zaterdag, februari 27, 2016

Nare mannen

De hoofdpersoon van de eerste roman van Sander Schwartz, de hoofdpersoon van De vergever, de jongste roman van Robert Anker, is volgens zijn geestelijke vader 'Een nare man'. En Schwartz vervolgt: 'Ik heb iets met nare mannen, ik weet niet waarom, ook mijn volgende boeken worden erdoor bevolkt.' En een eindje verder recapituleert hij nog eens:
Enfin, het waren echte mannenboeken die ik schreef, bevolkt door harde mannen. Misschien moet ik dat woord 'hard' een beetje nuanceren. Ze waren vooral hard voor zichzelf. Ze moesten zichzelf neerzetten in een weigerachtige wereld. Ze waren er niet op uit om anderen te benadelen maar dat gebeurde natuurlijk wel, en dat ze daarbij op gespannen voet stonden met de heersende moraal, laat zich raden. Zulke mensen vinden wij al snel onaardige, nare mensen.
Klopt, zou ik ook zeggen als dit een analytische beschrijving was geweest van het oeuvre van Robert Anker. Zo'n gast als die Schwartz noem ik elders een pro-actieve seksist. En dat was niet als compliment bedoeld, let wel: als het om een mens zou gaan; maar nu het om een personage van een roman van Anker gaat, maak ik me er minder zorgen over. Bovendien gaat het lancet van Anker heel diep in het wezen van die Schwartz. Nadat hij hem tot leven heeft gewekt en even zijn woeste gang heeft laten gaan, sloopt hij hem ongenadig. Hij slaat zijn gewapendbetonnen bolster aan barrels zodat zijn eigenste werkelijke zieltje bloot komt te liggen. Dat laat Anker die Schwartz natuurlijk zogenaamd zelf doen. Maar we moeten niet vergeten dat binnen de romanwereld die snerpende analyse wordt opgesteld en uitgesproken door Schwartz' grote (inmiddels ex-)geliefde Kim. Kim dringt tot zijn wezen door, en vertrekt, en als ze elkaar per ongeluk weer ontmoeten in de Bijenkorf, stelt ze de diagnose.
En toen ik dat las, dacht ik: iets vergelijkbaars heb ik eerder gelezen. Bijvoorbeeld in Een kleine moeite van Hans Blom. En toen ik daar iets over noteerde, moest ik weer aan een ander vergelijkbaar boek denken, Een mooie jonge vrouw van Tommy Wieringa. En nu schiet me te binnen dat ook in Compassie van Stephan Enter een empathieloze hork ten tonele wordt gevoerd en door de psychologisch-analytische gehaktmolen wordt gedraaid.
Al met al een aardig tuiltje recente romans met antipathieke hoofdpersonages, die door een meestal niet erg prominent vrouwelijk personage doorzien worden en op een ander, beter spoor worden gezet. Vergelijk dat eens met een roman als Het smelt van Lise Spit: de heldin lijkt wel een aanminnig meisje en jonge vrouw, en haar jeugdvriendjes zijn inderdaad zelfingenomen seksistische rotpubers, maar die Eefje, later Eva, komt niet op een beter spoor. Zij onderneemt de ijselijkste wraak die maar denkbaar is. Niks geen compassie of katharsis, althans niet een ten goede.

vrijdag, februari 19, 2016

Geesje, muze

In de Volkskrant vandaag las ik een vast wel heel verkeerde, ongewenste, politiek incorrecte, want heteroseksueel-mannelijk-chauvinistisch-zwijnerige beschrijving van een belangrijk model van de schilder G.H. Breitner; alle de werken die hij maakte met haar als model hangen nu bijeen in het Rijks Museum. Stefan Kuiper noemt haar in die krant '[e]en frêle antilope met flaporen'.

Ik heb, ook al is het niet correct, een zwak voor die kimonodoeken van George, en voor Geesje, en nu ook voor die rare omschrijving van meneer Kuiper. Er zou eens een romancier of romancière het verhaal van Geesjes leven moeten optekenen, in de trant van die roman van Margriet de Moor over dat gewurgde meisje dat Rembrandt tekende, om maar een voorbeeld te noemen.

Een beetje rondbladerend in de ether vond ik een itempje van DWDD over de tentoonstelling (wat me eigenlijk meteen deed besluiten die maar niet in het echt te gaan bezoeken: ik ga me daar een beetje m'n nek staan te verdraaien tussen al die honderden Van Nieuwkerk-adepten die zelf niet weten wat de moeite waard is; dank je feestelijk). De als 'directeur collecties' geafficheerde Taco Dibbits mocht er zijn licht over laten schijnen en zei, toen hij de naam van Geesje Kwak had genoemd: "wat natuurlijk al een grappige naam is". Kunsthistorische lulkoek, lijkt me.

Daarna vertelde hij dat Geesje en haar zus Anna, die ook modelleerde voor Breitner, afkomstig waren uit de Zaanstreek en in Amsterdam kwamen wonen, in de Pijp, om in een naaiatelier te werken waarschijnlijk. Toen wist hij zich gelukkig beter te gedragen.

Verder zei Dibbits, waarschijnlijk om de bijzonderheid van de tentoonstelling aan te prijzen, dat Breitner zelf al die werken nooit bij elkaar had zien hangen in één ruimte. Tsja, maar heeft Van Gogh wel ooit al zijn zonnebloemen bijeen gezien, Pollock al zijn druppels, Warhol zijn soupen, Mondriaan z'n vlakken en lijnen? Vul het rijtje zelf aan en maak er een mooie tekening bij.

Breitner zag ze nooit bijeen want hij verkocht al dat werk. Wat weer een leuk licht werpt op het klassieke beeld van de laat-negentiende-eeuwse artisten als bohémiens. Maar in dit geval een vals licht, want Breitner had inderdaad een voortdurend, chronisch en ongeneeslijk gebrek aan poen. Zijn vrienden, om van zijn gebedel af te zijn, hebben toen maar een fonds in het leven geroepen, waar de schilder uit kon putten. Over een tijdje* kan ik hier een hyperlinkje aanleggen naar een paar woorden over deze kwestie en aanverwante zaken...

* Dat tijdje is nu voorbij: hier is m'n opgraving.

maandag, februari 01, 2016

Quotum, of: geconsolideerd inzicht, dan wel: Bel, 'spits', Bloed en rozen

[E]ind vorige [= 19e] eeuw ontstond er een diepe kloof tussen kunstenaar en maatschappij. Het gevolg was dat er zich een even wijde gaping dreigde te openen tussen de nieuwe literatuur en het publiek. De tegenstelling tussen de hoge kunst en de ontspanningslectuur, die waarschijnlijk al in de hele negentiende eeuw aanwijsbaar is, werd opeens op de spits gedreven.
Ton Anbeek en Jaap Goedegebuure, Het literaire leven in de twintigste eeuw. Leiden: Martinus Nijhoff 1988: 18-19.

