zondag, mei 11, 2008

Samenwerken en net werken sans Bourdieu [release 3]

Afgelopen donderdag schreef ik, geheel ex tempore, een 'schema' op het bord voor de studenten in mijn college Instituties: literatuurkritiek. Ik wil even controleren of ik toen niet ijlde, want woensdag al bekroop me een vreselijke vermoeidheid, naar ik dacht door het correctie- en Toelatingscommissiewerk, maar donderdag begon ik te duizelen (die troostrijke Duvel in de drie kwartier pauze deed me geen goed), en sinds vrijdag vertoef ik tussen de klamme lappen, zoals m'n broer dan zegt (ander kader: Met het oog op Morgen: Buiten is het 25 graden, binnen lijdt Stolk met pieken tot 39.0 graden Celsius en verveelt zich wezenloos doordat hij bijna niets meer kan).

Het schema ontstond naar aanleiding van Graig Pools eye opening boek Faint Praise (2007) over the Plight of Book Reviewing in America, en Nico Laans artikelen in Nederlandse letterkunde (2007) over de ‘Vormen van samenwerking tussen kritiek en uitgeverij’. De eerste waarschuwt ernstig en met voorbeelden en argumenten dat de recensent zijn/haar onafhankelijkheid moet zien te behouden tegen de druk in van allerlei belemmerende externe factoren; de tweede adviseert om ‘het beeld dat we hebben van de verhouding tussen kritiek en uitgeverij […] bij te stellen en om de rol van de criticus als beoordelaar en controleur met enige scepsis te bezien.’ (Laan 2007 b: 272)

Mijn schema bevat de volgende elementen:

A Docent moderne Nederlandse letterkunde aan instituut J
B Auteur van roman C, uitgegeven door D
E Bespreker van C in tijdschrift F van uitgeverij G
H Promotor van A en E en P
I Redacteur van F (zie E)
K Redacteur, met A en E, van jaarboek L
M Redacteur bij uitgeverij D (zie B)
N Auteur (van) wiens werk (een editie) bij D verscheen.
O Co-promotor van A
P Hoogleraar aan instituut Q
Q Een tweede instituut Neerlandistiek
R Auteur van roman S, uitgegeven door T
T Uitgever van werk van R en U
U Dichter van poëziebundel V
W Een ander instituut
X Een boekhandel
Y Partner van A.

De onderlinge relaties zijn betrekkelijk overzichtelijk:

1) Docent A leest de intrigerende roman C, verschenen bij uitgeverij D.

2) A leest, geïnteresseerd als hij is, een uitgebreide bespreking/beschouwing (geen recensie) van C door E in tijdschrift F van uitgeverij G.

3) E heeft, net als A, gestudeerd aan J; zij hebben samen een onderzoekscollege gegeven toen E onderzoeker in opleiding (of hoe het heet) was geworden. A en E zijn beiden gepromoveerd bij H.

4) De partner van E, en moeder van zijn kinderschare, I, die eveneens aan J gestudeerd heeft, is, onder veel meer, redacteur van tijdschrift F waarin E zijn stuk over C van B publiceerde.

5) A en E zijn, samen met K, die ook aan J studeerde, redacteur van een specialistisch jaarboek L dat niet op de vrije markt verschijnt.

6) Bij D werkt M als redacteur; ook M studeerde aan J en heeft - als een uitloper van die studie - een editie van het werk van N verzorgd, verschenen bij D; mede-editeurs van M zijn H en O, welke laatste tevens de co-promotor van A was. M is de partner van P, die eveneens heeft gestudeerd aan J en promovendus was van H; P is thans hoogleraar aan instituut Q.

7) Zoals het hoort, mijns inziens, zocht A contact met E over die bespreking van C in F, waarop E niet alleen informatief antwoordde, maar ook nog vroeg of A geïnteresseerd was in een roman van R, getiteld S, een werk met een vergelijkbare structuur als die van B; die roman S was verschenen bij uitgeverij T. Na bevestiging van A stuurde E een exemplaar, om A de mogelijkheid te bieden tot nadere genreverkenning. E weet dat A een college zal wijden aan de bundel V van U, eveneens een uitgave van T. A vond, anders dan E, S trouwens lang niet zo intrigerend als C.

8) Interessant is, wellicht, dat E redacteur is bij uitgeverij T, waar S en V dus verschenen.

9) En, wellicht, is ook interessant dat U werkt aan instituut W, onderdeel van dezelfde faculteit als J, maar dat U en A elkaar nog nooit waren tegengekomen, behalve heel recent op een poëzieavond, waar A optrad als beschouwer en U als dichter, dus met heel verschillende petten op.

Ik heb geprobeerd mijn white board-schema van het college digitaal na te maken, maar dat werd een puinhoop, een warboel, en knoedel, een kluwen, een Gordiaaanse knoop.

Moraal van mijn verhaal is echter niet een vlot maar flauw oordeel als: niet eerlijk, en: vriendjespolitiek. Ik pleit juist voor een andere interpretatie: een onontkoombaar en onmisbaar, veelkantig literair kennisnetwerk.

[De volgende dag:]

Om J. te N. meteen tevreden te stellen en te vriendje te houden natuurlijk, zo gaat dat: hij is een hoog capabele collega, bijgaand het - gezien mijn huidige beperkte mogelijkheden (koorts daalt, maar alles doet zeer) - best mogelijke schema. Ik heb geprobeerd de relaties zo enkelvoudig mogelijk te houden; ik zag dat ik een lettertje vergeten was voor E's bespreking (het zij zo); gebrekkig wis- en meetkundige competentie (ook zonder koorts kreeg ik meteen visioenen van mijn wisknuddeleraar, dr. Koster: 'Netjes werken, jongen') boden me ruimte voor een bijna symbolische X, maar zelfs die is, doordat het personeel kennelijk wordt geworven onder (ex-)studenten van J, toch goed verweven; en A koopt er vrijwel al A's literaire boeken.

En wat ik nou het leukste vind: de meest intieme relatie (waarvoor de betrokkenen enigszins vrezen, qua beeldvorming) is wellicht die tussen Y en A: levenspartners, en collega's aan hetzelfde instituut, en dat al zo lang. En toch springen daar niet de kennisnetwerkkundige vonken van af, althans niet aangaande die twee romans en een dichtbundel waar het hier allemaal om begonnen was.

Schema kennisnetwerk

[Weer een dag later]

De knoedel blijkt mee te vallen, al zijn er erg veel relaties in het geding bij zo iets eenvoudigs. Verdere complicatie is trouwens ook niet moeilijk aan te brengen: M bijvoorbeeld, recenseerde ook, net als P trouwens, en wel in Z; I recenseert ook. Dat is niet direct van belang voor de hier behandelde boeken, maar het geeft eens te meer aan hoe nauw alles en iedereen en verweven is.

woensdag, mei 07, 2008

Yang 1.2008, april: Actief in de rij

...met daarin een heel dossier over literatuurkritiek: 'Kritische massa', met bijdragen van Reugebrink, Barthes, 't Hart, Vestdijk, Rovers, Lindner, De Vries, Harmens, Joostens, Theunissen, Sonnenschein, Bru, Hertmans en Palazzeschi. 't Nummer heb ik net ontvangen, in totaal maar liefst 183 pagina's. Blij toe dat het een driemaandelijks tijdschrift is (hoewel ik het weer sneller gelezen moet hebben, natuurlijk). En van 't Hart (in de lijst van medewerkers gealfabetiseerd op t) las ik dan laatst weer de laatste, dat wil zeggen: tweede bundel, Ik weet nu alles weer, wat weer samenhangt met mijn belangstelling voor epische poëzie, en van die bundel, waar ik eigener beweging weinig over te zeggen had, om niet te zeggen dat ik 'm zo nietszeggend vond dat ik bij wijze van niet aardig spreken niet eens aan het verhalende gedicht over 'Het leven van Franciscus was toegekomen, schreef Ilja Leonard Pfeijffer in de NRC onlangs een klaterende recensie, die me niet van smaak deed veranderen, maar wel de ogen opende en het licht boven de herleestafel deed aanknippen. Nooit te oud om te leren; nooit tijd genoeg om rustig te lezen, laat staan om te herlezen, om nog te zwijgen over het alsnog uitlezen van halverwege even weggelegde boeken, en al helemaal stilte aangaande het schrijven van iets zinnig over het gelezene. Waarvan akte. Inderdaad: onderwijsblok 4 is gaande.

