maandag, juni 29, 2026

Enkele sonnetten van Henriëtte Drabbe

Op het terras van Westerbouwing, Oosterbeek

Sonnetten
door Henriëtte Drabbe
uit: Tweemaandelijksch tijdschrift, jrg. 1 (1894-1895), p. 201-204 (via de DBNL)




Westerbouwing

Als stille vrede ligt het land gespreid,
In avonddonker als een schapevacht,
Of donzig goed dat voor de ramen leit
Van mooie, groote winkels: zomerdracht.

De lucht is hoog en door de wolken rijdt
Op witte paarden luister van den nacht,
Of kalme grootheid over sparren wijd;
En over d’aarde is niet één die lacht.

Heel ver staan zwarte dennen, met contours
Getrokken door een onervaren hand,
Als ijz’ren spoken uit een reuzenland,

In hardrood zonnebloed, een ijskoud floers
Van koele wreedheid om de starre leên: -
Ik kan niet meer: nu sterf ik, heel alleen.


Ik geef niet van mijn mooie impressie veel,
Dat teêre ding: - ik kàn niet, die zal breken
Of anders worden, sterven haast geheel
Door harde woorden, die mijn mond gaat spreken.

Dit maakt mij droef, omdat het liefste deel
Mijns levens ligt in dit, en me is gebleken
Dat ’k nog geen dichter ben, wèl dingen veel
Reeds zie en voel, maar niet kan spreken. 

Zooals wel kindren mooie zeepbel maken
Met vele kleuren, ragfijn weefsel; grooter
Voller, teerder wordt het ding: nu raken

De zachte kleure’ aan ’t dansen: boomen
Wolken, huizen zwemme’ in 't zonlicht. Stoot er
Niet aan, laat stil ze zwellen, drijven, droomen.



Te midden van veel levens staat mijn leven:
Boom in dicht woud, als daarin waait wat wind,
Of regen valt, gaan alle blaadjes beven
En brengen op elkaar beweging, zooals kind   

Soldaatjesrijen opzet, dan gaat geven
Een duwtje aan de eerste: alles valt; - begint
Nu zóo mijn groot, lang leven? kan geen streven
Naar vrijheid baten? ben ik zoo verblind,

Zoo vast gevlochten in dit aller-zijn,
Waarin ’k niet weet wat zelf ik heb gedaan
Of anderen? - Waar is mijn woord, mijn daad?

Heeft alles wat ik wilde en deed maar schijn
Van waarheid? is mijn heel, mijn trotsch bestaan
Een willoos ding dat naast vele andre staat?


Aan mijn dichters

Toen trad ik spraak’loos in mijn kleine ziel,
En zag de fijne, witte wanden beven
En zwellen, hooger, wijder, bree’er; toen viel
Al ’t oude in schroom’lijke armoê uit mijn leven;

’k Stond midde’ in hooge kathedraal en kniel-
de, àl vrome aandacht, als een kind; zacht weven
Hoorde ik het ragfijn kleurdraad van mijn ziel,
Tot ramen, wanden, welven opgedreven.

O lieve dichters, heel mijn heerlijk zijn,
Mijn lief’lijk leven hebt ge me openbaard,
Gelouterd, en ontdaan van elken schijn:

Zooals sneeuwzacht een zwaan door vijver vaart,
Van schoonheid onbewust, dan plots ontwaart
Zijn eigen beeltnis, fulpen zacht satijn.


Nog steeds weet ik maar weinig van de door veel literatuurhistorici gepasseerde, genegeerde, weggefrommelde, overgeslagen of ruw afgeraffelde dichteres Henriëtte Labberton-Drabbe. Via wat omwegen leerde ik dat Henriëtte Drabbe geboren is in Wijk bij Duurstede op 14 juli 1868, dat ze trouwde met François Joan Adriaan des Tombe in Domburg op 21 september 1897 toen ze 29 was, vervolgens trouwde met Johan Hendrik Labberton in Middelburg op 17 september 1907 toen ze 39 was, dat haar debuut en tevens enige dichtbundel Enkele verzen verscheen bij W. Versluys in Amsterdam in 1912, vier jaar voor ze 49 werd, en dat ze stierf op 16 maart 1928 in Den Haag toen ze 59 was. Een curieuze carrière.

