Posts tonen met het label Literatuurkritiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Literatuurkritiek. Alle posts tonen

maandag, augustus 12, 2024

Aan m’n tas getrokken -- twee overdenkingen

Boven een boekbespreking van mijn hand, die op 27 januari 2022 is verschenen op het platform De reactor, is, the times they are a-changing, inmiddels, ik weet niet wanneer, een Disclaimer geplaatst. Ze luidt als volgt:

Disclaimer: In deze tekst komt een ‘deadname’ voor. Dat betekent dat de auteur van  gender en naam is veranderd. In deze bespreking betreft de deadname ‘Marieke Lucas Rijneveld’. Want tegenwoordig gaat diezelfde persoon als ‘Lucas Rijneveld’ door het leven. 

De Reactor streeft ernaar een inclusief platform te zijn. De Reactor is kritisch over de literatuur die zij recenseert en heeft de beslissing genomen om niet te censureren maar kritisch te beschouwen. Daarom geeft De Reactor het aan wanneer er in een tekst taal voorkomt die in een inclusief en divers wereldbeeld problematisch is. Ben je benieuwd naar een inclusief beleid op taalgebruik, download dan hier de handreiking van Codedi.

Met de grondslag en de strekking van deze vrijwaring ga ik akkoord. Mij is, als auteur van de bespreking, nooit gevraagd of ik zou willen overwegen de tekst aan te passen. Het lijkt me dus een verklaring waarzonder de redactie de tekst van de bespreking liever niet meer ongewijzigd in de openbaarheid zou houden; daarom lijkt me de vrijwaring een goede ingreep. Ze was aanleiding tot twee overdenkingen, een morele en een literatuur-kritische.

Enige morele jeuk ervoer ik toen ik zag dat, bij implicatie, mijn tekst er een zou zijn waarin ‘taal voorkomt die in een inclusief en divers wereldbeeld problematisch is’, taal, dus, die niet inclusief en die niet divers zou zijn.

Het zit misschien alleen maar in de formulering, waardoor deze passage klinkt alsof ik (destijds al wellicht, maar zeker inmiddels) een soort onwelvoeglijke taal zou hebben gebruikt, dat ik nare dingen gezegd zou hebben waar het gaat om inclusiviteit en diversiteit.*

Quod non, dacht ik. Het enige wat in de bedoelde boekbespreking immers aan de hand is, is dat er een deadname in voorkomt, en dat is volgens Wikipedia:

de (voor)naam die iemand bij geboorte meekreeg, of de naam die iemand vroeger gebruikte, vooraleer de naam bewust veranderd werd door die persoon in een nieuw gekozen naam. Een deadname wordt meestal gebruikt in een transgendercontext.

In mijn Reactor-tekst bespreek ik een boek waarin de auteur onder andere (de kritische ontvangst van) gedichten bespreekt, die anno 2015 waren verschenen in een bundel, geschreven door een dichter die zich toen, afgaande op de, op het omslag en de titelpagina en dergelijke, gebruikte voornaam, identificeerde als vrouw; ik heb, zeg ik erbij, die bundel destijds aangeschaft en in een poëziecursus besproken en in die context de auteur geïnterviewd. De in de loop der tijd aangepaste voorna(a)m(en) op publicaties van deze auteur lopen, naar we mogen aannemen, parallel met een genderontwikkeling: Kalfsvlies verscheen in eerste instantie als een bundel van Marieke Rijneveld; later heette de dichter, en ook romancier, Marieke Lucas Rijneveld; sinds 2023 is zijn (auteurs)naam Lucas Rijneveld. Inmiddels prijkt die naam ook op heruitgaven van eerder werk.

Ik rakel dit natuurlijk niet op om de dichter te kwetsen of te beledigen. Ik zeg het erbij, want het is, afgaand op die vrijwaring, glad ijs waar ik me nu op begeef. Wikipedia zegt er het volgende over:

Iemand ‘deadnamen kan als kwetsend en beledigend beschouwd worden. In bepaalde gevallen is iemand moedwillig bij de oude (of dode) naam noemen, wetende dat de drager van de naam voor een nieuwe naam koos, een vorm van intimidatie.

Ik sta stil bij mijn gebruik anno 2022 van de dode naam omdat in het door mij besproken boek juist het, door mij onderschreven, belang van de zorgvuldige omgang met genderidentiteit in literatuurkritiek aan de orde wordt gesteld aan de hand van de zaak-Rijneveld. Het zou een vertekening van de historische casus zijn als ik in mijn bespreking alleen maar zou refereren aan Lucas Rijneveld.

Overigens begint de hele (literatuur-)geschiedenis al een beetje moeilijk achterhaalbaar te worden. De Wiki-pagina over Rijneveld, die ik zocht met de auteursnaam van Kalfsvlies als zoekterm, opent met deze zin:

Lucas Rijneveld (Nieuwendijk, 20 april 1991), eerder bekend onder de naam Marieke Lucas Rijneveld, is een Nederlandse schrijver en dichter.

Dat is wel waar, maar niet volledig. Daar moet je toch iets mee als kritische en interpreterende lezer van zowel literaire als non-literaire teksten? Anders dan Roland Barthes dacht of hoopte, is de auteur niet dood.

En hier ligt de grond voor mijn tweede overdenking bij de toegevoegde vrijwaring. Misschien speelt mijn al te Merlyn-istische opleiding hier een conservatieve rol. In de vrijwaring van de Reactor wordt niet expliciet en niet evident gesproken over de auteursnaam, maar over de namen ‘Marieke Lucas Rijneveld’ en ‘Lucas Rijneveld’ waaronder een en dezelfde dezelfde ‘persoon’ ‘door het leven’ ging, respectievelijk gaat. Daarbij wordt dus stilzwijgend de auteursnaam gelijk gesteld aan de persoonsnaam, inclusief andere gegevens betreffende diens identiteit in de burgerlijke stand. Het graan des levens is nog niet zonder meer literatuur, in mijn optiek.

Zowel in het besproken boek, als in de literaire kritiek die daarin belicht wordt, als ook in mijn gevrijwaarde bespreking van het boek leggen de respectieve auteurs (Dera, vooral Peters, en Stolk) een vanuit ergocentrisch oogpunt al te gemakkelijke relatie van identiteit tussen de literaire auteur (plus diens lyrisch subject en plus diens focalisator) en de (burgerlijke) persoon achter de auteur. De literaire en de burgerlijke identiteit van een auteur kunnen wel in diens auteursnaam samenkomen, maar zijn daarmee nog niet gelijk. Zo heb ik dat althans geleerd.

Als ik iets over het literaire werk van Dessaur schrijf, gebruik ik de auteursnaam Andreas Burnier; Rutger Kopland hield prof. dr. Van den Hoofdakker ver weg van zijn poëzie; Vasalis was geen arts en kinderpsycholoog en Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans publiceerde geen gedichten. Het al dan niet verschuivende of fluïde gender van die auteurs is mij trouwens onbekend, als ik lichtjes mag overdrijven. Wel kan ik hypotheses opstellen over de identiteit van hun personages, inclusief ik-figuren en extradiëgetische vertellers (m/v/x), maar dat doe ik pas, als het ertoe doet. Hoop ik.


* Ik zie dat de vrijwaring zorgvuldig geformuleerd is: er staat alleen maar dat er een bepaald soort taal in mijn tekst ‘voorkomt’. Maar die taal heeft daar niet kunnen voorkomen zonder dat ik die daar zelf geschreven of geautoriseerd had (en de redactie er destijds mee akkoord was gegaan). Ik neem verantwoordelijkheid voor wat ik schrijf en ben graag bereid misbaksels te vervangen door beter handwerk of uit te leggen waarom het toch goede baksels zouden kunnen zijn.


Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

zaterdag, oktober 15, 2016

Kalfsgehakt

Het heet een bespreking in video-vorm van 1 minuut; maar dan in het Engels; geen idee waarom. Why I love this book. Het bespreekschaap - zo te zien te nauwer nood aan de slachtbank ontsnapt - heeft klaarblijkelijk het hele boek nog niet eens zelfs maar ingezien; kan de titel niet in een keer goed lezen, daar heeft ze hulp van anderen bij nodig; is niet op de hoogte van de conventie dat er wel eens een auteursportret achterop een boek staat; blaat na het toonloos voorlezen van de eerste strofe op de eerste pagina dat we dit boek moeten kopen. Kennelijk omdat zij benieuwd is, zonder dat ze uitlegt waarom.