dinsdag, april 08, 2008

Grounds of Literary Criticism

is de titel van een boek van 253 bladzijde van Suresh Raval, 'a professor of English at the University of Arizona'. Het verscheen bij de University of Illinois Press, Urbana and Chicago, al in 1998. Maar het exemplaar dat ik uit de UB te Utrecht heb geleend, ziet er volkomen ongelezen uit. Geen potlood- of ballpointstrepen, geen tabaksresten, geen vouwen, kreuken, sporen van voedsel, de rug recht, de snee onbeduimeld. Onbegrijpelijk, want het is, voor zover ik daar nu al over kan oordelen, een donders goed boek, en dat vooral omdat en doordat het bijzonder duidelijk is en - nog belangrijker - uitermate redelijk. Een nieuwe Wellek & Warren is misschien wat al te dik gezegd (omdat het niet alle praktische kantjes van onze bedoening langsloopt), maar het komt in de buurt qua: dat wil ik beslist helemaal lezen. In een kalme, schier Olympische, maar zeker niet afstandelijke, laat staan betwetende beschouwing, laat Raval zijn licht over het vak schijnen, daarbij behoedzaam positie kiezend tussen een tot niets leidend absolutisme en een dito relativisme. Van zo iemand weet ik het te waarderen dat hij zijn vijfde hoofdstuk eenvoudig begint met: 'In this chapter and the one that follows, I explore some basic issues in the history and theory of criticism that every theorist sooner or later finds inescapable.' (p. 110)

Helaas heb ik nu - een college voorbereidend op BA-niveau - de tijd noch de onmiddellijke en praktische nood om het boek geheel te lezen, en dus kan ik er ook niet verder op ingaan; toch wil ik het aanraden. Laat me dan tenminste de hoofdstuktitels weergeven:

Philosophy and the Crisis of Contemporary Literary Theory
The Form and Function of Poetics
Contingency, Value, and Literary Theory
Interpretive Communities
On the Mode of Existence of the Literary Work
Defining Literature
Contest of Theory and the Concpt of Criticism
Conversion, Change, and Tradition.

En een quote:
'When we teach literature, we educate our students' sensibilities in the sense of making them better, subtler and more complex. To help our students to cultivate their critical faculties does not mean that we make them like the things we like or value. [...] Indeed, we try to improve their taste.' (p. 75)

maandag, maart 31, 2008

Klasse!

Gouden Uil voor Marc Reugebrinks Het grote uitstel.

maandag, maart 24, 2008

Zonder Wolkers, met wolken

Ongelooflijke paasdagen, zoals ik ze maar eenmaal per halve eeuw mee hoop te maken. Texel zonder Jan Wolkers (ik las, oneerbiedig, iets anders; er sterven dit jaar trouwens wel erg veel literatoren...).

Onze gehuurde achtertuin in het noorden, aan de oostkant (het heerlijke tegenovergestelde van De Koog) zag er op de 23ste zo uit....

Prins Hendrik, Oosterend, 23 maart 2008 11.45 uur
















En een ruime vierentwintig uur later, weer midden op de dag, aldus....

Prins Hendrik, Oosterend, 24 maart 2008 13.30 uur
















(dit zijn twee kleurenfoto's; 1/125, F 4.0 resp. 1/250, F 4.8)

Nee, de duindoorn bloeit niet. De duindoorn bloeide ook daar niet.

maandag, maart 10, 2008

Lezen, las, herlezen - II

Het is bijzonder prettig om na het lezen, met de pen erbij, even na te denken over het gelezene, over het genotene; m'n bevindinkjes noteer ik dan ook in een papieren leeslogboek (i.c. een roman-dummy). In de inhoudsopgave van dat leeslogboek heb ik, als een mislukte Roland Holst, achter sommige items echter een I genoteerd, de I van Interruptus. Dat beduidt dat ik de lectuur van het betreffende boek be-eindigd heb (lang) voor ik tot de laatste pagina gekomen was, omdat ik niet voorzag dat een langer samenzijn met het boek vruchten van leesvreugde zou gaan afwerpen. Weg ermee, dus. Ik teken hier graag bij aan dat ik ernaar streef het aantal I's zo klein mogelijk te houden (even doorbijten, jongen, om op een andere metafoor over te stappen).

Vanochtend begon ik met een zuchtend "Toch maar" aan het tweede hoofdstuk van een recent verschenen roman (een 'Sprinter' uit de Gemeentebieb) van een auteur van naam. En daar las ik:

Ik dacht aan de doden toen ik het plein overstak, op weg naar huis. Het laatste avondlicht gloeide nog als een oranje streep aan de westelijke hemel. De platanen leunden zwaar onder het goud van hun bladeren. Er speelden wat grotere jongens voetbal. Het liep tegen Allerzielen. Was het zo hechte clubje daarom uit elkaar gevallen, omdat de dood het op ons gemunt leek te hebben en wie ontsnappen kon, zich uit de voeten maakte? Waren we allemaal tuinmannen die ons paard de sporen gaven naar Ispahaan?

Pfieuww, dacht ik op mijn beurt, daar zit een mooie literatuurtentamenvraag in: wat is het thema van deze passage? Of zou de brugklas dat toch te makkelijk vinden?
En...
... is laatste nodig als er al nog staat in verband met avondlicht (of: is nog nodig als er al laatste staat)?
... is westelijke niet wat overdadig bij deze hemel?
... wie heeft er wel eens een oranje streep zien gloeien en welke gevorderde auteur neemt zo een streep als vehicle voor een vergelijking?
... wat betekent leunen ook al weer, en kan je leunen onder?
... hoeveel meter zijn die jongens precies groter dan de platanen, of is wat hier bedoeld als onbepaald telwoord en zou het dan niet duidelijker zijn het aantal te relateren aan elf of twee-entwintig nu het toch over voetbal gaat?
... hoeveel dagen zijn er nog te gaan eer het Allerzielen is, of maakt dat niks uit?
... hebben die clubleden nu echt niets begrepen van het enige beroemde gedicht van Van Eyck? 'Geen dreiging was 't, / Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast', zegt daar immers de Dood, die het helemaal niet agressief op tuinmannen gemunt heeft, maar haalt wie hem van hogerhand opgedragen is te halen.

Inderdaad, dat wordt een gloeiende I in het leeslogboek.

zondag, februari 24, 2008

Lezen, las, herlezen

Een beetje lastig: lezen als onderdeel van je beroep. Daardoor leest ook in je vrije tijd - wat dat ook zij - altijd een neerlandicusje met je mee: of het gedicht, de bundel, het verhaal, essay, de roman wellicht ergens (mede) ingezet kan worden als materiaal voor een college of als onderdeel van een denkproces, een nieuwe zet in een discussie. Noem maar op. Lekker lezen voor de lol, zoals fietsen met de zon op je kop en de wind in de rug, heuvel af richting zee, zou er zomaar bij in kunnen schieten. Anders dan, maar toch vergelijkbaar met wat Boskma zegt in 'Het liefdeskustgesticht' (Puur, Amsterdam 2004):

het is niet vergeten, niet te
vergeten, het struikelt nog
altijd door ieder gedicht

En lees je voor de lol, is er wel een collega-neerlandica in huis, die je streng terechtwijst, zoals gisteren toen ik, enigszins de wanhoop nabij, uitriep: 'Aldemachtig, wat moet ik nou toch, als middenin deel drie, op bladzijde 345 een hoofdstuk ex nihilo begint met '"Vader, moeder, mijn schrift is hier..."' Hoe kan ik nou weten wie daar weer aan het woord is? Het boek begon met Nora vooral en ging in het tweede deel over haar ex Guido vooral, maar hun dochter Franca kwam al wel tussenbei; en nu is deel drie geen klontje meer maar kruimels, wat wel te verwachten was met die titel, Snijpunt. Maar dat dan ook die eigenlijk op de achtergrond thuishorende, volkomen fictieve, quasi-onvindbare nepschrijver E. Fischer, of welke man uit het dal van Spoleto daarvoor doorgaat, ook nog aan de bak komt... en nu dan weer dat citaat over een of ander schrift????

'Ach joh, dat is toch Guido... daar eindigt toch zeker het tweede deel mee...!!'

Ik blader terug, ongelovig, naar pagina 217: '"Vader en moeder, mijn schrift is hier.'"

Hoe wist ze dat nu nog, zij die mij voor was en het boek voor mij las maar mij niet voorlas? Wel, om- en doordat het, nota bene, de laatste woorden van deel twee zijn. Dus niet zomaar woorden ergens in een dikke roman, maar woorden op een prominente plaats, meneer de close reader.

Tsja. Hoe close kan je readen: als ik met mijn neus diep in dit boek zat, was ik overmand door een diepe dommel. Wat ik bedoel: ik kon mijn aandacht maar niet bij deze roman houden: Snijpunt, van Nelleke Noordervliet (Amsterdam-Antwerpen 2008). Wat heel vreemd is, want Noordervliet heb ik hoog op mijn lijst van voorkeurige auteurs staan, en de eraan voorafgaande leesgang bood alle mogelijkheden tot zeer zachte spiegeling (want die Vingers van marsepein van Rascha Peper vond ik nou niet iets om meer dan een kattebelletje op twee velletjes Popla over naar huis te schrijven). Maar wegleggen deed ik het boek niet. Er staan fraaie beelden in Snijpunt, goede formuleringen. Schouten spreekt van Noordervliets robuuste stijl. Inderdaad. Stevig. En de opening is heel veel belovend. En de roman gáát ook over iets, als in: stelt een probleem van deze dagen aan de orde. Maar met personage Paul vroeg ik me af, niet over boek A, B, C of D van E. Fischer, maar over Snijpunt: 'Waar zit de opium, de nicotine, de alcohol in de tekst?'

Nu het uit is, denk ik: in het geheel, niet in de onderdelen. In de afwisseling en vermenging van verhaallijnen, in de vertragingen en de versnellingen, in de oscillatie tussen overpeinzing en handeling. Denk ik.

Doordat er 'iets' in dit boek zit (hier legt ze het uit op tv), en doordat ik van Noordervliet ook niet anders verwacht, blijft het boek op de leestafel liggen. Meneer Storm in het Parool is er negatief over. Ook Anne-Marie van der Poel op Literair Nederland doet een dito duit in de kritiekzak. Daniëlle Serdijn in de Volkskrant heeft, net als Schouten in Trouw, een ander perspectief waar ik me beter in kan vinden; ze stoort zich niet aan de futiliteiten waar anderen wel over zijn gestruikeld.

En dat maakt nu wellicht het verschil uit tussen een boek niet of wel goed vinden: niet struikelen, of als je struikelt, dat snel vergeten en doorlezen. Het blijft evenwel de vraag wanneer en waardoor een neerwaartse struikelspiraal begint bij het lezen. Hoe langer ik er over nadenk, hoe meer ik dit boek goed ga vinden, trouwens.

Het lezen uit de kop van dit stukje is een infinitivus en slaat op de dagelijkse bezigheid ad infinitum; las betreft Snijpunt en is een onvoltooid verleden tijd, want herlezen is een adhortativus. Ik denk dat dit boek toch nog in de categorie Klasse! komt.

zaterdag, februari 02, 2008

Ge....golden shower

Citaat van meneer Ford, die auto's maakte: "History is more or less bunk. It's tradition. We don't want tradition. We want to live in the present, and the only history that is worth a tinker's damn is the history that we make today." (Chicago Tribune, 1916). Dat lees ik dan op http://www.phrases.org.uk/meanings/182100.html.

Het maakt ook allemaal geen ene ...moer meer uit (unquote De jeugd van tegenwoordig). Lucht, valse lucht en opgeklopte lucht en nog meer gebakken lucht. Mens, maak je nog eens ergens druk om.

Er is een hoop gedoe en gesteggel over een 'film' die er niet is, die er nog niet is, die er nog lang niet is en waarvan God en al zijn vakbroeders van mij van harte mogen verhoeden dat-ie er ooit nog komt. Er wordt zelfs geschreven over de vraag hoeveel er over die veronderstelde film geschreven zou moeten worden. Als dat geen neo-kantiaans-post-metafictioneel-hypertrofische speculatie is, mag meneer Jérôme K. van mij nog wel een tijdje los rondlopen.

De kranten en tv-actualiteitenprogramma's (zich noemend actualiteiten-tv-programma's) lopen over van het gedoe over een veronderstelde maar reeds door de bekenner inmiddels als niet juist gekwalificeerde bekentenis in een tv-programma dat nog moet zullen worden gaan uitgezonden worden.

Heel de goegemeente is al lang en breed en verontwaardigd uitgebreid gestruikeld en gevallen over en gekwetst en ontzet door de voorgenomen uitzending van een film die al meerdere mensenheugenissen her in de bioscopen heeft gedraaid.

Voor een boek, dat naar het heet binnen een week vier drukken heeft beleefd (maar... hoe gaat dat dan? als ik - eenvoudig plezierlezertje - in de literaire boekwinkel een boek bestel dat in herdruk is, moet ik er minstens een week op wachten voor het uit het Centraal Boekhuis is overgevlogen; op één herdruk van een Nederlands boek), een boek dat vol staat met geouwehoer en plasseks (laat mij ook eens overdrijven), voor zo'n boek wordt op de voorpagina van iedere zichzelf respecterende krant met gevoel voor cultuur - slijpstenen des geestes niet uitgezonderd - zonder ook maar een grein van een spoortje van moreel of literairveldtheoretisch bezwaar reclame gemaakt.

En paginagroot wordt er vandaag geadverteerd (weer een slijpsteen voor een botte geest) voor een kinderboek dat achttien jaar geleden de Gouden Griffel won en dat heet: De eikelvreters. 'How deep is your throat?', hoor ik Fosko als het ware op de achtergrond zingen.

Oftewel: neem eerst een bakkie soup voor je een mening ventileert. Lucht ook op. En als je dan toch de hitte wegblaast: denk na.

woensdag, januari 09, 2008

Nu het nog kan...

... om- en doordat de tentoonstelling verlengd is tot eind deze maand, moet je toch echt even naar Scheveningen, naar het museum Beelden aan zee (alleen maar beelden, binnen en buiten, en, heel veilig, zeer figuratief), en dan in het bijzonder 'Imago', de tentoonstelling van Caspar Berger. Ik ben er zelf naartoe gegaan alleen al omdat ik in een krant een advertentie ervan zag, met een foto. Kortzichtig? Nou en! Die foto blijkt een stukje te zijn van dit beeld:

Zelfportret in zeker stadium; beeld van Caspar Berger, Scheveningen, januari 2008
Ik ga hier en nu niet uitleggen wat het aantrekkelijke ervan is, zoek dat zelf maar uit (wel, dat ik het achteraf heel erg fraai vond dat die gekke naad dwars doorheen de kop precies (bijna) samenviel met een lijn in de achtergrond; echt niet op gelet bij het schieten van het plaatje, wat nou weer geen hoopvolle gedachte is voor iemand die wel eens foto's maakt) (overigens heb ik netjes gevraagd of ik foto's mocht maken: ik koop altijd ansichten in een museum - voor m'n plakboek, zeg ik - stammend uit de tijd van suikerzakjes, sleutelhangers, sigarenbandjes en -kistjes, -doosjes en -blikjes, Flipje uit Tiel, autoplaatjes in vaders cigarettendoosjes (Full Speed of Chief Whip, wat toen nog onschuldig klonk), kabouter Piggelmee en het Toovervischje... oeps, nu overdrijf ik een weinig - maar van Berger waren er geen ansichten aanwezig).

Om kort te gaan: ik kom die tentoonstelling binnenlopen en wordt onmiddellijk geconfronteerd met een afschuwelijk lelijk onding van een lomp stuk brons op een grofbetonnen sokkel. Deceptie, deceptie. Toch maar doorgelopen... en genoten van wat er verder te zien was. Ook van een video van een half uur over de genese van dat zelfportret dat aan het begin van de tentoonstelling staat... blijkt dat ik te lui, veel te lui heb gekeken: je moet ook om het beeld heen lopen, de achterkant ervan zien en dan naarbinnen kijken: er zit een beeld in het beeld, een glanzend bronzen, felrealistisch, als het ware in zichzelf gekeerd portretbeeld... nou ja kijk zelf maar op de site van Berger (bij 2007, sub Zelfportret 5 / IMAGO). Een tentoonstelling die uiteindelijk een leerproces in kijken blijkt te zijn. Nog nooit zo aan den lijve meegemaakt.

Ook wel leuk, maar geheel bezijden het punt, voor literaten, dat er een beeld staat van Innocentius:


dat dus weer lijkt op dat doek van Bacon (Francis):

Francis Bacon, Head VI
dat volgens mij afgebeeld staat op een van de romans van Brakman, van toen hij zijn eigen omslagen nog niet schilderde (maar ik kan het boek niet vinden thuis).

vrijdag, januari 04, 2008

Woorden...

... woorden, woorden, en dan heel veel: bladzijden... en dan heel veel: de werkelijkheid...

De Verzamelde gedichten van Nijhoff... een bladzijde of 400 (tot en met het Colofon: 485 in de editie 1990).

Alle gedichten van Achterberg: zeker weten 1267 bladzijden (maar dan wel inclusief Nawoord, Biografie, Bibliografie, Verantwoording, Register op titel en beginregel, en Gedetailleerde inhoudsopgave, want de gedichten houden al op p. 1163 op).

De 'romans en ander literair proza' van Pieter Waterdrinker beslaan onderhand 'bijna 2000 bladzijden druks', dixit de literator uit Moskou zelf in NRC Boeken d.d. vrijdag 4 januari 2008 op p. 2 in de rubriek 'Reacties'.

Waarde en omvang hangen niet altijd samen, dat is duidelijk. Maar soms probeer ik toch die link te leggen, bijvoorbeeld als ik wil aanduiden hoezeer ik bij tijd en wijle onder de indruk ben van iets als het Woordenboek der Nederlandsche taal, een 'ding' dat ik zo niet dagelijks dan toch wel erg regelmatig raadpleeg, zo niet direct (digitaal of papiraal), dan toch wel indirect: via de er zwaar op leunende Van Dale. Het WNT beslaat een lief aantal van 45.805 bladzijden. Vijfenveertigduizend achthonderdenvijf. Daar leest zelfs een rechtgeaard, aan iedere semiosis twijfelende neerlandicus beroepshalve nog geen deel van een fractie van, vrees ik, hoe ijverig hij of zij ook filologeert, tot in de vrije tijd aan toe.

Mijn zwarte, terugtrapgeremde, tweeëntwintig jaar oude Gazelle met dubbelgeveerd Lepper-zadel en plingplongbel, gezekerd met ring- en kabelslot, gestolen op een olijke zondagmiddag tijdens de boekenweek van 1999, op de Oudegracht, nabij de Literaire Boekhandel Lijnmarkt 17...

...nooit meer iets van vernomen, ook niet na na de aangifte bij de wouten op het Paardenveld. Gelukkig maar, in zekere zin, want hoe had ik ooit kunnen bewijzen dat die ene, met de afgeschuurde Gazellevignetten (dat had ik namelijk zelf al gedaan in een bui van brand denial) werkelijk de mijne was; hoe had de dienstdoende welwillende oom agent werkelijk willen, laat staan: kunnen aantoonbaar maken dat die slecht gekapte, loslopende bonobo met betonschaar er de specifieke dief van was?

Ons aller dierbaar benzine-jerrycannetje A (ledig als een tweedehands Danaïdenvat en droog als de Gobiwoestijn na Leeghwaters zomervakantie), en ons aller minstens dito benzine-jerrycannetje B (bevattende een schamele 1,5 liter Euro-loodvrij, aangelengd met de voorgeschreven 1 % smeerolie voor watergekoelde tweetakt), ontvreemd ergens afgelopen september in Utrechts binnenwateren...

Trabeau na de gewelddadige brandstofroof, september 2007
...nooit meer een fractie van teruggezien, ook niet na de digitale aangifte. Niet opmerkelijk, want hoe had ik kunnen bewijzen dat dat rode ding, met afgesleten aanknopingspunt voor montage van buigbare schenktuit, werkelijk het onze was; hoe had de havenmeester of een andere tante agent werkelijk willen, of kunnen aantonen dat die opgeschoren sleepstaartmakaak met slijptol er de vernielzuchtige jatmoos van was?

En in dezelfde NRC, die dat gedoe om Waterdrinker maar blijft publiceren (er wordt, ook op tv, meer om die mummelende man heen geleuterd dan dat zijn oeuvre werkelijk wordt gelezen en gewaardeerd, als je het mij vraagt), diezelfde NRC meldt, maar dan op de voorpagina temidden van het echte nieuws, dat het Parmesaans Openbaar Ministerie op 14 maart aanstaande eindelijk gaat beginnen aan het Parmalat-proces en dat daartoe een dossier is aangelegd van 6.000.000 (zegge: zes millioen) pagina's... Dat is dus bijna 131 maal het gehele WNT! Nee, dan lijkt het me niet gek dat de verdachten, indien schuldig bevonden, nimmer achter de traliën zullen geraken, zelfs niet dat ze nooit schuldig bevonden zullen worden. Of is het de bedoeling dezer berichtgeving dat mijn achting voor juristen hoger zou moeten zijn dan die voor neerlandici?

De werkelijkheid... daar kan geen steno tegenop.
Al hoopte Achterberg wel op iets dergelijks (in het gedicht 'Stenografie' uit de bundel Vergeetboek):

Nu gij geen ander wezen hebben kunt
dan tegenover mij aan tafel zat
zich punt voor punt verwijderend, zodat
gij door de muur tot op een waas verdunt,

is mij het stationnaire woord misgund
omtrent uw toestand. Alles wat ik had
aan definitie brokkelt op het blad.

Om adequaat te blijven, hic et nunc,
volg ik u stenografisch in het klad

en rekt het teken zich reikhalzend uit
bij deze wedloop tussen taal en tijd.

Eens trekt de letter in het eindgedicht
zijn laatste vrije ophaal om u dicht.

woensdag, januari 02, 2008

Over het lezen van klassieken

Het lezen van klassieken - klassiekers, zo u wilt - is niet altijd een onverdroten pretje. En dan denk ik nu niet eens aan een echt klassieke tekst, maar meer aan een klassieker, binnenkort zestig jaren oud: Oeroeg, van Hella S. Haasse.

Zij - dit ter zijde - mocht toen de tekst voor het eerst verscheen, nog geen naam hebben, want het boekje werd in 1948 anoniem uitgegeven als 'geschenk ter gelegenheid van de Nederlandse boekenweek van 26 februari tot 6 maart 1948' door de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels; met een prijsvraag voor de lezers: wie schreef dit? En dan mocht men kiezen uit negentien namen, waarvan er denk ik thans twaalf niet meer als die van een literator zullen worden herkend of herinnerd. In mijn exemplaar heeft een brave burger het antwoord ingevuld, met potlood:


De kans bestaat dat ik Oeroeg voor het eerst las halverwege de jaren negentig der twintigste eeuw als leraar Nederlands te Gorinchem, in een poging mee te kunnen praten tijdens de examens die ik bleek af te moeten nemen (de bandopnames heb ik recent maar eens gedeponeerd bij het restafval). Ik weet zeker dat ik het als scholier niet las (Beatrijs, echt waar en het hoefde niet eens van de leraar - hè, Pim?! -, en alles, dus niet alleen Kaas, van Elsschot, behalve dan Villa des Roses).

Vorig jaar heb ik het boek geloof ik driemaal gelezen. Eenmaal per ongeluk, als dat kan; wellicht ook uit nieuwsgierigheid naar oudheden. Toen nog eens, omdat ik de eerste druk op de kop had getikt; en dat had ik gedaan omdat ik wist dat ik er aandacht aan wilde besteden in een college (dat nog moet plaatsvinden... ik kan soms zo ver vooruit denken). Vervolgens nog eens omdat ik ook een Sonderausgabe tegen het antiquarische lijf liep (Hofman forever!!!), die inmiddels als volgt in mijn bibliografie-van-alles terecht is gekomen:

Haasse, Hella S., Oeroeg – een begin. Amsterdam, Em. Querido’s Uitgeverij BV, 2004.
[Bevat:
- Peter van Zonneveld, ‘Het onbereikbare geboorteland’;
- Kees Snoek, ‘”Dat geheim van vlees en bloed”’ uit Indische letteren 13 resp. 14 (1998 resp. 1999);
- [Hella S. Haasse], ‘De tovervogel’ [facsimile van opstel van vijftienjarig Haasje, met transcriptie];
- [Hella S. Haasse], Oeroeg facsimile;
- [Idem], Oeroeg tekst [heremijntijd: geen verantwoording what soever];
- Juryrapport Prijs der Nederlandse Letteren 2004;
- Verantwoording [groot: zes regels, met bijna alleen de vermelding dat die twee artikelen uit Indische letteren 1998 en 1999 komen. Niets over de manuscripten, hun heromst, hun afschriften, hun verhouding tot het boek].
[Kortom: een schitterend uitgevoerd, gebonden, groot formaat-boek met stofomslag, maar een - vakkundig bezien - ronduit ondermaatse 'editie'. Een vergelijkbare (d.i. ondermaatse) collatie van de alleen eerste alinea van Oeroeg leert al in een minuut dat de ‘tekst’ in dit boek niet gelijk is aan die van de eerste druk, noch aan die van de (laatste) (gereproduceerde) manuscriptversie].

Maar goed: onlangs deze klassieke novelle ten derden male gelezen. Geen onbekookt oordeel dus. Literaire papillen recentelijk opgepept met Het grote uitstel en Multatuli (nog mee bezig). Mmjaa, dan is Oeroeg maar een laf hapje. Hoe kan een mens zich zo verschuilen achter de onwetendheid van de belevende ik... ‘Nooit heb ik geweten […]’ staat er dan. En: ‘Van dit alles was ik maar heel onvolledig op de hoogte.’ En: ‘Ik beschrijf de gebeurtenissen zoals ze zich in die tijd aan mij voordeden.’ En, of het al niet erg genoeg is zo: ‘Ik wist weinig of niets [...] van het gistingsproces dat zich in bepaalde lagen van de inlandse maatschappij voltrok.’ Maar geen kwade wil of wat ook, hoor: ‘Het koloniale denken, in het naoorlogse vaderland zo vaak, al dan niet ten onrechte, bekritiseerd, was mij vreemd.’ En de bottom line (op drie na): ‘De diepte peilde ik nooit.’ Mag je dan nog zeggen dat het koloniale denken je vreemd is, of moet je juist besluiten dat dit koloniaal negeren bij uitstek is??? Niet willen weten is ook een vorm van denken, immers. Zo bezien, met wat misschien een ideologische blik mag heten, kan het toch een interessante tekst zijn. Ik zal dan ook die begeleidende teksten van Van Zonneveld en Snoek gaan herlezen (want ik ben niet echt thuis in deze materie).

Maar wat de literaire kantjes ervan betreft, laten we zeggen: stijl en taalgebruik, is er toch echt geen enkele lol aan te beleven. Dit alles gevoegd bij die kunstmatig volgehouden onwetendheid van de vertellende ik en de lachwekkende iteratieve vertellingen alsmede de monstrueuze blokkarakteriseringen en de stereotiepe ondoorgrondelijkheid van Oeroeg, maken me het boekje enigszins ongenietbaar, als ik het zo eens mag zeggen. Maar ik realiseer me dat ik behoor tot een minderheid en dat ik dit eigenlijk heel goed moet vinden.

vrijdag, december 28, 2007

Dope?

Desloratadine, levocabastinehydrochloride en niet te vergeten het onvolprezen benzalkoniumchloride: daar leef ik tegenwoordig op (en naar ik mag vrezen, de rest van mijn aardse bestaan). Plus een nieuw, vooralsnog huisstofmijtvrij bed, dat wonderlijk genoeg niet op -ide of -ine rijmt (ik ben erop gespitst, omdat ik de biografie van Multatuli aan het lezen ben). Dus des nachts geen Dormabenesivelonguatodine of Somnasupertidine, noch Euhypnotolinamide. Maar toch: vandaag voor het eerst sinds tijden door het magisch plafond geschoten, waar ik het eerder over had, tijdens het verlof was dat. Heden een moyenne van 158.6 bij elkaar geroeid, op zo iets:maar bij Visscher Fysio Fitness hebben ze dit van Technogym Ik ben voor de rest van het jaar ook wel aan mijn tax wat bewegen betreft: nu kraakt het been weer en rammelt alles wat los zit; melkzuur sijpelt uit de poriën; de enkele achtergebleven calorieën schreeuwen om brandbaar gezelschap. Ik zal eens aan het sap gaan, maar die aanhoudende pijn in m'n kop lijkt te zijn verdreven; de slijmvliezen zijn chemisch getemd en laten weer zuurstof door naar de longen.

Een gezond 2008 gewenst!

maandag, december 24, 2007

De donkere, datumloze dagen voor Kerst...


... werden niet bepaald verlicht door de lectuur van Jeroen Brouwers' laatste minimum opus. Hoe tranentrekkend het verhaal ook is, meeslependheid is weer een kwaliteit van geheel andere orde. Spiekend naar de afloop van dit hellend vlak, las ik in de ziekenhuisscène, die sluitstuk en hoogtepunt geacht wordt te zijn van dit romanboekwerk, het volgende: 'Er zijn leidingen en slangen die uit infuuszakken aan eenpotige standaards met het lichaam zijn verbonden [...]'. (Jeroen Brouwers, Datumloze dagen, Uitgeverij Atlas, Amsterdam-Antwerpen, 2e dr., november 2007, p. 184).

Het wil me nu even niet te binnen schieten wanneer het was en in welk geschrift, maar ik meen dat decennia geleden dezelfde Brouwers zijn collega Dirk Ayelt Kooiman neersabelde, mede omdat er in een roman van hem iets werd gezegd over een eenpotige tafel, en dat Brouwers daarvan zei dat die toch wel onmiddellijk zou omvallen. Dat zal toch anno 2007 in een ziekenhuis met een standaard niet anders zijn?

Nee toch: al plusminus dertig jaar geleden, in De nieuwe revisor, nummer 250 van Tirade? Is-ie het zelf dan vergeten?

Eerder in Datumloze dagen staat dit, in een scène in 'een eetcafé': 'Hij [dit is: 'de gedienstige die de bestelling noteert'] brengt me een stapel smoezelig kapotgelezen katernen van wat, ook dat nog, De Telegraaf blijkt te zijn. Datum? Verzopen in opgedroogde spatten frituurvet.' (p. 127)

Oubolligheid troef. Krantencliché erbij ook nog. En dan een uiterst geforceerde poging om de titel van de roman er voor de duizendste maal in te jassen. En: hoe kan iets verzuipen in opgedroogd frituurvet, hoe kan iets verzuipen in spatten, hoe lees je iets smoezelig kapot, hoe kan het dat van een hele stapel katernen van een krant, die volgens het clichébeeld met ruime hoeveelheden inkt gedrukt wordt, de datum in het geheel niet meer terug te vinden zou zijn?

dinsdag, december 11, 2007

Uit een onvoltooide, emblematische cyclus

XII Ketel 1


Met coffee spoons mat Eliot zijn leven;
Ol’ William zijn lief met zomerdagen;
de Bijbel doet in veelvouden van zeven:
niet God (in drieën), wel Egypte’s plagen.

A cat has nine lifes (Lennon); koe: vijf magen;
Bond lives twice, een week zeuven dagen;
één punt, drie landen; oom Donald drie neven.
Zo is alles een eigen maat gegeven.

Wie gans alleen en vrij en mateloos,
en zonder rem of grenzen zuipt altoos,
die gaat, let op mijn woorden, naar de kloten.

De vriend die met zijn maten heeft genoten
zonder fors zijn lever te ondermijnen,
gaat luidkeels jubelend naar de Filistijnen.

vrijdag, december 07, 2007

Diep gezonken...

... maar door nood gedwongen; preciezer: schapnood, ruimtegebrek. En ook wel om te kijken of het werkt. En of de investering eruit gehaald kan worden. Want het is natuurlijk ook om de poen te doen. Ja, echt wel: een aantal van m'n boeken te koop aangeboden op 't internet. Met pijn in het gevoelig lezershart soms. Maar bij een tweedehandshandelaar van vlees en bloed krijg je geen sou meer los voor je uitgelezen prachtjuwelen. Van een zo'n boekenboer kreeg ik eens voor een kilo of wat topliteratuur een tegoedbonnetje. Maandenlang niks nobels in die winkel gevonden, behalve m'n eigen bloedjes, pareltjes. Uit arren moede toen maar het verzamelde kritisch proza van Adiraan Morriën gekocht. Hoe diep kan een mens zinken?

zie: http://www.boekwinkeltjes.nl/
Maar niemand krijgt mijn in allerlei rugzakken versleten Folio-uitgave (drie van die blokjes op de rug) van Flauberts Madame Bovary; moeurs de province. Préface et notice de Maurice Nadeau; een herdruk uit 1978, aangeschaft op 19 april 1980, blijkens een inscriptie op het schutblad, toen ik nog met bruine inkt schreef, en met potlood vertalingen van lastige woorden in margine noteerde (handig bij herlezen). Tussen pagina 210 en 211 steekt een toegangsbillet van het Museon Arlaten (Prix: 1 F. 50), Palais du Félibrige. Ah, die zuidelijke zon. Dat verklaart de breuken in de uitgedroogde lijm in de rug, die het boek bijna losbladig maken. Onverkoopbaar, gelukkig.

dinsdag, december 04, 2007

Verkeerd verstaan, goed gezien

Al een tijd geleden (juli) noemde ik Roosbeef. Het noemen was een aanraden. Voor als je ervan houdt. Nu even in het bijzonder over haar nummer 'Bouwvakkers' (onder andere te vinden op haar website). Daar ben ik dol op, die idiotie. Maar tot voor kort verstond ik een onderdeel verkeerd. Ik dacht dat ze het had over haar zwak voor der bouwvakkers 'dixie wc-tjes', en 'dixie' begreep ik als een neologistisch voortborduren op aan muziekvormen ontleende adjectiva als 'jazzy' of 'funky'; een soort- of type-aanduiding. Maar ik begreep absoluut niet wat Roosbeef met die oubollige dixieland te maken zou hebben (The Dutch Swing College Band, om maar eens een oude kraker te noemen, misschien nog bekend bij oud-Bob-Evers-serielezers). Haar eigen muziek lijkt er in genen dele op.

Tot ik afgelopen maandag een kratje Affligem Tripel op mijn achterrekje aan het uitbalanceren was (dat is me toch een goed bier; ooit tegenaan gelopen op het promotiefeest van Erwin Mantingh, je weet wel, van Een monnik met een rol. Willem van Affligem, het Kopenhaagse Leven van Lutgart en de fictie van een meerdaagse voorlezing (Hilversum 2000) en heb er toen een goed gesprek over Nederlands en onderwijs bij gevoerd met René van de Kraats terwijl mijn collega Van der Poel en zijn collega Strijbos zich onder de echte medi(a)evisten ophielden). Mijn slijter Guus had dat kratje voor me besteld, want eigenlijk doet-ie alleen in van die leuk bedoelde trio-tjes: tripel en dubbel en blond; maar ik houd dus niet van dubbel. Hij moest eens weten hoe literair verantwoord dat bier is; maar wijlen prof. Guus Sötemann, ooit m'n scriptiebegeleider, wist meer van deze Guus z'n discipline, dan deze Guus van die van die andere weet; maar dit terzijde.

