leesclub. Alle posts tonen

maandag, mei 20, 2013

Old School: leesclub

Op 18 mei 2013 nam ik deel aan een leesclub, aan één van de dertig leesclubben van die avond, georganiseerd door Das Magazin. Voortreffelijk georganiseerd. Vijfentwintig mens, voornamelijk vrouw, trouwens (ik denk eenentwintig), die zich wilden bezighouden met Dit blijft tussen ons, de tweede roman van Daphne Huisden. Mijn persoonlijke belangstelling voor deze roman was gewekt door haar debuut, dat op de shortlist had gestaan van de Academica Literatuurprijs 2012. De vakjury had voor dit boek gekozen, en Erik Menkvelds historische roman Het grote zwijgen en Een gat in de lucht van Erik Nieuwenhuis. Het publiek koos voor de historische roman, niet ten onrechte, want alle drie de genomineerde teksten waren goed, zij het op grond van uiteenlopende criteria; ik had een relatieve voorkeur voor Alles is altijd fictie, omdat het een on-gewone roman is, een verkennende roman, een comming of age-roman over een persoon van wie je niet eens weet of het een jongeman of een vrouw is; een roman met een goede sfeer, nee: een goed opgeroepen maar bizarre sfeer, met weinig maar intrigerende personages in een gesuggereerde, meer dan een uitgebreid geschetste ruimte (groot,oud huis, afgezonderde zolder, nieuwbouwkaantoorachtig iets er tegenover, dreigende sloop van het woonhuis, meen ik).

Van Dit blijft tussen ons kregen de leesclubleden ter voorbereiding een ongeredigeerde drukproef toegezonden. Dat maakte het clublezen extra intiem: het boek zou pas na de clublezing verschijnen. De organisatie wees erop dat de clubleden dus extra ruimhartig moesten lezen: er moest nog worden gevijld aan de nodige feilen. Achteraf kan ik wel opmerken hoe verbazingwekkend veel er in zo'n late redactiefase nog recht wordt gezet, op het gebied van komma's, grammatica, en verwarringen van muggen met spinnen, om maar iets te noemen; leuk om een blik in dat productieproces te krijgen. En tijdens de bijeenkomst vertelde Huisden nog het nodige over het ontstaan van de roman, het moeizame ontstaan.

De samenstelling van de leesclub was zeer diffuus: Jantine en Alleman deden eraan mee, en vooral gewone lezers. Er zat, geloof ik, geen professionele lezer bij. Ik was wat dat betreft een vreemde eend in deze bijt, net als de moderator, Wim Brands, en twee afgevaardigden van de uitgeverij van Huisden. Er was trouwens ook maar één persoon die Nederlands had gestudeerd, een Hongaarse die nu werkt als vertaalster. Geen idee waar al die studenten Nederlands blijven als er een boek in zicht komt.

Op merkelijk vond ik dat de lezers vrijwel allemaal geïnteresseerd waren in de personages, de personages als mensen. Dat die zo sympathiek was, dat die andere bij nader inzien alles behalve leuk was, en meer van dat soort observaties. En ook de vraag wat Huisdens favoriete personage was, duidde mijns inziens op een hoog gehalte psychologisch realisme in de belangstelling. Daarnaast was er veel aandacht voor de persoonlijke achtergronden van de roman. Een van de leesclubleden vatte deze visie Huisdens tweede roman samen onder de alternatieve titel: Alles is altijd autobiografisch.

Ik vind dat opmerkelijk, omdat ik maar niet geboeid kon raken door de personages; het zijn er maar liefst zestien (een heet Gizmo, zoals de vage man op zolder in Huisdens debuut). In zekere zin lijkt Samuel Cohen, een wannabe schrijver, centraal te staan: hij krijgt als eerste de volle personale aandacht, het vertelperspectief en de focalisatie, van de vertelinstantie, en hij ontbreekt in de lijst van namen die, onder de noemer 'De buren' voorafgaat aan het eigenlijke verhaal, als betrof het een lijst van personages in een toneelstuk; er wordt ook een plattegrondje bij gegeven, van de verschillende woningen om het plein heen als een scèneaanduiding (het boek is ook verdeeld in vier bedrijven). De vijftien anderen zijn dus zijn buren. Oh, nee: in de drukproef ontbreekt Sam in die lijst, maar niet meer in het uiteindelijk gedrukte boek. Vreemd enerzijds.

Maar die correctie is wel terecht, anderzijds, want mijns inziens is er niet een centraal personage. Het boek is juist een smeltkroes van krioelende, elkaar bespiedende en beroddelende figuren die enigszins geïsoleerd rondom dat plein wonen, een onvrijwillge gemeenschap vormen (met een buurtkroeg en eenmaal per jaar de gezamenlijke verjaardagsviering) en die allemaal over en weer zich ideeën vormen over elkaar, maar steeds het naadje niet van de kous te weten komen. Daar gaat het hele boek over, lijkt me: over de abstractie die mensen ondanks alles voor elkaar blijven.

Jammer dat de personages zelf ook wat abstract blijven, wel allemaal een tikje van een molen hebben, maar niet goed als karakters uit de verf komen en des niet tegenstaande, en niet gehinderd door een krachtige vertelinstantie, tomeloos mogen ouwehoeren in mono- en dialogen en hele lappen erlebte Rede. 'Het was heerlijk op zijn balkon, heerlijk alleen. En het was prachtig weer; niet te warm, niet te koud, een tikkeltje bewolkt, hier en daar wat opklaringen, zo nu en dan kans op een bui; een gebalanceerd klimaat.'

Na de grondige en boeiende bespreking van het boek met al die enthousiaste lezers en een verheugde Huisden was er een after in De Melkweg, waar dan alle dertig leesclubs samenkwamen. Ik struinde voor het eerste van mijn leven die tent binnen, sloeg linksaf naar waar het levendig leek en kwam terecht in een oord waar mijn zolen aan de grond kleefden van wat niet alleen maar bier geweest kon zijn en waar het orchideeënkwekerijheet was, alleen de schrijver C.W. mismoedig op zijn mobiel starend tegen de toog houvast vond maar bovenal geen zinnig woord meer te wisselen was met welke andere lezer of schrijver dan ook. Men liet er muziek horen. Ik was in een disco beland.

Om kort te gaan: bij het verlaten van het pand ontmoette ik toch nog die ene student Nederlandse taal en cultuur. Uit Utrecht ook nog. Van mijn werkgroep Modern Tijd zelfs. En hij was naar de leesclub van Bonita Avenue geweest. Bingo.

zondag, november 15, 2009

Laus Legendi Studii

Eigener beweging liep ik niet heel erg hard weg met De bewaker van Peter Terrin, ondanks alle lof die het boek werd toegezwaaid door recensenten. Ik vond dat die 185 hoofdstukjes verspreid over 219 bladzijden maar over weinig gingen, hooguit over twee, en even drie, mannen die naar eigen zeggen in de kelder van een luxe flatgebouw waken over naar zij zelf zeggen veertig appartementen op even zoveel verdiepingen, waaruit naar zij zelf zeggen op één na alle bewoners zijn vertrokken. De mannen, Michel en Harry, werken voor 'de organisatie' waar verder niets over wordt verteld en ze leven in een bedreig(en)de wereld waar de lezer, zo min als zijzelf, ook maar een fractie van te zien krijgt. De twee zijn - kort door de bocht - lichtjes paranoïde, remake van de gebroeders Gé en Arie Temmes, die elkaar voortdurend gek maken met eigen verknipte (?) interpretaties van een wereld waar ze geen vat op krijgen. En dat alles in een stijl van mortel zonder water. Het boek deed me eerlijk gezegd aan veel andere boeken denken (van Het proces tot Onderhuids via 1984, tot en met The Road) die ik beter vind, spannender, psychologisch sterker, beklemmender, dreigender, uitzichtlozer, humoristischer en nog zo wat.

Toen werd het 6 november 2009 en kwam de leesclub Transitie weer bijeen, zoals elke eerste vrijdag van de maand, en bleek er, door de veelheid aan visies van dito lezers, toch een heel gevarieerd gesprek over deze roman te kunnen ontstaan. Ik kan niet zeggen dat mijn persoonlijke oordeel (in de buurt van: niet onverdienstelijk) fors gewijzigd is, noch dat ik het boek nu wel goed vind, noch dat ik het zal herlezen (wat vooralsnog ook niet zou kunnen, want ik heb het ruim voor 6 november 2009 uitgeleend aan een mede-leesclublid), maar mijn waardering voor het boek is zeker wel veranderd, vooral meer genuanceerd. De strakke stijl is eigenlijk wel knap volgehouden, het absurdisme is ingetogen maar aanwezig, een fijn randje van een kritische reflectie op de hedendaagse maatschapppij is erin aan te wijzen, het steeds weer secuur tellen van die patronen, zodat de doosjes ervan helemaal vervilten en uiteenvallen, dat is een motief dat beklijft; dat soort dingen. En zo leer ik elke maand weer bij. Nulla mensis sine litterae.