Voor de mannelijk-chauvinistische volledigheid voeg ik eraan toe dat Henriëtte de derde en laatste eega was van haar eerste echtgenoot, Des Tombe, die op 8 januari 1904 in Nijmegen overleed; dat ze de middelste van de drie echtgenotes was van haar tweede echtgenoot, Labberton, die op 29 december 1877 in Ameide was geboren en op 17 juli 1955 in Den Haag overleed; dat deze juridisch geschoolde Labberton als dichter bekend is geworden onder het pseudoniem Theo van Ameide en, net als zijn echtgenote Henriëtte, om wie het hier vooral gaat, in (onder andere) het Tweemaandelijksch tijdschrift en De beweging zijn werk publiceerde, en dat hij, al was het onder pseudoniem, iets meer naam maakte in de literatuur en in een desbetreffend naslagwerk dan zijn echtgenote, en dat onder meer aldus deed:

Hij publiceerde een bundel gedichten onder de titel Lof der wijsheid (1906), poëzie die eerder verscheen in De Beweging. In dat tijdschrift nam hij deel aan de discussie over ‘bezielde retoriek’ met bijdragen waarin hij pleitte voor ‘een nieuwe rethoriek’ (1913), een herstel van de ‘oude’ beelden en metaforen, mits doorvoeld en natuurlijk toegepast.

Een vrij klassieke weg naar literaire roem, maar niet ten einde toe begaan. Terug naar het werk van Henriëtte.

Om te beginnen het sonnet ‘Westerbouwing’, maar waarschijnlijk is het een ongenummerde reeks van drie sonnetten, of zelfs vier, waarvan het eerste en het laatste een eigen titel hebben. Ik neig ernaar, mede doordat ik weet dat Labberton-Drabbe (zo noem ik haar alvast maar even) vertoefde in de kring van Albert Vewey, deze sonnetten als een samenhangend geheel te beschouwen; de titel van deze post is dan wel een allusie op die van Labberton-Drabbes enige dichtbundel, ze suggereert, vrees ik, te veel dat het hier zou kunnen gaan om een losse verzameling gedichten in plaats van een samenhangend geheel.

Voor de typografische volledigheid: ik heb de oorspronkelijke opmaak (de verschillende wijzen van inspringen) van de sonnetten genegeerd, maar wel de titels en witregels uit de bron behouden. De eerste titel moest ik naslaan, en dat bracht me naar een oorspronkelijk negentiende-eeuwse uitspanning te Oosterbeek, gelegen aan en met prachtig uitzicht op de Neder-Rijn, stroomafwaarts gelegen naast mijn huidige woon- en verblijfplaats. Wat een heerlijk toeval.

Het kost me weinig moeite om het eerste sonnet te karakteriseren als een stemmingssonnet met een Natureingang, passend in de impressionistische niche en in de geest van, om maar iets heel bekends te noemen, Kloos’ Avond’. Er komt geen persoonlijk geluk of lichamelijk genoegen tot uitdrukking in dergelijke klassieke verzen met onmiskenbare, want met interpunctie onderheide, diepe syntactische grenzen aan het eind van iedere strofe, en vaak ook aan het einde van iedere versregel. In tegendeel: zoals Kloos’ dichterlijke hart ‘al zóó moê’ is, verzucht juffrouw Drabbes lyrische alter-ego: ‘Ik kan niet meer: nu sterf ik, heel alleen.’

Triest, om in een dergelijke gemoedstoestand in een wonderschone, lommerrijke uitspanning te moeten vertoeven. Misschien wilde er niemand met haar meê in de kabelbaan.

Nu ik begonnen ben wat langer stil te staan bij dit eerste door mij gelezen Drabbe-sonnet, besluipt me de vrees dat het erin geweven pathos me een beetje kunstmatig voorkomt. Wat me afleidde was de tamelijk rijk rondgestrooide interpunctie. Bijvoorbeeld de komma na de eerste regel. Is die daar wel nodig? Genereert dat teken extra betekenis of behoedt het de lezer (m/v/x) voor misinterpretatie? Ik dacht het niet. Maar toen ik de komma wegliet uit mijn naar binnen geslagen, mentale tekstversie, struikelde ik over de stapeling van vergelijkingen in de eerste drie regels, maar ook verderop.

