Posts tonen met het label Epische poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Epische poëzie. Alle posts tonen

woensdag, november 19, 2014

Poëtische paradox en/of aporie

Een beetje moeizaam voort lezend in een boek waar ik enthousiaster aan was begonnen, blijft mijn lezend oog opeens overdrachtelijk hangen aan dit ophaaltje:
Veel mensen lezen weinig poëzie.
Grappig, want mijn lezend brein ziet achter deze open deur onmiddellijk een parallel universum:
Weinig mensen lezen veel poëzie.
Schiet je ook geen meter mee op. Wel met die mensen, maar niet met de mededeling, die een meting veronderstelt. Maar hoeveel is weinig en hoe weinig is veel (dan wel: hoe veel is weinig en hoeweinig is veel)? Oooh, als alfa's aan het tellen gaan... (vertel mij wat).

Maar de tekst gaat verder:

Dat zouden ze beter meer kunnen doen, [...].
Zouden die vele mensen die weinig poëzie lezen dan maar beter méér weinig poëzie kunnen lezen? Meer korte stukjes poëzie, of 'meer' als in: vaker? Of zouden diezelfde vele mensen eenvoudigweg meer poëzie moeten lezen? Komt misschien op hetzelfde neer?

Maar (ik ben als ontregelde poëzielezer soms wat te zeer ingesteld op regelachtige eenheden, een alexandrijn kan ik nèt aan qua behapbare taalbrok) de tekst gaat verder:

al is het maar vanwege de vernieuwing van taal en denken die het teweegbrengt.

Het meer weinig poëzie lezen brengt dus vernieuwing van taal en denken teweeg? Zou het? En dat is niet een conclusie, maar een vooronderstelling, zoals het hier staat, in dat boek waarvan ik auteur noch titel nog genoemd heb.

Ik ben neuroloog noch linguïst maar toch heb ik er zo mijn twijfels bij dat 'taal' (überhaupt, niet beperkt door een voorafgaand 'hun', 'onze' of 'de Nederlandse') en denken (evenmin geclausuleerd) vernieuwing ondergaan ten gevolge van het meer weinig poëzie lezen. Enigszins geïndoctrineerd door The Shallows van Nicholas Carr hel ik meer over naar de overtuiging dat het lezen van meer veel poëzie je misschien een tikkeltje die kant op kan helpen. Dus frequenter langere lappen poëzie lezen. Of goed proza. Goed voorbeeld doet goed volgen.

Leest meer epen, het verdiept uw brein.

dinsdag, mei 07, 2013

De kloof tussen poëzie en proza

Waarom en/of waardoor die er is, blijft me een raadsel. En wat die is, als ze er is. Ze is er. Poëzie doet het slechter in de winkel dan proza, maar wordt op begrafenissen en crematies vaker ingezet ter verwoording of leniging van verdriet en afscheid, en nooit leest een uitverkoren scholier tijdens de dodenherdenking een kort verhaal of een mininovelle voor, of een essaytje. Poëzie is moeilijk, vinden studenten tijdens een cursus literatuurgeschiedenis, waarin beide aan bod komen. Dan vergeten ze, denk ik, even dat hele lappen proza van Multatuli, Van Deyssel, Brakman, Krol, Jongstra misschien wel lollig lijken maar alles behalve 'makkelijk' zijn.

Mede door die kloof ben ik zo geïnteresseerd, nog steeds, in wat wel genoemd word epische of verhalende poëzie, en dan vooral dergelijke poëzie sinds eind negentiende eeuw. Toen immers, kan men met een gerust hart en slechts weinig overdrijving zeggen, ging de lyriek de poëzie overheersen. En uit veel uitspraken over poëzie sinds dien blijkt dat het onderliggend concept van poëzie is: formeel strak georganiseerd taalbouwsel met regels korter dan een bladzij breed is en met minder regels dan er op een 'gewone' bladzij passen (waarbij ik vrees dat proza de norm is); eventuele eisen met betrekking tot rijm en metrum zijn eenvoudig te pareren met praktische tegenvoorbeelden, zelfs waar het om sonnetten gaat. Blijft over iets als 'Marc groet 's morgens de dingen' als oerbeeld van een gedicht.

(ja, ik denk dat dit 'chargeren' heet, maar dat mag soms, pour besoin de la cause).

Lang geleden, op 17 januari 2003, kocht ik, om die kloof weer eens te verkennen, de Nederlandse vertaling, door Marijke Emeis, van Anne Carsons Autobiography of Red; het werk verscheen oorspronkelijk in 1998 bij Knopf, de vertaling in 2000 bij Meulenhoff. Carson is een Canadese dichteres. En op het achterplat van Autobiografie van rood staat: 'In haar eerste roman in verzen overbrugt Anne Carson de kloof tussen poëzie en proza door een meeslepende zielenreis te beschrijven van een gevleugeld monster dat Gerion heet.' (mij wondert tussen haakjes waarom Geryon in vertaling Gerion is geworden; Wikipedia en Van Dale doen dat ook niet). Jammer, ik zie niet hoe je die kloof kan overbruggen door een reis te beschrijven. Reizen verenigt, weet ik, maar niet dat het op proza en poëzie sloeg.

Al snel wordt duidelijk dat het geen eenvoudige, traditionele dichtbundel is. Op pagina [7] staat de inhoudsopgave. Daaruit blijkt al dat je niet bepaald direct die beschrijving van de zielenreis in wordt gesleept. Integendeel: eerst allerlei gedoe rondom Stesíchoros, van wie gezegd wordt: 'Hij kwam na Homeros en vóór Gertrude Stein, in een moeilijke tussentijd voor een dichter.' In geen van de drie perioden ben ik echt thuis. Vervolgens (quasi-?)vertalingen van diens overgeleverde fragmenten en appendices. Carson is classica en steekt dat onder stoel noch bank. Aan het eind een interview met Stesíchoros. Daarvoor dan, in 47 Romeins genummerde en van titel en korte scénebeschrijving voorziene hoofdstukken, 'Autobiografie van rood; een romance'. Daarin wordt van alles overhoop gehaald; niet alleen de mythische achtergrond van Geryon en Herakles, die tegelijkertijd wordt tegengesproken, doordat beiden als hedendaagse jongelieden worden neergezet, maar ook Emily Dickinson, fotografie, puberliefde, verlatenheid, verlangen, vulkanisme, Zuid-Amerika, Heidegger, Leibniz, noem maar op. En dat allemaal niet bepaald in een helder discursieve stijl.

Wat bijzonder opvalt, daarnaast, is de zet- en bladspiegel. Wat die betreft, hangt deze tekst inderdaad tussen proza en poëzie in. De versregels zijn doorgaans veel langer dan dat ze voluit op één zetregel passen, terwijl tegelijkertijd de rechtermarge alles behalve dwingend lijkt te zijn geweest; en als je alles optelt en aftrekt zou je kunnen calculeren dat ieder gedicht is opgebouwd uit eenheden van één heel lange versregel; stichische poëzie kan dat dan heten, geloof ik, met dien verstande dat hier de versregels niet van gelijke omvang zijn. Anders gezegd: ik heb de indruk, enerzijds, dat die regellengte opzettelijk vormgegeven is, maar, anderzijds, dat er geen enkele maatvoering voor was. Het is een soort poëzie die mij niet uitnodigt lettergrepen te tellen of accentverhoudingen te verkennen en te scanderen. Da's lastig, omdat ik van lekker lopende kunstteksten houd, of het nou om Verweys Demeter of Miltons Paradise Lost gaat. Zulke teksten kunnen iets te weeg brengen wat het meeste vertellende proza niet kan: dat ik lees en meemompel, of zelfs hardop lezen ga, en vergeet waar het over gaat.

Bij het lezen van Autobiografie van rood raakte ik de inhoudelijke draad ook steeds kwijt, maar dat kwam veeleer, vrees ik, doordat de tekst betrekkelijk onoverzichtelijk, althans associatief geconstrueerd is. Nou ja, zo'n kop tussen titel en tekst als op pagina 50 laat weinig aan de verbeelding over. En als je weet dat Geryon hier in Lima op het dak van een huis overnacht, waar vele gasten zijn, valt er wel een verhalende lijn in te ontdekken, maar hoe hier bijvoorbeeld de verhouding precies is tussen de realiteit/het bewustzijn van Geryon, Herakles en diens Oma, durf ik niet te zeggen. Geryon heeft stevig geslapen, zijn ex-geliefde Herakles zegt dat zijn wereld heel langzaam gaat, en diens oma praat over de dood, tot er twee vlinders langsvliegen, uitmondend in een uitnodiging tot een bezoek aan de vulkaan, die al voorkomt in het gedicht van Dickinson dat als motto voorafgaat aan deze romance. Dit is voor mij misschien poëzie zoals studenten poëzie ervaren: er moet toch enig systeem in te vinden zijn, maar ik zie het nog niet. En dan ga ik me afvragen: waarom toch deze 'vorm'?

Vreemd, al lezende kwam ik erachter dat ik Autobiografie in rood pas nog gelezen had. Ik wist dat niet meer; gaande weg kwamen scènes me bekend voor. Leuke leeservaring. En: het betrof herinneringen aan scènes, fragmenten van gebeurtenissen. Van poëzie beklijven doorgaans beelden en verwoordingen. Hoe dan ook, nu pas mag ik Red Doc> gaan lezen, het dit jaar verschenen, prachtig uitgevoerde vervolg.

zaterdag, april 13, 2013

Voorpret en uitstel

Onlangs, afdwalend na het Stedelijk door Amsterdam, kwam ik terecht in Het Martyrium en verbaasde me weer over het rijke assortiment dat daar ligt ten toon gespreid. Alleen al op de afdeling poëzie. Ik zag er een heel mooi boek, heel recent ook, van Anne Carson, Red Doc > heet het. Het is een vervolg op Autobiography of Red uit 1998, waarvan ik de Nederlandse vertaling (door Marijke Emeis) tien jaar geleden kocht.
Ik las het nog niet. Nu kocht ik dus dat nieuwe boek, naar aanleiding waarvan Carson op de site van Random House noteert: "Some years ago I wrote a book about a boy named Geryon who was red and had wings and fell in love with Herakles. Recently I began to wonder what happened to them in later life. Red Doc> continues their adventures in a very different style and with changed names. / To live past the end of your myth is a perilous thing." Ik moet nu eerst dat oude boek lezen, en popel naar het nieuwe, omdat het er vanbinnen reuzespannend uitziet met die benauwende kolommen.

donderdag, december 11, 2008

Epische en/of Lange Gedichten

Geleend van de site van het Willem Elsschot Genootschap, het minst gekke plaatje als je op 'epiek' googletAl een tijdje sla ik m'n aantekeningen betreffende lange verhalende gedichten in de moderne Nederlandse letterkunde op in een map met de titel oEPs, een flauwe afko van: Onderzoek Epische Poëzie Stolk. Maar sinds een tijdje is er een nieuwe map bijgekomen, waarin ik de parafernalia van de Workshop Lange Gedichten archiveer; een workshop die Dietlinde Willockx (Universiteit Antwerpen) en ik aan het op poten zetten zijn. Die nieuwe map heet, jawel: WoepS, ook al zit Dietlinde niet zo strikt op de epische, meer op de lange lijn. Juist die net wat afwijkende posities maken de samenwerking zo vruchtbaar en ook aangenaam en leerzaam, vind ik.

Op 19 juni 2009 gaat het plaatsvinden, in de Sweelinckzaal, Drift 21, te Utrecht, tussen 11.00 en 17.00 uur. Geen lange, doorgekauwde, betogen, maar korte bespiegelingen en reflecties daar weer op, daar hopen en rekenen we op. Wie er meer over wil weten, zie de WoepS-site.

Is 'Eindeligt' van Willem Jan Otten, in Welkom; gedichten 2003-2008 (Amsterdam 2008) nou lang of episch? Of niet? Minder dan zijn De eend, denk ik. Maar het gaat me er niet om het onderscheid vast te spijkeren, maar juist om het productief te houden. Onder andere. Demarcatie en fascinatie. Zoiets.

vrijdag, november 28, 2008

De dijk

'In 1937 schreef Engelman een episch gedicht over de afsluitdam van de Zuiderzee: "De dijk".' Aldus Paul Claes in zijn Lyriek van de lage landen; de canon in tachtig gedichten (Amsterdam 2008: 319).

Dan is mijn aandacht gewekt. Een mij nog niet bekend modern epos!
Kopen!
Lezen!

Ah, de Lutetia van Jan van Krimpen. Wat een sterke letter. Maar dit terzij.

Teleurstelling. Zesendertig kwatrijnen van negen- en zeslettergrepige, jambische, gekruist rijmende verzen die (zonder dat ik het mooi vind) de lof tuiten van een dijk, die enigszins tijdloos en als een levend wezen wordt voorgesteld; wie wil kan er mythische, nou vooruit: epische proporties in zien.

Maar ik lees de eerste regels:

De dijk ligt tusschen ’t land en ’t water
met palen en bazalt. (5)

Sinds Vasalis en uit eigen reiservaring weet ik dat de Afsluitdijk ligt tussen water en water; tussen zee en wat sindsdien geen zee meer maar meer is. Hoezo afsluitdam van de Zuiderzee, zoals Claes dat noemt?

De tweede strofe begint aldus: 'Hij heeft de zee het land ontstolen' en in deel II staat:

De molens slaan de horizonnen
met wieken, kruis na kruis,
de polder is een vat vol sponnen [=vulgaten]
en heimelijk geruisch.

Molens aan de Afsluitdijk? Een polder? En waarom zegt Engelman in deel III: 'Ligt hij er pas, ligt hij er eeuwen, / met zijn geduchten zoom?' (9) Dat is wel een heel idiote vraag met betrekking tot een net voltooide dijk?! Maar: waar staat dat deze dijk net voltooid is? Heeft Engelman willen dichten als een tweede Nijhoff: 'Ik ging naar Den Oever om de dijk te zien. Ik zag de afsluitdijk'? Dan was hij er bepaald niet vlot bij: ‘Op 28 mei 1932, vijf jaar na het begin van het werk, kon het laatste gat in de dijk worden gesloten.’ [http://www.afsluitdijk.org/NL%20BOUW%201.htm - 28-11-2008]. Dat ding was anno 1937 dus al vijf jaar klaar. Komt Engelman nog eens aan met zijn lofdicht? Hij had wel Achterberg ver vooruit kunnen zijn: 'Eindelijk is het grote gat gedicht.'

Maar wie schetst mij mijn schrik bij 't naslaan van een Engelmanboek, Op gezang en vlees belust; over leven, werk en stad van Jan Engelman (Utrecht 2000), want daarin staat De dijk aangeduid als 'een werk dat was geschreven bij gelegenheid van de voltooiing van de Afsluitdijk.' (28) En bij een foto van Johanna Diepenbrock, de dame die De dijk voordroeg 'bij het ingebruiknemen van de schouwburgzaal in de Studio der Algemeene Vereeniging Radio-Omroep te Hilversum' op 22 april 1937 (aldus de colofon van De dijk, Amsterdam 1937: [15]), en voor wie Engelman viel, welnu, bij die foto staat nog eens: 'Het gedicht "De dijk" schrijft Engelman ter gelegenheid van het gereedkomen van de afsluitdijk.' (118)

En ook G.P.M. Knuvelder noemt in zijn Schets geschiedenis Nederlandse letterkunde (37e dr. Den Bosch 1972, p. 167) 'het grotere gedicht De Dijk (1937) over de Afsluitdijk'. Als Claes fabuleeert, weet hij zich dus door kenners gedekt.

En er zijn er meer die De dijk verbinden aan de Afsluitdijk. Bijvoorbeeld Sanne Duyve en Lian Zigterman van de Hogeschool Van Hall – Larenstein (Kust- en zeemanagement) in hun ontwerp De dijk in z’n element; ontwerpvisie voor een nieuwe Afsluitdijk, gedateerd 22 mei 2008 (zie hier). En ook een boze blogger. En ook het WestFries Museum citeert Engelmans De dijk in de context van de Afsluitdijk.