De Tachtigers [...] staken hun minachting voor het grote publiek niet onder stoelen of banken. Hiermee dreven ze de tegenstelling tussen 'hoge kunst' en ontspanningslectuur, die al de hele negentiende eeuw aanwijsbaar was, welbewust op de spits.
Helleke van den Braber, Geven om te krijgen. Literair mecenaat in Nederland tussen 1900 en 1940. Nijmegen: Vantilt 2002: 61-63.
Aan het eind van de negentiende eeuw hadden veel kunstenaars zich afgekeerd van de samenleving. Er ontstond een breuk tussen auteur en publiek, tussen kunstenaar en maatschappij. De tegenstelling tussen hoge literatuur en ontspanningslectuur, die al in de negentiende eeuw bestond, werd toen door sommige auteurs op de spits gedreven.
Jacqueline Bel, Bloed en rozen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900-1945. Amsterdam: Bert Bakker 2015: 78.

woensdag, januari 20, 2016

Bel, Braak, Bloed en rozen

Wat zijn het toch een rare 'gegevens' waarmee een literatuurhistoricus (m/v) moet werken. Zo schrijft Bel met betrekking tot Gilliams' Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936): 'De critici waren positief. Dat het boek vernieuwend was [...] werd overigens niet opgemerkt.' (689) Ik neem aan dat het diezelfde critici waren, die dat vernieuwende niet hebben opgemerkt. Dat werpt toch wel een zorgelijk licht op het concept 'vernieuwend', lijkt me.

Over diezelfde Gilliams - maar dan meer in het algemeen - noteert Bel: 'Vanaf de jaren zeventig kreeg hij de ene prijs na de andere. Toch is zijn werk nooit bekend geworden bij een groot publiek. Zijn dagboeknotities, die in 1943 verschenen [...] trokken de aandacht. [...] Gilliams behoort inmiddels bij de gecanoniseerde auteurs.' (691) De wondere wegen naar de roem. Er staan in Bloed en rozen wel meer opmerkingen die wijzen op de enorme spanning tussen officiële reputatie enerzijds en (verkoop)succes c.q. aandacht van de (gewone) lezers aan de andere kant.

Inmiddels ben ik gevorderd (nee, snel lees ik niet, afgeleid als ik ben door de brieven van Tepper, om maar wat te noemen) tot hoofdstuk 4.5 '"Le chemin de dames": vrouwen in de letteren'. Dan zitten we meteen met bladzijden vol over de opinie van Ter Braak. Weer zo'n figuur met een literair aura van hier tot gunter maar met een lezerspubliekje van likmevestje (om mijn moeders uitdrukkingen maar eens te lenen).

Hoe het kan, weet ik niet, maar opeens was er dit:

Uit: Menno ter Braak, Mémoires involontaires. Facsimile-editie bezorgd door ir. Elizabeth de Vooze. Oldenkotte: J. W. Vreugdendal & Zn, 1916, p. 573.


zaterdag, januari 16, 2016

Smullen

Van dingen spreek ik in de tweede werkelijkheid,
dat is de buigzame herinnering;
beleven is te snel zelfs voor verwondering:
een voetstap klinkt als men hem niet meer hoort.

Dat is van C.O. Jellema (uit de bundel Klein Gloria en andere gedichten - 1961).

En vandaag lees ik:

Herinneringen raken mij dieper dan ervaringen in de tegenwoordige tijd.

Dat is Nanne Tepper (geciteerd in de inleiding van De kunst is mijn slagveld).

Hmmmm, weekeinde.

Quizzle

"Sels schrijft het meest affectieve proza dat ik sinds tijden las. De vertelwijze is episodisch: de vorm die gebeurtenissen aannemen als vaste genres om hun ontwikkeling, afwikkeling en verwikkeling te beschrijven ontbreken."

Na hoeveel keer lezen begrijp je de tweede zin? Zo nee, dan ligt het aan mij.

zaterdag, januari 09, 2016

Terminologisch bederf

Van een opmerkelijk boek is onlangs een opmerkelijke editie verschenen. Het is een boek waar ik slechts enkele pagina's van heb gelezen toen het tot mijn verrassing en schrik tussen honderden fatsoenlijke digitale romans op een usb-stokje bleek te staan dat ik van iemand kreeg toen die iemand hoorde dat ik een e-reader had aangeschaft, zo maar. Het boek is werkelijk niet te pruimen, niet te lezen zo beroerd geschreven. Ik kan dus niet zeggen dat ik het gelezen heb. Maar ik denk dat ik de strekking al wel via andere wegen had vernomen voor ik die twee-drie pagina's las.

Het verscheen oorspronkelijk in twee delen; het eerste in 1925, het tweede in 1926 (wanneer het gedigitaliseerd is, weet ik niet). De ondertitel van het eerste deel luidt: Eine Abrechnung, die van het tweede: Die nationalsozialistische Bewegung. En de hoofdtitel van beide delen is: Mein Kampf. In mei 1930 verscheen de 800 bladzijden tellende 'Volksausgabe' (hoe leerzaam is het internet).

De recent verschenen editie wordt een 'kritische editie' genoemd. Maar, waarde filologen, laat u niet bedriegen. Het begrip 'tekstkritiek', zoals wij dat kennen en hanteren, lijkt hier niet in het geding; en er is al helemaal geen sprake van een historisch-kritische of een critical-text-editie. Deze editie is hooguit een geannoteerde lees-editie en heet 'kritisch' omdat de editeurs de inhoud van het boek kritisch bejegenen en van commentaar voorzien: alle idiote ideeën, bezopen gedachten en als feiten gepresenteerde leugens van Hitler worden becommentarieerd.

Dat annoteren is nog een hele klus geweest, want de kranten en dergelijke laten niet na te verklappen dat deze 'editie' maar liefst 3500 geleerde kanttekeningen bevat. Dat zijn gemiddeld 4,375 noten per pagina breedsprakig proza. Dat heeft tot gevolg gehad dat het boek nu niet 800 pagina's telt, maar meer dan het dubbele: 1948 (en opnieuw een tweebander is). Dat lijkt heel wat, maar het betekent een editiefactor van slechts 2,435. Dat is klein bier vergeleken bij menig Nederlandse (literaire) historisch-kritische editie in de echte academische zin van het woord; die komen zelfs tot een factor 10.

Over de zorgen van de editeurs met betrekking tot en voor de constitutie van de tekst van Mein Kampf heb ik vooralsnog geen letter gelezen; maar dat zijn we in ons lieve kleine vakgebiedje wel gewend.

vrijdag, januari 08, 2016

Amekaar

Aristoteliaans is dan in verband hiermee, om te denken in termen van teveel of te weinig. Er kan teveel [of] te weinig zijn
(Arjo Klamer, 'Handelen uit overtuiging', 2004)

Da's toch vreemd (ik struikel er wel vaker over), dat je twee woorden/woordgroepen niet op dezelfde wijze schrijft terwijl ze qua opbouw geheel overeenkomen (in dit geval: 'te' + onbepaald hoofdtelwoord) en qua betekenis ook (zij het dan zoals zwart en wit overeenkomen, namelijk als tegengestelden).

Zeker in de tweede zin is duidelijk dat bedoeld wordt dat er van iets te veel kan zijn of te weinig. Bij de formulering van de eerste zin zou de gedachte aan 'een teveel' kunnen hebben meegespeeld; maar dan zou daar, omdat 'of' hier een tegenstellend voegwoord is, toch tegenover moeten worden gesteld: 'een teweinig'?

Maar dat mag dan weer niet, want de Woordenlijst Nederlandse taal kent het woord 'teweinig' niet, maar wel wel 'teveel' (dat zegt misschien niet alles, want de dikke papieren Van Dale(2005) denkt er hetzelfde over, maar kent wel het zelfstandig naamwoord 'weinigte', en zelfs 'veelte', ook al zijn die verouderd; de digitale Woordenlijst wil daar helemaal niets van weten, en vraagt, een tikje neerbuigend, twee maal of ik misschien een ander woord zocht).

Och, dan moet 'een teweinig' zeker 'een tekort' zijn? Maar dan zou een andere Klamer iets kunnen zeggen als:

Aristoteliaans is dan in verband hiermee, om te denken in termen van tekort of telang. Iets kan te kort of te lang zijn
In het echte citaat gaat het over onder- of bovenmaatse hoeveelheid, in het nepcitaat om lengte; dat zou toch allemaal op dezelfde wijze geschreven moeten kunnen worden. Maar ik geef je op een briefje dat 'telang' niet in de Woordenlijst staat. Dat zal wel 'overschot' moeten zijn, denk ik. Maar dat weet de Woordenlijst niet, en ze vraagt of ik wellicht 'belang' bedoel. Nee dus. En ook niet 'bekort', trouwens, noch 'beweinig, noch 'beveel'.

Hoe een mens toch ooit deze taal verwerven kan. En dat terwijl ik iets aan het lezen was over narrative progression. Dat wordt een Echternach-progressie, als ik zo doorga.

zaterdag, januari 02, 2016

Helemaal autonoom en met eigen merites

Twee kranten proberen een zojuist overleden zangeres te waarderen. Omdat ze zo goed was, ondanks een wat zwaar en getekend leven; maar zingen dat ze kon! Geweldig. Gek genoeg ontkomen ze er allebei niet aan deze zangeres slechts te waarderen in het kader van het gegeven dat haar vader een zanger was. Ze blijft dus in deze kranten de dochter van een zanger wiens naam wèl in de kop van het In Memoriam wordt genoemd. Sneu.






zondag, december 27, 2015

Kwetutniet

Omgang met woorden, spelling: een sleepend zeer, een chronisch leiden.

En daar komt ook betekenisbesef bij kijken.

Zo heb ik er aardigheid in om 'mijn' studenten (dit is: studenten die het lot treft door ze in mijn werkgroep verzeild te laten geraken) erop te wijzen dat ze zich bezighouden met interessante, precaire concepten. Ze studeren immers Nederlandse taal en cultuur. Dan gaat het vaak om nuances en zelfreflexiviteit en het dienovereenkomstig trachten te vermijden van witte en/of mannelijke staar, bijvoorbeeld.
[CNTR ALT]
Zo heb ik er aardigheid in om 'mijn' studenten [...] er op te wijzen dat ze zich bezig houden met interessante, precaire concepten. Ze studeren immers Nederlandse taal en cultuur. Dan gaat het vaak om nuances en zelfreflexiviteit en het dien overeenkomstig trachten te vermijden van witte en/of mannelijke staar, bij voorbeeld.

Grote kans dat in het eerste van een reeks colleges er iemand zegt dat zij/hij vindt dat iets gewoon een geval van [...] is.
- Zo 'gewoon' is dat niet, lijkt me, anders spraken we er nu niet zo uitgebreid over, toch?
- Oh, nee, dat is natuurlijk zo, maar wat ik wilde...
- Nee, 'natuurlijk' is het ook niet, weinig in cultuur is natuurlijk, en in taal zo mogelijk nog minder, denk ik.

Ja, inderdaad, met dergelijke interrupties sla ik de discussie bij- en op een haar na dood, maar à la Dreverhaven deed met Katadreuffe, hoop ik, zoals ook graan dood moet gaan om nieuw gewas te genereren. Hoop ik althans.

Het kerst- en jaarwisselingsreces gebruik ik om te proberen een gigantische leesachterstand weg te werken (nee, het lukt niet). En daarbij bleef deze keer (ja, het lukte eerder ook al niet, waardoor het nu al weer moeilijker wordt) bleef ik deze keer dus met het lezend ogenpaar haken aan de zeker in hedendaagse romans mijns inziens verderfelijke want klakkeloos gebruikte bepaling "(de) een/ene of andere" + [zelfstandig naamwoord]. Het betreft hier nadrukkelijk een pre-wetenschappelijke, intuïtieve hypothese, meer een veronderstelling dus, of een vooronderstelling, noem het gut feeling.

Eerder struikelden mijn lezende doppen al over de zinledige interjectie "soort van".
In de Das Mag-roman van Lize Spit komt deze stoplap gelukkig slechts drie keer voor.
In Wortels Das Mag-boek maar één maal (inderdaad: ik ben dol op digi's), net als in Couperus' Van oude menschen (A-P&VG). Hulde!
In Nu ik van Pontzen (Querido) geen keer. Dubbele hulde. Dito voor Peeks Godin, held (Querido), De helleveeg van Van der Heijden (Bezige Bij) en De nieuwe elite van Ter Braak (Leopold's).
In de Nederlandse vertaling van 2666 van Bolaño (Lebowski) zes, maar da's dan ook een heel extreem dik boek, ook statistisch bezien.

Maar wat nu als ik "of andere" als zoekterm door die zelfde digitaal voorhanden romans jaag?

Hier zijn de resultaten:

5 Spit (waarvan 4 x "op de een of andere manier", 1 x "om de een of andere reden")
1 Wortel ("manier")
0 Couperus
2 Pontzen ("op de een of andere manier", "om een of andere Vlaamse grap")
0 Peek
7 Van der Heijden (5 x "op de een of andere" waarvan 3 x met "manier", verder met "misstap" en "orgeldraaier"; 2 x "een of andere" met "kliniek" resp. "toost")
0 Ter Braak
67 Bolaño (waarvan 21 x "de een of andere manier", 1 x "een of andere onverklaarbare manier", en de rest 10 x "de een of andere ranch, anekdote, principiële verklaring, farmaceutische industrie, winkel, trattoria, aanval, ziekte" en 2 x "reden", en de rest van de rest "een of andere [zelfstandig- naamwoord(groep)]".

