In de context van een nieuwe chatgroep over poëzie op Bluesky, raakte ik even verzeild in de bloemlezing Stroomgebied (1953), samengesteld door Ad den Besten. Enigszins onthutst door de mij onbekende namen die er (ook) in voorkomen, naast natuurlijk die van de later bekend en groot of zelfs belangrijk geworden dichters, gaf ik mezelf de opdracht te proberen duidelijk te maken, of: te visualiseren of er verloop zou zitten in de prominentie van de gebloemleesden; want postuur is van belang in de literatuur. En door mijn lectuur van Een nieuw geluid ben ik weer helemaal in de ban geraakt van de min of meer harde cijfers, van de meetbaarheid, of feitelijkheid. Meten is weten. Althans, het valt te proberen.
Directe aanzet tot de verkenning was de naam van Coert Poort, die voorkomt in de reclame op de flappen van het stofomslag van Stroomgebied voor de uitgaven van toenmalig hedendaagse poëzie in de serie De windroos. Poort is niet opgenomen in de bloemlezing, maar zijn Twee gedichten is wel opgenomen in de derde reeks van De windroos. Inmiddels heb ik nog steeds geen letter van zijn poëzie gelezen, afgeleid als ik was door de mogelijke reputatie-ontwikkeling van de gebloemleesde hedendaagse dichters van lang geleden. Letters en cijfers, een eeuwig om de voorrang strijdend letterkundig duo.
Allereerst heb ik geteld hoeveel gedichten Den Besten van iedere geselecteerde dichter opgenomen heeft in zijn bloemlezing; de getallen lopen uiteen van 3 van Mies Bouhuys tot 17 van Guillaume van der Graft, de absolute topper destijds, kennelijk. Naast hem zijn er maar 5 van de intotaal 37 dichters die met dubbele cijfers door Den Besten zijn bloemgelezen; de overige 31 moeten het met minder zien te rooien op het poëzieveld (pretfeit: zelf heeft Ad zich vertegenwoordigd als potige middenvelder met 8 gedichten).
Daarna/ast heb ik geteld op hoeveel bladzijden Redbad Fokkema elke dichter ter sprake brengt in zijn poëziegeschiedenis Aan de mond van al die rivieren (1999), afgaand op de referenties in het register. Tot slot heb ik ongeveer hetzelfde gedaan met Hugo Brems’ literatuur-geschiedenis Altijd weer vogels die nesten beginnen (2006). Dat laatste was een beetje heikel, omdat Brems proza en poëzie beschiedschrijft waardoor er rond een figuur als Willem Frederik Hermans ruis ontstond op mijn lijn; van hem heb ik daarom alleen gekeken naar de specifieke referenties aan zijn bundel Horror coeli en andere gedichten, die Brems echter in het geheel niet blijkt te noemen; bij alle andere betrokkenen heb ik referenties aan bundels niet apart geteld c.q. meegenomen.
Ga je achter de cijfers zoeken en dus in de boeken, dan kom je soms van een behoorlijk koude kermis thuis. Hermans drijft met 4 gedichten uit Horror coeli rond in Den Bestens Stroomgebied. Fokkema noemt diezelfde Hermans 2 maal, eerst als bloemlezer uit het werk van Van Focquenbroch en verderop als essayist (Mandarijnen op zwavelzuur) over de culturele interesses van E. du Perron. Maar goed: alles valt binnen het kader van een vertoog over de moderne poëziegeschiedenis, en dan mag je een ‘mention’ wel wat breder trekken dan louter betrekking hebbend op iemands eigen gedichten. Het gaat erom wie er medespeelden en ertoe deden op het veld en er hun steentje aan bijdroegen. Brems behandelt een halve boekenkast aan Hermans-proza maar noemt diens poëzie niet in zijn register waardoor WFH bij hem dus 0 scoort in mijn veldschouw. M.m. iets dergelijks m.b.t. Haasse.
Reeks 3 Brems 2006




Geen opmerkingen:
Een reactie posten