Lang, heel lang geleden werd ik met ongeveer 249 anderen onderwezen in onder andere de historische grammatica van het Nederlands. Zo heette dat vak, geloof ik; het ging eigenlijk (althans in mijn herinnering) over de grammaticale eigenaardigheden van uiteenlopende historische vormen van het Nederlands. Maar misschien stond er in de studiegids gewoon ‘Zeventiende-eeuws vertalen’ en was het vak verwant en gekoppeld aan ‘Middelnederlands vertalen’. Studiegidsen werden in die tijd gestencild, dus daar is nu geen spaan van over, vrees ik. Naslag is vrijwel onmogelijk. Dit is maar wat ik er nog van weet.
Hoe dan ook en waar het om gaat: de docent van het vak was drs J.Ph. van Oostrom, Jules voor intimi; maar dat waren wij als studenten natuurlijk niet en deze docent hield wel van decorum en dus ook van ‘meneer’ als aanspreekvorm. Hij ging steevast gekleed in overhemd, stropdas, blauwe blazer met blikken blingbling-knopen, grijze pantalon met omslagen en brogues; oogde kortom als een loepzuivere Leidsche bal in onze Utrechtse bijt vol T-shirts en jeans.
Formeel en functioneel en inhoudelijk was Van Oostrom nog niet rijp voor een mooi pensioen toen hij onze docent was, maar in onze ogen, die in eerste instantie louter op uiterlijk afgingen, al wel; dat gaf zijn aangeboren charme alleen maar meer glans. Hij wist ons te vertellen dat vroeger, toen hij zelf nog studeerde, het gebruik was dat studenten opstonden wanneer de docent de collegezaal betrad. En ja hoor, dat werd door ons in no time geregeld want hij lag ons meteen na aan het hart. Na de eerstvolgende pauze kwam meneer Van Oostrom, zijn cigarette netjes ergens anders uitgedrukt, het lokaal weer in en verrezen wij opeens massaal en synchroon. Hij was er stil van, nog voor hij een woord had gesproken.
Ik denk dat het Van Oostrom was die zijn colleges doorspekte met allerlei feitjes en niet-noodzakelijke weetjes van het eermalige Nederlands en van de ontwikkeling van die wonderlijke taal. En ik weet zeker dat Van Oostrom de docent met de meeste en leukste subtiele humor was, al moet hier ook W.P. Gerritsen genoemd worden, zeker bij gelegenheden die net naast en buiten de strikte grenzen van de academie plaatsvonden.
Het wordt, voor ik verder afdwaal, tijd dat ik probeer te voldoen aan mijn blogopdracht van vandaag: de poëzie van Albert Verwey te koppelen aan de geestrijke colleges van Van Oostrom. Dat kan via de diachrone taalkunde waar de laatste alles van leek te weten. Ik vond al de historische mutaties die hij opdiste reuze interessant onder andere omdat daardoor verschillende talen elkaar onderling gingen belichten; een venster en een fenêtre, een tafel en een table zeiden elkaar opeens gedag, vogels uit het Fries en Engels naderden elkander, dat soort gedoe, chevalier en caballero ook, en was dat laatste niet Van Oostroms sigarettenmerk?
Eenmaal ging het college, of een door Van Oostrom ingeslagen zijpad, over de apocope van -e. Ik lees nu via een zoekmachine en de DBNL dat apocope in het algemeen ‘door de 17e-eeuwse Nederlandse taalbouwers [werd] gepropageerd om de beknoptheid van de moedertaal te stimuleren’, maar ik herinner me alleen wat Van Oostrom zei over de apocope van specifiek de -e. Zie bijvoorbeeld de afstoting van de onbeklemtoonde slot-e waardoor Heere werd tot Heer, en einde soms tot eind.
Ik citeer hier, zij het zonder aanhalingstekens, de bron in de DBNL nog steeds. Het gekke is, dat ik me herinner dat Van Oostrom juist uitlegde dat de apocope van -e niet voorkwam als de -e werd voorafgegaan door een -d-. Hij zei erbij dat dat maar goed was ook, omdat er anders problematische gevallen op zouden duiken. We hoefden maar te denken aan een woord als kudde.
Misschien heb ik, met mijn toenmalig jongelingenhoofd, de oude meester niet geheel begrepen, of maar half gehoord. Maakt niet uit: deze regel plus uitleg is tekenend voor de heerlijke colleges van Van Oostrom, die daarmee zwier en zwaai wist te geven aan iets wat ik aanvankelijk maar saaie materie vond.
Aan al dit moest ik denken toen ik, omdat ik eerder op deze plek bekend heb de bundel Aarde van Albert Verwey niet gelezen te hebben hoewel die tot de tentamenstof van de cursus Aspecten behoorde, dit vergrijp probeerde te compenseren door die bundel nu alsnog eens in te zien, ook omdat ik kanttekeningen plaatste, eerlijker: bedenkingen had bij de zangerigheid van Verweys post-Tachtiger poëzie.
Het komt nooit meer goed tussen mij en dat aspect van het oeuvre van Verwey. Ik struinde digitaal door zijn werk en stuitte op de bundel De Joden. Verzen (Mouton & Co., ’s Gravenhage, 1892, via Google Books; in de DBNL kon ik het werk niet vinden). In de derde regel van het ‘Eerste verhaal’ dwingt namelijk Verwey zijn lezer tot een apocope van -e na een dubbele -d-, en dat nog wel door een elisie van een -n aan te geven, terwijl daarna meteen een komma staat, een syntactische grens, die in mijn opvatting een samensmelting met een woord dat erna komt zo niet onmogelijk dan toch wel erg geforceerd maakt. De manier waarop Verwey zijn woorden ook hier weer in het metrum wringt, vertoont trekken van grof verbaal geweld.
Lees maar:
Lees maar:
Abram was oud en woonde in Mamre: ’t kamp stondStaatlijk met al zijn tente’: in ’t laatste lichtWeidden op ’t veld de kudde’, en herders waakte’ er,Één hier, één daar; en heel d’orizon langsStrekten zich bossche’ en tusschen ’t eerste en ijlHakhout dwaalde wel ’n beest: in de kampstraatVrouwen en kindre’ en oude manne’, en ’t kaaklenRoezemoeste er.
De dichter bedoelt: ‘in het laatste licht weidden op het veld de kudden, en herders waakten er’
maar dwingt je te lezen: ‘in tlaatste licht weidden op tveld de kud en herders waakt er’.
Had deze dichter dan geen oren? Hoe kan daarenboven kakelen nou roezemoezen?


Geen opmerkingen:
Een reactie posten