Sta ik daar te equilibreren, zie ik een vrachtwagentje voorbijkachelen, met achterop drie wiebelende kunstsof wc-hokjes. Ja, natuurlijk, van het merk Dixi! Had ik eigenlijk al geweten. Is dat nu ook intertextualiteit?

maandag, december 03, 2007

Beetje minder vroolijk...

... doordat het te maken heeft met een teleurstelling in de leesvoortgang terwijl ik niet ter zake kundig ben, wat het onderwerp betreft noch wat betreft de vormgeving ervan waarop zich mijn kritiek in eerste, eigenlijk enige instantie richt. Laat ik de boel onder dit voorbehoud dan maar durven presenteren.


Het woord als wapen

Natuurlijk bestaat het literaire leven in de stad niet louter uit overal aangebrachte teksten. Vertrouwd zijn van meet af aan de openbare vertoningen van passerende sprooksprekers, het spektakel van de wagenspelen in en rond de ommegangen en al die andere semiprofessionele voorstellingen van ‘gezellen van den spele’ uit de steden zelf – feesten en andere aanleidingen genoeg. Maar het blijft niet bij de verklankingen en verbeeldingen van al dan niet gedrama-tiseerde rijmteksten. Zeker vanaf de veertiende eeuw moeten de woorden in dit nieuwe milieu ook vastgelegd worden, geboekstaafd, om later weer in het openbaar uit te vliegen.
Bovendien krijgt een opgeschreven tekst meer betekenis. Het woord is onttrokken aan de vluchtigheid van het moment en de grilligheid van elke voordrager, zanger of toneelspeler. Het bestaat op papier en perkament langer dan een ademtocht, is zichtbaar, verifieerbaar, en moet wel een waarheid dragen die de vergankelijkheid tart. Ook op schrift blijven de woorden bij voorkeur rijmen. Betrouwbaar verankerd vinden ze daarna hun bestemming pas in de vrije ruimte, bij eindeloos herhaalde communicaties met een publiek. En die woorden laten zich paarsgewijs of in kunstiger combinaties schikken, om de toehoorders op elke gewenste wijze te kunnen bespelen. Bovendien laten ook de auteurs hun gedachten sturen door deze literaire handvatten voor een optimaal contact. Daarom blijft het rijm op schrift staan.
Die vastgelegde klanken groeiden uit tot voorraadkamers en gangmakers van een stedelijk zelfbewustzijn. Tegelijk accentueerden ze een nieuwe macht die wilde heersen over markten en pleinen, en de breedte van de schepenzaal verkoos boven de piramidale troon van vorst of bisschop. En ook al werd de nieuwe vorm van samenleven nog vertaald in de hoogte van kathedralen en belforten, het richtpunt bestond al lang uit een algemeen belang, dat geen eenzame en onverantwoordelijke leiders duldde. Mocht het er even op lijken dat de stad probeerde te concurreren met macht, rijkdom en vertoon van hof en klooster, dan werd al snel duidelijk dat ze die eerder probeerde te omvatten en overkoepelen. Of beter gezegd, door haar snelle succes in royaal welbevinden voor ongekend grote groepen mensen tegelijk probeerden ook edellieden van elk allooi en geestelijken van alle rangen en standen zich van een standplaats in haar midden te voorzien. Omgekeerd werden deze ook uitgenodigd om te komen, omdat de stad hun speciale talenten en status goed kon gebruiken. En daarmee raakte de groeiende suprematie van de stad nog eens extra bevestigd en bevorderd.
In de loop van de veertiende eeuw is het complete menselijke bedrijf en de institutionalisering daarvan in de grotere steden aanwezig. Naast de eigen


Dat (hierboven geciteerd) alles staat zo, letterlijk, op pagina 18 van Herman Pleij, Het gevleugelde woord; geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1400-1560. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2007. Deze bladzijde, de derde van het boek (afgezien van wat titelbladen, inhoudsopgave en een kaart der Bourgondische Nederlanden), bevat, volgens de in mijn tekstverwerker ingebouwde woordenteller van Bill Gates, 427 woorden. Maar wat er nou mee gezegd wil zijn… Het is me een raadsel. Laat ik de boel nog eens ‘afdrukken’, en dan met wat aantekeningen erbij.

Het woord als wapen
[de titel allitereert, maar de paragraaf eronder gaat niet over oorlog, niet over strijd]

Natuurlijk bestaat het literaire leven in de stad niet louter uit overal aangebrachte teksten.
[Hiermee refereert Pleij aan de vorige paragraaf, ‘Stad vol woorden’ (p. 16-17) waarin hij aangeeft dat een middeleeuwse stad rijk voorzien was van allerlei spreuken, namen en citaten (die paragraaf begint met de woorden: ‘Literatuur is overal.’) Het woord ‘Natuurlijk; is de spreektaalvariant van: ‘Vanzelfsprekend’. ’n Beetje onhandig, omdat de stad meestal niet als een natuurlijk fenomeen wordt gezien. Verwarrend is dat Pleij deze openingszin met een negatie formuleert. Maar ja, als je die wegwerkt, valt het ook wel erg op dat ‘overal aangebrachte teksten’ rijkelijk vaag is, en al helemaal niet specifiek hoeft te slaan op literatuur.]
Vertrouwd zijn van meet af aan de openbare vertoningen van passerende sprooksprekers, het spektakel van de wagenspelen in en rond de ommegangen en [1] al die andere semiprofessionele voorstellingen van ‘gezellen van den spele’ uit de steden zelf – feesten en [2] andere aanleidingen genoeg.
[De vraag is waar de meet ligt in dit geval; niet onbelangrijk in een geschiedenisboek. Pleij probeert opnieuw te voorkomen dat de zin begint met een duidelijk onderwerp. Wat 'sprooksprekers' zijn, wordt bekend verondersteld, zoals wat 'ommegangen' zijn, en niet te vergeten het (theatrale belang van het) subtiele verschil tussen 'in' en 'rond . Wat dan al die andere voorstellingen zijn naast sprooksprekervoorstellingen en wagenspelen, blijft onbenoemd, terwijl het daar toch over zou moeten gaan in een boek dat de historische letterkunde aan 21-ste-eeuwers uitlegt. Ook het woord 'semiprofessionele' veronderstelt meer dan het metterwoord uitlegt. Welke andere aanleidingen er naast 'feesten' waren, moet de lezer ook zelf kunnen verzinnen. Maar een gemiddelde geïnteresseerde leek zal dat niet zo maar en met recht kunnen.]
Maar het blijft niet bij de verklankingen en [3] verbeeldingen van al dan niet gedramatiseerde rijmteksten.
[De tweede negatieve formulering in een tekst die een (positieve) beschrijving zou moeten geven. De derde nevenschikking van vrijwel gelijkwaardige begrippen; dan had er net zo goed kunnen staan: gedramatiseerde en nietgedramatiseerde rijmteksten. Wat zijn trouwens rijmteksten?]
Zeker vanaf de veertiende eeuw moeten de woorden in dit nieuwe milieu ook vastgelegd worden, geboekstaafd [4], om later weer in het openbaar uit te vliegen.
[Dit nieuwe milieu was er al eerder, de noodzaak van boekstaving ook, maar zeker vanaf de veertiende eeuw… dus vanaf 1300 of vanaf 1399? Waarom is dat zo zeker? Wat is het verschil tussen vastleggen en boekstaven, als het om woorden gaat? Hoezo 'ook'? Vastleggen, boekstaven en uitvliegen: niet echt een hecht metaforisch veld. Pleij is naarstig op zoek naar woordspelletjes met de titel van zijn boek.]
Bovendien krijgt een opgeschreven tekst meer betekenis.
[Boven wat? En is het wel zo dat een opgeschreven tekst meer betekenis krijgt? Hoe lang moet je een opgeschreven tekst laten liggen totdat de betekenis - zeg maar - verdubbeld is? Is het een voordeel als een geboekstaafde tekst na een tijdje meer betekenis heeft dan ze had bij notatie?]
Het woord is onttrokken aan de vluchtigheid van het moment en de grilligheid van elke voordrager, zanger of [5] toneelspeler.
[Het woord niet, maar het geboekstaafde woord. Dat is niet, maar wordt onttrokken aan […]. En al weer een schijnbare enumeratie. En: die verschillende voordragers dragen toch juist bij aan de vermenigvuldiging van betekenis?]
Het bestaat op papier en [6] perkament langer dan een ademtocht, is zichtbaar, verifieerbaar, en moet wel een waarheid dragen die de vergankelijkheid tart.
[Op papier en perkament = opgeschreven. Het medium doet er niet toe, tenzij je iets wilt zeggen over de ontwikkeling van papier naast perkament in deze periode; maar dan moet je het niet (alleen) over opschrijven maar (ook en vooral) over druktechniek hebben. Waar de evaluatie op gebaseerd is…]
Ook op schrift blijven de woorden bij voorkeur rijmen.
[Dat ligt niet aan de woorden, maar aan de schrijvers; maar ja: de paragraaftitel moet gehonoreerd worden.]
Betrouwbaar verankerd vinden ze daarna hun bestemming pas in de vrije ruimte, bij eindeloos herhaalde communicaties met een publiek.
[Dit grijpt, wat formulering betreft, terug op de laatste zin van de vorige alinea; maar wat is die vrije ruimte (en wat hebben de woorden daaraan als ze net nog zo verankerd waren?) Wat zijn communicaties? Wat is een publiek? Driewerf vaag.]
En die woorden [zojuist nog verankerd] laten zich paarsgewijs of in kunstiger combinaties schikken, om de toehoorders [die deel uitmaken van een publiek, mag je aannemen] op elke gewenste wijze te kunnen bespelen.
[Paarsgewijs geschikte woorden? Zoals in:

Natuurlijk bestaat
het literaire
leven in
de stad
niet louter
uit overal
aangebrachte teksten.

Nog mazzel dat die zin uit een even aantal woorden bestaat, anders had ik een kunstiger combinatie moet vinden. Welke zijn overigens die mogelijk gewenste wijzen? Zo die niet genoemd worden, wat hebben we dan aan de suggestie? Is de schikking der woorden gerelateerd aan de wijze waarop ze toehoorders kunnen bespelen?]

Bovendien laten ook de auteurs hun gedachten sturen door deze literaire handvatten voor een optimaal contact.
[Dus niet alleen de woorden laten hun gedachten sturen, maar ook de auteurs?! En dan zijn vormen van schikking literaire handvatten? ’t Is een beeld, maar of het ook beeldend is…]
Daarom blijft het rijm op schrift staan.
[Ach kijk, het blijkt om rijm te gaan, rijmhandvatten voor rijmratten. Overigens wist ik niet dat het hier ging om orale teksten waarvan het rijm verdwijnt bij schriftelijke vastlegging.]
Die vastgelegde klanken groeiden uit tot voorraadkamers en gangmakers van een stedelijk zelfbewustzijn.
[Wil je dit echt begrijpen, dan moet je niet meer denken dat het alleen over de rijmklanken gaat, hoor. Want dan worden die voorraadkamers helemaal onbegrijpelijk. De overstap van literaire teksten naar stedelijk zelfbewustzijn is groter dan ik op een vrijdagnamiddag kan bevatten.]
Tegelijk accentueerden ze [die vastgelegde klanken] een nieuwe macht die wilde heersen over markten en [7] pleinen, en [die] de breedte van de schepenzaal [niet letterlijk nemen a.u.b., gezien het vervolg] verkoos boven de piramidale troon [evenmin letterlijk, maar als beeld van machtsverhoudingen] van vorst of [8] bisschop.
[Ik zou opteren voor de balans van de breedte van de schepenzaal en de piramidaliteit van de troon, of voor de brede schepenzaal en de piramidale troon]
En ook al werd de nieuwe vorm van samenleven nog vertaald in de hoogte van kathedralen en [9] belforten, het richtpunt bestond al lang uit een algemeen belang, dat geen eenzame en [10] onverantwoordelijke leiders duldde.
[Hoezo 'En'? Vertaald? Eerder verbeeld, vormgegeven, zou ik zeggen. Wat is een richtpunt van een nieuwe vorm van samenleven? En als die nog verbeeld werd, die vorm, waarom is het richtpunt dan zo vaag, een algemeen belang?]
Mocht het [wat?] er even [hoe lang?] op lijken dat de stad probeerde [oh, nu wordt de stad ook al handelend voorgesteld] te concurreren met macht, rijkdom en [11] vertoon van hof en [12] klooster [vergelijk hiervoor: kathedralen en belforten: een chiasme], dan werd al snel duidelijk dat ze die [namelijk: macht, rijkdom en vertoon] eerder [let op: even, al snel en eerder achter elkaar] probeerde te omvatten en [13] overkoepelen. Of beter gezegd [waarom het niet in één keer goed gezegd?], door haar [wier ook al weer?] snelle succes in royaal welbevinden voor ongekend grote groepen mensen tegelijk [voor verschillende groepen tegelijk? of voor veel mensen tegelijk, oftewel voor groepen?] probeerden ook edellieden van elk allooi [waartoe dient deze toevoeging?] en [14] geestelijken van alle rangen en [15] standen [ik dacht dat de geestelijkheid een stand apart was…] zich van een standplaats in haar [wier ook al weer?] midden te voorzien. Omgekeerd werden deze [namelijk: standplaatsen? oh, nee: edellieden en geestelijken] ook uitgenodigd om te komen, omdat de stad hun speciale talenten en [16] status goed kon gebruiken. En daarmee raakte de groeiende suprematie van de stad nog eens extra [zou 'nog eens' ook volstaan, of alleen 'extra'?] bevestigd en [17] bevorderd.
In de loop van de veertiende eeuw is het complete menselijke bedrijf en [18] de institutionalisering daarvan in de grotere steden aanwezig. Naast de eigen [wat betekent dat: het complete menselijke bedrijf is in de grotere steden aanwezig? Wat is het complete menselijke bedrijf? En hoe groot zijn de grotere steden, dat er wel het complete menselijke bedrijf aanwezig in kan zijn, terwijl in kleinere steden alleen het incomplete menselijke bedrijf aanwezig is? Wat betekent het als iets in de loop van een eeuw aanwezig is? Dat het er is of dat het zich ontwikkelt?]


Het woord als wapen

Vanzelfsprekend omvat het literaire leven in de stad meer dan spreuken en opschriften. Stedelingen zijn van meet af aan vertrouwd met de openbare vertoningen door sprooksprekers, in wagenspelen en andere voorstellingen door ‘gezellen van den spele’. Vaak waren feesten de aanleiding tot uitvoeringen van rijmteksten. Om de een of andere reden moeten vanaf de veertiende eeuw in steden teksten vastgelegd worden; ze kunnen vervolgens des te beter verspreid worden.
Een vastgelegde tekst kan aan betekenis winnen. Ze bestaat dan langer dan een ademtocht, ze is zichtbaar en verifieerbaar; ze moet, als het goed is, wel een waarheid dragen die de vergankelijkheid tart. Ook schrijvende auteurs houden vast aan rijm. Zij schikken hun woorden in paarsgewijs of nog ingewikkelder rijmende regels, om hun toehoorders beter te boeien. Bovendien laten ze hun gedachten sturen door het rijm, voor een optimaal contact.
De vastgelegde teksten werden de voorraadkamers en gangmakers van het stedelijk zelfbewustzijn. En ze gaven vorm aan een nieuwe, stedelijke macht, die democratische breedte van de schepenzaal verkoos boven de hiërarchische macht van vorst en bisschop. Het richtpunt was het algemeen belang, dat geen eenzame en onverantwoordelijke leiders meer duldde (ook al werden er nog steeds ouderwetse kathedralen en belforten gebouwd). Aanvankelijk probeerde de stad te concurreren met de macht, de rijkdom en het uiterlijk vertoon van de oude wereldlijke en geestelijke macht, maar al snel probeerde ze die te overtroeven. Die oude macht werd anderzijds uitgenodigd om naar de stad te komen omdat ze haar talenten en status goed kon gebruiken. Zo werd de suprematie van de stad bevestigd en bevorderd.
In de veertiende eeuw zijn er dus steden. Naast de eigen

Zo, dat zijn nog 275 woorden. Ongeveer 35 % (ruim een derde) minder. De vraag aan u is: is less more, zijn die woorden, minder in aantal, begrijpelijker, of niet? Tussen haakjes zijn de enumeraties geteld. Achttien op één pagina. En ze doen niet wat ze verondersteld worden te doen: het verhaal enigszins concreet maken.

Wellicht is mijn leeshouding wat geperverteerd door het geven van de cursus Schrijven en presenteren, waarin ik studenten probeerde te leren om helder op te schrijven wat ze bedoelden en goed en klaar te presenteren wat ze onderzocht en gevonden hadden; wellicht ook door het lezen van andere geschiedenisboeken waarin het wel lukte om veel en weerbarstige materie om te vormen tot genietbare kost.

En ik verlies heus niet uit het oog dat mij makkelijk ingewreven kan worden: ga er maar aan staan, probeer het zelf maar eens... Wees blij, denk ik dan, dat ik dat niet doe, want ik kan het echt niet. Maar ik weet dat er zijn die het wel kunnen. En door een en ander te relateren aan elkaar wordt mijn respect vergroot voor de enkele zeer kundigen. Daarvan geef ik graag blijk. Die voorbeelden zijn er om te volgen (dat althans te proberen).

Misschien was dit mijn manier om te verwerken wat ik heb opgestoken uit het boekje van Edwin Lucas en Marcel Uljee, Het geheim van het schrijven; tien schrijvers over hun vak (Uitgeverij Passage, Groningen 2007), waar weliswaar geen literatuurhistoricus in aan het woord komt, maar wel allerlei andere beroepsschrijvers, die allen - op eigen wijzen - nadrukkelijk blijken na te denken over hoe ze wat op opschrijven, van thrillerauteur tot toesprakenschrijver, van romancier tot columnist, de de overige zes die ertussendoor worden geïnterviewd.

zondag, november 18, 2007

En déconstruant St. Nicolas


... na waterscout Berend opgepikt te hebben van de Kateri (ook wel: Kater I, de ietwat afgeknepen dieselsleper van Tekakwitha) in de buurt van de Weerdsluis, na de goedheiligman in geen velden of waterwegen te hebben gezien, na een bootje vol blaaspoepen te hebben laten passeren, onder een stralend zonnetje weer olijk huiswaarts gevaren en, op instigatie van buurman Cas, incidenteel langsvarende zwarte Pieten, alsmede als dito personages uitgedoste medeburgers die zich onbeschut op bruggen ophielden, verrast met quasi spontaan vanaf het water opwaaiende pepernoten. Veel lol voor nog geen euro.

Aldus de hermeneut op een vrolijk novemberende zaterdag.

donderdag, november 08, 2007

Weelderig

... en de zang begint,
een smeltend lied, daarin weerklinkt gedempt
een smachtend klagen en de zoete smart
der wellust...


las ik, en moest denken aan

Zoo slingert zich in deze stille stonde
Het zoet verlangen naar de zoetste zonde


Het tweede citaat is uit Perks 'Een adder' dat dateert van plusminus 1879-1880, een gedicht waar Kloos, toen hij het handschrift las, verrukt bij schreef, ter hoogte van de tweede hier geciteerde regel: O, Jacques! Die twee begrepen elkaar.

Het eerste citaat is uit het werk van een andere dichter en dateert van ongeveer 1885-1886; het komt uit 'een in donkerrood leer gebonden cahier dat de dichter heeft opgedragen en gegeven aan Aaffiene (Fimi) Rijkens (1864-1939), met wie hij in zijn vroege studententijd korte tijd verloofd is geweest.' Tussen die twee is 't nooit wat geworden. Fimi huwde Jan Hendriks broer. Ay.

Die weetjes over die dichter, J.H. Leopold (1865-1925), ontleen ik aan de straatsteendikke Delta-uitgave van zijn Verzamelde verzen (Amsterdam, Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2006).


Leopold zou je - afgaande op zijn geboortejaar althans - tot de generatie van de Tachtigers kunnen rekenen; die werd namelijk, volgens Stuiveling, gevormd door jonge lieden, allen geboren tussen 1855 en 1865. Maar ja, Leopold had niet bepaald een druk literair-sociaal leven, toefde te Leiden, Deventer en Rotterdam als student en leraar klassieke talen niet in het hartje van de kleine en stille gemeente die te Amsterdam wat reuring in de letteren bracht, en debuteerde ook wel erg laat (in de zomer van 1893, zij het ook in De nieuwe gids) om nog volbloed Tachtiger genoemd te kunnen worden. In deze Delta-uitgave wordt hij - op gezag van Van den Akker - als modernistisch dichter getypeerd. Maar de waarheid zal wel op het breukvlak van twee stromingen liggen.

Vandaag, des huisgezins overige leden op school en universiteit aan het leren respectievelijk doceren, mijzelve neergevleid hebbende op de sofa, kopje dubbele espresso van handgemalen bonen erbij en een stroopwafeltje, eens lekker, hardop, wat van die langere gedichten van Leopold gelezen. Wonderbaarlijk hoe helder die meanderende zinnen eigenlijk zijn. En weelderig soms. En met een mooie 'gang' erin, als een Friese volbloed aan gevierde teugel. Het meest verhalend is - nog steeds - dat krachtige Cheops, waar een schitterende, grootse beweging in wordt geschilderd, doorheen de woeste hemelkolkingen en dan vertragend naar de regelmaat van de pyramide.

Het blijft vreemd dat het op pagina 178 van deze dikke Delta gedaan is met het werk dat Leopold zelf gepubliceerd heeft (het eerste gedicht staat trouwens pas op pagina 13) terwijl het boek in totaal 616 bladzijden telt... Op pagina 515 beginnen de aantekeningen, het nawoord, de verantwoording et editoriter cetera en dergelijke en zo voort.

Hier eindigt de donderdagse lunchmijmering.

woensdag, oktober 10, 2007

'Opgeheven'

Voorheen Kledingverhuur L vd Berg, Utrecht, 10 oktober 2007
'Berg Kledingverhuur L vd Wittevrouwensingel 46
3572CA Utrecht'

Dat staat - nog - in de digitale telefoongids. En verder, naast eo ipso het telefoonnummer:

'geopend: di-vrij 12.00-18.00 uur
za 12:00-16:00 uur'.

Het hele laatste tekstblok kan nu vervangen door: 'Gesloten', of: 'Opgeheven'. Dat laatste is de naam van de rubriek in het huis-aan-huisblad De Kring, waarin de hoofdpersoon van Robert Ankers verhaal 'Raak. Röder' verslag doet van 'de versterving of definitieve dood van een beroep of winkeltype' (het verhaal staat in de prachtige bundel Volledig ontstemde piano, Amsterdam, Querido, 1994). Gelukkig zijn beroep noch winkeltype geheel uit Utrecht verdwenen; er zijn nog andere kledingverhuurders. Maar deze niet meer.

Altijd - nou ja: tijdens de openingsuren van zijn winkel, en daarvan vooral die van de middag, en dan met name in het warmere deel van het jaar - stond de heer Van den Berg in de opening van zijn pand. Een vaste rots aan het randje van de branding der binnenstad, aan het randje ook van de academische branding. En ieder die er vertoeft of vertoefd heeft, weet dat het daar heftig te keer kan gaan.

Als een rots, die Van den Berg. Jarenlang, jaren aaneen, decennia zelfs. Sinds veler heugenis. Niet bepaald dynamisch. Geen berg die tot Mohammed komt (noch zag ik Mohammed ooit tot deze berg komen).

Ach ja, Van den Berg was al minder omvangrijk geworden de laatste tijd; zijn gang was al jaren wat stroef en dwars, meer slopend dan slepend, vanwege een been dat anders wilde dan hij. En zie: de etalage is nu leeg. Weg is die ene, onveranderlijke smoking. Weg is dat andere, even onverwijderbare rokkostuum achter het glas dat altijd transparant, nimmer fonkelfris was. Weg zijn de beide arm- en beenloze paspoppen. Het stof is gebleven. Van den Bergs typerende conversatie, stel ik mij voor, hangt nog tegen het bladderende plafond boven de haveloze vloer, en kiert, even nors en woordenloos, om de hoek van de ruime maar muffe en nu zielloze pasruimte.

Het woord 'onberispelijk' kan heel wel van toepassing zijn geweest op 's mans geweten, boekhouding of liefde voor Nieuw-Guinese numismatiek, maar was dat nimmer op zijn verhuursels. Dit gaf de huurder de vrijheid naar hartelust te trachten met Typpex of tandpasta de sporen te maskeren die het klamme zweet van een voorganger tijdens een promotie had losgeweekt van de paperclips en splitpennen waarmee de oude Van den Berg zijn textieltjes aaneen placht te houden, lang voorbij het verstrijken van de uiterste houdbaarheidsdatum. Gelijk had hij: niemand mocht zijn kledij houden, strikt genomen. Verhuren, dat was wat hij deed. Met toch een zekere toewijding. En tegen een schappelijke prijs.

Er is voldoende continuïteit in de branche van Van den Berg. Ik hoop dat zijn nichegenoten de eer van het vak hooghouden en academici van allerlei aard en pluimage in de gelegenheid blijven stellen de academiestad op te fleuren met die heerlijke, vrolijke, zij het ook overwegend zwarte, opgetogen kledij.

Ik heb bij Van den Berg gehuurd als paranimf. Als promovendus zocht ik mijn heil elders (de tekstverwerkingstechniek was inmiddels voortgeschreden: Typpex niet meer in gezinsflessen te verkrijgen), kennelijk in ogenschijnlijk armoedige staat. Na gemeten te zijn en gepast te hebben werd me duidelijk gemaakt dat een aanbetaling gewenst was. En pas toen ik kort daarna de aanbetaling had gedaan (even een betaalkaart gehaald thuis) kreeg ik, bij het verlaten van het pand aan de Nachtegaalstraat (laat ik het daarbij houden), een beleefde groet en een stevige hand. Maar dit ter zijde.