Je kan maar beter niet besproken worden dan met dit bête gemekker. Dat krijg je met dat publieke internet; daar zit geen zeefje voor waar de prut in achterblijft.

dinsdag, mei 12, 2015

Meta is weta

Op Neder-L doet Marieke Winkler verslag van een literair-kritisch meta-onderzoek, waarbij ze gebruik heeft gemaakt van een intern onderzoek door de NRC. Het is dus een semi-literair-kritisch meta-meta-onderzoek. Des te boeiender in tijden waarin wederom een man door een man een prijs van een man uitgereikt kreeg met erbij bungelend een penning van een vrouw (dat dan weer wel).

"Het resultaat [d.w.z. de uitkomst, namelijk van hetNRC-zelfonderzoek naar de genderficatie van de literatuurkritiek] was onthutsend. Maar liefst 77% van de 703 recensies die NRC in 2014 plaatste, bleek door een man geschreven. Ter vergelijking: in de Volkskrant was dat 63% (op een totaal van 483) en in Trouw 55% (op een totaal van 400)."

Dat zet mijn alphabrein aan tot een me-me-meta-ta-ta-onderzoek, uitgaande van een mogelijke middeling van de drie belangrijkste kranten met recensentenaandacht voor literatuur.

Wat we, dank zij het stuk van Winkler, weten over de relatie tussen het aantal recensies (ar) en het percentage mannelijke recensenten (pmr) dat die schreef, of die die schreven, is dit:

ar : pmr
703 : 77%
483: 63%
400: 55%

Ik wil daar, alphabreinisch als ik ben, graag een graphiqueje bij, om het beter in te kunnen 'zien'. Dat wordt even knutselen (een modern gespelde Skandinavische methode van visualisatie van getalsmatige verhoudingen). Mij ontbreken daar de algebraïsche middelen toe.

Omdat het toch eindexamentijd is, en een 'hoogleraar Nederlands' (dixit weer die NRC) in een poging tot journalistiek-populair-wetenschappelijke kennisvalorisatie in de mond gelegd krijgt nog geen tien te kunnen halen voor een eindexamentoetsje tekstanalyse, volgt hier een letterwiskundige opgave.

Gegeven:
groei ar van 400 tot 483 = 83, dan parallel groei van pmr 55 tot 63 = 8;
groei ar van 483 tot 703 = 220, dan parallel groei van pmr 63 tot 77 = 14.
Afgeleid:
groei ar van 0 tot 400 = 400, dan parallel groei pmr 0 tot 55 = 55.
Gevraagd:
a) hoeveel groei ar is nodig om groei pmr te laten uitkomen op 100?
b) hoeveel krimp ar is nodig om krimp pmr te laten uitkomen op 0, zijnde het punt waarop, bij implicatie, het percentage vrouwelijke recensenten (pvr) 100 is, aangenomen dat dit zich ergens op de lijn bevindt waar die nog niet het punt heeft bereikt waar ar = 0.

Antwoorden kunnen, binnen redelijke termijn, wel anoniem maar niet aseksueel, en hoe dan ook zonder spelfouten, worden ingediend bij de vroolijke hermeneut.

(evidente tikfouten worden niet als genderfouten gerekend, over de uitslag kan afhankelijk van de uitslag gecorrespondeerd worden)

vrijdag, november 22, 2013

Hyper de hype hoera! De overtreffende trap van Stoner

Bij een couranttweet over de tweede roman van Williams die nu in het Nederlands wordt uitgegeven moest ik al lachen: Butcher's Cross zou 'nog meeslepender' zijn dan Stoner. Een mededeling van het kaliber: Nog hardere seks in Voskuils postume novelle Nicolien goes naughty!

Wat een bericht, net een dag nadat Monty Python zijn come back bekend heeft gemaakt! Een heel goede pastiche.

Maar toen ik de frontpagina van NRC-boeken en/of -cultuur zag, was mijn tijdelijk van gezinsleden ontdane Stichtse rijtjeshuis te klein om de hilarische hoestbui te bevatten. Het dak ging er metaforisch af toen ik las dat de tweede Williams nog 'Spannender' (in Telegraaf-grote vetletters) zou zijn 'dan "Stoner"'.

In de recensie schrijft de dienstdoende criticus (en hier twijfel ik tussen: echter, en: dan ook) dit: 'Butcher's Crossing is Moby-Dick in het Wilde Westen, waarbij de rol van de witte walvis wordt gespeeld door vijfduizend wilde bizons.'

En dat moet ik anno honderdweeënzestig jaren ná Melville's magnum opus met droge ogen als een regelrechte loftuiting consumeren?

Maar de spanning is nog niet eens Williams' unique selling point volgens de recensent. Nee, let op: 'Dat je het boek zo moeilijk kunt wegleggen, komt vooral door de manier waarop Williams zijn verhaal vertelt.' Ja, da's waar, dan geef ik mij onmiddellijk gewonnen, en al helemaal als het daarbij ook nog gaat om een 'tergende traagheid'.

Nee, nee, nog niet afhaken: 'Als je Butcher's Crossing uit hebt, weet je precies hoe je een bizon moet schieten en hoe je hem vervolgens van zijn huid moet ontdoen.'

Genoeg, genoeg, die andere twee kolommen van de recensie kunnen dit nooit overtreffen. Ik weet wat me te doen staat. Toch knap, hoe iemand twee tegengestelde recensies kan schrijven met één tekst.

dinsdag, september 03, 2013

Nut, gezag, autoriteit, invloed, belang, status en waarde (vrij naar Shaffy)

My heart leaps up when I behold / An article on literary reviews in the newspaper. Maar vaak genoeg volgt na die sprong een smak terug en Is het weer donker, en slechts droevig vloeit / Door ’t sluimerend geblaarte een zwakke klacht.

In het Boeken-katern van de Volkskrant van 31 augustus werd het nieuwe literaire seizoen geopend met een als ‘Beschouwing’ aangekondigd artikel van Wilma de Rek over ‘Literatuurkritiek’. Meer in het bijzonder zou het stuk, volgens de inleidende tekst, handelen over ‘Het nut van de recensie’. Dit alles onder de kop: ‘Vroeger, toen had de recensent nog gezag!’ Die titel heeft trekken van spreektaal, maar is toch geen citaat (volgens de krantenconventie zou de uitspraak dan immers tussen aanhalingstekens hebben gestaan). Kennelijk wordt hier een algemeen gevoelen verwoord. In de lead wordt dat gevoelen wat breder uitgemeten: ‘De invloed van boekrecensies is afgenomen, die van televisie en sociale media is toegenomen. Heeft literatuurkritiek in kwaliteitsmedia nog toekomst?’

Ik keek ervan op dat een dergelijk stuk niet door de baas van de boekenhoek van de Volkskrant is geschreven, de bekende criticus Arjan Peters. Hoewel die best in staat is om zijn ideeën helder te formuleren, zoals laatst weer bleek uit zijn boekje Kreten uit een urn, en hoewel hij er als Volkskrants literatuurchef ook de aangewezen persoon voor lijkt te zijn om de visie van die krant op literaire kritiek uiteen te zetten, heeft hij er kennelijk voor gekozen deze klus uit handen te geven, en dan niet aan een van de andere Volkskrant-recensenten, maar aan Wilma de Rek, wier status niet toegelicht wordt in de paratekst op pagina V2 en V3 (op LinkedIn presenteert zij zich als ‘Verslaggever bij de Volkskrant / Vorig / Chef het Vervolg bij de Volkskrant / chef Media bij de Volkskrant / Verslaggever bij Volkskrant Magazine’, niet als gespecialiseerd literair journaliste of literair recensente).

Na eerste lezing rezen een aantal vragen in mij. De eerste is: is dit stuk, waarin allerlei lieden aan het woord komen, wel een 'beschouwing' te noemen? Er wordt namelijk niet één coherente visie op literatuurkritiek in uitgerold, maar een lappendeken van de opinie van De Rek zelf en die van een directeur/uitgever en een voormalig directeur/uitgever en nu editor at large, en nog een uitgever en een hoogleraar Nederlandse letterkunde, plus een definitie van ‘recensenten’ uit een boekje van een voormalig dichter en criticus, en een citaatje uit het hiervoor genoemde Kreten uit een urn aangaande de taakopvatting van Peters, en een citaat uit een stuk van een Vrij Nederland-criticus. Soit: een multifocale beschouwing.

De tweede vraag is: waar gaat het stuk over? Achtereenvolgens komen de volgende onderwerpen in beeld of aan bod of ter sprake (of moet ik zeggen: ze komen voorbij): 1. ‘Het nut van de recensie’; 2. ‘De invloed van boekrecensies in kranten op de boekverkoop’; 3. De ‘toekomst’ van ‘literatuurkritiek in kwaliteitsmedia’; 4. het onderkennen van ‘grote namen’; 5. het presenteren van ‘het literaire neusje van de zalm’; 6. ‘De toenemende onbelangrijkheid’ dan wel het belang van literatuurkritiek; 7. het genereren van advertentieën in het boekenkatern van een (Amerikaanse) krant; 8. het gezag of de status van de recensent. Ik weet niet zeker of deze verzameling de gehele inhoud van het stuk dekt, zo versplinterd is de structuur ervan. Misschien is een deel van deze mengelmoes nog terug te voeren op een enthousiaste poging tot variatie in woordkeus, maar een aantal begrippen zijn in mijn optiek toch echt moeilijk met elkaar te verbinden.

Dat de CPNB, de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, op Manuscripta andere auteurs als publiekstrekkers noemt dan die aan het werk waarvan De Rek veronderstelt dat recensenten van kwaliteitskranten lovende besprekingen wijden, is als het vergelijken van het aanbod op Marktplaats.nl met het voormalige wagenpark van Bram Moskowicz, of wel van appels met peren. Het Nederlandse boek valt niet samen met de als kwalitatief hoogstaand beoordeelde literatuur. Collectieve propaganda is wat anders dan fijnzinnig kwaliteit ontdekken en aanprijzen.

Dat recensies invloed moeten hebben op de verkoop van een boek, lijkt me vooral de zorg van de uitgevers, de boekhandelaren en de auteurs, die immers van dat product moeten leven en voor wie geldt: hoe meer, hoe meer (boek respectievelijk poen, en dat is ze van harte gegund). En waar de boekverkoop als economisch gegeven in het geding is, daar kunnen dan indirect de advertentieaantrekkende kwaliteiten van een recensie in zicht komen, waarmee weer het belang van de kranten in de beschouwing worden betrokken, hoewel daar verder in het stuk in het geheel niet op wordt doorgedacht.

Opmerkelijk genoeg zegt uitgever Pröpper niet dat een goede recensie goed is voor de verkoop van een boek en dus voor de winst van de uitgeverij, maar dat zijn auteurs ‘er enorm aan [hechten] dat hun werk gezien wordt, gesignaleerd is.’ Het lijkt erop dat hij het hier vooral heeft over de journalistieke functie van de recensent: het overweldigende, voor de leek onoverzichtelijke collectieve boekenaanbod in aanmerking genomen, alsmede het wellicht ver onder de maat blijvende advertentiebeleid van de uitgeverijen, is een schrijver ermee in zijn of haar nopjes als een nieuw boek ten minste genoemd wordt: ‘Ook al is een recensie negatief, het [boek] is in elk geval opgemerkt.’ Over het gezag van de recensent. Dank u wel, uitgever.

Vic van de Reijt gaat het wel alleen om de verkoopcijfers: ‘Televisie bepaalt nu of een boek een bestseller wordt.’ Grappig lijkt me dat er een vaak kwalitatief verschil wordt gemaakt tussen wat in groten getale over de toonbank vliegt (en waarmee de CPNB loopt te leuren in het begin van het stuk) en werken van werkelijk literair belang die de recensenten proberen op te sporen in de boekenproductierijstebrijberg. In dit licht komt het citaat van Vullings van pas, dat in het stuk van De Rek zomaar ergens in de laatste kolom gekeild is. Vullings zegt niet zozeer expliciet iets over literatuurkritiek – wat wel het onderwerp van het stuk van De Rek is – maar over wat in zijn optiek goede literatuur is, namelijk: ‘een moeilijk genot’. Impliciet: echte literatuur is niet voor de horde geschikt, en zelfs de elite heeft er wel wat duiding bij nodig. En zie: daar is impliciet de recensent die, in de geest van Van Deels citaat, gekwalificeerd is om over een bijzonder domein van de boekenproductie duidende uitspraken te doen, of, zoals Peters zegt: die laat zien hoe je over literatuur kunt oordelen.

Grappig is ook dat Van de Reijts collega Van Gelderen het zowel met hem eens is: ‘Vroeger [...] liep de promotie van een boek voor een deel via de recensenten van de boekenkaternen’, als niet met hem eens is: ‘en natuurlijk via Adriaan van Dis.’ Inderdaad: vroeger had je ook al massamedia zoals televisie. En, ook in de optiek van Van Gelderen, is de massa alleen maar groter geworden, en zijn de media navenant gegroeid: ‘Nu kun je naar DWDD, naar Pauw en Witteman, naar Umberto Tan.’ Maar zo natuurlijk is het onderscheid toch niet: het gezag van Van Dis was geaccepteerd in literaire kringen (wie daar precies deel van uitmaken lijkt me overigens vooralsnog een groot definitieprobleem); de Van Nieuwkerken, Pauwen, Wittemannen en Tannen hebben geen literair gezag, ze hebben invloed op de verkoopcijfers. Die twee, zodanig invloed hebben op de verkoopcijfers dat er bestsellers (van allerlei gradatie) ontstaan en literair gezag, zijn onvergelijkbare grootheden.

Pröpper stelt, subtiel nuancerend, enerzijds dat ‘Recensies [...] nog altijd belangrijk’ zijn en anderzijds dat ‘de waarde van de recensie als zodanig [...] wel duidelijk minder [is] geworden.’ Belang is iets anders dan waarde. Die verandering van waarde zit volgens Pröpper hierin: critici met een eigen stem, een eigen standpunt, die ‘een autoriteit waren op hun specifieke gebied’ en als zodanig herkenbaar waren, zijn er niet meer, althans: die herken je niet meer, doordat ‘de recensies korter zijn en omdat ze een andere functie hebben’: werken worden niet meer in de geschiedenis geplaatst, de eruditie is uit de recensies verdwenen.

Vreemd genoeg stelt Joosten daar tegenover: ‘Als je kijkt wat er is veranderd, zijn het niet eens zozeer de kritieken zelf [...].’ Dat moet hij dan maar eens aan Pröpper gaan uitleggen, zeker als erachteraan komt: ‘nu hoor je Mathijs van Nieuwkerk ongeveer hetzelfde zeggen als de recensent in de krant, en je leest het nog eens in duizendvoud op Twitter.’ Het is toch genoegzaam bekend dat een nieuwsitem bij Van Nieuwkerk de omvang van 140 tekens nauwelijks te boven gaat en dat een gemiddelde recensie van de oude autoriteiten als Kees Fens, Michaël Zeeman en Carel Peeters wel wat meer volume en daadwerkelijke inhoud had. Dan kan je niet volhouden dat ‘de kritieken zelf’ niet eens zozeer veranderd zijn. En als iemand dat zegt, mag je er als journalist wel een vraagje over stellen.

Nu ja, dit duurt al veel te lang voor een blog; iedere alinea van De Reks beschouwing biedt zeer veel stof tot overpeinzing, zo veel zelfs dat het stuk meer stof lijkt te doen opwaaien dan dat het zelfs maar het begin van duidelijkheid biedt. En nee, ik denk niet dat mij dat wel gaat lukken. De literatuur en de literatuurkritiek zijn twee onderwerpen waarover voortdurend gedacht, gesproken en geschreven zal blijven worden, steeds weer met de verwachting de stand van zaken te kunnen beschrijven, en met de illusie het verleden te kunnen verheerlijken en de toekomst donker in te zien.

Want: wat is gezag nog in dit land, of wat was het? Iets wat je maar moeilijk kunt afdwingen (zoals iedere beginnende docent bij aanvang van het schooljaar in een brugklas weer ervaart, bijvoorbeeld), maar iets wat je toebedeeld krijgt. Op grond van welke verdienste(n)? En door wie? Moge ik een terrein schetsen dat ik kan overzien. Ik heb gezag. Ik heb gezag bij één van mijn mede-sportscholieren, aan wie ik vertel over de boeken die ik las. Daarvan leest hij er sommige dan ook en hij vindt ze vaak ook goed. Daarna vraagt hij mij of ik nog wat andere goede boeken kan noemen (en vooral omdat ze goed zijn, maar mede omdat hij in de geestelijke gezondheidszorg werkzaam is, heb ik hem heel de shortlist van de Academica Literatuurprijs 2013 omstandig aangeraden). Mijn gezag is mede gebaseerd op het gegeven dat ik Nederlands heb gestudeerd, dus verondersteld wordt veel te lezen, college geef over literatuur en in enkele jury's heb gezeten (wat je al niet uitwisselt op de cross-trainer).

Iets dergelijks, maar dan anders, want zwaar opgeschaald en met een factor van enige tien-, liefst honderdduizenden vergroot, schetst, zo stel ik mij voor, het gezag en de daaraan gekoppelde (potentiële) invloed van een recensent, een gezag en een invloed die overigens nog sterker gefundeerd zijn doordat een recensent niets anders doet dan recenseren, er dus bedreven in is geraakt, en veel leeservaring en specifieke kennis heeft opgedaan, dus een rijk referentiekader heeft voor zijn/haar oordelen, en op zijn/haar beurt een rijke bron van actuele informatie kan zijn doordat hij/zij ook journalist/e is en daardoor aan belangrijke fora en jury’s deelneemt.

Dan over nut. Mijn mede-sportscholier heeft een drukke baan, en een brede belangstelling, reist veel; echt tijd om uit te dokteren wat nou interessante literatuur is, heeft (of neemt) hij niet. Het nut van de recensent is dan de efficiëntie van des lezers keuzemechanisme.

Dan: hadden Fens, Zeeman en Peeters werkelijk zo veel gezag buiten de sportschool, en hoe is dat gezag van ze dan te meten, of waren er ‘vroeger’ minder Kezen, Michaëls en Carels? En minder media ook? Kon een lezer zich toen slechts wenden tot een paar kranten? Was dat gezag misschien gebaseerd op de armoe aan meningen en/of de armoe aan media, de armoe aan toegankelijke media, toen, in de dagen van olim en enkel papier? In het hedendaagse heden kan iedere boerenpummel met een modem zijn mening over - laten we het hiertoe beperkt houden - de laatste roman, de jongste dichtbundel die zij of hij las minimaal landelijk kwijt.

Werd het gezag van de enkeling kleiner terwijl de vraag van de massa naar meningen omgekeerd evenredig groter is geworden? Gaat het met andere woorden beter met de literatuur en alleen maar minder met de aandacht voor geconsacreerde enkelingen? Ik zou daar wel eens een onderzoeksverslagje over willen lezen.

Opmerkelijk, trouwens, dat er in het stuk van De Rek alleen maar mannen geciteerd worden, alleen maar mannelijke recensenten genoemd worden en getoond worden in de erbij gepubliceerde illustratie van Peter Lipton.

P.S.
Arjen Fortuin schreef een leuke column in de NRC van 6 september jongstleden naar aanleiding van De Reks stuk.

woensdag, februari 13, 2013

Hatchet Job

Mooi concept (hoe noem je een woord waar het Engels twee woorden voor gebruikt?). The Hatchet Job of the Year prize. Bijzondere prijs. Komt misschien minder hard aan doordat de kwaliteiten van het Engels zo goed uitgebuit worden.

'The Hatchet Job of the Year prize was set up by the Omnivore website to "raise the profile of professional book critics and to promote integrity and wit in literary journalism"', schrijft Alison Flood in The Guardian. Dit jaar gaat de prijs naar 'Camilla Long's comprehensive shredding of Rachel Cusk's memoir of her divorce, Aftermath'.

'Long, in a review for the Sunday Times, takes just over 1,000 words to pull Cusk's memoir to bits, writing the novelist off as "a brittle little dominatrix and peerless narcissist who exploits her husband and her marriage with relish", and who "describes her grief in expert, whinnying detail". En toch: 'a hatchet job isn't necessarily a turnoff.' Intrigerend. Beschaafd kraken.

maandag, november 12, 2012

Litkritkrit-naijlertje

Echt waar, ik lees andere kranten, maar afgelopen zondag, nee, niet bij de tandarts maar op de sportschool (waar ik overigens niet aan echte sport doe, maar hooguit aan beweging en spiertjeskracht) blikte ik in De telegraaf en zag en las een column van Kluun. Lees even mee, dat kan via Kluuns webstek, het stuk dat ik bedoel is van 10 november 2012 en heet 'Rare jongens, die recensenten'. Dat trok mijn aandacht, die kop. Al was het maar omdat ik het deels met Kluun eens ben. Deels, want er zijn ook heel veel rare recenserende meisjes. Ja, die komen niet voor in het Romeinse leger waar Aster- en Obelix tegen strijden en aan wie die kop refereert, maar dat wil nog niet zeggen dat zo'n plat wereldbeeld steeds maar via sjablonistische uitspraken gereproduceerd moet worden.

Waarom nu vindt Kluun recensenten raar? Kluun vindt recensenten raar omdat ze niet allemaal integraal hetzelfde oordeel vellen over ieder boek.

Welk een esthetisch wereldbeeld zou er schuilgelegen liggen achter een dergelijke opinie? Een heel plat exemplaar, vermoed ik. Het beeld van een wereld waarin iedereen precies hetzelfde goed dan wel slecht vindt. Het kan er niet in bij Kluun dat een boek door de een goed, door de ander niet goed wordt gevonden. Zou hij dat nou denken omdat hij ervan uitgaat dat een boek intrinsiek goed of slecht is? Dat je een boek dus niet goed of slecht vindt, maar dat het dat is? Zou hij dan ook nooit met iemand over boeken praten? Rare jongen, die Kluun.

Maar niet helemaal, want hij verzamelt 'tegenstrijdige recensies. Het is een prachtige collectie aan het worden met beoordelingen van romans van Ronald Giphart, Joost Zwagerman, Nelleke Noordervliet, Jan Cremer, Kader Abdolah, noem maar op.' Ik ben wel nieuwsgierig naar die verzameling. Prachtig materiaal voor een receptieonderzoek. Fascinerende stof.

Merkwaardig is evenwel de manier waarop Kluun ermee omgaat, want hij zegt erover: 'Ervaren, bekwame recensenten die elkaar volstrekt tegenspreken.' Alsof ervaren, bekwame recensenten elkaar niet tegen mogen spreken. Erger: alsof elkaar tegensprekende recensenten dan ook onervaren en onbekwaam zijn. Dat laatste staat er niet met zo veel woorden, nee, maar het klinkt er wel in door. Kan ook aan mijn oren liggen.

zaterdag, oktober 13, 2012

Litkrikrit-V (slot)

In al mijn vroolijk hermeneutisch belichten van literatuurkritiek en enkele randverschijnselen ervan kan het stuk dat een en ander aanstichtte niet overgeslagen worden. Als slot dat dan.

In zijn recensie van Pier en oceaan in de Volkskrant (6 oktober 2012) valt Arjan Peters, zo lijkt het, enerzijds met de deur in huis maar neemt hij, anderzijds, een omweg. Hij valt met de deur in huis door in de ‘eigenlijke’ recensietekst niet eerst te refereren aan de reclamepoeha rondom deze als magnum opus in de markt gezette roman, terwijl die op de achtergrond wel mee lijkt te spelen in zijn oordeelsvorming. Maar zijn recensie is onderdeel van de gecombineerde presentatie van twee recensies. Links naast die van Peters over De Jongs jongste staat die van Daniëlle Serdijn over Tommy Wieringa’s Dit zijn de namen. Er staat een forse kop boven deze twee stukken:

De twee reuzen van het najaar
De introductie erboven luidt:
Oek de Jong publiceerde zijn 'magnum opus', Tommy Wieringa schreef een monumentale roman. Waar Wieringa de lat weer hoger heeft gelegd, is De Jong niet verder gekomen sinds zijn succesvolle Opwaaiende zomerjurken
Hier, in deze paratekst, wordt al veel duidelijk gemaakt: twee schrijvers van naam publiceren een belangstellingwekkend boek; het een is nog, of: weer beter dan het vorige boek in het oeuvre, het andere is wel erg dik, maar biedt niets nieuws vergeleken met het romandebuut van de auteur. Het ene nieuwe boek is alleen letterlijk, kwantitatief een magnum opus, het andere, dat niet zo genoemd wordt, is het figuurlijk, kwalitatief. Het een is groot, het ander groots.

Ik schrijf hierboven: ‘eigenlijke’ recensietekst, maar die kop en de intro zijn onderdelen van de recensie die van belang zijn voor een goed begrip van het oordeel over niet alleen De Jongs boek, maar ook voor een goed begrip van het oordeel over Wieringa’s boek. Het eigenaardige van deze twee recensies is dat ze samen een comparatief argument aandragen voor het oordeel over beide boeken, terwijl ze elk apart ook nog de vergelijking maken tussen het te bespreken boek en andere werken uit het oeuvre van de desbetreffende auteur. Een dergelijke presentatie is alleen goed mogelijk in een (opengeslagen) krant, zoals in dit geval pagina 2 en 3 van de Boekenbijlage de Volkskrant. De kop en de lead staan op pagina 2, de foto’s van de auteurs prijken gezamenlijk op pagina 3. In digitale versies van beide stukken verdwijnt die context.

Zijn omweg maakt Peters door in de ‘eigenlijke’ recensie te beginnen over De Jongs eerste, indrukwekkende, in ieder geval destijds zeer goed ontvangen want 'succesvolle' roman Opwaaiende zomerjurken. Een vergelijkbare omweg maakt Sebastiaan Kort in de NRC (12 oktober 2012), maar dan via referentie aan en lof voor Hokwerda’s kind, De Jongs laatste roman voor Pier en oceaan. Het presenteren van een nieuw boek in het licht van het eraan voorafgaande oeuvre lijkt (me) een goede kritische techniek. Geen boek komt immers uit de lucht vallen. Ook het vergelijken van het werk van twee auteurs is goed middel om tot een oordeel over een van beide of allebei zelfs te komen.

Peters besteedt drie alinea’s aan de parallel tussen De Jongs oudste en jongste roman, en aan het slot van de derde alinea betrekt hij de – zeker in het oeuvre van De Jong buitensporig te noemen – omvang van Pier en oceaan erbij, gevolgd door het oordeel dat het boek niets anders biedt dan het driemaal zo dunne debuut. In de tussenliggende periode van drieëndertig jaar, zo zegt Peters teleurgesteld, is De Jong ‘geen steek verder’ gekomen. Een vergelijkbaar oordeel velt Kort in de NRC, ondanks de ruimhartige vier bolletjes: ‘Allengs begint zich de gedachte aan te dienen waar het allemaal naar toe moet met dit boek. En dat “gaat” het dan ook niet echt’.

Exponent van de combinatie van een driemaal zo grote omvang en een gelijk blijvende inhoud is in de optiek van Peters ‘de traagheid van het nieuwe boek [...] waarin de grootste beweging de verhuizing is van Friesland naar Zeeland’. Dit is zeer gecomprimeerde, maar forse kritiek, als in: analyse en daaraan gekoppeld oordeel. Hij constateert dat ‘alles uitentreuren herhaald’ wordt, wat die traagheid goed verklaart. Die herhaling illustreert hij met één voorbeeld, waar hij er talloze had kunnen noemen; wellicht wilde hij niet vervallen in de fout die hij De Jong verwijt te hebben gemaakt.

In alinea vijf en zes van zijn recensie probeert Peters een antwoord te geven op de vraag die hij zich in zijn kennelijke teleurstelling en/of verbazing stelt: ‘Waarom doet Oek de Jong dit?’ Dat antwoord vindt hijveronderstellenderwijs in de biografische achtergrond van de roman (waar ook Kort op wijst): ‘Het zou kunnen dat De Jong als een naturalist wil aantonen dat je als eenzaam protestantje in de jaren vijftig en zestig écht opgesloten zat in de provincie’.

Desniettegenstaande kan de traagheid, de herhaling, de geringe gebeurtenisdichtheid van de roman Peters niet bekoren. Als er iets lijkt te gaan gebeuren in de roman, gaat het niet door (het verhaal dat de hoofdpersoon halverwege de roman denkt te gaan schrijven), of is het al te laat (namelijk pagina 786) voor De Jong om de lezersschade, althans de Petersschade, nog te kunnen herstellen.

Dat, opnieuw verwoord als het te geringe aantal ‘bevlogen passages’, gevoegd bij de stoffige taal of stijl (met illustraties) zijn Peters’ argumenten voor zijn in twee sterren samengebalde oordeel, dat eerder al tot uitdrukking kwam in de descriptie van zijn lectuur als 'een bezoeking'. In het slot van zijn recensie refereert hij (opnieuw) aan de door de uitgeverskwalificatie magnum opus gewekte verwachtingen en hoe die door de roman niet ingelost worden. Een rond verhaal.

Misschien ben ik wat te welwillend als Peterslezer, bijvoorbeeld doordat ik al lang zijn recensies in de Volkskrant lees, naast die in de NRC, De groene, De reactor.org, Recencieweb.nl en meer incidenteel ook andere (gedigitaliseerde) bronnen. Ik kan hoe dan ook voor de verontwaardiging die zijn stuk losmaakte (bij De Goede, Ouariachi onder anderen) weinig feitelijke grond vinden (oei, dit is een lelijke mix van metaforen).

Dan zal het de toon zijn die de muziek maakt. Een ontboezeming als de volgende zal niet ieder in het juiste keelgat schieten:

wél ontsnapte mij een kreet toen ik, met de tong op de schoenen, pagina 786 had bereikt en daar de zin las: 'Een volkomen nieuwe gewaarwording deed zich voor: hij wilde aan het werk.' Dat werd verdomme tijd.
Een misschien wat al te krasse verwoording van zijn opluchting over het gegeven dat er eindelijk eens schot in de Pier en oceaanse zaak leek te komen. Dat Peters zijn recensie besluit met ‘In Pier en oceaan gaat het achthonderdtweeëndertig pagina’s lang van kabbel, zaag, gaap en oeke-tjoek’ lijkt ook mij minder netjes; het is te zeer een luchten van het getergd recensentengemoed en te weinig de zakelijke formulering van een analyse of oordeel waar de lezer, die de roman nog niet kent, iets aan heeft bij zijn/haar poging een eigen oordeel te vellen.

Overigens vraag ik me af hoe ik het boek gelezen zou hebben als het door Van Oorschot zou zijn uitgegeven.

vrijdag, oktober 12, 2012

Litkritkrit-IV

Deze notitiereeks begon ik mede naar aanleiding van Anton de Goedes bedenking bij de (on)zin van sterretjes bij literatuurrecensies onder de prikkelende titel 'Vallende sterren'. Ik wil daar graag de 'Loze bollen' aan toevoegen.

Vandaag besprak Sebastiaan Kort Pier en oceaan in de NRC in een behoorlijk lange recensie, onder een titel die de roman in verband brengt met niemand minder dan Marcel Proust (kennelijk begint de nominatie voor de volgende Nobel-prijs nu al): 'Op zoek naar de verloren tijd'. Die hele Proust wordt in de recensie verder nergens meer gezien, trouwens. Misschien dat de koppenredacteur vrij spel had.

'Vreemd,' noteerde ik vandaag elders in een stukje over De Jongs dubbeldekker, 'om vandaag in de NRC de recensie van Sebastiaan Kort te lezen: "Perplex sta je door het stilistisch vermogen dat Oek de Jong tentoonspreidt in Pier en Oceaan." "Je" is een ander, om Rimbaud maar eens te verhaspelen.' Dat laatste noteerde ik omdat ik, onder meer, de stijl van deze roman alles behalve in positieve zin perplexifiërend vind.

Korts hier geciteerde lof staat in een kadertje rechts onderaan de pagina, en behoort in zekere zin niet tot de eigenlijke recensietekst. Maar ze is kennelijk wel zo belangrijk, dat ze, lichtlijk misvormd, ook op de eerste pagina van het boekenkatern staat afgedrukt: 'Stilistisch sta je van dit boek perplex'. Misschien weer de schuld van de afdeling opmaak.

Maar vreemder nog is het dat in de recensie niet één goed woord over de stijl van de roman te vinden is. Even dacht ik toch een relevante passage gevonden te hebben, maar daar staat: 'Perplex sta je dan ook wat er allemaal gebeurt als Abel alleen maar zoiets onschuldigs als een badkamer betreedt' (ik heb dit citaat driemaal gecontroleerd: zo staat het er). Hoeveel deze passage wellicht onthult over de inhoud van de roman en de onschuld der badkamers tussen ongeveer 1950 en 1970, met de stijl van Oek de Jong anno 2012 heeft een en ander weinig tot niets te maken. Wat Kort wel over die stijl zegt, staat in de op een na laatste zin: 'omdat het zo mooi geschreven is.' Argumentatie en illustratie absent.

Kort laat niet na te benadrukken dat deze roman niets nieuws biedt. Hij zegt dat de roman gesitueerd is in een tijd 'waarin zich in Nederland de grote maatschappelijke ommekeer voltrok. Wankelende kerktorens, vloeistofdia's, "hasjiesj": u kent het verhaal, het is al zo vaak verteld.' Het boek heeft veel weg van De Jongs levensverhaal, stelt Kort verderop, 'net zo goed een verhaal dat al in ons hoofd zit [namelijk dankzij 'interviews en profielen' uit de afgelopen jaren]. En dat verhaal kennen we dus al, ook omdat het al voor een deel in Edo Mesch [de hoofdfiguur van Opwaaiende zomerjurken] werd gelegd.' Hoe dat gaat, een verhaal in een personage leggen, vraag het me niet.

En in de daarop volgende alinea stelt Kort: 'Allengs begint zich de gedachte aan te dienen waar het allemaal naartoe moet met dit boek. En dat "gaat" het dan ook niet echt.' Het gaat, zegt Kort, als een tweede Peters, nergens naartoe. 'De grande finale die zo'n groots opgezet project verdient, heeft de Jong niet geschreven.' Bepaald geen geringe kritiek op een magnum opus. Maar Kort stelt in de lead van zijn stuk dan ook de retorische vraag: 'Maar is dit dikke boek ook een magnum opus in kwalitatieve zin?'

Kort probeert de roman des niet tegenstaande niet te kort te doen, want ook over mindere aspecten weet hij iets positiefs te berde te brengen: 'Passages dienen ontegenzeggelijk de volledigheid, maar het is niet de volledigheid van een roman.' Een niet van helderheid overstromende zin; niettemin veronderstelt Kort 'dat je niets wil overslaan in Pier en oceaan'. 'Je' misschien niet, ik wel.

Ik snap Korts recenseerlogica werkelijk niet, en nog minder begrijp ik waarom deze recensie voorzien is van een zeer lovend bedoeld aantal van vier bolletjes. Die slik ik niet als zoete koek.

maandag, oktober 08, 2012

Litkritkrit-III

Jamal Ouariachi schrijft op zijn blog naar aanleiding van Arjan Peters' recensie van Oek de Jongs Pier en oceaan onder andere: 'Inderdaad, de ruimte in een krant is beperkt. Maar een roman van ruim 800 pagina’s, waar vele jaren aan is geschreven, bespreken in vier kolommetjes van nog geen halve paginalengte?'

Daarmee impliceert hij een knalhard rekenkundig criterium in handen te hebben voor de lengte van een recensie: hoe dikker het besproken boek en hoe langer een auteur aan een boek gewerkt heeft, des te langer (en lovender waarschijnlijk) moet een recensie zijn. Lof is moeilijk te meten, lengte is in het aantal woorden uit te drukken (beter dan in kolom- en paginalengte).

Peters besteedt 887 woorden aan Pier en oceaan dat tien jaar na De Jongs vorige roman, Hokwerda's kind, verscheen. Rechts naast Peters' recensie staat de vijf sterrenrecensie van Tommy Wieringa's Dit zijn de namen door Daniëlle Serdijn. Wieringa's boek is drie jaar na Cesarion (2009) verschenen; het boek is een relatief vluggertje en telt (dan ook?) maar 276 pagina's (Wieringa schrijft gemiddeld 92 pagina's per jaar, De Jong slechts 83,2). Serdijn steekt Wieringa evenwel niets dan pluimen op zijn hoed met een recensie van maar liefst 855 woorden .

Hoe zit dat nu met de Ouariachi-recensieformule? Aantal bladzijden gedeeld door aantal jaren, plus woordental van de recensie*, gedeeld door twee?
Peters-De Jong: (832 : 10 + 887) : 2 = 447,66
Serdijn-Wieringa: (276 : 3 + 855) : 2 = 473,5
Zo erg groot is dat verschil dus niet.

De alternatieve Ouariachi-recensieformule, sinds kort ingevoerd en onderhevig aan de zogenoemde professor Stapel-correctie, luidt: aantal bladzijden plus aantal jaren werk, gedeeld door aantal woorden van de recensie:
Peters-De Jong: (832 + 10) : 887 = 0,4746335, afgerond 0,475
Serdijn-Wieringa: (276 + 3) : 855 = 0,3263157, afgerond 0,326
Dan springt De Jong er nog steeds alles behalve slecht uit.

Jaap Goedegebuure gooit als monolithische controlegroep alle metingen in de war: in het FD heeft hij aan 500 woorden genoeg, maar in Trouw heeft hij er 1122 nodig om Pier en oceaan te bespreken. Om deze onbetrouwbare factor enigszins te neutraliseren is bij de meting uitgegaan van een gemiddelde, zijnde 811 woorden. Daarmee steekt Goedegebuure's gecorrigeerde Ouariachi-recensiequotiënt van 1.038 wel heel erg ongunstig af tegen de rest van het veld. Benieuwd wat het oordeel van Ouariachi in dezen zal zijn.

* Alleen platte recensiewoorden zijn geteld, met voorbijgaan aan die van koppen en loutere product-info. Interviews met de auteur zijn niet in het onderzoek betrokken. Aanpassing van de onderzoeksgegevens is mogelijk, maar afhankelijk van de financiering van de contra-expertisekosten.

zondag, oktober 07, 2012

Litkritkrit-II

Oeioei, Arjan Peters is weer over de schreef gegaan, of een schreef, of die van Jamal Ouariachi, die van de Contrabas, en die van Anton de Goede. Die laatste noteert op de VPRO Boeken-site het volgende
boekbesprekingen lijken [...] aan nuance te verliezen. Kras voorbeeld is de bespreking van Arjan Peters waarin hij dit weekeinde (6/10) de nieuwe ‘grote roman’ Pier en oceaan van Oek de Jong de grond in boort en vernietigend voorziet van slechts twee sterren. Peters vindt het boek van Oek langdradig en vol met herhalingen. Mag Peters vinden. Zeker. Maar wat zegt het werkelijk over de kwaliteit van Pier en oceaan?
Een goed antwoord lijkt me: niet zo veel, want 'de' kwaliteit van een roman is maar net de kwaliteit die een lezer eraan toekent; een recensent is een lezer. Een andere recensent is een andere lezer, met andere voorkeuren, een andere smaak, mogelijk een ander beoogd publiek, en mede daarom en daardoor met een andere mening, een ander kwaliteitsoordeel. Hoe meer smaken, hoe meer vreugd. En verandering van smaak doet lezen.

De Goede's vraag lijkt een beetje op een retorische vraag en hij hoeft hem daarom eigenlijk niet te beantwoorden. Hij impliceert immers het antwoord: 'niets', of: 'niet zo veel'. Maar dat is kennelijk te kort door de bocht. De Goede zoekt het antwoord op zijn eigen vraag - 'wat zegt [Peters' oordeel over Pier en oceaan] werkelijk over de kwaliteit van Pier en oceaan?' - curieus genoeg niet via een analyse van Peters' recensie en van de roman Pier en oceaan, maar langs dit dwaalspoor:

Laten we even de Volkskrant van 16 juni van dit jaar erbij pakken. Daarin bespreekt Peters de nieuwe ‘grote roman’ van Leon de Winter getiteld VSV of Daden van onbaatzuchtigheid.
En wat blijkt dan, als je bereid bent om voor een oordeel over een recensie van Pier en oceaan een paar maanden terug te bladeren naar een recensie van een andere roman van een andere auteur? Dan blijkt dat Arjen Fortuin die andere roman niet goed vond, Peters wel. Ergo: Peters oordeel over Pier en oceaan zegt niets over de kwaliteit van Pier en oceaan.

Ik ga hier even een nachtje over moeten slapen.

En ik ga Pier en oceaan uitlezen. Zou Ouariachi dat ook niet eventjes eerst moeten doen, in plaats van te schrijven 'De nieuwe Oek de Jong, Pier en Oceaan, heb ik nog niet gelezen. [...] Nogmaals, ik heb het boek niet gelezen, maar ik krijg een heel ongemakkelijk gevoel van die recensie'?

Litkritkrit

Op de site van VPRO-Boeken las ik een - instemming opwekkende - kritische kanttekening bij het oprukkende gedoe met sterren en bollen of wat voor grafische middelen dan ook in literatuurkritiek. Het stuk heeft de mooie titel 'Vallende sterren' en handelt schijnbaar over deze literatuurkritische exponent van de alles egaliserende, versimpelende en debieliserende beeld'cultuur', alom penetrant onder aanvoering wellicht van dat superdomme duimpje van Smoelboek.

Anton de Goede schrijft: '[Arjan] Peters vindt het boek van Oek [de Jong] langdradig en vol met herhalingen. Mag Peters vinden. Maar wat zegt het werkelijk over de kwaliteit van Pier en oceaan?'

Arjan had (of de krant had namens hem) de recensie van De Jongs tweedekker gemarkeerd met een magere 'waardering' van twee sterren. Het maximum is vijf, het minimum is kennelijk één ster want nooit nog zag ik een afbraakrecensie getooid met nul sterren. En ik denk, als je me het sub rosa onder vier ogen entre nous zou vragen, dat Peters in zijn kopij elk deel van de roman één sterretje heeft gegeven, maar dat ze dat op de zetterij van de Volkskrant niet begrepen hebben.

Opmerkelijk vind ik De Goede's - hopelijk niet zo bedoelde - quasi superieure formulering 'Mag Peters vinden.' Alsof De Goede - wellicht op grond van zijn omineuze naam - oordelen mag en kan over wat er zoal in den lande wordt geoordeeld in de literatuurkritiek.

Maar vooral valt me op dat De Goede doet alsof Peters als opsteller van de recensie een quantité négligeable is, doordat hij zowel Peters' oordeel in woorden als diens oordeel in dyscalculiebestendige kleutertekentjes volledig negeert en alsnog vraagt naar de werkelijke kwaliteit van De Jongs roman. Alsof de kwaliteit van een roman er met een pincetje uit te pulken is: 'Kijk, hier, dit boek is dus niet eens half goed.' Alsof er een absolute, intersubjectieve maatstaf is waarmee dat vrij geprepareerde kwaliteitsvezeltje gemeten kan worden: 'Kijk, het komt maar nèt tot de twee.' Alsof er geen kranten (meervoud) zijn met critici (meervoud) die elk voor zich visie op een roman geven, en niet de visie, elk in een artikel waarin hij/zij dat boek beschrijft en met argumenten en smaak beoordeelt. Alsof, tot slot, Peters of welke recensent dan ook, van de ratten besnuffeld is. Wie meer dan een enkele recensie van Peters of van welke recensent dan ook las, weet toch ongeveer wel wat zijn/haar voorkeuren zijn en wat niet. Waarom zou je anders die krant nog blijven lezen? (antwoord zonder logica: omdat er toch ook nog andere kranten, weekbladen, maandschriften en nog meer websites vol literatuurkritiek zijn die je ernaast leest, en radioprogramma's die je ernaast of er dwars doorheen hoort en waar je mee kunt instemmen of niet).

Dat stuk van De Goede is geen echte beschouwing van de literatuurkritiek, het is maar een warmmakertje voor een uitzending van VPRO Boeken met Oek de Jong als gast, maar toch vind ik het hooguit één sterretje waard, eens te meer omdat het de suggestie wekt dat in een gesprek met De Jong wèl de kwaliteit van zijn roman aan het licht zou komen.

zaterdag, september 08, 2012

Sokpop

In The Guardian van 04-09-2012 las ik - dank zij een blauw vogeltje - het bericht over R.J. Ellory, de thrillerauteur die bekende zijn eigen boeken positief en die van collega's negatief te hebben besproken. Het was een prachtig voorbeeld van wat ik vooralsnog rekende tot de mogelijke uitwassen van het e-recenseren, ook al had ik in Faint Praise (2007) van Gail Pool al lang gelezen over de realiteit van deze verderfelijke praktijk, maar ja, dat boek gaat over de situatie in het verre Amerika... dacht ik, in een lang gekoesterde opwelling van welbewuste naïviteit. Inmiddels is het bericht in de Nederlandse pers opgedoken, aangevuld, geaccommodeerd, opgeleukt en uitgekauwd. Het komkommerseizoen neigt ten einde.

Dit soort literair-kritische wanpraktijken heeft mijn belangstelling overigens wel (professioneel onruimgeestig als ik ben, moest ik onmiddellijk denken aan onder andere de negentiende-eeuwse 'fraude' van Kloos en Verwey cum suis, die weliswaar geen nep-recensies schreven, maar namaakpoëzie, om vervolgens aan te tonen - dachten ze - dat de toenmalige literaire kritiek niet deugde; wat minstens zo leuk is). Toch werd mijn aandacht in het geval-Ellory niet minder door de inhoud dan de taal van het krantenstuk getrokken (is het echt zo dat die Albionezen beter schrijven in hun kranten dan Hollanders in de hunne)?

Allereerst het zelfstandig naamwoord 'sock puppetry'. Dat moest ik even opzoeken omdat ik in ieder geval een letterlijke vertaling op basis van jarenlange middelbare schoolse en eigenhandige Bildung niet geloofde. Helaas bood mijn Van Dale E-N geen uitkomst. Gelukkig wees Wikipedia me erop dat het een internetwoord is, en mijn woordenboek is van 1988, de eerste druk althans) (maar een andere bron laat weten dat het woord al van 1959 stamt). Wel handig van internet, meer in het bijzonder zo'n zoekmachine, is dat er ook plaatjes meekomen; die zeggen meer dan vele woorden.

De morfologie van 'puppetry' is even fraai en even onvertaalbaar, mijns inziens ('popperij' is bagger), maar net als de betekenis wel duidelijk.

Ten tweede dook in een vervolg-blog van The guardian het werkwoord 'to trash' op, in de vorm 'trashing', een werkwoord dat ook niet in mijn Van Dale E-N voorkomt, maar waarvan de betekenis wederom geen enkel probleem oplevert. Maar, en daar wordt het opnieuw leuk, vind ik, de vertaling wel. Het woord 'trash' doet me overigens weer aan Kloos denken, die naar aanleiding van Couperus' Orchideeën (1887) schreef: 'Wij vinden alles wat hij na Santa Chiara heeft uitgegeven, de geheele "Lent van Vaerzen", zoowel als al de "Orchideëen" op die ééne na, absoluut literaire "trash", goed alleen om door heeren kritiseerende dilettanten te worden aangestaard als iets buitengewoons.' (Veertien jaar literatuur-geschiedenis, deel II, p. 29-30).

De sub-kop van datzelfde blogbericht luidt in z'n geheel: 'RJ Ellory's admission that he wrote anonymous reviews trashing his rivals has opened a can of worms – or has it?' Wat een prachtige, alweer: onvertaalbare maar begrijpelijke uitdrukking: opening a can of worms. Het houdt het midden, als beeld althans, tussen een slangenkuil en een kruiwagen met kikkers, maar geen van beide is to the point, vertalenderwijs, lijkt me. Doos van Pandora dan? Maar dat is weer zo verheven. En alweer laat mijn woordenboek me gissen. En ook de goede oude Stoett doet niet aan deze wormen. Hoppa, weder het internet als verlossing. Maar toch: is er in het Nederlands niet een vergelijkbare uitdrukking?

zaterdag, juli 07, 2012

Over recensenten

[hersteld bericht d.d.vrijdag, maart 16, 2012]

Laatst las ik De hemelse kamer van Huub Beurskens. Een prikkelende roman die niet lijkt wat hij is en niet is wat hij lijkt. Ik heb 'm prompt verkeerd gelezen, geloof ik (zie hier). Ik wil het boek daarom herlezen. En ook omdat ik het proza van Beurskens alleen al stilistisch een verademing vind te midden van al het beroerde proza dat er ook in de Nederlandse literatuur te lezen is.

Er zit een knik in het boek. Het begint als een middelbareschool-romance die natuurlijk niet goed kan aflopen, maar zo'n clichéverhaal verwacht je niet van Beurskens; dat wringt. En dan, na bijna tweehonderd bladzijden, begint er van alles te kantelen en te draaien, en nog een keer en nog eens, totdat je aan het einde weer terug bent bij het begin dat dan niet meer hetzelfde is.

Ik was nieuwsgierig naar de ontvangst van deze roman. En deze week verscheen er een recensie in De groene Amsterdammer. Maar dat is vreemd: Kees 't Hart vindt het eerste deel van de roman, waar hij lang bij stilstaat en veel lof over tuit, hartverwarmend, indrukwekkend zelfs. Maar na de omslag vindt hij er weinig meer aan. Postmodern gedoe of zo. Beurskens, niet geheel en al geamuseerd, noteert het op zijn weblog.

Opmerkelijk vind ik dat 't Hart erbij noteert: 'Ik ben natuurlijk maar een gewone lezer. Wat kunnen mij de ontwikkelingen van literatuur, het literaire debat en het literaire circus schelen wanneer ik een roman als deze lees.' Dat lijkt me pertinente nonsens. De man is - onder veel literairs meer - romancier en criticus, en niet de eerste de beste (wat een rare uitdrukking is dat eigenlijk, als je niet goed oplet; ik bedoel: hij is (of: ik vind 'm) begaafd en respectabel in beide hoedanigheden). Dan kan je toch niet terugvallen op een zo simplistische achtergrond? Dan moet je je toch verdiepen in hoe die roman in elkaar steekt en wat ermee gezegd wil zijn? In een recensie kan je toch niet zeggen: nou doe mij alleen maar het eerste stuk van deze roman, de rest is niks aan. Alsof je alleen de lijnen van een Mondriaan mooi vindt en de kleurvlakken liever ongezien laat. Zet dan je stukjes op een blogje, waar je meer vrijheid hebt dan als officieel literair criticus in een algemeen en cultureel en ook literair serieus te nemen weekblad. Vind ik. Of beginnen de grenzen tussen deze media of genres te vervagen?

In hetzelfde nummer van de Groene staan twee recensies die op een andere, ietwat sympathiekere manier net niet diep genoeg doortasten. Lynn Berger weet niet precies wat te denken van de platitudes in de roman Of ik gek ben van Michiel Stroink: zijn het miskleunen of onderstrepen ze juist (en met opzet) de thematiek? Omdat het hier om een debuut gaat, is het niet zo vreemd dat de recensent een beetje blijft zweven.

Piet Gerbrandy schrijft aan het einde van zijn bespreking van het epos De oksels van de bok van Annemarie Estor: 'Is het een goed idee het beest in ons te associëren met ongewassen allochtonen? Ruim drie decennia geleden schreef Edward Said zijn befaamde Orientalism, sindsdien geldt het als doodzonde het exotische oosten met wellustige achterlijkheid te verbinden. Is het overdreven politiek correct Said nog steeds gelijk te geven? Of moet ik aannemen dat Estor het allemaal ironisch heeft bedoeld?'

Toch ook een respectabel criticus en dichter, die Gerbrandy. En hij weet de knoop niet door te hakken en legt zijn probleem duidelijk voor aan de lezer, die misschien geen kant en klaar oordeel gepresenteerd krijgt, maar wel nieuwsgierig wordt gemaakt.

donderdag, augustus 26, 2010

Literatuurkritiek en internet

http://photos.jibble.org/[...]: Frosty Spider WebZie het vijfjarige Recensieweb, alwaar ik, met moeite, mijn huiver voor de rubriek 'reacties' toch maar eens getrotseerd heb, met een tekst die, naar ik hoop, niet de gure genre-eigenschappen heeft die internetreacties doorgaans zo - om het vriendelijk te formuleren - onaantrekkelijk maken.

dinsdag, mei 25, 2010

Berd

Eigenlijk zou ik hier of ginder wel iets te berde willen brengen over, bijvoorbeeld, een Librisprijs gewonnen hebbende roman, herstel: 'novelle' (waarvan ik gisteren in de gauwigheid op Literom vijf recensies vond, waarvan er maar een dateert van vóór de nominatie), en over, ander voorbeeld, een historische roman van een gerenommeeerd schrijfster, waarvan ik zeker twee van de slechts drie recensies als ernstig rezeptionslenkend ervoer al voor ik de roman las, een roman die ik inderdaad pas las om- en nadat ik die recensies las -, ware het (namelijk dat te berde willen brengen) niet dat ik die beide boeken ook las omdat ik ze gebruik als materiaal in de cursus Instituties: literatuurkritiek, en wel zo, dat de deelnemende studenten er niet alleen een enkele recensie van lazen, maar er ook zelf een recenserend stuk over moeten schrijven, wat voor mij reden genoeg is om er vooralsnog even mijn digitale mond over te houden, om meningsverkleuring en bevooroordeling (i.c. actieve oordeelsbeïnvloeding) te voorkomen (zo, dat was weer eens een zin van de soort die de studenten dus niet mogen gebruiken).

Maar in dit kader (welk?) (oh, het log!) kan ik best wel een citaatje geven uit een recensie van het derde boek dat de studenten moeten (of: mogen) recenseren, een mij verbijsterend citaat uit één van de maar liefst elf recensies die Literom ervan voor me bewaard heeft (dus ongeveer, of: afgerond twee- tot viermaal zoveel als van die andere twee werken):

[De schrijver] pakt uit met het decor, de sfeer, met stemmingen, maar uiteindelijk zet hij levende personages neer, mensen van vlees en bloed, zou je bijna zeggen, met wie je meeleeft, zonder storend gekunsteld aandoend maatschappelijk engagement.

Nog afgezien van een antwoord op de vraag of de laatste bepaling in de geciteerde zin betrekking heeft op het 'neerzetten' door de schrijver dan wel op het 'meeleven' door de lezer, een onthutsende opmerking van een in ieder geval (of: hooguit) zichzelf respecterende recensent, denk ik. Maar, ik moet die derde roman nog lezen.

donderdag, april 23, 2009

Valies met dromen? U'd!

Afgelopen dinsdag om 19.07 vertrokken van Utrecht Centraal naar Amsterdam dito over 't spoor door een schitterende zon-overgoten weidelandschap op weg naar wat - achteraf - zo niet een goeddeels klompbrekende, dan wel een sarongscheurende avond over literaire kritiek bleek te zijn (brrrr) met Michel Fabers Onderhuids op zak... het soort roman waar ik eigenlijk niet, nee: nooit naar zou grijpen in de boekwinkel (als ik al in de betreffende niche kom...), maar die (d.w.z. de Nederlandse vertaling ervan in een heerlijk soepele pocket van een tientje) ik kocht louter omdat-ie van Michel Faber is ('k las eerder op vakantie de vuistdikke roman Lelieblank, scharlaken rood en de ijzersterke korte verhalen van onvervalst Engelse snit The Fahrenheit Twins). En zie: raak, in de roos, bingo. Wat een idioot intrigerende roman, die heel gewoontjes begint, met een vrouw die vrij obsessief stevig gespierde, mannelijke lifters meeneemt, maar die steeds verder ontspoort en wordt tot een maf en gruwelijk soort science fiction-achtige anti-bio-industriethriller (ha: de geboorte van een genre!).

Voor ik kon verderlezen, maakte een jonge man plaats voor mij, door een nogal vreemd gevormde koffer te verschuiven, zo'n ding waar een muziekinstrument in zit. Nimmer te beroerd om wildvreemden aan te spreken, vroeg ik de kennelijke eigenaar: welk instrument? Iets luiterigs, had ik in mezelf gegokt (en ik kreeg het woord 'luthier' weer in de geest dat dochter en ik een tijdje terug in de buurt van ons hotel in Parijs, bij Gare Saint-Lazare, op talloze etalageruiten hadden gezien).

Deels raak gegokt.

Een Arabische luit, een U'd. Hier werd het ijs me te glad onder de voetjes, want ik weet van muziek zo weinig dat het aan niets grenst; wat me er niet van weerhoudt er graag naar te luisteren. Bij doorvragen was de muzikant zo vriendelijk mij zijn kaartje te geven, waarop een web-adres met nadere informatie. Hij vertelde er alvast wel bij, dat hij met zijn muziek een brug probeert te slaan met wat ik dan maar noem meer westerse muziek. Geen hardcore U'd, dus.

Klopt. Klik maar op audio op zijn site. En zo kon ik dankzij de trekschuit der 21-ste eeuw, een visitekaartje als intermediair, en het internet weer iets bijleren. Hartelijk dank, Haytham Safia.