Interessant bij de laatste (wellicht meer in het bijzonder de vertalers Aline Glastra van Loon en Arie van der Wal) is dat "de" wegvalt wanneer er een bijvoeglijk naamwoord vóór "manier" opduikt.

De schrijver van de roman, die ik nu aan het lezen ben, en op basis van welke leeservaring de bovengenoemde hypothese weer aan des bewustzijns oppervlakte drijven kwam, mag zich gelukkig prijzen dat ik geen e-versie van zijn boek heb, tenzij hij (want het is een hij) de contra-hypothese aanhangt dat mijn indruk van nul en generlei waarde is, totdat er een literair-stilistische datamijnwerker de nodige feitelijke evidentie onder geschoven heeft.

En dan nog: vooralsnog zie ik geen correlatie tussen het voorkomen van de stoplap en mijn oordeel over een roman; maar wellicht brengt een statistische correctie daar verandering in, dat wil zeggen een relatering van de frequentie aan de omvang van de tekst (maar dan nog blijf ik de roman die ik nu lees beter vinden dan veel andere romans die ik onlangs las) (maar ik heb de roman nog niet uit, dus ik weet het nog niet helemaal).

Maar wat me nu het meest verbaast: waarom schrijven 'we' steeds hardnekkig: "op de een of andere manier", en niet: "opdeëenofanderemanier" en "opeenofanderemanier", wat beter zou zijn, afgaande op de woordenlijstregels.

Een "woordgroep groeit" namelijk "aaneen door veelvuldig gebruik": "Woordcombinaties die vaak voorkomen in ons taalgebruik, krijgen gemakkelijker de status van samenstelling dan zeldzame combinaties." Voorbeelden: "een portie rodekool" vs. "een portie groene kool", en "Zij leert pianospelen" vs. "Zij leert marimba spelen".

En: bij "verzwakte betekenis" worden woorden aaneengeschreven: "Als de betekenis van een van de woorddelen is verzwakt of niet meer kan worden herkend in het geheel, dan wordt het woord vaak aaneengeschreven." Voorbeelden: "een hoog gebouw" vs. "een hogeschool" en "drank halen" vs. "ademhalen".

Houd mij ten goede: ik ben vaker tegen dan voor aaneenschrijvingen. Ik vind "allang" al lang een lelijk woord, net als "veelbelovend" en "hoopgevend". Als er verschil is, zoals tussen een "hoge school" en een "hogeschool", dan heeft een verschil in vorm zin, lijkt me. Maar "al lang" lijkt me duidelijker zelfs dan "allang". Je schrijft toch ook niet "vorigeweek"? Ik niet, in ieder geval.

Nog weer een andere vraag is, waarom we niet schrijven "op de ene of de andere manier". Dat we (wie, in vrede's naam?) dat niet doen, lijkt een reden te meer om ervan uit te gaan dat van deze woorden de betekenis verzwakt is. Wat weer een reden is om te denken dat ze een stoplap zijn. Wat weer de aanleiding was om erover te struikelen bij het lezen, zelfs als ze nietaaneengeschrevenzijn.

donderdag, december 24, 2015

Bel, Piet, Bloed en rozen

Bel graast, het is al vaker gezegd, ook de weiden af die wat verder van de bekende literair-historische snelweg liggen. De Indische letterkunde, de Nederlandstalige literatuur van, uit, met betrekking tot Congo, detectives, de damesroman, jeugdliteratuur, journalistiek proza, om maar wat te noemen. Daarmee wordt de traditioneel in literair-historische handboeken behandelde literatuur, die zij natuurlijk ook niet overslaat, in een wat ander licht gezet. Of misschien beter: dat licht wordt wat geconcretiseerd (vergeef me de zwakke beeldspraak), want bijvoorbeeld die damesromans werden altijd wel genoemd in andere handboeken, maar dan alleen maar omdat de Hepie en Hepie van het Modenisme er zo op hadden gescholden. Bel bespreekt die boeken en hun auteurs als onderdelen van de geschiedenis, niet als schietschijven voor venten. Ik noem dat winst.

Bij tijd en wijle zegt ze, niet alleen over die bijna of helemaal vergeten werken, dat een boek ook nu nog leesbaar is. Dat vind ik dan weer jammer eigenlijk, omdat een serieus handboek niet een babbeltje is aan de stamtafel van café DWDD, in mijn optiek. Bovendien weet ik niet of ik precies die boeken die Bel (nog) leesbaar vindt, eveneens leesbaar vind. En wat zegt het als ik al dan niet mèt haar van mening zou zijn dat de interviews van E. d'Oliveira "heel leesbaar en beeldend geschreven" zijn? En mag ik tegensputteren: 'Maar die van zijn kleinzoon zijn leesbaarder en beeldender geschreven"? En dan nog: ik zou die interviews echt niet meer lezen wegens leesbaarheid van hun geschreven-zijn, maar vanwege de erin opgeslagen informatie over de toenmalige literatuur en literaire smaak. Dit terzijde.

Waar ik naartoe wilde: wat schetst mijn vroolijke verbazing als ik in deze Belse baksteen zomaar een aparte paragraaf ingeruimd zie voor de dichter wiens werk - althans een klein stukje ervan - onderwerp was van mijn doctoraalscriptie? Geen idee, maar het is zo. Ik denk dat het voor het laatst was in het handboek dat ik eertijds als student moest bestuderen, herstel, althans nuancering: de handboeken literatuurgeschiedenis die de studenten Nederlandse taal- en letterkunde te Utrecht moesten bestuderen, ergens in het laatste kwart van de vorige eeuw. Want we moesten toen alle vier de delen tot ons nemen van het reeds in het eerste des betreffende hoorcollege tamelijk vakkundig neergesabelde Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde.

In deel IV (vijfde, geheel herziene, druk, Den Bosch 1976), handelend over de 'Moderne letterkunde derde tijdvak 1875-1916', meer in het bijzonder als onderdeel van de 'Derde generatie 1905-1916', noemt G.P.M. Knuvelder 'mijn' dichter op maar liefst 43 bladzijden, en vijftien daarvan beslaan die ene, alleen aan hem gewijde paragraaf. Dat aantal haalt hij bij Bel niet, maar toch heeft Querculus bij haar nog altijd 34 mentions, inclusief die eigen paragraaf van 4,33 pagina's. Dat is vet meer dan zijn generatiegenoot Gossaert krijgt (20); dat het veel minder is dan twee andere generatiegenoten krijgen, ligt wel in de rede, afgaande op hun klaarblijkelijk 'belang': A. Roland Holst en J.C. Bloem scoren 43 respectievelijk 51 pagina's met vermeldingen.

Wat zou mijn dichter daarvan gevonden hebben, deze 'zeloot van een pantheïst', die zelf - niet in z'n eentje overigens - een tijdschrift oprichtte dat hij Leiding noemde?

donderdag, december 17, 2015

Koepelblauw bij tussenpoos

Ik heb het gevonden, het lezersgeluk, al moest ik worden zevenenvijftig jaar. Na het lezen van We komen nog één wonder te kort, of in ieder geval een roman met een dergelijke titel, wist ik het: ik heb een voorkeur voor bepaalde soorten romans, en meer nog een afkeur van één (ander) soort romans. Ik heb dus wat in de betreffende wetenschap wel wordt genoemd: een literatuuropvatting; ik ben een lezer met - grotendeels onderhuidse, niet geëxpliciteerde, en al helemaal niet gesystematiseerde - ideeën over wat een goede roman zou moeten inhouden, bevatten of zijn.

Nu heb ik - nadat ik bij donkren wand stil peinzend poosde - helder gekregen, dat ik vaak binnens-, en soms ook buitensmonds zat te foeteren op bij uitstek één soort romans, namelijk die met een hoog Bittere kruid-gehalte: romans waarin een normaal-functionele, volwassen, welopgevoede en -leide, niet door al te ernstige gebreken gehinderde schrijver (m/v) moedwillig van zijn gaven, talenten en verworvenheden afstand neemt, en als het ware in de huid kruipt van een kind (m/v), veelal omtrent de tien jaren oud, want dat heeft als voordeel dat het heldje of vertellertje nog fris, onbedorven, naïef, onschuldig en betrekkelijk wereldvreemd is, en nog veel kan en moet leren, en lekker spontaan is en creatief op associatieve in plaats van rationele of vakbekwame wijze, seksueel in godsnaam nog niet ontloken is, maar wel op des ontwakens drempel staat, en onbelast is met wereldse zaken als inkomen, hypotheek- en andere schulden, verslavingen, zorg(en) voor (en om) kinderen of ouders, de hoogte van de wereld-olieprijs, en ga zo maar door. Romans dus, waardoor de lezer gesust wordt, want die kan zich ten opzichte van het kletsende kind ouder, wijzer en droever voelen en doorziet met gemak wat voor het heldje nog met raadselen omweven is.

Met de referentie aan Het bittere kruid zat ik ernaast, zo ontdekte ik recent na veel spannend worstlen en ijdel gebaar. Dat is namelijk het soort boeken waar je eigenlijk niets tegen mag zeggen omdat het behoort tot het bijzonder overschatte sub-soort van de autobiografische levensnavertelsels. Schaduwkind, Tonio, dat werk (en ook veel lamlendig coming of age-spul van auteurs die zo jong zijn dat ze nog niks na te vertellen hebben). Het lijkt me onfatsoenlijk daar iets negatiefs, althans afkeurends, althans niet-waarderends van te zeggen, want voor je het weet kwets je de mens achter de auteur.

Hoewel ik ook van dat bitter gekruide werk niet houd, gaat het me meer om een ander soort literatuur. Het zijn de romans waarin de auteur flink zijn best doet om zich maar eens een voorstelling te maken van hoe het er nou toch aan toe zou gaan in het blonde koppetje van een kind dat dit of dat aan ergs is overkomen. Hoe zou het toch zijn als zo'n ventje op een eiland woont met alleen zijn moeder en nog één andere eilandbewoner omdat zijn vader in zee gedonderd en verdronken is, toen het eens stormde, bijvoorbeeld, want dat kan gebeuren, zo'n storm, zeker op en rond een eiland in de zee. Of wat voor gedachtetjes en filosofietjes, ja vooral filosofietjes zou een meiske hebben als haar moeder overlijdt en de geliefde van haar zus, terwijl haar zus, broer en vader, net als zij zelf, daar door gebrek aan ervaring en begeleiding niet specifiek goed mee om weten te gaan maar er anderzijds ook weer niet heel diep aan onderdoor gaan. Dat soort gedachtenexperimentjes, waar soms wel een verhaaldraadje doorheen geweven is, maar niet noodzakelijk, want alleen al het gepieker en gepraat en monologueïntérieurgebabbel is voor de schrijver stof genoeg; het hoeft nergens toe te leiden maar het papier raakt er vol van.

Voordeel van zo'n tragisch mini-existentialistje is voor de auteur dat die niet diep in de buidel van de stijlvaardigheden hoeft te tasten: het taalvermogen van de hoofdpersoontje annex focalisatortje annex vertellertje is evenmin ontwikkeld als diens denk- en observatie- en abstractievermogen. Als stilistisch model volstaat de diarreeërige monoloog van een Brigitte Kaandorp-kloon in de recovery room van een veldhospitaal in Transsylvanië dat onder vuur ligt van slecht geïnformeerde geallieerde bevrijders. Amechtig korte, maar eindeloos veel zinnen. Veel rechte schikking. Veel woordherhaling. Uitermate weinig onderschikking. Veel spreektaal. Interjecties zijn van harte welkom. Of je in de rij voor de kassa van de super staat, zaterdagochtend, vlak voor de kerst, iedereen om je heen het karretje tot de boord toe vol, de caissière druk doende verdwaasde bejaarden naar de vrijwillige zorgverlener te begeleiden terwijl het kassabonpapier op is.

Een variant van deze romanvorm die enige ruimte biedt voor verder reikende creativiteit, is die van de vie romancée, bijvoorbeeld van een buitenlands dichterspaar, en ook de roman waarin een psychiatrische delinquent of zijn ex-echtgenote mentaal op de voet word gevolgd, biedt ruimte tot lichte variatie. Een hond erbij, doet ook wonderen.

woensdag, december 16, 2015

Bel, belang, bloed en rozen

In de paragraaf over 'Poëzie en socialisme' schrijft Bel: "In Nederland [...] werden verschillende dichters [...] lid van de [...] SDAP [...]. Naast Herman Gorter en Henriette Roland Holst, de belangrijkste onder hen, waren er nog andere socialistische dichters, zoals C.S. Adama van Scheltema, die een groot lezerspubliek had, en de wat minder bekende Samuel Bonn en A. van Collem." (234)

Vervolgens haalt ze Carel Scharten (De gids, 1907) citerend en parafraserend aan, die Gorter en Roland Holst "grote dichters" vond, en Adama van Scheltema wat "zwakker" van stem maar wel een "lichte, gemakkelijk-áánsprekende bariton", Van Collem een "aanstellerige epigoon van de Tachtigers", en Bonn met zijn "futtige ongeliktheid" wel plezierig. (234-235)

Wat gebeurt hier nu precies op het gebied van evaluatie? Die Scharten was een contemporaine criticus, en Bel is een 21ste-eeuwse literatuurhistorica; hun oordelen lijken overeen te stemmen. Maar van de laatste zou ik toch meer argumentatie willen horen: op grond van welke overwegingen noemt ze Herman en Henriette de belangrijkste socialistische dichters en Adama van Scheltema (alleen maar) eentje met een groot lezerspubliek?

Het doel van de socialistische dichters was - denk ik - het verheffen van het arbeidersvolk. En in dat opzicht lijkt me Adama van Scheltema, met zijn grote publicitaire reikwijdte ('s mans werk is nog steeds met geen mogelijkheid te omzeilen in antiquariaten) wel een tikkie belangrijker dan Gorter en Holst.

Maar Gorter krijgt aansluitend nog een hele eigen paragraaf van vier pagina's toegemeten in deze literatuurgeschiedenis: 'Gorter en De school der poëzie' (235-238). Daardoor lijkt hij als nóg 'belangrijker' te worden beoordeeld dan al die anderen (Scharten beschrijft hem en Holst echter ook als "koorzangers van een nieuw geloof, maar uitklaterend [sic] een verouderde kaste-taal").

Anders gezegd: de polyperspectiviteit van Bel lijkt me hier kieskeurig en niet neutraal-beschrijvend (en ik weet ook wel dat neutraal niet mogelijk is, maar toch...) Daar pieker ik dan over op woensdagochtend.

woensdag, december 09, 2015

Bel, brows, bloed en rozen

Kijk, je moet even wachten, maar dan krijg je toch wat. Op pagina 130 begint de paragraaf 'Oude en nieuwe vormen van idealisme: van damesroman tot detective'. Daarin beschrijft Bel - en ik weet niet zo gauw een ouder handboek voor literatuurgeschiedenis te verzinnen dat zulks deed, laat staan zo uitvoerig - al die wat lower browed [vergeef me mijn Engels] literatuur die in die andere handboeken misschien wel even aangestipt, maar vaker alleen maar genoemd en liever nog overgeslagen wordt, maar die wel de hoofdstroom van de belangstelling van de gemiddelde lezer uitmaakte: de zogenaamde damesromans en de detectives, min of meer sussende massalectuur, het afzetpunt voor de meer verontrustende, hogere literatuur.

En ook de literatuur voor de jeugd krijgt er - gerelateerd aan de invoering van de leerplicht - zijn plekje, tot en met een van de eerste series die ik zelf vrijwel integraal las, zonder overigens in de gaten te hebben gehad dat het literatuur zou hebben kunnen wezen: de avonturen van Pietje Bell. Wat erger is: ik had, lezende in de jaren zes- en zeventig, geen idee dat Pietjes avonturen uit 1914 stamden. Je zou er bijna toe overgaan die boekjes te herlezen (maar jaren geleden heb ik, omdat mijn zoon er toen aan begon, weer eens een exemplaartje van de Bob Evers-reeks ter hand genomen, en dat is me toen niet goed bekomen; ik houd dus maar liever de vage maar goede herinnering aan meneer Bell in stand).

Een en ander zet de boel lekker in perspectief.

maandag, december 07, 2015

Bel, bloed, poen en rozen

Het nieuwe deel van de nieuwe geschiedenis van de Nederlandse literatuur, Bloed en rozen van Jacqueline Bel, zet aan het denken. En dat zeg ik al nadat ik amper één tiende van de tekst gelezen heb (of eigenlijk minder: de hoofdtekst begint op pagina 21 en loopt door tot 989 en ik ben pas op 112). Bel betoogt dat haar bijdrage aan de grote literatuurgeschiedenis van de Taalunie lijkt op Nederlandse literatuur, een geschiedenis, het handboek dat in 1993 verscheen onder hoofdredactie van M.A. Schenkeveld-van der Dussen, omdat haar Bloed en rozen eveneens polyperspectivisch is, maar dan met dit verschil dat '[het] uitgangspunt [...] dit keer gegoten [is] in de vorm van een lopend verhaal dat vanuit verschillende perspectieven wordt verteld'. (25) De grote lijn in het verhaal moet je soms echter zelf zien te vinden.

Onder de kop 'De auteurs: broodschrijverij en mecenaat' schrijft ze: 'Aan het eind van de negentiende eeuw hadden veel kunstenaars zich afgekeerd van de samenleving.' (78) En: 'In de negentiende eeuw waren dichters en schrijvers vaak graankoopman, leraar, dominee of priester geweest [...]. Maar Kloos, Van Deyssel en Boutens konden een vaste werkkring niet combineren met hun kunstenaarschap. De Tachtigers kozen welbewust voor onmaatschappelijkheid.' (78) Daarmee lijkt Boutens een Tachtiger te zijn geworden. Overigens lees ik op Wikipedia: 'In 1894 aanvaardde hij [=Boutens] de betrekking van leraar klassieke talen aan de jongenskostschool 'Noorthey' te Voorschoten,' en dat hij dat tien jaar volhield.

Maar daarna wordt het nog wat vreemder: Kloos ging 'af en toe "in de kost" bij Frederik van Eeden [...]. Lodewijk van Deyssel kampte altijd met geldgebrek. Aanvankelijk logeerde hij vaak bij het echtpaar Verwey in Noordwijk en ook Van Eeden stopte hem regelmatig geld toe.' (78) Daar zou een noviet in de letteren uit af kunnen leiden dat Verwey en Van Eeden geen Tachtigers waren, net zo min als Gorter, die immers leraar was. (80) Verwey heeft zijn jonge jaren een betrekking gehad bij "de firma Schrikker en Peereboom, commissionairs in effecten, Kerkstraat 211" te Amsterdam. (Maurits Uyldert, De jeugd van een dichter. 1948: 75)

Vervolgens staat er te lezen dat 'Arnold Aletrino [...] arts [was] en Frederik van Eeden psychiater. J.C. Bloem en P.N van Eyck waren juristen.' (80) Nou ja, Bloem en Van Eyck hebben inderdaad rechten gestudeerd en promoveerden ook in dat vakgebied (op stellingen), daarom zou je ze, ik zou haast zeggen: de jure jurist kunnen noemen, maar Van Eyck, bijvoorbeeld, schraapte zijn dagelijkse poen aanvankelijk bijeen als correspondent van de NRC te Rome, en in 1918 'kreeg hij een ambtelijke functie op het Ministerie van Landbouw. Tussen 1920 en 1935 werkte hij voor de NRC als correspondent in Londen' (viva Wikipedia); in 1935 kwam hij, zoals Bel dat beschrijft, 'terecht aan de universiteit' (80), maar bepaald niet als jurist.

Al met al kan je je afvragen - en dat bedoelde ik met mijn eerste zin - hoe dat beeld van die Tachtigers als bohémiens eigenlijk is ontstaan en in hoeverre en voor wie het überhaupt geldt, en welke schrijvers er in voorgaande eeuwen allemaal graanhandelaar waren, naast Cornelis Paradijs.

In de volgende paragraaf, onder de noemer 'Netwerken, huwelijken en petite histoire', noteert Bel: 'Via tijdschriftredacties ontstonden belangrijke netwerken, maar veel schrijvers en kunstenaars werden door "gewone" vriendschap, huwelijk of familieband bij elkaar gebracht." De tweede alinea begint zo: "Nieuwe familiebanden ontstonden ook door huwelijken." (80) En dan wordt onder anderen Albert Verwey opgevoerd die, net als Frederik van Eeden en Willem Witsen, trouwde met "een dochter van de beroemde liberale en welgestelde geleerde Johannes van Vloten." Vreemd genoeg wordt alleen van Verwey gezegd dat hij "daardoor een zorgeloos leven [kon] leiden, zonder kostwinner te hoeven zijn." Me dunkt dat deze constatering beter past in de vorige paragraaf, maar dan moet je wel weer de vraag stellen of Verwey zich daadwerkelijk had afgekeerd van de maatschappij.

Direct volgend op de juist geciteerde opmerking over de zorgeloze Appie, staat er: "Bekend was ook de schrijversfamilie Alberdingk Thijm, met als beroemdste representant Lodewijk van Deyssel. Vader Alberdingk Thijm was voorvechter van de katholieke emancipatie, voorstander van samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland, en oprichter van het Vlaamse [sic] tijdschrift Dietsche Warande." (80) In de context van de ontwikkelingen aangaande de broodschrijverij en het mecenaat is het interessant om de positie van vader en zoon Thijm wat sterker en contrasterend uit de doeken te doen; papa is te omschrijven als een 'katholieke koopman en homme des lettres", zoals Ruiter en Smulders dat doen in hun Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 (1996: 32) terwijl zoonlief zich inderdaad voluit meende toe te moeten leggen op alleen die tweede karakteristiek: "Voor Van Deyssel/Thijm, beroepsschrijver maar geen rentenier à la Flaubert, was het nauwelijks mogelijk aan de kost te komen", noteert Larens Ham in Door Prometheus geboeid (2015: 149).

Ik ga die biografieën en dergelijke toch eens met hernieuwde aandacht herlezen.

vrijdag, december 04, 2015

Klaasdicht voor TLC

Sinterklaas sprak afgelopen donderdag het voltallige Departement TLC van de UU toe, dat ook het dito FB GW had uitgenodigd op de Klaaskoffie in zaal 0,07 van TRNS 10:

Als ik me voeg naar de nieuwe UU-geest van het huidig tijdsgewricht,
Die reeds wat roestige academische conventies in aanzet heeft ontwricht,
Dan moest ik nu zeggen: The New Santa Claus seriously was rethinking
TLC, wondering how for outputs sake to keep that ship from sinking.

Maar serieus, ik, Sinterklaas, ouwe baas, zat traditioneel en diep te denken,
Zoals ik dat aan des langen jares einde vaker doe, over 't Departement TLC.
Mein Gott, Mon Dieu, My Lord, Mio Dio, dacht ik, wat moet ik daar nu mee?
Dios mío, Meu Deus, op welke wijze kan ik die lui in dicht wat eenheid schenken?

Ze zijn al, met z’n allen, in één pand, nou ja: in één straat gepletterd.
En daar is, als dompteur, ook huisgevest het hele GW-faculeitsbestuur.
En er is heel wat geld aan uitgegeven, want: wat goed is, is ook duur,
En duur, dat zijn ze, ja, maar minder duur dan fijn besnaard en zeer geletterd.

Het is me aan die Trans hier erger nog dan in Gomorrah en in Sodom,
Wat zeg ik: die Utrechtse Augiasstal is afschuwwekkender dan Babylon:
Dat raast maar door elkaar, dat gilt, dat vloekt in moderne westerse talen,
Het doet maar zonder cijfers zeer geleerd, en weet niet wie dat zal betalen.

Dus had het FB, ten einde raad, mijn uiterst kiene, witte rekenPietje ingehuurd,
Een nette vent, doet iets met taal en vogeltjes, die hij beheerst en begluurt;
Heus, vooruitstrevend typ, die weet van voetballen en aanpakken, want sodeju,
Die gast rekent in euro's noch in pepernoten, maar in een nieuwe munt: de dcu!

Dat is het nieuwe ruilmiddel, de bubbel waar het onderwijs op drijft;
Alles kan ten onder gaan of naar de gallemiezen, de dcu die blijft.
Dat is het bikkelharde, waardeloze wisselgeld voor al wat een docent verricht!
Tot taken zonder dcu-vergoeding voelt niemand zich hier nog verplicht.

Maar ook het allervuilste werk moet natuurlijk toch worden verzet.
Die plichten worden onder een boekhoudkundig lumineuze noemer weggezet,
RekenPietje heeft daarvoor heel leep de zogeheten strooitijd uitgedacht.
Een geniale vondst! Je zou haast denken dat ik, Sinterklaas, die zelf had bedacht.

Maar goed, genoeg gezeurd over de centen; die zijn een bestendige afwezigheid
Daar zijn er altijd veel te weinig van; en da's eigenlijk ook een soort van... zekerheid.
Het draait aan de Trans in principe en in nuce uiteindelijk om letters en om mensen
Mooiere materie om mee te rekenen kan geen boekhouder zich wensen.

Maar wat deelde tot mijn verbijstering op 27-11 het facultaire intranet u mee:
"Voortaan maandelijks overzicht van personele veranderingen in het OBP".
Alle machtig, dacht ik - met een blik ook op de junior-docenten - dat is maf
Die arme SinterTed hier runt zijn toko bijna alleen nog maar met tijdelijke staf.

Nou, dan moet je mij zien: al mijn Pieten hebben een toekomst en een vaste baan,
En ik heb een massieve staf van klatergoud, zodat ik nimmer op mijn bek kan gaan
Bij schommelingen op de zee die onderwijsbeleid nog schijnt te heten.
Mijn god, mijn god, mijn god, er zit meer beleid in mijn schimmels knetterende scheten

Dan in de holle Haagse lariekoek die om de haverklap wordt uitgekreten
Door 't komisch duo Bussemaker-Dekker, ook wel de Jet en Sander Show geheten.
Versta mij goed, ik zei niet: de Ted Sanders Show! Ach, nu heb ik het toch gezegd.
Tot slot nog één kanttekening, serieus, up to date en zeer oprecht:

Wat treft de goede oude witte Klaas in zijn politiek correcte heilig hart:
Veel te weinig vrouwen zijn hoogleraar hier, en: geen enkele is zwart,
behalve Henriette dan, maar die helaas alleen in naam.
Alsof de actualiteit stilletjes aan de Trans is voorbij gegaan.

Misschien is dat maar beter ook; en luister dus naar mij, want ik ben fictie,
En kijk even met mij mee, naar de mogelijke toekomst, naar wat ik zie
Wanneer ik in gedachten lees, ver van hier, in Spanje, waar ik legendarisch woon:
Het ga u goed, zolang de geestdrift om deze ruimten spant
                                                                               een firmament van intellect en droom.

donderdag, december 03, 2015

Piloot - 3

Wat ook niet goed is voor m'n net- of hoornvliezen: uren turen naar een scherm met voorbijvliegende catalogus-items om er de literaire productie van een decennium uit te zeven. Wat ook niet goed is voor de pezen in m'n rechterarm: uren muizen om die catalogus-items op een scherm voorbij te laten vliegen om er de literaire productie van een decennium uit te zeven.

Begonnen met 1955 ben ik inmiddels bij 1962.

Wat ook niet goed is voor m'n gemoedsrust: dat ik nog uren naar een scherm met voorbijvliegende catalogus-items moet turen om er de literaire productie van een decennium uit te zeven, want ik moet nog tot en met 1965, onderwijl alle vertalingen eruit halen, de bloemlezingen en omnibussen, de niet-eerste drukken, de baby-, kinder-, jeugd-, meisjes-, jongens-, oudere meisjes- en weet ik wat nog meer voor doelgroepgerichte prullectuur.

Leerzaam, wel, dat je, voor je kan tellen, al moet kiezen op basis van interpretatie, wat je gaat tellen; en als je dan geteld hebt, je de resultaten daarvan weer moet gaan interpreteren.

Ook leerzaam: hoe wispelturig zo'n catalogus is samengesteld, en hoe subjectief. Big data? Amme hoela, in zoverre dat 'data' iets betekent als 'gegevens', terwijl er je niets feitelijks gegeven wordt. Het is een grabbelton.

zondag, november 29, 2015

Lijm, inkt en ook iets moois

Het is niet netjes om in je eigen bier te spugen. Het is beter om dat niet te doen. Ik doe het nu toch. Een keertje. Ik wil wel eens in m'n eigen bier gespuugd hebben. Het is trouwens niet echt mijn eigen bier. Het is een biertje van nog ruim 3000 anderen. 3000 Anderen die ook een donatie hebben gedaan. Daarvan staan er 736 achterin het boek genoemd. Nog niet een derde. Maar misschien komen die twee andere derden achterin de twee volgende boeken te staan.*

Dit boek, met die 736 oprichters achterin, bevat dertien verhalen. En die verhalen zijn op een na niet interessant. Die twaalf andere zijn een soort verhaalschrijfoefeningen, lijkt het. In elkaar getikt met amechtig korte zinnetjes. Stijl- annex bloedloze babbeltaal.

Er is een verhaal in de ik-vorm, een verhaal in de jij-vorm, een verhaal in de wij-vorm, een monoloog van iemand die een voicemail vollult, wat dus eigenlijk geen verhaal is. En nog zo wat van die probeersels. En als je nog niet wist wat een inquit-formule is, kan je hier je narratologische hart ophalen. 'Ken je zijn werk? / Nee, zegt Anabel. / Maakt niet uit, zegt Adam.' En: 'Mooi, zegt Anabel. / Niet per definitie mooi, zegt Adam.' Vormeloos en inhoudsloos. Op die manier lopen de bladzijden wel vol. Met inkt.

Eén verhaal valt gelukkig volkomen uit die toon, doordat het uitzonderlijk lang is (zo'n vijftig pagina's, waar het kortste vierenhalf pagina's lang is en de rest zwalkt tussen de tien en de twintig) en doordat het knalhard autobiografisch is (niet per se een pre, overigens) en vooral doordat het op intrigerende wijze onrustig-rommelig is, en autoreflexief dan wel metafictioneel, en een vervolg is op een ander verhaal dat niet in deze bundel staat, en dat ik ook niet ken, en bovenal doordat die vreemde vorm heel mooi past bij de onrustige, zoekende inhoud van het verhaal dat handelt over een vreemde, onmogelijke, maar niet minder heftige verliefdheid. Wat onder andere ook zo mooi is, vind ik, is dat de verwarde, van haar stuk gebrachte ik-figuur, als haar leven weer eens een wending genomen heeft, achteraf aan de geliefde vraagt: 'Kan jij opschrijven wat je in de afgelopen zeven jaar gedacht en gevoeld hebt, met betrekking tot mij? [...] In je eigen taal. Ik beloof je dat ik het niet zal laten vertalen. [...] Ik wil alleen weten hoe het zit, zonder er iets van te begrijpen.' Dat absurdisme, prachtig. Onmogelijk en levensecht.

Dat staat in 'De schrijver II' van Maartje Wortel in Er moet iets gebeuren. Das Mag Uitgevers 2015. Paperback (ingenaaid en gelijmd, en wel zo strak, dat het boek dichtklapt als je het niet met twee handen openhoudt terwijl je 't leest), 236 blz. exclusief Verantwoording, Dankwoord en gedeeltelijke lijst van oprichters.

* Uit betrouwbare, magazinabele bron vernam ik dat alleen de diamanten en platinum oprichters in de lijst staan. Gouden oprichters, lieden die slechts een halve meier inlegden, valt die eer niet ten deel, ook al zijn ze, met z'n allen 2264 personen, goed voor € 133.200 startkapitaal, een niet onaanzienlijk deel van de benodigde € 190.000. Anders: the crowd dat zijn de velen, dacht ik; maar alleen het grote fund telt. Hoe zeggen ze dat bij zo'n ICT-tent: people matter, results count.
[30-11-2015]


vrijdag, november 20, 2015

BN-bulk

Heden schrijft Sebastiaan Kort in de NRC over een vloed aan 'literaire boeken van bekende mediagezichten'. Hij noemt de debuten (want dat zijn het - op één na - ook nog eens) van Margriet van der Linden (ex Opzij), Thé Lau (voorheen The Scene), Thomas Acda (ex Acda & De Munnik) en Kim van Kooten (niks ex, volop nu).
Jammer dat hij er een mist, die twee pagina's verder in dezelfde aflevering van dezelfde krant in de Top 10 des boekhandels wel staat vermeld: Claudia de Breij (ik meen ex van iemand, maar overigens volop nu).
De coming out of the cupboard-roman van Van der Linden verscheen bij het respectabele en/want 100-jarige Querido. Die zonderen we respectvol af. Maar wat mij nu even literair-productietechnisch meer opvalt is dat de overige vier BN-schrijvers (writing heads) hun literaire producten uitgegeven hebben doen weten te krijgen bij één en dezelfde uitgeverij: Lebowski.
Kan zich daar een boekenvakkundige eens duidend over buigen?

24-11-2015:
Voeg daar H. Borst met z'n Ma ook nog maar bij. Een ongeluk komt nooit alleen.

zaterdag, november 14, 2015

Arme Piet

 Beetje sneu wel, dat in alle lof die uitgeverij Van Oorschot terecht krijgt toegezwaaid via de recensies van de biografie van Geert van Oorschot door Arjen Fortuin, nooit het zevendelig Verzameld werk van P.N. Van Eyck wordt vermeld dat ook bij Van Oorschot verscheen tussen 1958 en 1964. Maar ach, deze melancholieke spinozist dichtte wijs: 'Wie zijn lijden eeuwge noodzaak heeft bevonden / Vraagt geen heul voor zijn gekneusde menschlijkheid'.