Die ‘Epiloog’ lijkt wat betreft de onderwerpen die erin ter
sprake komen en de plaatsing aan het einde van het werk, de pendant van wat de ‘discussie’ heet
ter afsluiting van een onderzoeksverslag. Ik ben daar nu wel klaar voor: hoofdstuk
42 van Een nieuw geluid: ‘Samenspel’ (1083-1114).
Ik licht er enkele thema’s uit die mij opvielen maar die niet steeds als zodanig, expliciet en ook niet in de hier gekozen volgorde worden gepresenteerd door Gillis Dorleijn en Wiljan van den Akker (hierna kortheidshalve en – zeker na het overlijden van Wiljan, mijn promotor – uiterst oneerbiedig beknot tot D&VdA). Opmerkelijk aan dit hoofdstuk is dat het toch ook weer niet erg op een kritische discussie lijkt doordat de auteurs met al hun wijsheid rustig voortgaan met vertellen over wat ze hebben opgemerkt in het door hen vergaarde en gelezen en geanalyseerde materiaal. Die toon en de hoge informatiegraad behoren tot de charmes van het boek.
Een probleem had, bij wijze van voorbeeld, kunnen zijn de constatering dat het werk van Henriëtte Labberton-Drabbe (1868-1928) ontbreekt in het handboek Bloed en rozen van Jacqueline Bel (2015). Ik herinner me echter niet dat zulks in de besprekingen van Bels boek als een gebrek werd genoemd. Ook D&VdA dragen deze dichteres niet aan in een poëtische of literair-historische lakmoesproef voor de kwaliteit van de beschrijving van de geschiedenis van de poëzie tussen 1900 en 1940. Nochtans publiceerde Labberton-Drabbe, blijkens een overzicht in de DBNL, tussen 1900 en 1918 niet minder dan 48 gedichten in het Tweemaandelijksch tijdschrift en De beweging en verscheen in 1912 bij de prominente uitgeverij W. Versluys in Amsterdam haar eerste en enige dichtbundel, Enkele verzen.
Naar aanleiding van haar dood in 1928 schreef J.C.
Bloem in De
gids:
Henriëtte Labberton-Drabbe
behoorde niet tot die kunstenaars, die zóó groot zijn, dat men ze onmogelijk
kan voorbijgaan, en nog minder tot hen, die door ijdelheid of onbescheidenheid
wel zorgen, dat dit niet gebeurt.
Haar geringe opdringerigheid heeft haar positie in de
literaire geschiedenis geen goed gedaan. Het lukt me althans niet in mijn huisbibliotheek
een handboek literatuurgeschiedenis te vinden dat
haar werk bespreekt of zelfs maar noemt.
Alleen in die laatste leemte voorzien D&VdA, die haar naam blijkens het register driemaal laten vallen (op pp. 362, 53[6] en 575). Ze figureert in opsommingen van dichters wier werk in twee aan De beweging gerelateerde bloemlezingen is opgenomen. Ook D&VdA schrijven echter niets over haar werk, laat staan dat ze er zelfs maar een titel van noemen. Ze wijzen er ook niet op dat haar toenmalige eega onder het pseudoniem Th. van Ameide een prominent(er) figuur was in de beweging en het tijdschrift met die naam van Albert Verwey.
De oude canon wordt aldus door hen bevestigd. Sinds 1979,
toen de vijfde, geheel herziene druk verscheen van deel vier van het handboek
van Gerard Knuvelder,
dat ik online raadpleegde, is er niet veel veranderd op dit punt.
Knuvelder noemt Labberton-Drabbe eenmaal, namelijk in een bloedeloze opsomming
van elf dii minores die ‘op verdienstelijke wijze hun aandeel
bijgedragen [hebben] tot de geestelijke beweging waarvan Verwey zijn
tijdschrift de exponent wilde doen zijn, zonder dat zij overigens creatief werk
hebben geschreven dat de knagende tand van de tijd weerstand zal bieden.’
