De vier gedichten waarmee Henriëtte Labberton-Drabbe (toen nog: Henriëtte Drabbe) debuteerde in het Twee-maandelijksch tijdschrift – jrg. 1 (1894-1895), aflevering 2 (november 1894), p. 201-204 – heeft zij ongeveer achttien jaar later opgenomen in haar debuutbundel Enkele verzen (W. Versluys, Amsterdam 1912, p. 7-10). Ook Labberton-Drabbe was kennelijk een dichter die niet ophield met peuteren aan haar werk, zo blijkt al bij een vluchtige verkenning van de varianten in haar vier eerste sonnetten. Behalve dat ze de volgorde van de gedichten licht veranderde en twee ervan alsnog een titel gaf, terwijl ze een van de reeds gegeven titels bij bundeling wijzigde, behalve dat dus, heeft ze ook in de tekst van sommige gedichten kleine en grote veranderingen aangebracht.
Het bloed van een gepensioneerde tekstediteur die zich jarenlang op academisch niveau bezig heeft gehouden met het opstellen en onderzoeken van variantenapparaten, blijkt op de vreemdste momenten weer in d’ oude ad’ren te kunnen gaan vloeien. Ik kon het niet laten om de twee versies van het allereerste, gepubliceeerde gedicht van Labberton-Drabbe ooit overzichtelijk in een mini-apparaatje bijeen te vegen.
Voor een leesinstructie van dit bijzondere tekstgenre verwijs ik graag naar een van de apparaatdelen in de reeks Monumenta Litteraria Neerlandica. Laat ik er hier alleen dit van zeggen: de varianten worden per regel gepresenteerd; staat er maar één enkele versregel, zoals bij de eerste regel van ‘Westerbouwing’, dan heeft de dichter daar niets in veranderd; staan er twee, dan zijn de niet-veranderde tekstdelen van de betreffende regel niet herhaald onder de eerste versie, alleen de veranderde delen van de tweede versie worden dan weergegeven. Alle aandacht kan zo uitgaan naar de varianten.
In het hieronder staande apparaat is goed te zien waar Labberton-Drabbe na 1894 verder is gegaan met het werken aan ‘Westerbouwing’, het gedicht dat in beide bronnen de eerste plaats van de publicatie inneemt.
Omdat de spatiëring voor het apparaat van belang is door het gebruik van zogeheten meeleestekens ([ en ]), terwijl juist die spaties tussen tekst- en ook apparaattekens in een webblog niet te temmen zijn, heb ik een foto van het typoscript van het apparaat gemaakt en hier opgenomen; alles ten dienste van het gerief van de geïnteresseerde lezer.
Wat meteen opvalt, is dat de reviserende dichter het aantal interpunctietekens aan het einde van versregels heeft gereduceerd. Aan het eind van r. 2, 6 en 13 zijn twee komma’s weggehaald en een afbreekstreepje (met de functie van een gedachtenstreepje); de dubbelepunt aan het eind van r. 13 blijft behouden. Ik denk dat vooral de variant in de eerste strofe mogelijke syntactische onduidelijkheid heeft weggenomen.
Verder heeft de dichter anno 1912 goed bezuinigd op leestekens die elisies markeren. Zo is ‘d’aarde’ in r. 8 geworden tot ‘de aarde’ terwijl er nog steeds elisie moet worden toegepast, gelet op het metrum en het aantal lettergrepen. Maar zeker de contemporaine lezer hoefde niet extreem versgevoelig te zijn om zelfstandig die lettergreep met stemloze klinker bij (mentale) voordracht weg te strijken. In r. 11 is ‘ijz’ren’ geworden tot ‘ijzren’. Aan ‘leên’ in regel 13 viel, mede door de rijmpositie, niets te wijzigen. In die tijd waren de accents circonflexes gelukkig nog gebruikelijk.
Misschien heeft iemand de dichter erop gewezen dat ‘donzig goed’ door een dirty mind geassocieerd kon worden met ‘ondergoed’. Ze heeft het niet laten staan maar een variant aangebracht, helaas met een extra elisie op de koop toe: ‘donzge stof’.
Dat in r. 8 ‘is’ vervangen is door ‘gaat’ lijkt me een sterke verbetering, te meer daar dan ‘over’ in zijn meer gebruikelijke betekenis kan blijven functioneren in plaats van de tekst op te zadelen met een soort germanisme. Ook hier weet ik niet wat de overwegingen van de dichter geweest zijn; ik kan alleen mijn duiding van het effect van de variant geven.
Misschien is de grootste verbetering de vervanging van ‘avonddonker’ door ‘avondschemer’ in het eerste kwatrijn. Daardoor wordt de klok in het gedicht als het ware enigszins teruggedraaid. Aan het eind van het gedicht, in het laatste terzet, blijkt immers dat het nog niet donker kan zijn omdat daar nog het ‘hardrood zonnebloed’ de landelijke scène belicht.
Dat is het probleem met variantenonderzoek: het kost erg veel tijd maar de opbrengst is niet per definitie erg imponerend. Labberton-Drabbe speelde met haar werk waarschijnlijk niet in de eredivisie der Nederlandsche letteren, dus van een volledige historisch-kritische editie van haar oeuvre zal het niet meer komen, zeker nu die tak van sport niet meer tot de 21-ste-eeuwse Olympische Spelen in Academia behoort.
Mijn herinnering aan Van Eyck is waarschijnlijk vertekend door mijn sluimerende plaaggeest (vergis je niet, ik heb een zwak voor Querculus, op enige van wiens gedichten uit Herwaarts. Gedichten 1920-1945, 2e dr. [1980] ik ben afgestudeerd). Als ik via de DBNL door zijn verzamelde gedichten blader en zoek, vind ik, afgezien van een echte peul in een moestuin, slechts het navolgende in deel III van de II-de zang van Medousa. Een mythe (1947, p. 92 van de oorspronkelijke, papieren uitgave), waar Medousa door ’t open raam van een eenzaam herdershuisje op een schemer-wijde hei naar binnen blikt en moeizaam, langs een lampje, ziet:
Doch schemerig de verste hoek, het bed,Waar, leunend aan het kussen, op het dekDat bijna afgleed, naakt, een jongeling zat,Het langgelokte hoofd wat achterwaarts,De rechter elboog op de peul, een handAan ’ t dunne gaas om ’ t haast ontsluierd lijfVan ’t slanke meisje dat dicht naast hem stond,Wier lichtblond golvend, half ontbonden haarEn schouder, als de omplooide rug en leest,Een zachte weerglans nog van ’t lampje ving.




Geen opmerkingen:
Een reactie posten