It's just a second hand,
A two stroke Mariner
We bought today.
So many horses
Press'd together,
Like a marvel,
In one single engine.
logophilialia
Zo zong (nou ja...) eens P.N. van Eyck in een van zijn 'Kleine tussenzangen' in (de tweede, herziene druk van) de bundel Herwaarts; ik ken het gedichtje dus al sinds 1983, toen ik mijn doctoraal afrondde bij Sötemann.
De realiteit is dat ons bootje nog geen naam heeft. Maar het drijft. Gisteren is het vaardig te water gelaten door Berend, sea scout met ervaring. Hij heeft er ook het eerste stukje mee gevaren. Nu is de motor in revisie (nee, nee, denk dat niet: we wisten al bij aanschaf dat er een mankementje was).
(het is, in de woorden van Doeriancompaan Adriaan Jaeggi, als slagroom kloppen met je credit card, maar het kan gewoon: fotograferen met je telefoon)
Krijg nou velletjes, dacht ik. Op Jongstra's werk ben ik dol (al koop ik het alleen bij De Slegte; maar daar hebben ze dan ook alles). Fantastische verteller is dat. Onnavolgbaar, onvergelijkbaar. Met Jos Joosten ook een scriptie begeleid over z'n bloemkolenroman. En voor de Doerian staat de nieuwe Jongstra op mijn kerfstok. Die taak had ik volgaarne op me genomen: eindelijk eens een goed boek lezen (is ook wel weer nodig, zeg. Here Hod in den hoge, vandaag Pauline Slots nieuwste gelezen; ook Arbeiderspers, maar wat een debber). Vreemd genoeg heb ik die stukken in de vrijdag-cultuurdag-kranten niet onmiddellijk aandachtig en zeker niet volledig gelezen.
Plaatjes van de collectie Fix komen alleen maar uit het boek van Jongstra, dat tegen de agenda's in nog niet verkrijgbaar is. Uitgave is uitgesteld. Het borstbeeld van Henry II Fix is in 2006 (in 2006) gemaakt door een niet in drie klikken op te Googlen Zweedse beeldhouwer Sten Olof Nilsson; zoeken in combinatie met de naam van de Nederlandse 'avonturier' helpt niet. Maar ja, mijn Zweeds is ver beneden beroerd. Zegt dus nix. En heel veel Zweden heten Sten, en/of Olof en/of Nilsson (zelfs het paard van Pipi Langkous). Ikea rules.

Ik geloof vooralsnog geen meter van deze gastconservator. Meteen gebeld met Joost Kloek, kenner van de tijd waarin die meneer Fix geleefd zou hebben; Fix zou immers de rivaal van Feith zijn geweest. Neen, hij kent hem niet, maar dacht toch dat er ergens een belletje ging rinkelen. Die Jongstra weet toch warempel de gekste dingen boven water te krijgen. Joke van der Wiel: ook die heeft die belhamel nog nooit horen luiden.
Snel die stukken in de pers herlezen, op zoek naar sleutels, vlase sleutels des noods. Ik lach me een deuk-kwadraat als ik ernaast zit. Maar ook als niet. Het is geen simplistische mystificatie. Er is een heuse tentoonstelling van spulen van Fix: zie hier. Er is zelfs muziek van hem uitgevoerd: hoor. Maar lees De volkskrant, en je ziet tal van toevallige lacunes in de feiten.
Let wel, in de aanbiedingsfolder van De Arbeiderspers staat dit:
'Een literaire parel, opgedolven door Atte Jongstra, die vanaf 2004 werkzaam is als schrijver/gastarchivaris voor het Historisch Centrum Overijssel, de combinatie van
Rijksarchief Overijssel en Stadsarchief Zwolle. Jongstra trof de nalatenschap van de Zwolse burger Henry ii Fix (1774-1844) bij toeval [!] aan in drie kisten [!] in een Leids veilinghuis. Die bestaat uit zeer uiteenlopende manuscripten [!], waaronder een schitterend geschreven autobiografie [!], die alle trekken vertoont van een heuse roman[!]. Dankzij de veilingvondst in Leiden was Jongstra in staat de archieven uit te breiden met de ‘Collectie Henry ii Fix’. De autobiografie De avonturen van Henry ii Fix wordt nu door Jongstra gepubliceerd en voorzien van een inleiding, noten en talloze illustraties. Dat is, honderddrieënzestig jaar na de dood van Henry ii Fix, een daad van rechtvaardigheid.'
Dat document heeft als roepnaam: '625056AP Fictie 03-07-2006'. Jawel: fictie. En op de plekken waar ik een uitroepertje heb gezet kan je denken: 19de-eeuwse manuscriptfictie, welbekend van onder andere het pak van Sjaalman. Heremijntijd, wat was ook weer de relatie tussen Jongstra en de Multatulianen?
Ha: Joost belt terug: Nee, er kan nix van deugen. Alles wat je vindt, wijst terug naar Jongstra. Die tweelingbroer, de acteur Louis Fix, is nergens te vinden. Tweeëiig? Weten we dat wel van mensen uit die tijd? Die ruzie met boekhandelaren? Nix over te vinden. Duel met Feith (die van die andere, echte Julia)? Nooit van gehoord. En dan: een duel tussen een 50-jarige (Fix) en een 71-jarige (Feith)?
Wat grasduinen op de site van Burgersdijk & Niermans levert ook al nix; geen Fix, ook geen 'collectie Schutte' die Jongstra in De volkskrant en de NRC noemt. Wat natuurlijk zou pleiten voor zijn uitzonderlijke speurzin.
Raadplegen van Jaimie and Adam niet nodig: myth definitely busted.

Vervolgens Scaramouche (= M.G.L. van Loghem) over Albert Verwey's Persephone en andere gedichten (1885) en even later over Julia (1885). Hij vond allebei goed.
Maar morgen moet ik verder: vandaag moest ik, vijf uur na aanvang en vergeten hebbend pauze of zelfs maar koffie te nemen, dochterlief ongelegenertijd - midden in het slot van dat stuk over Julia - ophalen van school.
En ik zie net in de voorjaarscatalogus van Vantilt dat in april de briefwisseling Kloos-Verwey verschijnt. Het houdt niet op.
ook al gaf Verwey in brieven anno 1885 à 1886 te kennen dat die verhalende poëzie van hem al een tikkie achterhaald was, maar dat het publiek het wel leuk vond. Zoiets. Letterlijk: in een brief d.d. 29-10-1885 aan Jan Pieter Veth (die als Hendric van Gooyen 'Schemering' had bijgedragen aan Julia) zegt Verwey dat hij
'er niet veel meer mee [bedoelt] dan het geven van een aantal tafreelen en beelden van een bepaalde soort. Klanknabootsing, impressie van hoekjes natuur, standen en groepen interessant gemaakt door een beetje handeling en een paar sentimenten – ik heb door Perseph. gemerkt dat men daarmee de opvoeding van het publiek beter beginnen kan, dan met de ideeën en sentimenten, die de kern van een nieuwe periode zijn.
Ik beweeg me, terwijl ik die verzen schrijf, in de familiariteit van mijn oude fantasieën – en nu ik er weer in bezig ben, heb ik ook wel lust mijn werk artistiek zoo goed mogelijk te maken. Daarna is het voorgoed ermee uit. –'
Kritiek van de gevestigde recensenten was precies dat het wel leuk klonk, maar weinig te zeggen had. Grappig genoeg vond Cosman dat ook van Julia:
'In Julia is geen denkbeeld belichaamd en weinig gedachten zijn uitgesproken. Men vindt ze hier en daar als flab* op een vliet. Guido’s plan was dan ook slechts een verhaal te geven en dat doet hij. De inhoud kan achterwege blijven. Ontdaan van zijn omhulling zou hij weinig boeien.'
Aldus Cosman in De Nederlandsche spectator van 12 december 1885. En zo hangt alles weer samen met al het andere en weef ik lustig verder aan mijn Juliatapijtje. Er staat weer een uitje naar de Bijzondere Collecties van de UBU gepland, zalig oord van ongestoord zoeken en lezen.
* 'Naam van een geslacht van waterplanten met lange stengels, die vaak over een groot oppervlak door elkander gestrengeld zijn, Conferva. Vandaar dat het woord meer als stofnaam dan als voorwerpsnaam gebruikt wordt en zelden in het mv. voorkomt.' WNT III [2-3], kol. 4501 s.v. 'flab'.