Bij het lezen van enkele sonnetten van Henriëtte (Labberton-)Drabbe onlangs, dwaalden mijn gedachten af naar wat ik mij herinnerde van sommige van Verweys post-Tachtiger-gedichten, dus van het werk van (ver) na de breuk met Kloos.
Toen hij nog een echte Tachtiger was, schreef Verwey volgens mij mooie sonnetten, maar vooral zijn epische gedichten klinken nog steeds fantastisch, zoals ‘Persephone’ en ‘Demeter’ – voor het eerst verschenen in De nieuwe gids jrg. 1 (1885-1886), afl. 1 (oktober 1885) – geschreven in de rijmloze jambische pentameter, de V-8 onder de metrische motoren. Die gedichten laten zich goed en soepel lezen en begrijpen.
Daaraan deed níet het werk van Drabbe me denken, wel aan Verweys latere werk, voor zover ik dat werkelijk ken, want niemand verplichtte me destijds het te lezen (behalve Aarde, maar dat heb ik ongelezen door het tentamen ‘Aspecten’ weten te leiden; nooit geweten waarom het zo heette) en ik vond wat ik ervan las niet erg indrukwekkend, zacht gezegd.
Verwey werd, na veel gedoe in en met De nieuwe gids, samen met Lodewijk van Deyssel, oprichter en redacteur van het Tweemaandelijksch tijdschrift. Ik heb de feiten nog niet helder op een rijtje want ik ben de ene helft vergeten en heb de biografie van Madelon de Keizer, Als een meeuw op de golven (2017) nog steeds niet gelezen voor de andere helft. In de nieuwe fase van zijn redacteur- en dichterschap schreef Verwey, in mijn optiek, een soort brokkige, knarsende essays of betogen op rijm als ware hij een autodidactisch filosofisch, meer in het bijzonder spinozistisch geschoolde, geestelijke voorganger en doordrammer; zijn hart lijkt niet zo hard te bonken in dat latere werk; de bloedgang is eruit.
Daaraan moest ik dus door Drabbe denken. Om mijn indruk te verifiëren, zocht ik de eerste van Verweys poëtische bijdragen aan zijn eigen nieuwe tijdschrift op. Dat was ‘Vier sonnetten’, al dan niet toevallig even veel als in de eerste bijdrage van Drabbe aan de tweede aflevering van dat blad, haar debuut.
Verweys interpunctie lijkt net wat schraler, efficiënter dan die van Drabbe'; aangezien hij echter veel meer syntactische ommetjes in zijn zinnen maakt, die hij afperkt met komma’s en streepjes, heeft hij uiteindelijk veel meer interpunctie nodig dan Drabbe.
Het prosodisch krakende karakter van beider werk steekt vooral in de schokkerige versificatie van de tekst, extra bemoeilijkt door het eindrijm waar elke regel in gesmoord moest worden. Waar Drabbe zich in vier sonnetten met 21 elisies uit de syntactische en metrische problemen trachtte te redden, zie ik bij Verwey maar liefst 35 elisies, waarvan 22 wel gemarkeerd met een apostrof of door een zonder meer weggelaten stomme ‘e’, en 13 ongemarkeerd in de schoot van de lezer worden geworpen. Het lijken kleine aantallen op een lettergrepentotaal van (14x4x10=) 560 (de naheffingen bij slepend eindrijm tel ik niet mee). Toch struikel ik tijdens het lezen er voortdurend over. De lelijkste elisies van Verwey lijken me ‘ge Al-in-Een’ (I, r. 3) en ‘Ge, als’ (II, r. 3), en ook ‘Uw liedre’, Uw’ (I, r. 11) mag er zijn: twee elisies in één woord, waarvan de tweede over een woordgrens en een komma heen. In d’elisies eerst, en natuurlijk de sonnetvorm, toont zich de stilistische verwantschap van deze dichters.
Verder zie ik, net als bij Drabbe, een poëticale, zelf-reflexieve thematiek bij Verwey, maar zijn pantheïstische filosofie geeft hem, lijkt het, meer zelfvertrouwen dan het persoonlijk leed zijn drie jaar jongere, eenzame collega-dichter twee maanden later.
Als andere kenmerken van Drabbes sonnetten tekende ik op: de hoge vergelijkingenfrequentie, lidwoord-onbruik en de afwijkende woordvolgorde. Het aantal vergelijkingen was vooral in Drabbes eerste sonnet hoog; in de overige valt het wel mee. Bij Verwey is zo goed als geen vergelijking te signaleren; hij spreekt meer in keiharde metaforen, beelden, en daar dicht hij ook over.
De Drabbeaanse lidwoorddeletie zie ik niet bij Appie (zoals Verwey onder de Tachtigers wel heette toen het nog pais was en vree).
Afwijkingen van de gewone woordvolgorde zijn bij Verwey feitelijk haast niet te constateren, daar er in zijn sonnetten vrijwel geen normaal gestructureerde zin voorkomt.
Wie het beter weet, mag het zeggen.
Ik! Sprak schrijver dezes en gaf als voorbeeld:
Is er dan één stip dat met lange togen / Wij niet slurpen U door ruimte en in tijd?
Een meer gewone zinsbouw zou kunnen zijn:
Is er dan één stip dat U wij niet met lange togen door ruimte en in tijd slurpen?
Maar het enige wat deze parafrase mij leert, is dat ik werkelijk niets begrijp van deze zin... Ik ben bang dat nadere analyse van de gedichten alleen maar meer misverstand en onbegrip oplevert.
Het vreemde vind ik hiervan, dat Verwey een grote betoogdrang laat zien, terwijl hij wat mij betreft een heel moeizaam te volgen betoog presenteert, doorspekt met een overkill aan Shakespeareaanse, paradoxale woordspelletjes. Het sextet van sonnet I, bij voorbeeld, begrijp ik, om kort te gaan, niet. En hoe verder ik lees, hoe sterker ik me door Verwey het lezersharnas in voel gejaagd. Klapstuk lijkt me dat hij niet in staat lijkt ook maar een enkel fatsoenlijk beeld, een krachtige metafoor neer te zetten waarmee hij uitbeeldt wat in gewone taal niet te vatten is, terwijl hij anderzijds niet lijkt te twijfelen aan zijn alsvangodgegeven dichterlijke kracht. Hij blijft in taaie zinnen steken.
I.
Wie zal met taaie zinnen U betoogen
o Leven, U, Uw Zijn, Uw Heerlijkheid?
Dat ge Al-in-Een, en Een-in-Al, vermogen
En oorzaak U-zelf, en geens andren zijt?
Hebben wij dan Uw licht niet in onze oogen?
Is met Uw lachen niet ons hart verblijd?
Is er dan één stip dat met lange togen
Wij niet slurpen U door ruimte en in tijd? -
Heb ’k dan maar niet voor ’t zelf zijn, al mijn dagen,
U puur, met woord, met gebaar, die maar zijn
Uw liedre’, Uw daden: - mensch en dingen dragen
Ze vóór mij prijken, Uw prins’lijke schijn -
Wat dan, langs lijntjes van stellen en vragen,
Bewijzen ze Uw Zijn-Schijn, Schijn-Zijn, Uw Zijn -
II.
Ik ben U-zelf, Leven, één van de velen.
Ik zoek U niet, - waar zou ’k? - maar houd mij blij,
Dat Ge, als in ding en dier, óók zijt in mij,
En ’k heb hen lief, omdat ’k met hen moet deelen.
Deelen, maar rijkst in uiting schiept Gij mij:
Een vogel mag een beeldloos liedje kweelen,
Mij, mensch, gaaft Gij het beeld, Uw beeld daarbij;
En ’k beeld het Hoogste in dichterlijke spelen.
Wie U in beelden weêrtebeelden weet,
Dien gaaft Gij ’t schoonste en hoogste van uw wezen,
En eenerlei zijn zulken vreugde en leed.
Want beeld komt hun uit beiden opgerezen,
En blijdschap rijst daar Gij ze erkennen deedt
U zelfs geheimste, als op ’t gelaat te lezen.
III.
Leven, zij zeggen van het Dichter wezen,
Dat het iets groots en iets bizonders is;
En toch komt niets in géén mensch opgerezen,
Of ’t is een beeld en een gelijkenis.
Door andren hoor ik Wetenschap geprezen:
Die droomt niet wat maar Schijnt, die leert wat Is;
Maar ’t eerste Weten, splitsing van ons Wezen,
Verbééldt gesplitst eeuwge verbintenis.
Zoo zie ik, Leven, en wees Gij mijn Richter,
Niets vreemds in wat elk mensch doet, groot en klein;
En ’k zie geen Dicht als droom en ’t Weten lichter,
Maar álles is Noodzakelijke Schijn;
En in die Gij zijt, dat’s de ware Dichter,
Maar ’k vat niet hoe Ge in één mensch niet zoudt zijn.
IV.
In alle menschen is ’t Geloof gebóren,
Leven, dat Gij er zijt, en komen zult;
Zijt in het Gaande, en in een ónverloren
Beeld zijn zult als de tijden zijn vervuld.
Eens zag de Menschheid U door englenkoren
Verkondigd, kind tot zoen van zonde en schuld,
Om aan een kruis te dragen de óns beschoren
Wraak, bloedend beeld van Deemoed en Geduld.
En nu dat beeld vergaan als alle beelden,
Zien zij nog altijd of geen kim bloedrood -
Blijden die in zich dragen al de weelden
Van U, zágen zij maar ’t diepst Wezen bloot -
Want onder al de Beelden die ons deelden
Leeft het Geloof aan U: dat kent geen Dood.
Digitaal heb ik wel even grasgeduind in Verweys verzamelde gedichten, maar kon geen heruitgave van deze vier sonnetten ontdekken, laat staan varianten.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten