Posts tonen met het label Tempel en kruis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tempel en kruis. Alle posts tonen

woensdag, juni 12, 2024

De man van wien ik dit verhaal vertel

keerde voor kort naar zijn geboorteland;

Altijd gedacht dat de bepaling ‘voor kort’ naar twee kanten uit kon worden gelegd. Enerzijds kan ze doelen op de beperktheid van de periode dat de man in zijn geboorteland terug wilde zijn of beoogde te zijn, dat hij er idealiter maar kort, eventjes zou zijn, en al weer snel de hort op wilde, op reis, op zoek. Niets in de tekst wijst op een terminale ziekte van de hoofdpersoon of iets anders wat zijn verblijf op voorhand slechts van korte duur zou laten zijn, hoe ironisch dit ook mag lijken in het licht van het autobiografisch gehalte van de tekst en Marsmans levensloop, die zich niet verder uitstrekte dan het verschijningsjaar van het gedicht waar de regels uit zijn geciteerd, Tempel en kruis (1940).

Anderzijds kan de bepaling erop wijzen dat de man onlangs, pas, recent, kort geleden terug is gekeerd, waarbij de implicatie wagenwijd openstaat dat zijn terugkeer langdurig of zelfs definitief zou (moeten) zijn. 

De volgende regels van de opening van Tempel en kruis laten beide mogelijkheden open:

’t wordt nu een jaar dat hij zijn intrek nam
boven het vredig makelaarskantoor
dat op den hoek tussen twee grachten ligt
aan ’t plein dat als een zeester in het zand
zijn schachten uitzendt in de mijn de stad.

Het ligt er maar aan wat je onder ‘kort’ verstaat, maar de mogelijkheid van een soort auctoriale ironie is ook aanwezig: de man, die, naar later blijkt, al veel van de (westerse) wereld gezien heeft, zou maar eventjes terugkeren, maar kijk hem nou: hij weet zich al een jaar niet los te maken van die geboortegrond. Iets belangrijkers dan hij had verwacht, houdt hem er vast.

Uit de rest van dit lange gedicht wordt het de lezer wel duidelijk dat deze man terugkeerde omdat hij iets groots wilde gaan verrichten: een grootse terugblik op de lange en bochtige afgelegde weg vastleggen, uitmondend in een diepgaand inzicht in hoe het verder moet gaan zowel met hemzelf als met de wereld of anders wel met alle schrijvers en dichters in die wereld.

Al lezende in Marsmans roman De dood van Angèle Degroux (1933) kwam ik meerdere keren (een variant van) deze bepaling tegen, maar dan in een context waarin geen mogelijkheid voor ambiguïteit is, en alleen de betekenis kort geleden geïntendeerd lijkt te zijn, of alleen een andere. Het servetje waarop ik enkele vindplaatsen noteerde, ben ik kwijt, maar bij herlezing van de roman, vond ik er al snel een terug. In het hoofdstuk ‘De geest zweeft over de wateren....’ denkt Charles de Blécourt terug aan zijn ooit ergens bij iemand verwekte zoon:

Voor vijf jaar had de moeder [van zijn zoon] hem eenmaal geschreven, of hij niet eens over wou komen om den jongen te zien.

Het kan hier niet anders zijn dan dat Charles zich herinnert dat Ann hem vijf jaar geleden schreef om zijn zoon eens op te zoeken; het joch was toen tien, wat wel past bij de speeltuin waarin de ontmoeting in Londen aansluitend plaatsvond.

Verder zoeken in een digitale editie is niet al te moeilijk, maar kost wel tijd. Het woord ‘voor’ komt in deze  roman 266 keer voor, en het schiften op de betreffende bepaling moet met de hand en op het oog. Ik laat het dus bij een uiterst onvolledige verkenning, als het al geen steekproefje heten mag:

1. De nacht had in deze naargeestige straten, waarin het leven al voor jaren gestorven scheen, de benauwde verlatenheid van een droom.

2. langzamerhand ontspon zich tuschen hen een gesprek over hollandsche literatuur waarin Rutgers niet erg goed meer thuis was sinds hij voor twintig jaar het land verlaten en in Parijs zijn landgenooten vermeden had.