Als ik daar dan soep van probeer te koken, valt me op dat de opening van het gedicht betrekkelijk slechte beeldspraak bevat, omdat de ligging van iets concreets (‘het land’) wordt geconcretiseerd (want dàt is de functie van goede beeldspraak) door de vergelijking met ‘stille vrede’, nota bene een combinatie van twee abstracta die een sterk pleonastische component heeft (vrede is haast per definitie en van zichzelf al rustig, harmonieus, niet-lawaaiïg).

Desondanks zou men er ook in kunnen lezen dat het landschap er zo stil bij ligt dat het er onwaarschijnlijk, dat het er bijna abstract door lijkt. Het schier abstracte van het landschap kan zijn verklaring vinden in het weinige licht dat er nog is op het moment van de waarneming, namelijk in ‘avonddonker’, een sfeer-aanduidende neologistische samenstelling, niet ongewoon in laat-negentiende-eeuwse, destijds moderne lyriek. Nochtans stoort me de komma na de eerste regel, die me overbodig lijkt, en die het enjambement met regel 2 verzwakt.

De regels 1-2 laten zich mijns inziens als volgt parafraseren: ‘het land ligt in het duister van de avond uitgespreid als stille vrede en/of als een schapevacht’. De vraag rijst of schapenvachten typisch stil en vredig zijn, of misschien eerder (bruin of) wit en zacht en warm. De tweede vraag luidt: weet het lyrisch subject eigenlijk wel welke aandoening hij/zij/die ondergaat bij het zien van deze idyllische scène?

De sensorische twijfel groeit wanneer er een vierde vergelijking aan de mengelmoes van beschrijvingen wordt toegevoegd: het land ligt in het duister van de avond ook nog eens uitgespreid ‘als donzig goed dat voor de ramen leit van mooie, groote winkels: zomerdracht.’ Deze lezer wordt daardoor totaal onverwacht uit de gerieflijke, landelijke sfeer gesleurd richting de grootstad met zijn grote modehuizen waar de nieuwe zomerdracht van dons of zelfs van schapenvacht ten toon gespreid ligt in etalages. Zomerdracht van schapenvacht? Het zweet slaat me uit de poriën bij het lezen ervan alleen al. Wel typisch laat-negentiende-eeuws zijn misschien die modemagazijnen, maar niet zo ruraal als Oosterbeek destijds in de werkelijkheid nog was.

De blik gaat omhoog en zie: ‘door de wolken rijdt op witte paarden luister van den nacht’. Ik snap dit niet, doordat ik denk dat de wolken zelf (als) witte paarden door het duister van de nacht gaan, terwijl er in deze regels zowel wolken zijn als ook witte paarden waarop gereden wordt door (de) luister van den nacht, welke laatste woordgroep misschien duidt op de maan, beter nog: de sterren, want de maan kan toch niet op meerdere witte paarden tegelijk rijden, sterren kunnen dat misschien wel. En dat rijden is dan iets als stralen of schijnen.

Prompt daarna wordt nog weer een vergelijking in de tekst gewrikt: dat rijden op witte wolken, wat de luister van den nacht doet, is ‘alsof kalme grootheid over sparren weidt’. Oh, nee, dat kan niet, er staat ‘wijd’ en niet ‘weidt’. Ik moet dit anders lezen: het is óf de luister van de nacht die door de wolken rijdt, óf  het is (een of andere) kalme grootheid die dat doet, en die zich ergens boven (al staat er: ‘over’) sparren bevindt, sparren die zich natuurlijk (denk ik) niet in de hoge lucht bevinden, genoemd in regel 5, maar gewoon met hun wortels beneden in de aarde, terwijl ze met hun toppen kennelijk wel heel hoog reiken.

Opnieuw wordt er iets als beeld gebruikt dat nogal abstract is, namelijk ‘kalme grootheid’. Niet moeilijk om hierbij aan God te denken, in lijn bijvoorbeeld met Beets’ ruischende moerbeitoppen, ook al was de roem van Beets toen deze sonnetten verschenen al wat sleets.

