Posts tonen met het label Varianten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Varianten. Alle posts tonen

zaterdag, juli 04, 2026

Varianten | Twee versies van 'Westerbouwing' van Henriëtte (Labberton-)Drabbe


De vier gedichten waarmee Henriëtte Labberton-Drabbe (toen nog: Henriëtte Drabbe) debuteerde in het Twee-maandelijksch tijdschrift – jrg. 1 (1894-1895), aflevering 2 (november 1894), p. 201-204 – heeft zij ongeveer achttien jaar later opgenomen in haar debuutbundel Enkele verzen (W. Versluys, Amsterdam 1912, p. 7-10). Ook Labberton-Drabbe was kennelijk een dichter die niet ophield met peuteren aan haar werk, zo blijkt al bij een vluchtige verkenning van de varianten in haar vier eerste sonnetten. Behalve dat ze de volgorde van de gedichten licht veranderde en twee ervan alsnog een titel gaf, terwijl ze een van de reeds gegeven titels bij bundeling wijzigde, behalve dat dus, heeft ze ook in de tekst van sommige gedichten kleine en grote veranderingen aangebracht.

Het bloed van een gepensioneerde tekstediteur die zich jarenlang op academisch niveau bezig heeft gehouden met het opstellen en onderzoeken van variantenapparaten, blijkt op de vreemdste momenten weer in d’ oude ad’ren te kunnen gaan vloeien. Ik kon het niet laten om de twee versies van het allereerste, gepubliceeerde gedicht van Labberton-Drabbe ooit overzichtelijk in een mini-apparaatje bijeen te vegen.

Voor een leesinstructie van dit bijzondere tekstgenre verwijs ik graag naar een van de apparaatdelen in de reeks Monumenta Litteraria Neerlandica. Laat ik er hier alleen dit van zeggen: de varianten worden per regel gepresenteerd; staat er maar één enkele versregel, zoals bij de eerste regel van ‘Westerbouwing’, dan heeft de dichter daar niets in veranderd; staan er twee, dan zijn de niet-veranderde tekstdelen van de betreffende regel niet herhaald onder de eerste versie, alleen de veranderde delen van de tweede versie worden dan weergegeven. Alle aandacht kan zo uitgaan naar de varianten.

In het hieronder staande apparaat is goed te zien waar Labberton-Drabbe na 1894 verder is gegaan met het werken aan ‘Westerbouwing’, het gedicht dat in beide bronnen de eerste plaats van de publicatie inneemt.

Omdat de spatiëring voor het apparaat van belang is door het gebruik van zogeheten meeleestekens ([ en ]), terwijl juist die spaties tussen tekst- en ook apparaattekens in een webblog niet te temmen zijn, heb ik een foto van het typoscript van het apparaat gemaakt en hier opgenomen; alles ten dienste van het gerief van de geïnteresseerde lezer.

Wat meteen opvalt, is dat de reviserende dichter het aantal interpunctietekens aan het einde van versregels heeft gereduceerd. Aan het eind van r. 2, 6 en 13 zijn twee komma’s weggehaald en een afbreekstreepje (met de functie van een gedachtenstreepje); de dubbelepunt aan het eind van r. 13 blijft behouden. Ik denk dat vooral de variant in de eerste strofe mogelijke syntactische onduidelijkheid heeft weggenomen.

Verder heeft de dichter anno 1912 goed bezuinigd op leestekens die elisies markeren. Zo is ‘d’aarde’ in r. 8 geworden tot ‘de aarde’ terwijl er nog steeds elisie moet worden toegepast, gelet op het metrum en het aantal lettergrepen. Maar zeker de contemporaine lezer hoefde niet extreem versgevoelig te zijn om zelfstandig die lettergreep met stemloze klinker bij (mentale) voordracht weg te strijken. In r. 11 is ‘ijz’ren’ geworden tot ‘ijzren’. Aan ‘leên’ in regel 13 viel, mede door de rijmpositie, niets te wijzigen. In die tijd waren de accents circonflexes gelukkig nog gebruikelijk. 

Misschien heeft iemand de dichter erop gewezen dat ‘donzig goed’ door een dirty mind geassocieerd kon worden met ‘ondergoed’. Ze heeft het niet laten staan maar een variant aangebracht, helaas met een extra elisie op de koop toe: ‘donzge stof’.

Dat in r. 8 ‘is’ vervangen is door ‘gaat’ lijkt me een sterke verbetering, te meer daar dan ‘over’ in zijn meer gebruikelijke betekenis kan blijven functioneren in plaats van de tekst op te zadelen met een soort germanisme. Ook hier weet ik niet wat de overwegingen van de dichter geweest zijn; ik kan alleen mijn duiding van het effect van de variant geven.

Misschien is de grootste verbetering de vervanging van ‘avonddonker’ door ‘avondschemer’ in het eerste kwatrijn. Daardoor wordt de klok in het gedicht als het ware enigszins teruggedraaid. Aan het eind van het gedicht, in het laatste terzet, blijkt immers dat het nog niet donker kan zijn omdat daar nog het ‘hardrood zonnebloed’ de landelijke scène belicht.


Dat is het probleem met variantenonderzoek: het kost erg veel tijd maar de opbrengst is niet per definitie erg imponerend. Labberton-Drabbe speelde met haar werk waarschijnlijk niet in de eredivisie der Nederlandsche letteren, dus van een volledige historisch-kritische editie van haar oeuvre zal het niet meer komen, zeker nu die tak van sport  niet meer tot de 21-ste-eeuwse Olympische Spelen in Academia behoort.

Bij het scheiden van de markt, struikelde ik, interpretatieve-hordenlopend zonder varianten nog over het slot van dit sonnet, meer in het bijzonder de wonderlijke, gewrongen formulering ‘een ijskoud floers / Van koele wreedheid’. Een thermisch rampje. En in dat licht, om niet te zeggen: bij die temperatuur, word ik er toch, domheid voorwendend, toe verleid te vragen wie nou eigenlijk die ‘starre leên’ is? Net zo’n gekunsteld personage misschien als ik ooit bij P.N. van Eyck tegenkwam: ‘weeke peul’.

P.S.
Mijn herinnering aan Van Eyck is waarschijnlijk vertekend door mijn sluimerende plaaggeest (vergis je niet, ik heb een zwak voor Querculus, op enige van wiens gedichten uit Herwaarts. Gedichten 1920-1945, 2e dr. [1980] ik ben afgestudeerd). Als ik via de DBNL door zijn verzamelde gedichten blader en zoek, vind ik, afgezien van een echte peul in een moestuin, slechts het navolgende in deel III van de II-de zang van Medousa. Een mythe (1947, p. 92 van de oorspronkelijke, papieren uitgave), waar Medousa door ’t open raam van een eenzaam herdershuisje op een schemer-wijde hei naar binnen blikt en moeizaam, langs een lampje, ziet:

Doch schemerig de verste hoek, het bed,
Waar, leunend aan het kussen, op het dek
Dat bijna afgleed, naakt, een jongeling zat,
Het langgelokte hoofd wat achterwaarts,
De rechter elboog op de peul, een hand
Aan ’ t dunne gaas om ’ t haast ontsluierd lijf
Van ’t slanke meisje dat dicht naast hem stond,
Wier lichtblond golvend, half ontbonden haar
En schouder, als de omplooide rug en leest,
Een zachte weerglans nog van ’t lampje ving.

Labberton-Drabbe staat inderdaad niet alleen met haar elisies in de Nederlandse letteren. Ook Van Eyck ging soms ver om het metrum recht te doen, maar doorgaans loopt zijn Medusa sierlijk als een hinde, eerlijk waar. En hij heeft z’n Milton goed gelezen: weg met dat eindrijm in het epische vers.

Een eerdere versie van dit bericht kreeg een nieuw leven op Neerlandistiek.nl, het digitale vakblad voor neerlandici.

maandag, mei 30, 2016

Even iets rechtzetten

Marc Reugebrink geeft via Facebook enig zicht op de productieperikelen van zijn aanstaande jongste roman, Het huis van de zalmen. Recent (27-05-2016) liet hij een foto zien van twee pagina's van de drukproef. Op een ervan (p. 151) heeft hij spaties tussen woorden onderstreept, en in de marge erbij genoteerd: 'spaties'. Waarschijnlijk een wanhopende esthetische hartekreet die vertaald kan worden met: 'Beste zetter, deze spaties zijn te wijd, doe er a.u.b. iets aan!' Op de foto is ook Reugebrinks laptop te zien, met op het scherm een stuk van de kopij met dezelfde passage. De kreet staat op het papier bij deze zin, meer in het bijzonder de regel tussen de verticale strepen die ik hier in het afschrift heb toegevoegd:
Het vroor nog licht toen Marius om tien uur 's ochtends het hekje opende en met een trouwboeket waarin vooral witte fresia's waren verwerkt onder de van dennentakken gevlochten boog met bovenin in heldere kleur- | en het bordje HULDE AAN HET BRUIDSPAAR naar de | voordeur van de Zegerijstraat 16 liep.
De tekst van de proef en van de kopij zijn gelijk. Er bestaat kennelijk geen twijfel over de woorden, de formulering. Alleen typografisch is er een probleem: al dat wit. Ik ben geen zetter (al heb ik als lezer inmiddels wel gezien dat zetters veel kunnen; let maar eens op, als er bijvoorbeeld in een tekst twee regels staan die met dezelfde woorden beginnen, dat die, als het goed is, toch een typografisch verschil hebben). Paradoxaal genoeg kan een zetter het wit tussen de woorden alleen verkleinen als hij tegelijk het wit tussen de letters van de woorden vergroot, opdat de regel mooi uitgevuld blijft. Goede zetters kunnen dat.

De laatste tijd ben ik veel bezig met stijl, ook wel: de vraag hoe je een boodschap met zo weinig mogelijk inhoudelijke variatie in een andere vorm, in andere woorden kunt gieten. En dat is de vluchtroute die ik zou kiezen als ik Reugebrinks amateurzetter of leerlingzetter zou zijn (indachtig ook het cosmetisch rapport van Hermans' Tranen der acacia's dat Herman Franke ooit opstelde voor De revisor ). Zo'n typografische rommelaar zou wellicht denken: "Mijn spaties zijn niet groot, jouw woorden zijn te klein, schrijver, of het zijn er te veel; daardoor vullen ze die ene zetregel niet." 

De schrijver vraagt de zetter het wit tussen de woorden aan te passen. De zetter kan ook de schrijver vragen de woorden tussen het wit aan te passen, dan komen de juiste spaties vanzelf wel mee. En als de schrijver het niet doet, dan gaat de zetter maar aan het beunen.

Zie toch eens: het zijn 49 woorden, dus 48 spaties die te wijd kunnen zijn. Wat een gedoe. Als je waar dan ook wat klooit aan de woorden van deze zin, verschuift overal het wit. Exit 'waarin' en 'waren verwerkt' en vervangen door kortweg 'van'. Dat wordt dan:
Het vroor nog licht toen Marius om tien uur 's ochtends het hekje opende en met een trouwboeket van vooral witte fresia's onder de boog van gevlochten dennentakken met bovenin het helder gekleurde bordje HULDE AAN HET BRUIDSPAAR, naar de voordeur van de Zegerijstraat 16 liep.
Niemand loopt naar een huis zonder het hekje te openen; dat hoeft er niet bij. En als het er niet bij staat, kan heel dat hekje weg; dat staat daar echt in de weg.
Het vroor nog licht toen Marius om tien uur 's ochtends met een trouwboeket van vooral witte fresia's onder de boog van gevlochten dennentakken, met bovenin het helder gekleurde bordje HULDE AAN HET BRUIDSPAAR, naar de voordeur van de Zegerijstraat 16 liep.
We zien meteen dat Blogger een weinig fijnzinnige uitvuller in dienst heeft. Maar kom op, het kan minder omslachtig. Even die lange zin in tweeën knippen; dat hapt de moderne lezer makkelijker weg, en weg is 'toen' (jammer van die lichte allusie op de opening van De avonden, maar wie denkt daar nog aan op p. 151). Dat Marius op pad is met een trouwboeket, is wel duidelijk op een trouwdag en onder dat bordje. En als we niet weten welke bloemen een ondergeschikte rol spelen in de compositie van dat boeket, kan het wel wat korter; het bordje met de huldetekst is een geval van traditionele volkscultuur en zal per definitie helder, en niet dof, grauw of mat gekleurd zijn; dat het om een tekst gaat, blijkt al wel uit de kleinkapitalen, die ook gebruikt zijn voor de weergave van de trouwkaart net even eerder in de tekst; en dat zo'n bordje niet verlept ergens onderaan de boog bungelt, is ook een volkenkundig cliché van jewelste:
Het vroor nog licht om tien uur 's ochtends. Marius liep met een boeket witte fresia's onder de boog van gevlochten dennentakken met HULDE AAN HET BRUIDSPAAR naar de voordeur van de Zegerijstraat 16.
Het zijn nu nog maar 34 woorden. Dat zo'n groot huldeblijk niet bij de schuurdeur staat opgesteld is ook geen nieuws voor wie wel eens getrouwd is:
Het vroor nog licht om tien uur 's ochtends. Marius liep met een boeket witte fresia's onder de boog van gevlochten dennentakken met HULDE AAN HET BRUIDSPAAR naar Zegerijstraat 16.
En opeens denkt de herscheppende amateurzetter: loopt Marius onder de boog? Of loopt hij door de boog? Door de boog natuurlijk, en onder die tekst door. Maar dat laatste is al opgelost: het is die boog met die tekst. Onder of door: het scheelt toch weer een letter zetbreedte, dus speelruimte.

Gaat Marius zelf trouwen? Dan is het toch zijn boeket, dat hij aan zijn aanstaande gade schenken gaat? Die 'i' en 'j' zijn lekker dicht tegen elkaar aan te zetten, moet je weten.
Het vroor nog licht om tien uur 's ochtends. Marius liep met zijn boeket witte fresia's door de boog van gevlochten dennentakken met HULDE AAN HET BRUIDS-PAAR naar Zegerijstraat 16.
Nu er zo weinig overblijft, valt extra op dat er tweemaal 'met' staat, zij het in een andere context. Verwarrend. Omdat er inmiddels ruimte over is, plakt de herscheppende zetter er een feestelijke alliteratie bij:

Het vroor nog licht om tien uur 's ochtends. Marius liep met zijn boeket witte fresia's door de boog van gevlochten dennentakken, waaraan de HULDE AAN HET BRUIDSPAAR hing, naar Zegerijstraat 16.
Benieuwd hoe dat eruit ziet in zetsel (32 woorden zijn het nog maar). En wat de schrijver ervan vindt bij de tweede correctie.