3. om de verheugde gezichten der menschen, die tot voor kort nog zoo somber waren geweest

4. Hij had haar voor enkele dagen, toen hij geheel was vastgeloopen in zijn neerslachtigheid, opgebeld en deze afspraak gemaakt

Ook het gebruik met de andere betekenis, gedurende, is eenduidig:

5. wanneer een boek hem soms boeide vergat hij voor korten tijd dat in zijn vreemd mismaakt lichaam zijn hart lag te wachten op zijn dood.

6. Hij vermoedde wel dat de vrouw als hij weg was voor enkele oogenblikken de ramen open zou zetten om wat lucht en daglicht naar binnen te laten , maar als hij terug kwam was alles weer dicht.

Me dunkt dat de dichter Marsman de ironische betekenismogelijkheid van zijn formulering in Tempel en kruis maar beter had moeten proberen uit te sluiten; de tekst is er te ernstig en serieus voor. Maar het kan ook zijn dat hij zich niet bewust was van deze duidingsmogelijkheid c.q. dat hij gewend was geraakt aan zijn eigen gebruik deze dus idiosyncratisch te noemen formulering en dat hij er geen nuance meer in hoorde.


In ‘de’ literatuurgeschiedenis,* om het daar ook nog even over te hebben, is Marsman geen onbekende. Zie hier wat ik thuis op handboekpapier over hem vond.

Van Bork en Laan (red., 1986) noemen Marsman op twaalf bladzijden, maar niet om zijn proza.

Ruiter & Smulders (1996) bespreken, citeren, belichten, gebruiken Marsman negentien maal volgens hun register (dat is even veel als Jacques Maritain). Hij komt onder meer eenmaal voor in de tekst als ‘van oorsprong hervormde vitalist’, een unieke typering van deze dichter, maar weer geen enkele keer als romancier.

Anbeek (1990/1999) heeft voor Marsman negentien plekjes in zijn handboek gereserveerd, afgaande op het register, waarvan zes met een referentie aan zijn debuut Verzen, waaraan zelfs een hele paragraaf van anderhalve bladzijde is gewijd, volgend op een paragraaf van tweeëneenhalve bladzijdes over ‘Marsman in De vrije bladen’. Over zijn creatieve proza geen syllabe.

In Rock e.a. (red., 2013) komt de naam van Marsman maar één enkele keer voor en dat is in een oplepeling van het soort vragen dat in het literatuur-analytische handboek Literair mechaniek aan literatuur wordt gesteld. Met eenvoudige literatuurgeschiedenis, zoals ik die hier begrijp, heeft dat niets te maken.

Vaessens (2013) noemt Marsman op acht bladzijden (de twee verwijzingen naar de ‘Noten’ genoemde bronnenlijst van citaten tel ik niet mee). Hij wordt niet alleen als dichter, maar ook als essayist annex tijdschriftleider en literaire bentgenoot van anderen genoemd. Over zijn proza geen lettergreep.

Bel (2015) loopt, zoals wel vaker, gigantisch uit de maat met 78 (achtenzeventig) bladzijden waarop Marsman volgens het register ter sprake komt; gelukkig staat apart weergegeven welke teksten daarbij aan de orde komen, en dat zijn Critisch proza, Penthesileia, Tempel en kruis, Verzen en (met Vestdijk) Heden ik, morgen gij. Over die laatste tekst meldt Bel weinig meer dan dat Vestdijk en Marsman die gezamenlijk schreven, dus ik overdrijf niet als ik zeg dat ook zij geen literair-historische iota wijdt aan het literaire proza van Marsman.

Vergeten is Marsman als dichter, smaakmaker, criticus, tijdschrift-bobo, (mede)spin in het literaire web niet. Dat hij ook proza produceerde, wordt door de literatuurgeschiedschrijvers collectief genegeerd. Jammer, want naar mijn idee is De dood van Angèle Degroux beter, meer intrigerend dan menig criticus destijds van oordeel was. Maar wellicht zet een geschiedschrijver van de literatuur zijn of haar of diens koers toch ook uit op basis van de contemporaine kritiek.


*Om misverstand te voorkomen: ik zoek deze auteur alleen op in de handboeken literatuurgeschiedenis die hier thuis nog fysiek, analoog, materieel achter mijn rug staan, zijnde de resterende handboeken die ik in mijn werkzame leven gebruikt heb bij het (voorbereiden van) onderwijs in de geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur aan eerste- en tweedejaars studenten Nederlands aan de UU. Ik weet dat er veel meer naslagwerken zijn, maar dit is wat mij nu, in otium, rest van de bronnen waarmee ik, met mijn collegae, geprobeerd heb studenten te verlichten. Lodewick, daar hadden we het vroeger ook mee geprobeerd, en Knuvelder niet te vergeten, dat was zelfs mijn (vierdelige) studiehandboek nog, maar, geloof het of niet, die hebben de weg naar de ondergrondse papiercontainer goed weten te vinden, met een doffe plof, bij mijn verhuizing van de bisschopsstad naar het heerlijke, hoger gelegen Arnhem. Schenkeveld-van der Dussen (red., 1993) is gespaard maar elders gebleven.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

donderdag, april 13, 2023

Het edele handwerk - II

In een grijs verleden plaatste ik op Textualscholarship.nl een hulpvraag in verband met de collatie van eerste druk(ken) van Marsmans Tempel en kruis (1940). Het plan om daar 'iets' mee te doen, is destijds wel in de steigers en grondverf gezet maar daarna langzaam doch definitief in duigen gevallen. Het vak evalueerde en de aandacht voor de (drager en de staat van de) tekst verdween naar de achtergrond, net als die voor (historisch-kritische) edities en misschien ook wel de editiewetenschap als subdiscipline van de neerlandistiek.

Beter laat dan nooit is er nu toch een reactie op mijn oproep gekomen, de eerste in vele jaren, en nog wel een uit doorgaans betrouwbare bron, namelijk: de eigen maniakale koker. Crowd editing is nooit tot volle wasdom gekomen, althans niet naar aanleiding van mijn bezielende hulpvraag.

Bij mijn afscheid van de Universiteit Utrecht ontving ik van oud-studente JoJanneke van der Kaa een exemplaar van de eerste druk van Tempel en kruis (we analyseerden het werk in de cursus Literaire teksten). Dit onverwachte en zeer welkome geschenk ziet er anders uit dan het andere gebonden exemplaar ik al bezat. Het heeft (eveneens) geen stofomslag (meer), maar is gehuld in een slap licht-oranje-bruin linnen kaft, vergelijkbaar met de gebonden exemplaren van de officiële tweede (1940) en derde druk (1941) in mijn collectie (het mooiste vind ik overigens een gebonden derde druk met een zwarte linnen band en een wit papieren stofomslag).

Met dit tweede exemplaar van de gebonden oplage van de eerste druk op het bureau kan ik eindelijk aan mijn eigen verzoek voldoen en een identificatie ondernemen om te zien of dit exemplaar inderdaad behoort tot de echte eerste druk of dat het meer lijkt het op de niet-officiële tweede 'eerste' druk die ik meen te kunnen onderscheiden op basis van druk- en zetfeilen. Ik hoef niet mijn waslijst met kenmerken van de echte eerste druk hier niet over te nemen van mijn historische oproep op Textualscholarship.nl. Het resultaat van de autopsie is duidelijk: dit is zonder enige twijfel geen exemplaar van de echte eerste maar van de tweede 'eerste' druk, beter gezegd: van de gecorrigeerde eerste druk. De eerste eerste druk van Tempel en kruis is en blijft een zeldzaam exemplaar in mijn verzameling. De tweede 'eerste' druk, de tweede en de derde 'druk', of ze nou gebonden zijn of ingenaaid, lijken allemaal van hetzelfde zetsel getrokken te zijn.


zaterdag, oktober 30, 2021

Fré Cohen

Toen deze eeuw nog in de luiers lag, probeerden we bij de opleiding Nederlands van de Universiteit Utrecht eerstejaars-studenten het edele handwerk van de literaire analyse bij te brengen in de cursus Literaire Teksten aan de hand van H. Marsmans Tempel en kruis (1940), een episch gedicht waarmee je tekstkenmerken kan demonstreren van zowel epiek als lyriek. Hoogtepunt van de cursus was de laatste bijeenkomst waarin alle LI onderdelen van de tekst (romeinse cijfers behoorden tot de struikelblokken in de meta-literaire communicatie in de collegezaal) uit het hoofd werd voorgedragen door de studenten, waarbij de docent de opmaat gaf (als ze over honderd jaar mijn resten opgraven en mijn kop opensnijden, zullen ze er nog hele stukken van het openingsgedicht in aantreffen); iedere student was gedurende heel de cursus verantwoordelijk voor een onderdeel van het geheel, ook bij de recitatie.

Een van mijn collega-docenten was toen de huidige hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde in Nijmegen, Jos Joosten. We smeedden een plan om toch maar eens een moderne, geannoteerde leeseditie te maken van deze zowel literair- als cultuur-historisch bijzonder interessante tekst. We hebben dat ijzer niet gesmeed, ook niet toen het nog roodgloeiend was, maar wel hebben we een basistekst geselecteerd en tekstkritisch bewerkt. Daartoe, en om de druk- en publicatiegeschiedenis op te kunnen stellen, hebben we zo veel mogelijk verschillende uitgaven van het boekje verzameld en gecollationeerd; daarbij bleken er interessante verschillen in tekst en opmaak te bestaan tussen onder meer de hardback- en de paperback-uitgave van alleen al de eerste druk.

Constante factor van die eerste druk was en is het uiterst sobere maar daardoor des meer indruk wekkende (stof)omslag. Het lijkt de perfecte illustratie van bijvoorbeeld het begin van de tweede strofe van het eerste gedicht (p. 8 van de eerste druk in paperback):


De kamer waar hij werkt is als een cel.

geen schilderij, geen bloemen, geen portret.

niets dat verteedring of herinnering wekt

aan dood of liefde; de wanden naakt en licht,

de ruimte leeg, en in de ramen stijgt

het jong en blauw profiel der dageraad

waarin de sporen van den nacht vergaan.

een ijl vertrek, een absoluut wit nu,

door niets gevlekt dan door 't verweerd papier,

het palimpsest van het gemeene leven,

dat hij ontraadslen moet en lezen als gedicht;

een stilte, vol van de insectenplaag

van zijn gedachten –


De ontwerpster van dat omslag kende ik nog niet; door de aanzet tot editie al snel wel; daarna weinig meer over gelezen. Maar laat me vandaag de Volkskrant openslaan waarin Erik van den Berg (Boeken en wetenschap, p. 80) stelt dat het tijd is voor een blijvend eerbetoon aan Fré Cohen. Bij zijn artikel staan foto's van haar mooie werk. Deze zou ik er graag nog bij zien:



 

dinsdag, september 28, 2010

Hulpvraag

Wie heeft er een exemplaar van de gebonden versie van de eerste druk van H. Marsmans bundellange gedicht Tempel en kruis (Querido, Amsterdam 1940)?

Die zou mij kunnen helpen.

Zie in geval van bereidheid daartoe mijn oproep onder de titel 'Het edele handwerk' in de rubriek 'Werk in uitvoering' op het Platform teksteditie.

donderdag, april 08, 2010

Ongeremd associëren

Marsman 1924; foto geleend van de KB-siteDat kan goed op de fiets, zeker op mijn fiets, de staat der trommelremmen in aanmerking genomen. Opeens een opwelling van ouderwets ergocentrisch contamineren. Flarden lectuur dwarrelen dooreen. Eenmaal thuisgekomen kan het naslaan beginnen. Waarvan akte.

Uit Marsmans Tempel en kruis:
De kamer waar hij werkt is als een cel.
geen schilderij, geen bloemen, geen portret.
niets dat verteedring of herinnering wekt
aan dood of liefde; de wanden naakt en licht,
de ruimte leeg, en in de ramen stijgt
het jong en blauw profiel der dageraad
waarin de sporen van den nacht vergaan.
een ijl vertrek, een absoluut wit nu,
door niets gevlekt dan door 't verweerd papier,
het palimpsest van het gemene leven,
dat hij ontraadslen moet en lezen als gedicht;
een stilte, vol van de insectenplaag
van zijn gedachten --

Uit Niels Bokhove's Awaters spoor (p. 15-16):
In het najaar van 1932 ging hij in Utrecht Nederlands, en dan vooral taalkunde, studeren bij professor De Vooys.

De eerste tijd bleef hij in Amsterdam wonen [...] Josine [van Dam van Isselt] had in de herfst van 1932 haar Amsterdamse woning verruild voor een huis aan de Van Asch van Wijckskade 1 bis [...]. Een jaar later al nam Nijhoff een tweede stap: ook hij verhuisde naar Utrecht, naar Oosterstraat 9 [...]

Nijhoff 1924; foto geleend van de KB-siteLater zou hij deze overgang in zijn leven als volgt beschrijven [in 'Over eigen werk']: 'Ik voor mij koos mijn weg. Ik koos taalstudie. Ik verhuisde naar een andere stad, waar ik geen sentimentele relaties had, waar niet op elke hoek een herinnering stond, die mij deed leven in de verloren tijd, en ik betrok een volkswoning, waarvan ik de muren wit liet schilderen en waar ik alleen het hoognodige huisraad had.'
En verderop (p. 58):
een bovenwoning. Hij zou er blijven tot medio september 1934. Op dit adres schreef hij het grootste deel van 'Awater' [...]
Conform Marsmans man, zou ik zeggen, die immers 'zijn intrek nam / boven het vredig makelaarskantoor' (en ook Achterberg woonde in die tijd op kamers in een bovenwoning, maar dat is ter zijde van de hoofdlijn van deze associatie).

Volgens Cola Debrot wilde Nijhoff in zijn lange gedicht 'uitdrukking geven aan de dichterlijke wedergeboorte, dus niet alleen de geestelijke bewustwording, van de moderne mens; hij wil mens zijn onder de mensen.' (idem, p. 88) Dat klinkt de Tempel en kruislezer bekend in de oren. Net als Nijhoffs gedachte dat hij een dichter in crisistijd was.

Dat er kennelijk toch een schilderijtje aan de muur hing op de Oosterstraat, een schilderijtje van Enrico Prampolini (idem, p. 59) laat ik hier pour besoin de la causerie eventjes buiten beschouwing, om te kunnen eindigen met de overweging: zou Marsman zijn man, over wien hij zijn verhaal vertelde, niet minstens voor een deel gemodelleerd hebben naar Martinus Nijhoff, de dichter van 'Awater'?

donderdag, oktober 30, 2008

Epische poëzie

Telefo(t)onplaatje d.d. 29-10-2009Dat was een mooi initiatief van Hans Vandevoorde: hij, aan de VU Brussel doende met een college over epische poëzie na 1945, nodigde een paar soortgenoten uit om een workshop te doen binnen zijn college: Odile Heynders (Tilburg) - die Heilna du Plooy (Potchefstroom) introduceerde -, Dietlinde Willockx (Antwerpen), en mijn persoontje (Utrecht): allen van de species letterkundige, subgroep: op de ene of de andere manier, met de ene en de andere invalshoek bezig met wat je epische, of verhalende, of lange gedichten zou kunnen noemen, of het narratieve aspect van poëzie. Een beter kippenhok kan je je niet wensen (inhoudelijk gezien dan; die campus daar aan de Pleinlaan/Rue de la plaine dat is me er een) (alhoewel: mooie herinnering eraan: bezoek ter gelegenheid van de promotie van Sven Vitse; een openbaring om die daar hoogstprofessioneel te zien opereren in zijn oorspronkelijke biotoop, als ik dat zo mag zeggen).

En daar, in die hiervoor aangeduide epische polyfonie, zat meteen het interessante: we leerden elkaar (beter) kennen als betreders van dit betrekkelijk spoorloze terrein, en we leerden dat de invalshoeken op dat ene gebied heel uiteenlopend kunnen zijn. Hans had met en bij dezen zijn workshop op poten, Odile Heynders en Heilna du Plooy zijn met een andere bezig, net als Dietlinde Willockx en ik; alles in uiteenlopende stadia, vanzelf.

