woensdag, februari 13, 2013

Hatchet Job

Mooi concept (hoe noem je een woord waar het Engels twee woorden voor gebruikt?). The Hatchet Job of the Year prize. Bijzondere prijs. Komt misschien minder hard aan doordat de kwaliteiten van het Engels zo goed uitgebuit worden.

'The Hatchet Job of the Year prize was set up by the Omnivore website to "raise the profile of professional book critics and to promote integrity and wit in literary journalism"', schrijft Alison Flood in The Guardian. Dit jaar gaat de prijs naar 'Camilla Long's comprehensive shredding of Rachel Cusk's memoir of her divorce, Aftermath'.

'Long, in a review for the Sunday Times, takes just over 1,000 words to pull Cusk's memoir to bits, writing the novelist off as "a brittle little dominatrix and peerless narcissist who exploits her husband and her marriage with relish", and who "describes her grief in expert, whinnying detail". En toch: 'a hatchet job isn't necessarily a turnoff.' Intrigerend. Beschaafd kraken.

zaterdag, februari 02, 2013

Dik doen. Of: Size Doesn't Matter?

J.C. Bloem (10 mei 1887 - 10 augustus 1966) was een beetje een slome, als mens, maar ook als dichter. En hij was, denk ik, zo lui als hij groot was. Des niet tegenstaande was hij in concurrentie met zijn veel minder flegmatische, maar juist energetische, gedreven, gepassioneerde, pantheïstisch-zelotische generatie- en geboortejaargenoot P.N van Eyck (1 oktober 1887 – 10 april 1954).

Begin 1912 is Bloem, na enige mentale piekjes, weer eens in een poëto-pragmatisch dalletje verzonken wat betreft de mogelijke verschijning van zijn debuutbundel. Dit blijkt uit zijn epistolaire reactie, d.d. 29 februari 1912, op de recente verschijning van Van Eycks vierde dichtbundel, Uitzichten (1912): "Als ik ooit nog eens een bundel uitgeef, (waar ik hard aan begin te twijfelen) mag ik het wel op vuistdik karton doen als ik jou wil inhalen." (J.C. Bloem, Gedichten. Historisch-kritische uitgave, verzorgd door A.L. Sötemann en H.T.M. van Vliet. Deel 2 / Apparaat en commentaar. Amsterdam-Oxford-New York 1979, p. 95; geraadpleegd via DBNL).

Bloems, inmiddels beroemde, debuut, Het verlangen, verscheen de facto op 12 mei 1921. Numeriek een kleine metathesis qua jaar van eerste publicatie ten opzichte van Van Eyck, maar literair-historisch betekent dat toch een afstand van maar liefst negen jaar. En wat meer is: in die tussentijd had Van Eyck al weer vier nieuwe bundels het licht doen zien. Kortom, ook al is dichtkunst geen wedstrijdje, tenzij in een slam - maar die had je toen nog niet -: bij Jacques' debuut stond het meteen al 9 - 1 voor Van Eyck, bijgenaamd Querculus. Pauvre Flos.

Om redenen die mij niet bekend zijn, kon ik, als NRC-contribuant, dezer dagen het elektrieke equivalent van een nieuwe versie van de, voor de zoveelste maal, verzamelde (lees: integraal herdrukte) gedichten van Anna Equist voor niks en niemendal downloaden. Ik deed dat blindelings, hoewel ik al relatief veel van haar bundels op de plank heb staan, zonder dat ik veel verschil kan zien tussen de ene en de andere; gratis is voor niks, dus pik in, 't is winter. Wat bleek: zo'n zeshonderd bladzijden. Kattengespin.

Het verzameld dichtwerk van Van Eyck (verschenen in de periode 1906-1958, gepubliceerd in deel 1 en 2 van zijn zevendelige Verzameld werk, uitgegeven door Van Oorschot) beslaat 356 + 537 = 898 bladzijden (inclusief alle registers en verantwoordingen); omgerekend een productie van ruim 17 bladzijden per jaar.
Het verzameld dichtwerk van J.C. Bloem (verschenen in de periode 1921-1958) beslaat 272 bladzijden, inclusief verantwoording, bibliografie, register en inhoudsopgave. Grofweg een output van net iets meer dan 9 bladzijden per jaar.

Het verzameld dichtwerk van Enquist (openbaar gemaakt in de periode 1991-2010) omvat (en ik ga af op de info in het e-boek, die lijkt te zijn toegespitst op de papieren versie) 596 bladzijden, inclusief aantekeningen en verantwoording. Ergo bijna 30 bladzijden per jaar.

Waarom dan, vraag ik me af, is dat gedichtenweekgeschenkboekje, dat een mooie voorkant heeft, met z'n schlemielige 14 paginaatjes met 10 gedichtjes van 12 regeltjes gedrukt op dijbeendik etalagekarton waar niet in te bladeren valt, terwijl het Utrechts dichtersgilde, eveneens voor nop maar op eigen initiatief, op de proppen komt met een boek van zestig normale, papieren, doorbladerbare bladzijden vol gevarieerde gedichten?

Handgemaakte inzichten

Wat - vroeg ik me in de trein terug af - maakt dat ik het ene symposium niet en het andere van begin tot eind wel interessant vind? Geen idee, was het antwoord toen ik thuis was. Toch loop ik die samenscholingen echt niet lukraak af. Ik selecteer ze op onderwerp en/of sprekers dan wel contactmogelijkheden, of, in geval van nood, prettige nazit en hoop er het beste van. Maar meestal overweegt hoe dan ook na korte tijd het gapen.

Vandaag, te laat aangekomen door een seinstoring ter hoogte van Duivendrecht, vervolgens benard door een krap stoeltje achterin de zaal, daarenboven na luttel tijds klam door gebrek aan frisse lucht, bleef ik maar vol aandacht luisteren en denken. De sprekers waren niet extreem goed (ho ho, versta me wel: alle waren eenvoudigweg ronduit goed, maar niet extreem, verbluffend, imponerend, gremdatiaal), de powerpoints al helemaal niet (geen enkele Prezi, zouden m'n studenten opmerken). In het onderwerp ben ik niet diep ingevoerd. En toch heb ik alleen maar aandachtig meegedacht tijdens Handgemaakte inzichten, georganiseerd ter gelegenheid van de oratie van Karina van Dalen-Oskam als hoogleraar computationele literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam (zie hier).

Het discours over digitale technieken in de letterkunde was spannend door de grote verschillen tussen - laat ik maar zeggen - kwantitatieven en kwalitatieven, empirici en hermeneutici, bèta's en alfa's, terwijl de wil en mogelijkheid tot wederzijds begrip minstens even groot waren. Dan kan je inderdaad veel interessants opsteken.

Op het station en in de leesbevorderend vertraagde trein richting symposium ('deze seinstoring werd u aangeboden door de NS in samenwerking met de Stichting Lezen'?) las ik Arjan Peters' Kreten uit een urn. Daarin rakelt hij onder meer het vuur op onder het standaardverhaal van de eermalige, zalig verklaarde, analoge criticus die tenminste nog wat voorstelde, de krachtig poortwachtende criticus die schrijvers kon maken of breken. Ter ontluistering van die mythe zegt Peters: 'In de twintig jaar dat ik kritieken schrijf in de Volkskrant heb ik nog niet één keer een schrijver gebroken, ik hoor het me haast me spijt zeggen.' (11)*

Dat lijkt me nog eens een mooie computationeel-kwantitatief-letterkundige casus. Digitaliseer en tag al die heilige Fens-recensies, lepel al de besproken auteurs uit dat kritisch oeuvre, en houd dat schrijverscorpus tegen een felle reputatie-onderscheidende modellichtbak, en kijk dan welke lijken er boven komen drijven en/of welke sterren kunstmatig blijken te hebben geschenen.

Mijn hypothese: nul op het rekest. Moge dat dan eens en voor al duidelijk zijn. Met cijfertjes. Dan zijn we van die fabel af. 4 ever. Probleempje is echter: welke tags brengt wie op welke gronden waar aan, oftewel: waar eindigt nu eindelijk eens die hermeneutische subjectiviteit? En verder: hoe bepaal je eigenlijk of een schrijver gemaakt dan wel gebroken is? Iets abstracter: het werken, zelfs: het beginnen te denken aan het werken met de prachtige mogelijkheden van de computationele letterkunde - en dat die er zijn, wisten alle sprekers tijdens het symposium in weinig tijd duidelijk te schetsen - is wellicht al een productieve, Jaussiaanse provocatie van de hermeneutische letterkunde.

* Ter zijde: merk op dat 'nog' hier geen stilistische stoplap, maar een in schijnbare spreektaal schuilgelegen dreigement is.

zaterdag, januari 12, 2013

Cijfers en letters-II

De krant van gisteren heb ik nog niet uit. Ik druppel even door. In het boekenkatern van de NRC gaat de onheilstijding over het boekenvak voort na de voorpagina en het commentaar. Maar 'onheil' heeft daar meer betrekking op de tijding, de berichtgeving, dan op wat er wordt bericht. Het betreft een stuk onder de titel 'Alles zal anders gaan'. In de ondertitel staat onder meer:

'verkoopaantallen zijn niet meer zo vanzelfsprekend'.

Lees en herlees dat eens op je gemak, en vraag je af wat het betekent, want zo vanzelfsprekend is het niet, nee.

In het artikel schrijft Maria Vlaar:

'Want hoe zouden de cijfers eruit hebben zien [sic] als de E.L. James-euforie níet een paar miljoen nieuwe klanten had gelokt [...]?'

Het gaat in deze krant in één enkele editie, die ik gisteren begon te lezen, van 'tienduizenden' in het commentaar, via 1.369.637 op de voorpagina, naar 'een paar miljoen' lezers van die grijzige tinten in de boekenbijlage. Kwantitatief een climax, kwalitatief en journalistiek bezien, het tegendeel.

En dan zwijg ik beleefd over de constructie van de zin. Het hierboven weggelaten deel luidt: 'en de totale jaaromzet hadden opgekrikt'. De nevenschikking van een enkelvoudig onderwerp ('de E.L. James-euforie') en een meervoudig lijdend voorwerp ('een paar miljoen nieuwe klanten') lijkt me rijp voor een taalkundige evaluatie door good old J.L. Heldring.

vrijdag, januari 11, 2013

Letteren en cijferen

Gaan zelden goed samen.

Eerst de vraag: wat beduidt dit?

Een zin zonder zin. En dat uit de pen van de commentator van de NRC, op 11 januari 2013, op pagina 2.

En dan te bedenken dat er op de voorpagina een foto met een grafiek staat:

664.557 + 381.361 + 323.719 = 1.369.637 (zegge: bijna eenmiljoenvierhonderdduizend). Leg dat maar eens uit als 'tienduizenden lezers'.

Ga ik gemakshalve uit van negen 'tienduizenden lezers' (het commentaar is kwantitatief niet erg sterk, maar tien 'tienduizenden lezers' zouden toch 'honderdduizenden lezers' heten, denk ik), dan hebben - commentaar en grafiek combinerend - volgens de NRC die lezers elk meer dan vijftien (15) exemplaren van die James-boeken gekocht, gemiddeld ieder meer dan vijf (5) exemplaren van elk deel van de serie, terwijl je toch ook in de grafiek kunt zien dat de aandacht voor James per deel minder werd. Van deel twee gingen er 283.196 minder over de toonbank dan van deel 1, en van deel drie weer eens 57.643 exemplaren minder dan van deel twee; een duidelijk geval van voortschrijdend lezersinzicht. Zo gek zijn ze niet, die lezers.

Hoe dan ook is er wel iets heel erg raars aan de hand geweest in de boekhandel in 2012. Of zijn dit onderzoeksgegevens van prof. S. te T.? Waarschijnlijk. Want van Peter Buwalda's Bonita Avenue zijn volgens diezelfde grafiek 100.000 - 200.000' exemplaren verkocht. In het veen, dat zich ver onder de drie kaskrakers bevindt, kijkt men niet meer op een turfje (zelfs Jamie Oliver is meer secuur met z'n maten en gewichten): een marge van 100%. Hoppa!*

Of moet ik die zin uit het commentaar, en vooral het woord 'Met', anders begrijpen: die lezers kochten zo'n grijstint, en tegelijk daarmee ook nog een boek, een echt boek?

*P.S.
Pardon, ik zie nu (14-01-2013) dat deze cijfers rechtstreeks, zonder reflectie ontleend zijn aan de of het CPNB Vreemd blijft het. In de top tien staat dit de lezen:

5 Paulien Cornelisse En dan nog iets Atlas Contact
6 Peter Buwalda Bonita Avenue
De Bezige Bij 7 Esther Verhoef Tegenlicht Anthos
en in de top 100 blijkt dat Cornelisse ex aequo met Buwalda op een postie met 100.000 - 200.000 exemplaren staat en Verhoef op een lagere positie met 75.000 - 100.000 exemplaren. Dat zou kunnen betekenen dat Cornelissen 200.000 exemplaren heeft weten te slijten, Buwalda 99.0000 à 199.000 en Verhoef 75.000 exemplaren. Daar zitten heel wat potentiële writers blocks tussen!

woensdag, december 19, 2012

Voortschrijdend inzicht

Ooit, lang geleden, in oktober 2007, verscheen er in Nederlandse letterkunde (jaargang 10, nr. 3, p. 177-193) een stuk van mijn hand onder de titel 'Nep echt; namaak en literatuur, in het bijzonder in de zaak-Julia'. Daarin probeerde ik woorden te vinden voor mijn verbazing over de verhouding tussen de waardering voor drie teksten: Eene liefde in het Zuiden (1881) van Fiore della Neve, de Mathilde-cyclus uit Perks Gedichten (1882) en Julia, een verhaal van Sicilië (1885) van Guido (oftewel Kloos, Verwey en kompanen).

De teksten zijn respectievelijk te karakteriseren als een in zijn tijd goed ontvangen en in zestien jaar zeswerf herdrukt verhalend gedicht, een niet onmiddellijk juichend ontvangen en pas vijftien jaar later voor het eerst herdrukte verhalende sonnettenreeks die maatgevend kon zijn voor een nieuwe, vooruitstrevende poëzieopvatting, en een mild ontvangen maar als pastiche bedoelde navolging van de eerste tekst, geschreven door liefhebbers van de tweede tekst.

Vanuit 2007 bezien, betoogde ik, denk ik, was het maar moeilijk te begrijpen dat men aan het eind van de negentiende eeuw esthetisch onderscheid kon maken tussen die drie teksten. Onaardig geformuleerd, en grof generaliserend vanuit mijn eigen optiek, zijn die teksten namelijk, voor een eenentwintigste-eeuwer, één pot nat, om niet te zeggen: blubber. Dat zou kunnen blijken uit de poëtische clichés die elk van deze liefdes-poëtische verhalen bevat.

Della Neve noch Perk noch Guido schuwt op weg naar publieke erkenning de platgetreden retorische paden van de vocabulaire wandelgids te begaan: 'hart' (rijmt inderdaad op 'smart'), 'ziel' en 'duizend'. Dat laatste lijkt me een op grensoverschrijdende wijze misbruikte hyperbool; check het zelf even via de DBNL in Perks Gedichten; het gaat van 'kleurenbogen' en 'blijde keren' langs 'bloemen' en 'zielen' en 'oogen' naar 'eeuwen', 'nare droomen' en 'echoos', maar het betekent steeds niets meer dan: 'veel'.

Om die overeenkomst in clichégebruik te staven, was ik daadwerkelijk aan het turven geslagen. En geheel on-hermeneutisch had ik die bevindingen in een tabel weergegeven (zie figuur 1, of pagina 180 van de eerder genoemde publicatie voor het origineel).


Figuur 1: Drie clichés in drie teksten; aantallen in absolute getallen en als percentage van het totaal aantal versregels per tekst. Vooral, om niet te zeggen: alleen, doordat ik momenteel doende ben met het geven van het college Schrijven & Presenteren, kwam ik erachter dat die tabel van mij anno 2007 werkelijk van geen enkele kant deugt. In dat S&P-college is Helder rapporteren van Peter Nederhoed het voorgeschreven handboek (en een van mijn dubbel gebodemde motto's daarvoor is: Wat Nederhoed doet, is goed). En Nederhoed leert: een tabel moet een opschrift hebben en alleen maar horizontale lijnen, en zo voorts (zie Nederhoed, 2011, pp. 159-171).

Dus legde ik (utile dulce) mijn studenten de problematiek voor, en dit (zie figuur 2) is wat ze me, in grove lijnen, adviseerden:


Figuur 2: Het absolute voorkomen van drie als lexicale clichés gedefinieerde woorden in drie historische literaire teksten uitgedrukt als percentage van het totaal aantal versregels per tekst. Over de precieze tekst van het onderschrift (want een grafiek heeft, anders dan een tabel, geen op- maar een onderschrift) moeten we nog een uurtje overleggen, denk ik, want zo eenvoudig is het niet om de do's en don't's van de empirische en de hermeneutische traditie te combineren. Feit blijft (om maar eens een ongefundeerde, maar populair-wetenschappelijke wending te gebruiken) dat de redactie van Nederlandse letterkunde destijds niet minder diep heeft zitten dutten dan ik. De grafiek anno nu is domweg dik duidelijker dan de tabel van destijds.

Grappig is wel dat tabel noch grafiek iets zinnigs te berde brengt. Althans, niet iets zinnigs over de contemporaine smaak. Anders gezegd: vanuit nu zou je op basis van die turfgegevens kunnen zeggen dat de Mathilde veel clichématiger is dan de tekst waar ze tegenover werd gesteld en zelfs dan de tekst, die de tekst waar ze tegenover werd gesteld, beoogde te pasticheren.

Mooi en aardig allemaal, maar al die clichés in Mathilde hebben er niet toe geleid dat de Tachtigers c.s. dachten dat die tekst clichématiger was dan Eene liefde, en zelfs niet dan de als 'bagger' bedoelde Julia. Ergo: het positieve oordeel van die lui over Mathilde en/of hun negatieve oordeel over Eene liefde en het door hen veronderstelde negatieve oordeel over Julia werd door iets anders veroorzaakt dan door het gebruik van (die drie) clichés.

Mijn eermalige interpretatie blijft denk ik wel gerechtvaardigd: 'dat Guido er goed in is geslaagd zijn tekst te laten lijken op wat in zijn tijd literair gangbaar en acceptabel was, althans geaccepteerd werd' (Stolk, 2007, p. 180). Geen voortschrijdend inzicht nog, bij nader inzien, maar voortschrijdende illuminatie.








donderdag, december 13, 2012

Nobody said it was easy

En ik kan het weten: eenendertig fouten in het dictee gisteren (wel heel erg streng geteld, elk streep je bijvoorbeeld, dus was ik extra blij dat ik die twee-onder-een-kapwoningwijk wel goed had). Maar de categorie van verkeerd gevat figuurlijk taalgebruik is vermakelijker dan die van de gewone spelfout (en no-goarea vind ik een fout gespeld woord, trouwens, of, omdat het goed is, afschuwelijk lelijk en ondoorzichtig). Als een schrijver de plank van de beeldspraak mist, krijg je als lezer de kans die misformulering beeldend op te vatten. Zoals eerder in dit sfeertje die Azarenka met heur bakkes vol tennisballen.

Maar nu dan ene Jordan Selburn die - met of zonder hulpmiddelen - verwachtingen een of andere meer of minder weke bodem in slaat of laat slaan. Ik zie dan een bezwete iSupplyer met zo'n ouderwetse kop-van-jutterige kermishamer een stel geconcretiseerde, puntige, hypertrofische verkoopverwachtingen de grond in meppen, net zo lang tot ze ver onder het maaiveld verdwenen zijn. De Amerikaanse marktonderzoeker recht na afloop grimlachend en modderbespat de stropdas. Voer voor striptekenaars.

Van die laatste beroepsgroep zou Onze taal er een in vaste dienst moeten nemen. Voor de lol, want aan de verbale uitleg van hoe een en ander in elkaar steekt, is mijns inziens niets mis.

Dat laatste kan niet van Van Dale gezegd worden. Die schrijft alleen maar: 'de bodem inslaan, vernietigen, verijdelen'. Daar schiet een Jordan Selburn niets mee op.

Of zou toch de Volkskrant-journalist die het stuk schreef over de terugval van de e-readers (13-12-2012, p. 25), verantwoordelijk zijn voor deze bijzondere wending? Kent het Engels wel een dergelijke uitdrukking? Ja, 'to dash', verbrijzelen, vermorzelen. Hmm, doe mij dan toch maar die bodem en dat onzichtbare, niet geheel vrijwillig meewerkende voorwerp, dat vat vol verwachtingen.

donderdag, december 06, 2012

Laus Bibliothecae Praefectum - II

Heden bezocht ik een bijeenkomst - in die fraaie, van buiten donkere, bibliodoos op de Uithof - over academische vaardigheden en wetenschappelijke integriteit, in het kader van de lancering van LibGuides, een stek, een portaal, hoe heet het, over de bronnen van wetenschap, en met tips voor, achtergronden van en training in het zoeken naar en omgaan met wetenschappelijke informatie. Een mond vol, maar de invulling van de bijeenkomst was overzichtelijk. En aangenaam. En die ene naam viel niet één keer, terwijl ik een hele stapel referenties had verwacht juist aan die figuur. Los daarvan sowieso (of moet ik zeggen: überhaupt) goed dat de UB zijn/haar handen uit de mouwen steekt om docenten ter zijde te staan.

Dat (handen uit de mouwen steken) deed ze (de UBU) altijd al, maar ik denk dat er wel iets veranderd is. Vroeger (reikwijdte: onbestemd) staken er uit die mouwen de tastbare handen der concrete bibliothecaris/bibliothecaresse, tegenwoordig zijn het de digitale webtengels van de universitair-bibliothecaire organisatie.

Gelukkigerwijze kwam ik vandaag te zitten naast 'mijn' oer-bibliothecaresse, Bertine Bouwman, thans druk doende met zaken waar ik geen weet van heb (toch wel: ze is vakspecialist Geschiedenis en Cultuur), maar ooit (vorige eeuw) dé bibliothecaresse van het Instituut De Vooys voor Nederlandse taal- en letterkunde: ze wist niet alleen waar alle boeken stonden, dacht ik toen ik studeerde, maar ook feilloos wat erin stond.

Nu, ouder, wijzer, droever, naast haar gezeten sprak ik - af en toe dwars door de officiële sprekers heen - met haar over allerlei ontwikkelingen, en in die context signaleerde zij het volgende. Opleidingen verdwijnen, geleerden vergaan, instituten worden departementen en ontdaan van hun naam; wat eerst kortweg 'De Vooys' was, werd Nederlandse taal en cultuur, en gaat dra op in het Departement Talen en communicatie. Maar de materie, de stenen, de universitaire gebouwen, die krijgen namen; (Trans II heet nu het (Willem C.) Van Unnikgebouw, om maar iets te noemen. Vooralsnog is het een Uithofeigenaardigheidje, die naamgeving, want het gedeelte van (bijna voorheen) Departement Nederlands waartoe ik behoor, heeft geen naam en als adres Trans 10, terwijl het in werkelijkheid ligt aan het Domplein, alwaar we werken aan de grenzen van het weten.

Omdat deze tekst toch al een structuur heeft die ik mijn studenten verbied toe te passen, sluit ik af met de suggestie om - zeker voor neerlandici - die Libguides om te dopen tot: Bibgids.

donderdag, november 22, 2012

Letterlijk

Heel intrigerend vind ik het gebruik van 'letterlijk' bij uitdrukkingen die uiterst metaforisch zijn. Ik signaleerde eerder een krantenbericht dat er een voorbeeld van biedt: 'Serena Williams [...] snoerde Victoria Azarenka met [...] 24 aces letterlijk de mond.'

Vandaag zag ik deze tekstfiguur in een fb-bericht van de doorgaans toch taalvaardige Fleur Speet, die de Anna Bijns-Prijsuitreiking aankondigt. Die prijs gaat naar Minke Douwesz' roman Weg, volgens Speet een 'meesterlijk zenuwslopende roman [...](die inderdaad nog letterlijk in mijn hoofd gegrift staat [...]).'

Ik hoop, voor Fleurs welzijn, dat dit absoluut niet letterlijk het geval is. En ook voor mijn eigen welzijn is het beter. Want net als van dat volgepropte bakhuis van Azarenka, ga ik me, bij mijn recente lectuur, onwillekeurig voorstellingen maken, in concreto van de door Douwesz diep bekraste hersenkast van Speet.

woensdag, november 21, 2012

Litkritkrit - nanaijlertje

Bij nader inzien gaat dit misschien niet over literatuurkritiek, niet over de echte 'discipline', het vak der recensenten en literatuurbeschouwers, want die kanttekening over die Underwood - die eenvoudigweg klopt - is gemaakt door een zelfbenoemde onzin-twitteraar, iemand immers die zich profileert als 'onafhankelijk belangenbehartiger en niet vies van een mening. Lezer, fietser, vader, ajaxfan, nieuwsgierig, bemoeial, twijfelaar en twitter is onzin'. Geen recensent.

Even zo goed opmerkelijk dat één opmerking over een feitelijke onjuistheid (mij was het ook opgevallen dat, in de e-versie op pagina 144-145 - die schrijfmachine van Abels oer-Hollandsche grootvader, meubelmaker van beroep, misschien geen gekkenpraat mijmert, maar toch minstens voor Hebreeuwse of Arabische teksten ontworpen moet zijn, gezien de context nogal exotisch) dat dus één opmerkinkje een hele roman aan het zicht des uitgevers zou kunnen onttrekken.

Er komt dus een nieuwe druk. Had tot op heden geen advertenties gezien met 'Nu al x exemplaren verkocht!' en 'Nu al x-e druk!!'

Niet om ook de pier aan het zicht te onttrekken, maar aansluitend bij een proces dat kennelijk gaande is, een enkele aanvullende opmerkingen.

In de e-versie heeft op p. 12 'vloer delen' geen afbreekstreepje, net zoals op p. 115-116 in 'Gre goor'.

Op p. 102 staat: '"In het hoge noord'n," zei meneer Houttuyn en hij probeerde de laatste n in te slikken in een poging een noordelijk accent na te bootsen.' Die n slikken ze toch niet in, maar de sjwa ervoor? Zo staat het er ook: 'noord'n', en niet: 'noorde''.

De zin 'Hoe ze gearmd over het strand liepen achter aan de rij kinderen die langs de vloedlijn wandelde.' Ik dacht dat het 'achteraan' moest zijn officieel, en verder zou ik in dit geval voor 'wandelden' kiezen, omdat de kinderen wandelden, niet de rij.

Op p. 339 snap ik een situatie niet: 'Met een klap raakte de dalende spoorboom zijn nek. Hij boog zich nog dieper over zijn stuur en schoot er net onderdoor.' Ik kan het me met geen mogelijkheid voorstellen, hoe iemand eerst met een klap in zijn nek geslagen wordt door een nederdalende spoorboom, en dan nog dieper kan buigen en er toch net onderdoor kan rijden, op de fiets. En 't is nog gevaarlijk ook! Maar met deze opmerking ben ik de grenzen van het rijk der feitelijkheden al verre voorbij.

zondag, november 18, 2012

Bij vlagen hilarisch

Soms vraag ik me af of ik me iets al eerder afvroeg, en jawel hoor, deze keer zelfs tweemaal. Hilarisch! Op 21 september van dit jaar twitterde @FabianStolk: 'Komt de aanprijzing (?) 'hilarisch' in literatuurrecensies of blurb ooit voor zonder het voorafgaande 'bij vlagen'?

En vijf jaar eerder noteerde uw vroolijke hermeneut iets in dezelfde trant: '"bij vlagen hilarische" (zoals dat heet op wanhopige achterplat-teksten van net niet volkomen mislukte (debuut-)romans)'.

Het houdt niet op. Ik zoek er niet naar, maar af en toe komt me zo'n vlaag tegen:

Addendum de dato 20-11-2012

Kijk, kijk, kijk, het kan ook zonder: in een reactie op een grappig vermonteerd filmpje schreef iemand op gezichtsboek: 'hilarisch!
2 uur geleden · Vind ik leuk'

Voor de niet goede verstaander moet erbij aangetekend dat '2 uur geleden · Vind ik leuk' een automatisch gegenereerde standaardtekst is, die de leukvinder zelf, grasduinend in eigen vocabularium, gepimpt heeft tot de ongenuanceerde, niet in vlagen onderverdeelde versie van de kreet die het onderwerp van dit bericht is.

maandag, november 12, 2012

Litkritkrit-naijlertje

Echt waar, ik lees andere kranten, maar afgelopen zondag, nee, niet bij de tandarts maar op de sportschool (waar ik overigens niet aan echte sport doe, maar hooguit aan beweging en spiertjeskracht) blikte ik in De telegraaf en zag en las een column van Kluun. Lees even mee, dat kan via Kluuns webstek, het stuk dat ik bedoel is van 10 november 2012 en heet 'Rare jongens, die recensenten'. Dat trok mijn aandacht, die kop. Al was het maar omdat ik het deels met Kluun eens ben. Deels, want er zijn ook heel veel rare recenserende meisjes. Ja, die komen niet voor in het Romeinse leger waar Aster- en Obelix tegen strijden en aan wie die kop refereert, maar dat wil nog niet zeggen dat zo'n plat wereldbeeld steeds maar via sjablonistische uitspraken gereproduceerd moet worden.

Waarom nu vindt Kluun recensenten raar? Kluun vindt recensenten raar omdat ze niet allemaal integraal hetzelfde oordeel vellen over ieder boek.

Welk een esthetisch wereldbeeld zou er schuilgelegen liggen achter een dergelijke opinie? Een heel plat exemplaar, vermoed ik. Het beeld van een wereld waarin iedereen precies hetzelfde goed dan wel slecht vindt. Het kan er niet in bij Kluun dat een boek door de een goed, door de ander niet goed wordt gevonden. Zou hij dat nou denken omdat hij ervan uitgaat dat een boek intrinsiek goed of slecht is? Dat je een boek dus niet goed of slecht vindt, maar dat het dat is? Zou hij dan ook nooit met iemand over boeken praten? Rare jongen, die Kluun.

Maar niet helemaal, want hij verzamelt 'tegenstrijdige recensies. Het is een prachtige collectie aan het worden met beoordelingen van romans van Ronald Giphart, Joost Zwagerman, Nelleke Noordervliet, Jan Cremer, Kader Abdolah, noem maar op.' Ik ben wel nieuwsgierig naar die verzameling. Prachtig materiaal voor een receptieonderzoek. Fascinerende stof.

Merkwaardig is evenwel de manier waarop Kluun ermee omgaat, want hij zegt erover: 'Ervaren, bekwame recensenten die elkaar volstrekt tegenspreken.' Alsof ervaren, bekwame recensenten elkaar niet tegen mogen spreken. Erger: alsof elkaar tegensprekende recensenten dan ook onervaren en onbekwaam zijn. Dat laatste staat er niet met zo veel woorden, nee, maar het klinkt er wel in door. Kan ook aan mijn oren liggen.

zondag, oktober 28, 2012

Na het zuur...

van het dagelijkse ge-het-feit-dat waar er van geen feiten sprake is, en van het ondoordachte 'meest veelbelovend' en van het ge-dat-komt-omdat en van de docentenlectuur van rare, slecht gevormde dan wel inhoudsloze studententaaluitingen als:

'Over honderd jaar is deze website hopeloos verouderd, mede omdat de auteur dan overleden is'

en:

'als je niet weet waar je naar op zoek bent is het moeilijk te weten waar je moet beginnen'

en:

'een boek wat jou zelf niet heeft kunnen aanspreken'

en:

'Want er zijn ook verschillende andere vormen beschikbaar voor lezers om hen op de hoogte te brengen'

en verder, niet van een student maar van een hooggeleerde, getuigend van een fenomenaal inzicht in de perceptie van een niet-reële mens:

'Het eerste dat een potentiële lezer opvalt, is de uiterlijke vormgeving'

(heerlijk moet het zijn om zulke krachtige uitspraken te doen en er een hele fenomenologie op te baseren), na dat al, kortom, komt opeens, als het niet al te Balkenendeësk is om het zo te formuleren, het zoet van een poging tot origineel formuleren als deze:

De massa liep langs velden van zonnebloemen in de kiem, langs dorpen met boeren die zich verscholen, langs steden waarvan de moslims aan de kant stonden om de soldaten van Allah toe te juichen, langs moskeeën waar de muezzins na het zien van de immense, luidruchtige menigte voller uit de borsten zongen vanuit de minaretten.
Bij nader toezien denk ik dat er toch iets niet klopt, omdat het uit volle borst zingen niet overtroffen kan worden (de borst is vol of ze is niet vol, om niet te zeggen wat je een tijdje geleden nog vaak hoorde: vol is vol) maar juist de poging om dat uit volle borst zingen toch te overtreffen, daar gaat het hier om. Daar zijn clichés, dode metaforen, ook goed voor: niet alleen om ze klakkeloos te herhalen, maar om ze zo te vervormen dat ze des te beter tot leven komen.

Het citaat is uit De mooiste leugen, de debuutroman van Erdal Balci,een barokke historische roman, gesitueerd in en rond Wenen in 1683, een roman met een fors optredende auctoriale vertelinstantie, die er niet voor terugschrikt om zijn eigen personages in de kou te zetten: 'Alle respect voor de klerk, maar hij was wel een wat laffe man.'

Jammer dat het omslag, met al die bleke siliconenborsten van Ingres, zo flets en de opmaak van het binnenwerk alles behalve opmerkelijk is (en dat er een 'overgestroomde rivier' in voorkomt). Meer zal ik er niet over zeggen, want ik ben pas op bladzijde 135, terwijl er in totaal 263 zijn. Dit nog: dat de verleden tijd van 'houwen' er nog 'hieuwen' is. Lang geleden dat ik dat woord, die vorm las.

zaterdag, oktober 13, 2012

Litkrikrit-V (slot)

In al mijn vroolijk hermeneutisch belichten van literatuurkritiek en enkele randverschijnselen ervan kan het stuk dat een en ander aanstichtte niet overgeslagen worden. Als slot dat dan.

In zijn recensie van Pier en oceaan in de Volkskrant (6 oktober 2012) valt Arjan Peters, zo lijkt het, enerzijds met de deur in huis maar neemt hij, anderzijds, een omweg. Hij valt met de deur in huis door in de ‘eigenlijke’ recensietekst niet eerst te refereren aan de reclamepoeha rondom deze als magnum opus in de markt gezette roman, terwijl die op de achtergrond wel mee lijkt te spelen in zijn oordeelsvorming. Maar zijn recensie is onderdeel van de gecombineerde presentatie van twee recensies. Links naast die van Peters over De Jongs jongste staat die van Daniëlle Serdijn over Tommy Wieringa’s Dit zijn de namen. Er staat een forse kop boven deze twee stukken:

De twee reuzen van het najaar
De introductie erboven luidt:
Oek de Jong publiceerde zijn 'magnum opus', Tommy Wieringa schreef een monumentale roman. Waar Wieringa de lat weer hoger heeft gelegd, is De Jong niet verder gekomen sinds zijn succesvolle Opwaaiende zomerjurken
Hier, in deze paratekst, wordt al veel duidelijk gemaakt: twee schrijvers van naam publiceren een belangstellingwekkend boek; het een is nog, of: weer beter dan het vorige boek in het oeuvre, het andere is wel erg dik, maar biedt niets nieuws vergeleken met het romandebuut van de auteur. Het ene nieuwe boek is alleen letterlijk, kwantitatief een magnum opus, het andere, dat niet zo genoemd wordt, is het figuurlijk, kwalitatief. Het een is groot, het ander groots.

Ik schrijf hierboven: ‘eigenlijke’ recensietekst, maar die kop en de intro zijn onderdelen van de recensie die van belang zijn voor een goed begrip van het oordeel over niet alleen De Jongs boek, maar ook voor een goed begrip van het oordeel over Wieringa’s boek. Het eigenaardige van deze twee recensies is dat ze samen een comparatief argument aandragen voor het oordeel over beide boeken, terwijl ze elk apart ook nog de vergelijking maken tussen het te bespreken boek en andere werken uit het oeuvre van de desbetreffende auteur. Een dergelijke presentatie is alleen goed mogelijk in een (opengeslagen) krant, zoals in dit geval pagina 2 en 3 van de Boekenbijlage de Volkskrant. De kop en de lead staan op pagina 2, de foto’s van de auteurs prijken gezamenlijk op pagina 3. In digitale versies van beide stukken verdwijnt die context.

Zijn omweg maakt Peters door in de ‘eigenlijke’ recensie te beginnen over De Jongs eerste, indrukwekkende, in ieder geval destijds zeer goed ontvangen want 'succesvolle' roman Opwaaiende zomerjurken. Een vergelijkbare omweg maakt Sebastiaan Kort in de NRC (12 oktober 2012), maar dan via referentie aan en lof voor Hokwerda’s kind, De Jongs laatste roman voor Pier en oceaan. Het presenteren van een nieuw boek in het licht van het eraan voorafgaande oeuvre lijkt (me) een goede kritische techniek. Geen boek komt immers uit de lucht vallen. Ook het vergelijken van het werk van twee auteurs is goed middel om tot een oordeel over een van beide of allebei zelfs te komen.

Peters besteedt drie alinea’s aan de parallel tussen De Jongs oudste en jongste roman, en aan het slot van de derde alinea betrekt hij de – zeker in het oeuvre van De Jong buitensporig te noemen – omvang van Pier en oceaan erbij, gevolgd door het oordeel dat het boek niets anders biedt dan het driemaal zo dunne debuut. In de tussenliggende periode van drieëndertig jaar, zo zegt Peters teleurgesteld, is De Jong ‘geen steek verder’ gekomen. Een vergelijkbaar oordeel velt Kort in de NRC, ondanks de ruimhartige vier bolletjes: ‘Allengs begint zich de gedachte aan te dienen waar het allemaal naar toe moet met dit boek. En dat “gaat” het dan ook niet echt’.

Exponent van de combinatie van een driemaal zo grote omvang en een gelijk blijvende inhoud is in de optiek van Peters ‘de traagheid van het nieuwe boek [...] waarin de grootste beweging de verhuizing is van Friesland naar Zeeland’. Dit is zeer gecomprimeerde, maar forse kritiek, als in: analyse en daaraan gekoppeld oordeel. Hij constateert dat ‘alles uitentreuren herhaald’ wordt, wat die traagheid goed verklaart. Die herhaling illustreert hij met één voorbeeld, waar hij er talloze had kunnen noemen; wellicht wilde hij niet vervallen in de fout die hij De Jong verwijt te hebben gemaakt.

In alinea vijf en zes van zijn recensie probeert Peters een antwoord te geven op de vraag die hij zich in zijn kennelijke teleurstelling en/of verbazing stelt: ‘Waarom doet Oek de Jong dit?’ Dat antwoord vindt hijveronderstellenderwijs in de biografische achtergrond van de roman (waar ook Kort op wijst): ‘Het zou kunnen dat De Jong als een naturalist wil aantonen dat je als eenzaam protestantje in de jaren vijftig en zestig écht opgesloten zat in de provincie’.

Desniettegenstaande kan de traagheid, de herhaling, de geringe gebeurtenisdichtheid van de roman Peters niet bekoren. Als er iets lijkt te gaan gebeuren in de roman, gaat het niet door (het verhaal dat de hoofdpersoon halverwege de roman denkt te gaan schrijven), of is het al te laat (namelijk pagina 786) voor De Jong om de lezersschade, althans de Petersschade, nog te kunnen herstellen.

Dat, opnieuw verwoord als het te geringe aantal ‘bevlogen passages’, gevoegd bij de stoffige taal of stijl (met illustraties) zijn Peters’ argumenten voor zijn in twee sterren samengebalde oordeel, dat eerder al tot uitdrukking kwam in de descriptie van zijn lectuur als 'een bezoeking'. In het slot van zijn recensie refereert hij (opnieuw) aan de door de uitgeverskwalificatie magnum opus gewekte verwachtingen en hoe die door de roman niet ingelost worden. Een rond verhaal.

Misschien ben ik wat te welwillend als Peterslezer, bijvoorbeeld doordat ik al lang zijn recensies in de Volkskrant lees, naast die in de NRC, De groene, De reactor.org, Recencieweb.nl en meer incidenteel ook andere (gedigitaliseerde) bronnen. Ik kan hoe dan ook voor de verontwaardiging die zijn stuk losmaakte (bij De Goede, Ouariachi onder anderen) weinig feitelijke grond vinden (oei, dit is een lelijke mix van metaforen).

Dan zal het de toon zijn die de muziek maakt. Een ontboezeming als de volgende zal niet ieder in het juiste keelgat schieten:

wél ontsnapte mij een kreet toen ik, met de tong op de schoenen, pagina 786 had bereikt en daar de zin las: 'Een volkomen nieuwe gewaarwording deed zich voor: hij wilde aan het werk.' Dat werd verdomme tijd.
Een misschien wat al te krasse verwoording van zijn opluchting over het gegeven dat er eindelijk eens schot in de Pier en oceaanse zaak leek te komen. Dat Peters zijn recensie besluit met ‘In Pier en oceaan gaat het achthonderdtweeëndertig pagina’s lang van kabbel, zaag, gaap en oeke-tjoek’ lijkt ook mij minder netjes; het is te zeer een luchten van het getergd recensentengemoed en te weinig de zakelijke formulering van een analyse of oordeel waar de lezer, die de roman nog niet kent, iets aan heeft bij zijn/haar poging een eigen oordeel te vellen.

Overigens vraag ik me af hoe ik het boek gelezen zou hebben als het door Van Oorschot zou zijn uitgegeven.

vrijdag, oktober 12, 2012

Litkritkrit-IV

Deze notitiereeks begon ik mede naar aanleiding van Anton de Goedes bedenking bij de (on)zin van sterretjes bij literatuurrecensies onder de prikkelende titel 'Vallende sterren'. Ik wil daar graag de 'Loze bollen' aan toevoegen.

Vandaag besprak Sebastiaan Kort Pier en oceaan in de NRC in een behoorlijk lange recensie, onder een titel die de roman in verband brengt met niemand minder dan Marcel Proust (kennelijk begint de nominatie voor de volgende Nobel-prijs nu al): 'Op zoek naar de verloren tijd'. Die hele Proust wordt in de recensie verder nergens meer gezien, trouwens. Misschien dat de koppenredacteur vrij spel had.

'Vreemd,' noteerde ik vandaag elders in een stukje over De Jongs dubbeldekker, 'om vandaag in de NRC de recensie van Sebastiaan Kort te lezen: "Perplex sta je door het stilistisch vermogen dat Oek de Jong tentoonspreidt in Pier en Oceaan." "Je" is een ander, om Rimbaud maar eens te verhaspelen.' Dat laatste noteerde ik omdat ik, onder meer, de stijl van deze roman alles behalve in positieve zin perplexifiërend vind.

Korts hier geciteerde lof staat in een kadertje rechts onderaan de pagina, en behoort in zekere zin niet tot de eigenlijke recensietekst. Maar ze is kennelijk wel zo belangrijk, dat ze, lichtlijk misvormd, ook op de eerste pagina van het boekenkatern staat afgedrukt: 'Stilistisch sta je van dit boek perplex'. Misschien weer de schuld van de afdeling opmaak.

Maar vreemder nog is het dat in de recensie niet één goed woord over de stijl van de roman te vinden is. Even dacht ik toch een relevante passage gevonden te hebben, maar daar staat: 'Perplex sta je dan ook wat er allemaal gebeurt als Abel alleen maar zoiets onschuldigs als een badkamer betreedt' (ik heb dit citaat driemaal gecontroleerd: zo staat het er). Hoeveel deze passage wellicht onthult over de inhoud van de roman en de onschuld der badkamers tussen ongeveer 1950 en 1970, met de stijl van Oek de Jong anno 2012 heeft een en ander weinig tot niets te maken. Wat Kort wel over die stijl zegt, staat in de op een na laatste zin: 'omdat het zo mooi geschreven is.' Argumentatie en illustratie absent.

Kort laat niet na te benadrukken dat deze roman niets nieuws biedt. Hij zegt dat de roman gesitueerd is in een tijd 'waarin zich in Nederland de grote maatschappelijke ommekeer voltrok. Wankelende kerktorens, vloeistofdia's, "hasjiesj": u kent het verhaal, het is al zo vaak verteld.' Het boek heeft veel weg van De Jongs levensverhaal, stelt Kort verderop, 'net zo goed een verhaal dat al in ons hoofd zit [namelijk dankzij 'interviews en profielen' uit de afgelopen jaren]. En dat verhaal kennen we dus al, ook omdat het al voor een deel in Edo Mesch [de hoofdfiguur van Opwaaiende zomerjurken] werd gelegd.' Hoe dat gaat, een verhaal in een personage leggen, vraag het me niet.

En in de daarop volgende alinea stelt Kort: 'Allengs begint zich de gedachte aan te dienen waar het allemaal naartoe moet met dit boek. En dat "gaat" het dan ook niet echt.' Het gaat, zegt Kort, als een tweede Peters, nergens naartoe. 'De grande finale die zo'n groots opgezet project verdient, heeft de Jong niet geschreven.' Bepaald geen geringe kritiek op een magnum opus. Maar Kort stelt in de lead van zijn stuk dan ook de retorische vraag: 'Maar is dit dikke boek ook een magnum opus in kwalitatieve zin?'

Kort probeert de roman des niet tegenstaande niet te kort te doen, want ook over mindere aspecten weet hij iets positiefs te berde te brengen: 'Passages dienen ontegenzeggelijk de volledigheid, maar het is niet de volledigheid van een roman.' Een niet van helderheid overstromende zin; niettemin veronderstelt Kort 'dat je niets wil overslaan in Pier en oceaan'. 'Je' misschien niet, ik wel.

Ik snap Korts recenseerlogica werkelijk niet, en nog minder begrijp ik waarom deze recensie voorzien is van een zeer lovend bedoeld aantal van vier bolletjes. Die slik ik niet als zoete koek.

maandag, oktober 08, 2012

Litkritkrit-III

Jamal Ouariachi schrijft op zijn blog naar aanleiding van Arjan Peters' recensie van Oek de Jongs Pier en oceaan onder andere: 'Inderdaad, de ruimte in een krant is beperkt. Maar een roman van ruim 800 pagina’s, waar vele jaren aan is geschreven, bespreken in vier kolommetjes van nog geen halve paginalengte?'

Daarmee impliceert hij een knalhard rekenkundig criterium in handen te hebben voor de lengte van een recensie: hoe dikker het besproken boek en hoe langer een auteur aan een boek gewerkt heeft, des te langer (en lovender waarschijnlijk) moet een recensie zijn. Lof is moeilijk te meten, lengte is in het aantal woorden uit te drukken (beter dan in kolom- en paginalengte).

Peters besteedt 887 woorden aan Pier en oceaan dat tien jaar na De Jongs vorige roman, Hokwerda's kind, verscheen. Rechts naast Peters' recensie staat de vijf sterrenrecensie van Tommy Wieringa's Dit zijn de namen door Daniëlle Serdijn. Wieringa's boek is drie jaar na Cesarion (2009) verschenen; het boek is een relatief vluggertje en telt (dan ook?) maar 276 pagina's (Wieringa schrijft gemiddeld 92 pagina's per jaar, De Jong slechts 83,2). Serdijn steekt Wieringa evenwel niets dan pluimen op zijn hoed met een recensie van maar liefst 855 woorden .

Hoe zit dat nu met de Ouariachi-recensieformule? Aantal bladzijden gedeeld door aantal jaren, plus woordental van de recensie*, gedeeld door twee?
Peters-De Jong: (832 : 10 + 887) : 2 = 447,66
Serdijn-Wieringa: (276 : 3 + 855) : 2 = 473,5
Zo erg groot is dat verschil dus niet.

De alternatieve Ouariachi-recensieformule, sinds kort ingevoerd en onderhevig aan de zogenoemde professor Stapel-correctie, luidt: aantal bladzijden plus aantal jaren werk, gedeeld door aantal woorden van de recensie:
Peters-De Jong: (832 + 10) : 887 = 0,4746335, afgerond 0,475
Serdijn-Wieringa: (276 + 3) : 855 = 0,3263157, afgerond 0,326
Dan springt De Jong er nog steeds alles behalve slecht uit.

Jaap Goedegebuure gooit als monolithische controlegroep alle metingen in de war: in het FD heeft hij aan 500 woorden genoeg, maar in Trouw heeft hij er 1122 nodig om Pier en oceaan te bespreken. Om deze onbetrouwbare factor enigszins te neutraliseren is bij de meting uitgegaan van een gemiddelde, zijnde 811 woorden. Daarmee steekt Goedegebuure's gecorrigeerde Ouariachi-recensiequotiënt van 1.038 wel heel erg ongunstig af tegen de rest van het veld. Benieuwd wat het oordeel van Ouariachi in dezen zal zijn.

* Alleen platte recensiewoorden zijn geteld, met voorbijgaan aan die van koppen en loutere product-info. Interviews met de auteur zijn niet in het onderzoek betrokken. Aanpassing van de onderzoeksgegevens is mogelijk, maar afhankelijk van de financiering van de contra-expertisekosten.

zondag, oktober 07, 2012

Litkritkrit-II

Oeioei, Arjan Peters is weer over de schreef gegaan, of een schreef, of die van Jamal Ouariachi, die van de Contrabas, en die van Anton de Goede. Die laatste noteert op de VPRO Boeken-site het volgende
boekbesprekingen lijken [...] aan nuance te verliezen. Kras voorbeeld is de bespreking van Arjan Peters waarin hij dit weekeinde (6/10) de nieuwe ‘grote roman’ Pier en oceaan van Oek de Jong de grond in boort en vernietigend voorziet van slechts twee sterren. Peters vindt het boek van Oek langdradig en vol met herhalingen. Mag Peters vinden. Zeker. Maar wat zegt het werkelijk over de kwaliteit van Pier en oceaan?
Een goed antwoord lijkt me: niet zo veel, want 'de' kwaliteit van een roman is maar net de kwaliteit die een lezer eraan toekent; een recensent is een lezer. Een andere recensent is een andere lezer, met andere voorkeuren, een andere smaak, mogelijk een ander beoogd publiek, en mede daarom en daardoor met een andere mening, een ander kwaliteitsoordeel. Hoe meer smaken, hoe meer vreugd. En verandering van smaak doet lezen.

De Goede's vraag lijkt een beetje op een retorische vraag en hij hoeft hem daarom eigenlijk niet te beantwoorden. Hij impliceert immers het antwoord: 'niets', of: 'niet zo veel'. Maar dat is kennelijk te kort door de bocht. De Goede zoekt het antwoord op zijn eigen vraag - 'wat zegt [Peters' oordeel over Pier en oceaan] werkelijk over de kwaliteit van Pier en oceaan?' - curieus genoeg niet via een analyse van Peters' recensie en van de roman Pier en oceaan, maar langs dit dwaalspoor:

Laten we even de Volkskrant van 16 juni van dit jaar erbij pakken. Daarin bespreekt Peters de nieuwe ‘grote roman’ van Leon de Winter getiteld VSV of Daden van onbaatzuchtigheid.
En wat blijkt dan, als je bereid bent om voor een oordeel over een recensie van Pier en oceaan een paar maanden terug te bladeren naar een recensie van een andere roman van een andere auteur? Dan blijkt dat Arjen Fortuin die andere roman niet goed vond, Peters wel. Ergo: Peters oordeel over Pier en oceaan zegt niets over de kwaliteit van Pier en oceaan.

Ik ga hier even een nachtje over moeten slapen.

En ik ga Pier en oceaan uitlezen. Zou Ouariachi dat ook niet eventjes eerst moeten doen, in plaats van te schrijven 'De nieuwe Oek de Jong, Pier en Oceaan, heb ik nog niet gelezen. [...] Nogmaals, ik heb het boek niet gelezen, maar ik krijg een heel ongemakkelijk gevoel van die recensie'?

Litkritkrit

Op de site van VPRO-Boeken las ik een - instemming opwekkende - kritische kanttekening bij het oprukkende gedoe met sterren en bollen of wat voor grafische middelen dan ook in literatuurkritiek. Het stuk heeft de mooie titel 'Vallende sterren' en handelt schijnbaar over deze literatuurkritische exponent van de alles egaliserende, versimpelende en debieliserende beeld'cultuur', alom penetrant onder aanvoering wellicht van dat superdomme duimpje van Smoelboek.

Anton de Goede schrijft: '[Arjan] Peters vindt het boek van Oek [de Jong] langdradig en vol met herhalingen. Mag Peters vinden. Maar wat zegt het werkelijk over de kwaliteit van Pier en oceaan?'

Arjan had (of de krant had namens hem) de recensie van De Jongs tweedekker gemarkeerd met een magere 'waardering' van twee sterren. Het maximum is vijf, het minimum is kennelijk één ster want nooit nog zag ik een afbraakrecensie getooid met nul sterren. En ik denk, als je me het sub rosa onder vier ogen entre nous zou vragen, dat Peters in zijn kopij elk deel van de roman één sterretje heeft gegeven, maar dat ze dat op de zetterij van de Volkskrant niet begrepen hebben.

Opmerkelijk vind ik De Goede's - hopelijk niet zo bedoelde - quasi superieure formulering 'Mag Peters vinden.' Alsof De Goede - wellicht op grond van zijn omineuze naam - oordelen mag en kan over wat er zoal in den lande wordt geoordeeld in de literatuurkritiek.

Maar vooral valt me op dat De Goede doet alsof Peters als opsteller van de recensie een quantité négligeable is, doordat hij zowel Peters' oordeel in woorden als diens oordeel in dyscalculiebestendige kleutertekentjes volledig negeert en alsnog vraagt naar de werkelijke kwaliteit van De Jongs roman. Alsof de kwaliteit van een roman er met een pincetje uit te pulken is: 'Kijk, hier, dit boek is dus niet eens half goed.' Alsof er een absolute, intersubjectieve maatstaf is waarmee dat vrij geprepareerde kwaliteitsvezeltje gemeten kan worden: 'Kijk, het komt maar nèt tot de twee.' Alsof er geen kranten (meervoud) zijn met critici (meervoud) die elk voor zich visie op een roman geven, en niet de visie, elk in een artikel waarin hij/zij dat boek beschrijft en met argumenten en smaak beoordeelt. Alsof, tot slot, Peters of welke recensent dan ook, van de ratten besnuffeld is. Wie meer dan een enkele recensie van Peters of van welke recensent dan ook las, weet toch ongeveer wel wat zijn/haar voorkeuren zijn en wat niet. Waarom zou je anders die krant nog blijven lezen? (antwoord zonder logica: omdat er toch ook nog andere kranten, weekbladen, maandschriften en nog meer websites vol literatuurkritiek zijn die je ernaast leest, en radioprogramma's die je ernaast of er dwars doorheen hoort en waar je mee kunt instemmen of niet).

Dat stuk van De Goede is geen echte beschouwing van de literatuurkritiek, het is maar een warmmakertje voor een uitzending van VPRO Boeken met Oek de Jong als gast, maar toch vind ik het hooguit één sterretje waard, eens te meer omdat het de suggestie wekt dat in een gesprek met De Jong wèl de kwaliteit van zijn roman aan het licht zou komen.

dinsdag, oktober 02, 2012

'Ik had nog zo gezegd...'

Deze logische dijenkletser vond ik op /in Wikipedia:
Hoewel Tonnus Oosterhoff in Leiden werd geboren, bracht hij het overgrote deel van zijn leven door in de provincie Groningen.
Volgens Van Dale wordt het onderschikkend voegwoord waar dit citaat mee begint, 'gebruikt ter inleiding van een toegevende bijzin om aan te geven dat hetgeen erop volgt niet afdoet aan het in de hoofdzin gezegde'.

Ja, nee zeg, stel je voor, dat zou er nog bij moeten komen: het blote feit dat iemand in Leiden, dus in Zuid-Holland, geboren is, zou er eens iets aan afdoen dat iemand zijn leven grotendeels in Groningen doorbrengt?!

Of bedoelt de schrijver dat iemand die het lef heeft in Leiden geboren te worden hooguit het kleinste deel van zijn leven in Groningen zou mogen doorbrengen?

Overigens suggereert de schrijver dat de totale omvang van het leven van Oosterhoff al bekend is, of zelfs dat de goede man al dood is, of dat in de sterren staat geschreven dat de tot op heden bi-provinciale bard voornemens is een klein resterend deel van zijn leven in een derde provincie - al dan niet naar keuze - door te brengen.

Bedoelt die schrijver eigenlijk wel iets te zeggen?

woensdag, september 26, 2012

Voer voor de logopedist

Vaak sla ik een nieuw boek op een willekeurige plek open, niet om te lezen, maar meer om het te voelen, hoe het in de hand ligt, en om te proeven hoe het eruit ziet, hoe het oogt, of de typograaf me welgezind is. Soms evenwel valt m'n oog dan toch op een zin en lees ik die, en soms kom ik dan niet meer bij binnen een half uur omdat ik moet proberen of het kàn, dat wat er staat, of dat überhaupt te realiseren is. Vandaag lukte het me niet, ook niet na dat half uur, om de veronderstelde sibilante gutturalen de dampkring in te zenden. Probeer maar: '"Godverdomme, de klootzak," waren de enige woorden die sissend uit zijn mond ontsnapten.'