Maar ik geloof toch en ondanks dat alles echt dat Engelmans De dijk er losser van staat. Engelman bezingt op alternatieve wijze iets waar ons kleine landje groot in is: de aloude strijd tegen het water, en het letterlijk winnen van terrein; kortom, een oeroude toop in vaderlandslievende poëzie ('gewijde grond der Vaderen, / Gij niet op mijn verzoek ontwoekerd aan de zee', dichtte De Génestet), maar nu eens benaderd vanuit het fenomeen 'dijk'. Niet die ene dijk, nee: een dijk, iedere dijk, de ideale dijk, de Hollandse dijk van alle tijden, der dijken dijk. De dijk die, al ligt hij stil, door Engelman toch als een grote held wordt voorgesteld. De impliciete zanger van De dijk vraagt zich niet voor niets af of de dijk wellicht nog 'het schip van Bran' ziet en 'Tromp nog of De Ruyter' bespeurt. (9) Deze dijk is geen echte dijk, maar, zoals Engelman op pagina 12 dicht: 'van dat onophoudlijk streven [namelijk: van de menselijke geest] het eeuwig zinnebeeld.'

donderdag, oktober 30, 2008

Epische poëzie

Telefo(t)onplaatje d.d. 29-10-2009Dat was een mooi initiatief van Hans Vandevoorde: hij, aan de VU Brussel doende met een college over epische poëzie na 1945, nodigde een paar soortgenoten uit om een workshop te doen binnen zijn college: Odile Heynders (Tilburg) - die Heilna du Plooy (Potchefstroom) introduceerde -, Dietlinde Willockx (Antwerpen), en mijn persoontje (Utrecht): allen van de species letterkundige, subgroep: op de ene of de andere manier, met de ene en de andere invalshoek bezig met wat je epische, of verhalende, of lange gedichten zou kunnen noemen, of het narratieve aspect van poëzie. Een beter kippenhok kan je je niet wensen (inhoudelijk gezien dan; die campus daar aan de Pleinlaan/Rue de la plaine dat is me er een) (alhoewel: mooie herinnering eraan: bezoek ter gelegenheid van de promotie van Sven Vitse; een openbaring om die daar hoogstprofessioneel te zien opereren in zijn oorspronkelijke biotoop, als ik dat zo mag zeggen).

En daar, in die hiervoor aangeduide epische polyfonie, zat meteen het interessante: we leerden elkaar (beter) kennen als betreders van dit betrekkelijk spoorloze terrein, en we leerden dat de invalshoeken op dat ene gebied heel uiteenlopend kunnen zijn. Hans had met en bij dezen zijn workshop op poten, Odile Heynders en Heilna du Plooy zijn met een andere bezig, net als Dietlinde Willockx en ik; alles in uiteenlopende stadia, vanzelf.

Daardoor - wederom: wegens die hiervoor aangeduide epische polyfonie - ging het dan ook over, onder meer en anderen, Zwagerman, Nolens, Van Dixhoorn, Gorter en Anker. Ha, ik hoop dat de studenten het ook zo leuk vonden; ik kan me voorstellen dat vijf van die min of meer zelfbenoemde epische geleerden voor hen wat veel knuppels in het hoenderhok waren.

Heilna du Plooy had me bij het scheiden van de markt een stapel papieren meegegeven, die ik in de trein te lezen begonnen ben. Goed spul. De laatste zes pagina's van dat nog te publiceren hoofdstuk van een boek had ik gepland te lezen tussen Rotterdam en Utrecht... maar daar stak de prozaïsche werkelijkheid een vrolijk spaakje in het wiel, door me in gesprek te laten raken met een mij tot dan toe onbekende meneer Ben [Nogwat], oud-leraar natuurkunde, die, vanuit de kop van Drenthe met veel bagage op wandeling was geweest in de Randstad, en die al koutend zelfs zo begeesterd was geraakt dat hij zijn bloedeigen dochter aan de telefonische kant schoof, omdat we het, onder veel en veel meer, hadden over Joe Speedboot. De internationale intercity als de trekschuit der 21ste eeuw.

De volgende dag - wat wil zeggen: vandaag - meteen om 09.00 uur weer aan de bak met een college over Marsmans Tempel en kruis. Werkelijk prachtig: iedereen (elke collegiant, om dat woord maar weer eens te gebruiken) droeg uit zijn of haar hoofd het hem of haar toegewezen fragment van die bundel / van dat gedicht voor. Mnemotechiek in praktijk. Heel mooi.