Daardoor - wederom: wegens die hiervoor aangeduide epische polyfonie - ging het dan ook over, onder meer en anderen, Zwagerman, Nolens, Van Dixhoorn, Gorter en Anker. Ha, ik hoop dat de studenten het ook zo leuk vonden; ik kan me voorstellen dat vijf van die min of meer zelfbenoemde epische geleerden voor hen wat veel knuppels in het hoenderhok waren.

Heilna du Plooy had me bij het scheiden van de markt een stapel papieren meegegeven, die ik in de trein te lezen begonnen ben. Goed spul. De laatste zes pagina's van dat nog te publiceren hoofdstuk van een boek had ik gepland te lezen tussen Rotterdam en Utrecht... maar daar stak de prozaïsche werkelijkheid een vrolijk spaakje in het wiel, door me in gesprek te laten raken met een mij tot dan toe onbekende meneer Ben [Nogwat], oud-leraar natuurkunde, die, vanuit de kop van Drenthe met veel bagage op wandeling was geweest in de Randstad, en die al koutend zelfs zo begeesterd was geraakt dat hij zijn bloedeigen dochter aan de telefonische kant schoof, omdat we het, onder veel en veel meer, hadden over Joe Speedboot. De internationale intercity als de trekschuit der 21ste eeuw.

De volgende dag - wat wil zeggen: vandaag - meteen om 09.00 uur weer aan de bak met een college over Marsmans Tempel en kruis. Werkelijk prachtig: iedereen (elke collegiant, om dat woord maar weer eens te gebruiken) droeg uit zijn of haar hoofd het hem of haar toegewezen fragment van die bundel / van dat gedicht voor. Mnemotechiek in praktijk. Heel mooi.

vrijdag, oktober 17, 2008

Zwaluw-editie

Blijverrast was ik toen ik het pakje openmaakte, mij - tegen (overigens zeer billijke) betaling natuurlijk - toegezonden door een collega-boekwinkeliertje.nl. Want eerlijk gezegd vond ik de naam van de mij onbekende uitgeverij niet bepaald opwekkend: Keizerskroon. De bollen, hoe vorstelijk de bloemen die daaruit groeien ook ogen, stinken nog erger dan doerians. En de titel van het boek, Tempel en kruis en andere gedichten , vond ik niet bepaald opwindend; eerder vreesaanjagend duf; plus dat ik die andere gedichten niet hoef; die heb ik al, in Verzameld werk en in Verzamelde gedichten. Daar staat Tempel en kruis ook in, dat weet ik, maar daarvan wil ik er, naast de acht exemplaren die ik al heb (eerste tot en met derde druk, gebonden of ingenaaid, met of zonder stofomslag), nog wel een bij.

En zie nu toch eens: 100 bij 150 millimetertjes meet dit piepkleine kleinoodje. Het is twee millimeter dik, dun dus, en bevat toch maar liefst tachtig bladzijden: eersteklas bijbelpapier! Met een voorwoordje van (de weduwe mevrouw) R. Marsman.

Het gaat hier om het eerste deeltje van de reeks Zwaluw-editie (waarin verder verschenen Avonturiers van Arthur van Schendel, Het wentelende wiel; Indische ervaringen van W.S.B. van Assen en het puzzleboekje O...ja!!!; zes andere deeltjes stonden al in het vooruitzicht). PiCarta dateert het uitgaafje op [1947].

'De Zwaluw-editie', zo staat aan de binnenzij van het voorplat, 'is bedoeld voor Nederlanders buiten de grenzen en verder voor eenieder, waar ook ter wereld, die contact met de Nederlandse cultuur op prijs stelt.'

En wat nu zo aardig is: aan het voorplat zit een flapje dat je op het achterplat kan plakken, en waarop een plekje voor een postzegel zit ('Indië: 2 ct. Overig buitenland: 4 ct.'). Op het achterplat staan verzendinstructies en adresruimte gedrukt. Waarmee het voortreffelijke papier verklaard is. Aan het achterplat zit ook een afscheurbaar retourkaartje ('Frankering als Briefkaart'), want:

Geachte Lezer
De uitgever heeft getracht, door deze uitgave het contact tussen U en Nederland te bevorderen. Hij verneemt gaarne uw oordeel.
Laat Uw advies voor verdere uitgaven aan anderen ten goede komen. Schrijf Uw bemerkingen op deze strook en zend deze ongefrankeerd terug.

(staat er daarom 'Frankering' en niet 'Frankeren' aan de andere zijde?). Oneerbiedig uitgevouwen ziet een en ander er aldus uit:



Om nog even uit te laten komen, wat een klein ding het is, hier de eerste druk van Tempel en kruis (ingenaaid, 135 x 215 mm, met 86 bladzijden maar liefst tien milimeter dik) en dit zwaluwtje naast elkaar (klikken op de plaatjes doet ze vergroten).

dinsdag, augustus 26, 2008

Hendrik Marsman, The Zodiac

Bron: Adriaan J. Barnouw (ed.) Coming After. An Anthology of Poetry from The Low Countries. New Brunswick, 1948: 273 (blijkens een aantekening: Reprinted from the spring, 1947, issue of the Sewanee Review).

The Zodiac

I

The man of whom I tell this narrative
Returned, some time ago, to his native land.
He has since lived, for nearly a full yaer,
Over the peaceful broker's offices
Which, at the corner between two canals,
Front on the square that, starfish-shaped, ejects
Its corridors into the city's mine.
To the right his window sees the shrinking line
Of narrow bridges building an approach
To feudal doors - a row of mansions
Whose cellars stand in water masonried,
On the left the skimming searchlight of its glance
Touches the tops of trees that rooted stand
Deep in the sagging quays of the canal.
The square lies, like an empty crater bowl,
Amid the agonized obscurity
Of the dead city's hellish neon light.

zondag, augustus 17, 2008

H. Marsman, Tempel en kruis

Niet een erg mooi plaatje; sorry Een poging tot vertaling van de eerste passage, geconcipieerd tijdens een vakantie in East Anglia, augustus 2008.

Hoe ik ertoe gekomen ben te proberen de openingspassage van Tempel en kruis te vertalen, weet ik niet precies meer. Het was in Ringstead. Misschien doordat ik probeerde het begin van The Waste Land te memoriseren en te kalligraferen, maar daarmee vastliep, en door-associeerde naar een minstens evenzeer fascinerend stuk epische poëzie, dat beter in mijn hoofd zit; en dat dan in combinatie met de tijdens de vakantie wassende aandacht en waardering voor de Engelse taal, zeker zoals die in het land van herkomst gebezigd wordt door de local guys, want - mind you - ik heb niet de pretentie werkelijk zelfs maar het begin van een goede vertaling te kunnen leveren; maar het proberen-te-vertalen is een plezierige manier om opnieuw naar een tekst te luisteren.

Eerlijk gezegd wist ik daar in het perfide Albion vertoevend niet eens of de tekst al is vertaald; en internet was er daar op het Norfolkse vakantieadres gelukkig niet; zo min als een goed woordenboek.


Zodiac

I

The man who's story I am about to tell
has revisited his land of birth for short;
today it is a year ago he's put up
the flat above the peaceful broker's office
located at the corner of two canals
at the square that like a starfish in the sand
radiates its shafts into the city mine.
on the right his window sees the shrinking rank
of narrow bridges making the connection
with feudal portals - a row of houses
each which its cellar standing in the water -,
on the left the skimming searchlight of his eyes
touches the tops of the trees that are rooted
in the sinking wharfs of the canal;
and like an empty crater the square lies
spread out in the agonizing darkness
of the infernal dead city neonlights.


Eenmaal thuis, maar nog binnen vakantietijd, zie ik dit: 'H. Marsman, The Zodiac (De dierenriem uit: 'Tempel en Kruis, vertaald door Adriaan Jacob Barnouw)' (bron: http://www.schrijversinfo.nl/marsmanh.html). En er is zelfs dit: Romy Heylen, Dierenriem triptiek: vergelijkende studie van Hendrik Marsman: "De Dierenriem", vertaald door Adriaan J. Barnouw, en James Dickey: "The zodiac" (1981) (bron: Picarta). Die confrontatie moet ik dan maar eens aangaan. Ooit.