Je zou kunnen denken dat Knuvelder enerzijds het (schijnbare) oordeel van
Bloem volgde maar anderzijds in zijn literair-historische streven naar
volledigheid Labberton-Drabbe des ondanks niet ongenoemd wilde laten. Met dus een betrekkelijk
nietszeggende karakterisering als resultaat. Ik moet hierbij wel opmerken dat Bloems oordeel over de poëzie van Labberton-Drabbe best positief was. Zo schreef hij na haar dood ook:
Wat mij bij de herlezing der ‘Enkele Verzen’ misschien het eerste trof, was: hoe weinig deze poëzie bij het verstrijken der jaren heeft ingeboet. Hoevele bewonderingen onzer jeugd zijn niet steeds meer verbleekt, zijn ons onverschillig, soms nog minder, geworden. Deze gedichten zijn ons gebleven wat zij waren, toen wij ze voor het eerst in De Beweging lazen; het fijne, stille, maar zoo innige en diepe leven gloeit er onverflauwd in voort.
Ze verwijzen dan vanuit het slothoofdstuk naar paragraaf 1 van hoofdstuk 36 (van waaruit ze nog weer verder terug verwijzen naar eerdere hoofdstukken, van waaruit ook weer verwezen wordt naar dit slothoofdstuk…). Daarin leggen ze uit dat beeldvorming een complex proces is, aan de hand van Nieuwe geluiden (1924) van Dirk Coster. Waarom zo’n methodische uitleg niet vooraan maar middenin het boek staat, is mij niet duidelijk. Hun verhaal is: een bloemlezer selecteert uit werk dat eerder al door tijdschriftredacties en uitgevers was geselecteerd, en houdt rekening met opinies geuit in de kritiek. Aldus geeft de bloemlezer de literaire werkelijkheid op zijn of haar beurt weer vorm voor anderen.
Echt een nieuwe visie op de literaire ‘werkelijkheid’, of op de literaire
werkelijkheid van literatuurhistorici, lijkt mij dit niet. Wie is er de
afgelopen decennia niet in aanraking gekomen met de ideeën van Bourdieu? En
wie, eerder opgeleid, weet niet van de impliciete, expliciete, vers-interne en
-externe poëticale opvattingen van dichters en critici (Sötemann) en van literatuuropvattingen
(Oversteegen) die om voorrang strijden?
D&VdA plaatsen een ingewikkelde stelling bij hun werkwijze
(1090):
een kritische lezer [zal] kunnen opmerken dat wie classificaties en rangordening van de spelers in het bestudeerde terrein, de leidende trends in hun opvattingen en in de literaire wereld zelf onderzoekt, er niet omheen kan de uitkomsten ervan in het verhaal een plaats te geven.
D&VdA blijven erop hameren dat ze een andere focus
hadden dan het en-toen-en-toen-verhaal over de ontwikkelingen (in de poëzie)
dat een doorsnee handboek literatuurgeschiedenis kenmerkt. Zij richten
zich namelijk op ‘de mechanismen die voor die [literaire of literair-historische]
ontwikkelingen verantwoordelijk zijn’. (1086) Het ging hun om het antwoord op
de vraag ‘hoe de spelers op het veld [oftewel ‘het autonome domein van de
poëzie’] hun werkelijkheid maken in gezamenlijkheid.’ (1086) Dus lag de focus
op ‘opvattingen, discussies, zelfprofileringen en profileringen van anderen,
positioneringen van dichters en critici, uitgevers, bemiddelaars enzovoorts.’
(1086) Met andere woorden, maar op dezelfde pagina:
we hebben niet in kaart gebracht
welke dichters er allemaal waren en in welke richtingen die zijn onder te
brengen; wel hoe de spelers in het veld (critici en ook de dichters zelf)
classificaties ontwierpen om richtingen te onderscheiden en rangordes aan te
brengen.
Me dunkt dat door middel van de beschrijving van één pregnante casus dat selecterende en profilerende mechaniek van de literaire beeldvorming wel klaar was geweest. Een reeks van sonderingen gedurende de hele periode had ook gekund; het geval-Labberton-Drabbe was in dit kader bijvoorbeeld een dieper gaande verkenning waard geweest. Hoe komt het immers dat een dichteres met een destijds gesignaleerde productie als de hare uit het zicht is geraakt in de loop van de literatuurgeschiedenis? In de Bloemlezing uit de nieuwste Nederlandsche dichtkunst (1905-1910), samengesteld door Alex. Gutteling en Maurits Uyldert, uit werk van dichters uit De beweging van Albert Verwey, neemt Labberton-Drabbe, afgaand op de getallen in Tabel 1 op pagina 575, nog een uitzonderlijk hoge positie in met de topscore van acht geselecteerde gedichten. Is ze – en zo ja: hoe kwam dat dan? – de Hélène Swarth van haar literaire generatie?
Het boek van D&VdA gaat dus over de contemporaine
beeldvorming. Die invalshoek neigt mijns inziens naar die van de
literatuursociologie, het onderzoeken van de totstandkoming van contemporaine
beelden/imago’s, het analyseren van beeldvormende activiteiten van alle betrokkenen. Zie bijvoorbeeld
de dissertatie van Laurens Ham over posture-analyse, Door Prometheus geboeid
uit 2015. Maar – Mathijs Sanders wees erop in zijn recensie van Een nieuw
geluid – D&VdA zijn te werk gegaan ‘zonder theoretisch vertoon’. Het posture-concept
ontbreekt in de epiloog van hun boek en Hams proefschrift, om maar iets te noemen, staat niet in hun bibliografie van secundaire literatuur.
Maar met ‘de totale productie’ bedoelen ze toch niet alle
bundels die tussen 1900 en 1940 verschenen in het Nederlands en bij
Nederlandse uitgeverijen; beperking is onvermijdelijk voor wie zich een
meester wil tonen, zelfs voor wie dat in samenwerking doet: ‘zelfs voor de poëzie hebben we niet een totaal
literair-historisch overzicht gegeven.’ (1085-1086)
Al die bundels en al die secundaire literatuur uit de tijdschriften vormen, kennelijk (want het staat er niet expliciet bij) de feiten. Je zou ze ook aan kunnen duiden als het materiaal of het object van het onderzoek. Zou het voor de waarde van een dergelijk feit iets uitmaken of het aantal drukken en de oplages daarvan groot of klein zijn en of er veel of weinig tijd tussen de eerste en de laatste druk ligt?
D&VdA beschrijven de beperking van hun basismateriaal nog
op een andere manier: ‘We selecteerden alleen de bundels van dichters die in
hun eigen tijd, in ieder geval in potentie, als dichters werden beschouwd.’
(1089)
Het ligt voor de hand dat iedereen die in zijn of haar eigen
tijd een gedicht in een literair tijdschrift geplaatst weet te krijgen, als
dichter beschouwd kan worden; dat is meteen een duidelijke grond om herdrukken
van bundels van Vondel en Bilderdijk buiten beschouwing te laten; die lieden
waren immers al dood anno 1900-1940; hun werk werd door anderen, die er toen toe
deden, in de literaire actualiteit getrokken. Of het terecht is om de rol van
die twee en dergelijken buiten hun eigen tijd niet eens te proberen te
omschrijven, lijkt me wel een betere discussie waard dan waar de schrijvers
zich in hun boek aan wagen. Daarnaast wacht de volgende vraag op een antwoord: door wie werden die actuele dichters als
dichters beschouwd, en hoe zie je of iemand in potentie als dichter of
als dichter in potentie wordt beschouwd? Ik probeer met D&VdA mee te
denken, maar ik raak wat verloren tussen hun (niet scherp geformuleerde) criteria.
Het blijkt om 37 tijdschriften te gaan, gezien hun Kerncorpus (1170). Dat zijn er niet letterlijk ‘zo veel mogelijk’ want alleen ‘de in onze
[d.w.z. D&VdA’s] ogen voornaamste in Nederland uitgegeven
tijdschriften waarin poëziebeschouwingen konden worden verwacht’ hebben ze geëxcerpeerd. (1088; mijn cursief, IdvH)
Overigens geeft Mathijs Sanders in zijn bespreking een verkeerd beeld van dit
deel van de materiaalverzameling wanneer hij noteert: ‘alle literaire
tijdschriften waarin poëzie werd gepubliceerd’. Nergens schrijven D&VdA dat
ze ook systematisch en volledig de gedichten uit de tijdschriften als materiaal
hebben verzameld.
Hierbij moet ook de vraag worden gesteld: hoe hebben
D&VdA bepaald welke tijdschriften de ‘voornaamste’ zijn terwijl ze met een
schone lei zeggen te beginnen? Was hun lei wel schoon? Kan een lei in deze zin
überhaupt wel schoon zijn? Literatuurhistorici hebben toch schoolgegaan? Ze zijn toch ook gevormd voor ze aan de slag gingen? Hebben zij geen bril op hun neus gekregen waarmee ze naar hun lei kijken?
Ik denk dat ze iets strenger en explicieter om hadden kunnen gaan met hun
empirische basismateriaal. Hoe groot is ‘behoorlijk groot’? Moeten we denken
aan honderdtallen of duizendtallen? Wat is het percentage precies? Dat hadden
ze toch uit kunnen rekenen? Is een en ander niet duidelijker en in ronde getallen,
in cijfers uit te drukken? Dat lijkt me een groot voordeel van werken met empirisch
materiaal. Het is telbaar, kwantificeerbaar.
Maar inderdaad: onder ‘het primaire materiaal’ verstaan D&VdA
‘de poëzie zelf (de bundels) en wat daarover is geschreven.’ (1088) Dat
daarover-schrijven gebeurde huns inziens alleen in tijdschriften; poëzie
gebeurde in hun optiek uitsluitend in bundels.
In een vroeg artikel (1996) over hun onderzoek, deden
gedichten in de tijdschriften nog wel mee. Ze refereren hieraan in het slothoofdstuk van hun boek:
‘als we het aantal dichters van wie een bundel is verschenen, afzetten tegen
het aantal dichters dat publiceerde in tijdschriften [blijkt dit]: voor de
periode 1909-1920 is dat minder dan 10 procent.’ (1089) Anno 2026 verbaast het
mij, nogmaals, dat ze in het in 2025 voltooide boek niet spreken over gedichten
in tijdschriften gedurende de gehele onderzochte periode 1900-1940; dertig jaar
eerder hadden ze wel gedichten in tijdschriften geturfd. Waar zijn die in
de tussentijd gebleven? Waarom doen al die gedichten in tijdschriften uit
1900-1908 en 1921-1940 niet of niet meer mee?
De materiaalverzameling heet hun ‘empirische basis’ (1088). Hoewel ze weten dat het bestand van tijdschriften niet volledig is, zijn ze toch van mening dat de beeld- en werkelijkheidsvorming die ze eruit hebben kunnen distilleren grofweg ‘voldoende representatief’ is. Hoeveel materiaal, en van welke soort, buiten beschouwing is gebleven, valt niet na te gaan op basis van hun verslag.
De wijze waarop de geselecteerde tijdschriften zijn
verwerkt, lichten D&VdA toe op pagina 1089 (mijn cursivering; IdvH):
We hebben gekozen voor een
inductieve, datagedreven, kwalitatieve aanpak. We onderzochten de tijdschriften
en selecteerden de publicaties die direct of indirect op poëzie betrekking
hadden. De relevante passages namen we over. Zo ontstond een
tijdschriftbestand van bijna twee miljoen woorden (ruim tienduizend items).
Bij de selectie hanteerden ze het zoeklicht van de
poëzieopvattingen, specifieker de vragen: hoe werden die gevormd en hoe werden
ze ingezet om de literaire werkelijkheid te vormen? Bovendien hanteerden ze het
zoeklicht van de verzelfstandiging van de literaire wereld, de groei ervan en
het leerstuk van de autonomie van het dichterschap en het dichten.
Het was dus geen vrije, open, blanco vergaring van alles wat
er in de betreffende periode over poëzie werd gemeld in de voornaamste literaire
tijdschriften, maar een doelgerichte zoektocht naar bepaalde opvattingen, annex
opvattingen over bepaalde concepten, en kenmerken, met alle gevaar op een
tunnelvisie (zie ook de recensie van Kila van der Starre). Zien we hier door de focus een tunnelvisie ontstaan?
Voor de expliciete vers-externe poëticale geschriften van
dichters en critici (verzamelbundels van essays bijvoorbeeld) lijkt bij het
vergaren van materiaal geen aparte zoekstrategie te zijn gehanteerd. Er staan nochtans
wel van dat soort werken vermeld in de bibliografie van primaire literatuur;
dus achterwege gelaten zijn ze niet.
Dat wat zij noemen: het ‘tijdschriftbestand’ (1089) eigenlijk
een citatenbestand is, had wat mij betreft wel duidelijker tot
uiting mogen komen. En graag had ik geweten om hoeveel artikelen het gaat
waaruit ze uiteindelijk geselecteerd, geknipt en geciteerd hebben. De annotatie ‘ruim
tienduizend items’ lijkt betrekking te hebben op het aantal aangehaalde
passages, het aantal citaten uit de tijdschriften, gemiddeld (10.000 : 37 =) ruim
270 citaten per tijdschrift. Aangezien het een bestand van bijna 2.000.000
woorden betreft, zijn de citaten gemiddeld 740 woorden lang. Maar hoeveel teksten
er bijvoorbeeld per geproduceerde bundel in de tijdschriften zijn verschenen,
wordt niet duidelijk.
- Wat is nu ‘de totale titelproductie in Nederland’? Alle geproduceerde boeken, alle geproduceerde literaire boeken of alle geproduceerde poëziebundels, dus vóór de selectie die D&VdA eruit maakten om tot hun basiscorpus te komen, of juist alleen maar hun basiscorpus van poëziebundels?
- Waarom noemen ze geen concrete, harde cijfers?
- Waarom zijn niet alle jaarcijfers opgenomen in één grafiek, samen met de getallen van de geselecteerde poëziebundels, zodat er een relatie zichtbaar wordt tussen twee ontwikkelingen die we concreet kunnen zien ‘sporen’ in twee lijnen die beide een set van punten verbinden?
- Waarom ontbreekt 1940 in de reeks van de totale titelproductie?
Vervolgens signaleren D&VdA een parallel met wat zij noemen het ‘tijdschriftenbestand’. Ook daarin is een groei te zien. Probleem is dat ze met het tijdschriftenbestand niet bedoelen, zoals ik eerder aangaf, het aantal artikelen (zelfstandige teksten) over poëzie die destijds in de geselecteerde voornaamste tijdschriften zijn verschenen, maar het aantal van door hen daaruit verzamelde citaten. Drie artikelen over één bundel zouden door hun selectie geresulteerd kunnen hebben in zeventien citaten, drie artikelen over een andere bundel in één citaat. Wat telt? Het lijkt me dus niet mogelijk een parallel te trekken tussen enerzijds de groei in aantal poëziebundels, in de totale titelproductie en anderzijds een groei in het ‘tijdschriftenbestand’.
Met betrekking tot het ‘tijdschriftenbestand’ spreken D&VdA op pagina 1090 als gezegd zelfs over het aantal woorden dat het bevat, dus: het aantal
woorden dat zij zelf uit hun eigen selectie van alle stukken over
poëzie hebben geselecteerd en overgenomen uit de door hen geselecteerde
tijdschriften; dat zijn (na tweemaal een selectie) 1.939.517 ‘(dus bijna twee
miljoen)’ woorden. (1090) Dat materiaal wordt niet per jaar gekwantificeerd,
maar per periode van tien jaar. Maar dan nog: wat moeten we ermee als we ons
buigen over de geschiedenis van de beeldvorming in de poëzie? Bijna twee miljoen, is dat eigenlijk veel of weinig?
Er worden appels en pederen met elkaêr vergeleken; het
betoog gaat van boeken naar citaten uit artikelen naar woorden; de lezer moet inschikkelijk ‘ja’ zeggen als D&VdA ‘[m]et alle slagen om de arm’ (1091) stellen
dat ook in de omvang van de poëziebeschouwing een stijgende lijn te zien zou
zijn (in casu meer dan een verdubbeling). Als proeve van kwantitatief
basisonderzoek lijkt me dit onderdeel van het verhaal wat onder de maat.
Daarna komt nog de observatie dat de
poëziebesprekingspraktijk niet alleen groeit maar ook differentieert naar mate
de periode vordert. En daar weer na noemen ze ‘zonder verder commentaar’ enkele
andere ‘relevante ontwikkelingen’, opnieuw zonder kwantitatieve basis of
referentie aan een tabel of grafiek of overzicht.
Ik moet constateren dat D&VdA de kwantitatieve
benadering steeds weer loslaten en vervangen door een literair-historisch ouderwetse,
kwalitatieve methode: ze vertellen over wat ze her en der tegenkwamen en wat
hen in hun zoeklicht opviel. Ik bedoel zeker niet dat wat ze
schrijven onzin zou zijn, maar wel dat de discussie waarmee ze deze studie afsluiten,
te weinig samenhang en te weinig methodische systematiek annex consistentie vertoont.
Daardoor wordt het ogenschijnlijk makkelijker om te schrijven over ‘symptomen
van een toenemende op close-reading gerichte oriëntatie bij sommige critici.’ (1092)
De literaire feiten worden wat lobbig onder hun garde.
Een nieuw geluid wordt hierdoor geregeld overstemd.
Nadat ik me door herlezing en bespreking van de Epiloog op de hoogte had gesteld van de opzet, methode, materiaal en doelstelling van Een nieuw geluid, ben ik teruggegaan naar de Proloog en weer gaan lezen. Na een klein twintigtal bladzijden met de bekende literair-historische anekdotiek rondom Tachtig stuitte ik op een eerste formele sub-vraag: hoe is de door de auteurs gepostuleerde verandering in de algemene opvatting omtrent de aard van de poëzie rond 1900 (een verandering die zo’n vijftien jaar eerder geïnitieerd was door de Tachtigers) vast te stellen? D&VdA zijn hier al in zekere zin kritisch op hun eigen onderzoeksproces en -verslag want tot hier aan toe hebben ze vooral ‘allerlei uitspraken aangehaald van auteurs en critici die laten zien hoe zij zich rond de eeuwwisseling op Tachtig oriënteerden’. Maar nu vragen zij zich af: ‘hoe representatief zijn die [aangehaalde uitspraken]?’ (42)
Om dat te toetsen voeren ze ‘een kleine steekproef’ uit. Met vier zoeklichten onderzoeken ze alle bijdragen over literatuur aan drie tijdschriften, namelijk De gids, De katholiek en Ons tijdschrift, respectievelijk het medium van de algemene, de katholieke en de protestantse zuil, in zowel een jaargang van halverwege de jaren negentig als in een jaargang van rond 1900.
In dit boek geven ze alleen in algemene lijnen hun bevindingen weer, zoals het navolgende over De gids medio jaren negentig (42-43):
Opvallend is dat De Gids in 1895 maar heel weinig bijdragen over literatuur bevat waarin Tachtig afwezig is. [noot 107: ‘De Gids 59 (1895).’] Er is juist veel aandacht voor de beweging, regelmatig vallen de namen van Kloos, Swarth, Van Eeden en Van Deyssel en meestal met waardering. […] Wat het meest opvalt is hoe vaak de medewerkers van De Gids het ‘jargon van Tachtig’ gebruiken. De normen van Tachtig zijn dus de literatuurbeschouwing van De Gids binnengedrongen.
Op deze wijze worden ook de artikelen uit de andere jaargang, en ook de twee jaargangen van de twee andere tijdschriften behandeld. (42-45)
Opvallend zijn de kwantificaties: ‘maar heel weinig’ ‘juist veel’, ‘regelmatig’ en ‘meestal’. Hier ontbreken, met andere woorden, de volgende gegevens: het totaal aantal bijdragen in de betreffende jaargang, het aantal bijdragen over literatuur, het aantal literatuurbijdragen met een of meer van de Tachtig-signalen (conform een van de zoeklichten), het aantal van die bijdragen met positieve waardering van Tachtig, en de getallen van de gezochte signaalwoorden, waaronder, speciaal voor de liefhebbers van literair-historische reputaties, een specificatie van het aantal Kloos-, Swarth-, Van Eeden- en Van Deyssel-mentions.
Voor een uitvoeriger rapportage verwijzen D&VdA in noot 106 (direct voor het citaat hierboven) naar Dorleijn & Van den Akker 2006, zijnde hun gezamenlijke bijdrage aan Dorleijn en Van Rees (red.), De productie van literatuur (2006), onder de titel ‘Literatuuropvattingen als denkstijl’.
Ik ben benieuwd of uit die bron de feiten de feiten te putten zijn die ik in het boek zelf verwachtte aan te treffen maar node miste, of een tabel die de aantallen samenvattend presenteert. De verschillen tussen 1895 en 1900 zouden duidelijk af te lezen moeten zijn als ze zo opvallend zijn als de auteurs in het citaat beweren.
De uitkomst van de steekproef verrast me niet, want wie verwacht er niet dat niet-confessionelen eerder meebuigen met de nieuwe, profane wind die er door het optreden van Tachtig opstak terwijl de confessionelen meer morele weerstand te overwinnen hadden en er dus langer over deden. Graag had ik namen en rugnummers gekregen, zelfs al geloof ik D&VdA op hun woord als ze zeggen dat dit de uitkomst van hun steekproefonderzoek is. Wel een beetje vreemd is het dat ze er aan het eind van de bespreking van alleen het eerste van de drie delen van de steekproef al van uitgaan dat De gids representatief is voor ‘een belangrijk deel van de literaire wereld’. (43) Een mens zou zich bijna gaan afvragen waarom ze dan voor hun boek een basiscorpus van meer dan dertig tijdschriften hebben gebruikt.
Een jaar na haar dood verscheen er nog een dichtbundel van Swarth: Sorella (1942). Dat duidt er mijns inziens mogelijk op dat zij toen toch nog niet zo vergeten of vergeetbaar was. D&VdA merken over die bundel op: ‘(de lezer van toen zal de tel zijn kwijt geraakt, maar het kan heel goed haar vijftigste zijn geweest).’ (1085) Hier schuiven ze Swarth enerzijds uit de losse pols een sullige reputatie in haar schoenen – die van de onbeduidende veelschrijfster die over de randen van haar graf of urn naar literaire roem reikt, als het niet kon met kwaliteit, dan maar met kwantiteit – maar anderzijds treden ze de kwantitatieve kantjes van hun eigen onderzoek met voeten; in hun databank bevat idealiter een accuraat en volledig overzicht van het oeuvre van Swarth, liefst inclusief alle herdrukken en verzameluitgaven; dat moeten er aardig wat zijn: de antiquariaten zijn anno 2026 nog steeds vergeven van die leuke, versierde, ouderwetse drukwerkjes. Mogelijk valt het deel van het oeuvre van Swarth dat vóór 1900 verscheen buiten het bereik van hun databank, maar een iets sterker feitenrelaas over de jaren 1900-1941/2 lijkt me wel passender voor wat heet Een nieuw geluid.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten