van de verjaardag van Albert Verwey (15 mei 1865 - 8 maart 1937) en om de goede voortgang te vieren van het project Correspondentie Albert Verwey 1880-1895 heeft Annemarie Kets afgelopen vrijdagmiddag een partijtje georganiseerd in het Allard Pierson Museum en de Bibliotheek Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam aan de Oude Turfmarkt. Een leuk initiatief, omdat al degenen die op welke wijze dan ook medewerk(t)en aan dat project en/of gebruik maken van de resultaten (onder anderen Madelon de Keizer, die een nieuwe biografie van Verwey schrijft), in principe veelal in barre eenzaamheid van achter zijn/haar eigen computer met de brieven van en aan Verwey werkt in het digitale tekstlaboratorium e-Laborate; nu kon iedereen al die anderen (weer) eens in het echt zien en spreken en gedachten en inzichten in vivo uitwisselen.
Bart Slijper vertelde over zijn Kloosbiografie (in-wording), met bijzondere aandacht voor de relatie tussen Kloos en Verwey. Vervolgens leidde Klaas van der Hoek, conservator handschriften van de Universiteitsbibliotheek, de gasten rond door de koele bibliotheekmagazijnen en liet tal van originele documenten en boeken met opdrachten van Verwey zien en twee van zijn copyboeken, plus (weer eens iets anders dan de fez van Perk en de sigarenpeuk van Kloos in het Letterkundig Museum) een bureaulamp en een vulpen van Verwey.
Zoals past bij een verjaardagsfeestje was er ook aandacht voor vloeibare parafernalia en minder verheven kout.
Beetje bij beetje, om niet te zeggen: stap voor stap begint het me te dagen. Of: Little by little, zoals Dusty Springfield zong, en Day by day zoals The Fifth Dimension het kweelde (wat weer wat anders is dan Day after day volgens Badfinger). Sommige stijlfiguren hebben geen naam, misschien omdat ze te gewoon zijn? Ik bedoel de koppeling substantief aan substantief door middel van een voorzetsel om iets te zeggen wat ook met één woord zou kunnen. Vroeger was er een vervelende reclame voor een Enka-zeem, die deed z'n werk maand na maand, oftewel: lang.
Dat moge zo zijn, maar 'Two's a company, three's a crowd', en met oogkleppen lezend door Kloos' Okeanos (Verzen-versie zoals in Okeanos-fragmenten-editie) las ik er vier:
[1-3] Een donkre rotsen-regen, blok bij blok, Vloog door de wijde lucht, in logge dwarr'ling Neer-ploffend voor Zeus' voet, en waar 't gebergte Zijn harde hellingen in de' afgrond zond, Bonsden zij op en neer met doffen dreun Van diep in diep tot de ongepeilde krochten, Waar nooit een straal van 't godlijk licht in drong, Dat de echoo's eindeloos op rots en wand Weer-dondrend rilden door Olympos' romp, Van schicht op schicht, en klimmend tot de kammen, Zeus' eeuwgen zetel op zijn grondvest schokten.
en
[4] En nam hem norsch, met half-gewend gelaat, Den beker uit de handen, snel en ruw, En liet hem vallen met een heldren slag Op 't voetstuk van haar zetel, goud op goud
Ik keek bij Kloos, omdat ik er eerder bij Verwey maar liefst zeven had gelezen in zijn Persephone (Verhalende gedichten (1905) (ook te zien in de DBNL-versie van Oorspronkelijk dichtwerk deel 1, 1938, maar pas op met downloaden: reuzegroot document!, dus maar beter de Nieuwe gids-versie, dat scheelt niet veel):
[1] Waar wijlde zij, toen Hyperions lach Van berg tot bergen vloog - Persephoneia!
[2] Tot al de ontwaakte zangers uit hun nestjes, De veêrtjes schuddend ritselden in 't loof, Onzichtbaar fladd'rende van takje op takje
[3] Zóó was 't jaar aan jaar
[4] En immer groeide er een verward gedruisch, Van waar zich waterval op waterval Onzichtbaar tusschen rotsen nederwierp
[5] Zoo liepen zij vast nader, drom bij drom, En wierpen zwijgend de armen op de lucht
[6] En als 't geluid, dat in een afgrond loeit, Waar 't water immer valt van kloof in kloof, Holden haar woorden hortende in den nacht
[7] Dan zal ik schudden aan uw oud gewelf Dat de aarde in puin ineenstort op uw hoofd; En stutten 't al uw zonen, zuil aan zuil, Zij, die God Kronos bonsden van zijn troon, Zij zouden allen vallen, [...]
En inderdaad, ik was daar gaan zoeken, omdat ik eerder keer op keer, om precies te zijn tien keer, gestruikeld was over deze figuur in Keats Hyperion (waarvan wel gezegd wordt dat het de inspirerende bron was van Verwey's tekst en die van Kloos, waarvan de onderlinge inspiratierelatie weer onderwerp is van veel rivaliserend, quasi-Olympisch gekibbel):
[1-2] Forest on forest hung about his head Like cloud on cloud.
[3] He pac’d away the pleasant hours of ease With stride colossal, on from hall to hall
[4] Even now, while Saturn, rous’d from icy trance, Went step for step with Thea through the woods
[5] And now, from forth the gloom their plumes immense Rose, one by one, till all outspreaded were
[6-7] Crag jutting forth to crag, and rocks that seem’d Ever as if just rising from a sleep, Forehead to forehead held their monstrous horns
[8] Each family of rapturous hurried notes, That fell, one after one, yet all at once
[9-10] Not thunderbolt on thunderbolt, till all That rebel Jove’s whole armoury were spent Not world on world upon these shoulders piled
Maar echt leuk werd het pas bij de vertaling van Hyperion door W.W. van Lennep (1879; geen digitale versie beschikbaar). Van Lennep vertaalde ze niet alleen alle tien,
Woud boven woud Als wolk op wolk van hooge zaal in zaal stap voor stap één voor één Vloog top er tegen top rots hield aan rots/Haar reuzenhoornen dreigend aangeklemd één voor één Geen donderkeil op donderkeil geen wereld, opgetast/Op wereld
maar hij voegde er eigenmachtig nog zeven aan toe ook:
[1] [...] die, van heilgen top bij top, In blauwen adem golfden hem ter eer
waar Keats volstond met
[...] breath'd aloft from sacred hills
[2] dag bij dag < Each day
[3] keer op keer < ever and anon
[4] En, blinkend [...] rees pluim bij pluim
waar Keats schreef
from forth the gloom their plumes immense/Rose
[5] Zoo verrijst/Druïdensteen bij steen, in steilen kring
als vertaling van
like a dismal cirque/Of Druid stones
[6] Elk zat als in zijn doodswâ; woord noch blik Gaf buur aan buur, noch wenk van hoofd of hand
was in het Engels
Each one kept shroud, nor to his neighbour gave Or word, or look, or action of despair
[7] [...] wen in de effen wei Ik bloem, na bloem, zag beuren 't zachte hoofd
tot slot als overzetting van
[...] I have [...] seen the flowers Lift up their heads
In de hierboven aangehaalde songs wordt met deze Enkazeemfiguur voorzichtigheid uitgedrukt, en een voortschrijden of een onophoudelijkheid. Die betekenis is ook wel te zien in sommige van de gevallen in de teksten van Kloos en Verwey en Keats, maar overwegend lijkt me bij hen de semantische functie van deze stijlfiguur veeleer dat er geïmponeerd moet worden, dat de suggestie van veel- en groot(s)heid gewekt moet worden; de figuur werkt als semantische botox, misschien niet onverwant aan de hendyadis, tautologie en perifrase; een soort stilistische Dehnung: er wordt niet meer gezegd dan met één kernachtig woord, maar het kost wel meer worden om dat te zeggen. Deze Goden, zo moet bij Kloos en Verwey en Keats duidelijk worden, zijn geen godjes, en al helemaal geen Nesciaanse Titaantjes. Dit zijn Geweldenaren. Want zoals Kloos al schreef in zijn eerste literaire kroniek in De nieuwe gids: 'Een der kenmerken van de nieuwe richting in de poëzie is een vrij sterke neiging naar het epos, het echte, plastische epos, met groote figuren en tragische toestanden, zooals Keats het bij Milton aantrof en Verwey het in Keats gelezen heeft.'
Voor wie het nog niet weet: mijn berichten op Klasse! (Klasse qua boeken) zijn geen algemene, neutrale, laat staan objectieve recensies, maar verslagen van mijn persoonlijke leesactiviteiten.