Een leuke boel is het niet daar, boven Westerbouwing want niemand lacht er. Ik heb geen idee waar deze pessimistische opmerking opeens vandaan komt. De sfeer leek zo vredig, stil, fijn zelfs wellicht, maar ze slaat om, want nu wordt er een achtergrond (‘Heel ver’) neergezet vol zwarte dennen die door een amateur getekend zijn, dennen als (weer een vergelijking) ijzeren spoken uit een reuzenland. Grimmig, futuristisch en/of dystopisch wordt het landelijke tafereel waar we mee waren begonnen.

Excuses, ik raak de draad helemaal kwijt in dit tweeslachtige landschap. En opeens is daar het lyrisch subject dat in de slotregel in doodsnood verkeert. Terugblikkend zien we in dit sonnet, onverwacht, de wending al in regel 8; niet hoogst gebruikelijk.

In wat nog aan verzen volgt wordt duidelijk dat het lyrisch ik een poëtisch en een lijdend ik is tevens. Er is sprake van een zwaar aangedreven gemoed dat zich uiten wil maar zich daar niet goed toe in staat acht. De poëzie van het échèc heeft Paul Rodenko dergelijke dichtkunst veel later wel genoemd. Maar anderzijds kunnen vanuit dit gedicht van Drabbe ook teruggrijpen op een vergelijkbaar poëtische onmacht-motief in het oeuvre van de al eerder genoemde Kloos; zie bijvoorbeeld zijn beroemde vijfde sonnet dat begint met: ‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten’, waarin trouwens ook een ‘kalme glorie’ is te vinden, die misschien vooruitliep op, in elk geval verwant is aan Drabbes ‘kalme grootheid’.

Drie talige aspecten vallen me nog op aan deze sonnetten, maar niet door hun grote schoonheid. Allereerst het ontbreken van nogal wat lidwoorden: ‘luister van den nacht’, ‘kalme grootheid’, ‘sparren wijd’, ‘mooie zeepbel maken’, ‘boom in dicht woud’, ‘zooals kind // Soldaatjesrijen opzet’, ‘in hooge kathedraal’.

Ten tweede: de relatief grote hoeveelheid gekunstelde afwijkingen van de gewone woordvolgorde (al gun ik iedere dichter zijn en haar en hun dichterlijke vrijheid: de vrijheid van de dichter eindigt toch een beetje waar die van de lezer begint), al dan niet door rijmnood afgedwongen: ‘sparren wijd’, ‘Ik geef niet van mijn mooie impressie veel’, ‘sterven haast geheel’, ‘dingen veel’, ‘wat zelf ik heb gedaan’, ‘Zooals sneeuwzacht een zwaan door vijver vaart’. Over deze bloemlezing kan gecorrespondeerd worden, maar voor mij staat de uitslag al wel vast. Het knetterharde enjambement ‘kniel- / De’ is zo gewaagd dat het veel struikelingen compenseert.

Ten derde en tot slot: de overdadige, al dan niet gemarkeerde, elisies die Drabbe naast de twee hierboven al genoemde technieken nodig heeft om haar betoog als een stel te grote voeten in de kinderschoentjes van haar strakke, jambische metrum te wringen: ‘d’aarde’, ‘ijz’ren’, ‘leên’, ‘mooie impressie’, ‘teêre’, ‘me is’, ‘Dat ’k’, ‘kindren’, ‘kleure’ aan ’t dansen’, ‘zwemme’ in ’t zonlicht’, ‘duwtje aan de eerste’, ‘Waarin ’k’, ‘wilde en deed’, ‘vele andre’, ‘spraak’loos’, ‘Al ’t oude in schroom’lijke armoê’, ‘’k Stond midde’ in’, ‘de, àl’, ‘Hoorde ik’, ‘lief’lijk’, ‘me openbaard’, ‘beeltnis’. Aldus het slagveld waar volgens mij zeker 21 lettergreeplijken verscholen liggen. Ook ‘bree’er’ lijkt er bij te horen, maar daarin is alleen een medeklinker onderdrukt, niet een (onbeklemtoonde) lettergreep.

’k Laat ’t hier graag bij; ’r is veel mis aan vorm, wat m’ afleidt van d’ inhoud.

Geen opmerkingen: