zondag, april 12, 2009

is een roman dus een geschiedenis

http://home.hetnet.nl/~arthur.wevers/Zo, lieve lezer, luidt de eerste regel van het gedicht op bladzij 126 van Artur Wevers' debuut Bittergarnituur (Uitgeverij Contact, Amsterdam 2009). Het is, u las de krant dus weet dit al, een roman in verzen, geschoeid op de leest van bijvoorbeeld Jewgeni Onegin van Aleksandr Poesjskin uit 1833 (lees die prachtige vertaling door W. Jonker, verschenen bij uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 1989), maar het had ook Vikram Seths The Golden Gate kunnen zijn (uit 1986, waarvan ook een vertaling verscheen bij Van Oorschot, in 1995). Alledrie de boeken bevatten louter veertienregelige gedichten met een spijkerhard volgehouden rijmschema (ababccddeffegg). In alledrie de gevallen kan je nauwelijks spreken van sonnetten, omdat er een ongebruikelijk rijmschema wordt gehanteerd, omdat er geen wending in de gedichten zit en omdat de regels en de gedichten enjamberen dat het een aard heeft. Waar Poesjkin en Seth zich gebonden weten aan een goedgehanteerd jambisch metrum en regels van vier versvoeten, maakt Wevers doorgaans gebruik van een vrije vorm van vijfvoeters, of: tienlettergrepige verzen, althans regels. Maar wat dictie, taalgebruik en klankspel en beeldenrijkdom betreft en ook wat werkelijk ritme betreft, liggen er weinig vlammetjes tussen deze bitterballen die uiterst weinig met poëzie te maken hebben. De regels zijn doorregen met spreektaalachtige schrijftaalarmoedige tussenvoegsels als 'dus', 'eigenlijk', 'best wel', 'een soort', 'nou ja' en noem al die chicklitterige kletsklontjes maar op.

Dus toen ik in de NRC van 10 april 2009 de boekbespreking door Ilja Leonard Pfeijffer zag met de titel: 'En toen zag ik dat al mijn zinnen metrisch waren', verwachtte ik een magistraal stukje scherpe poëziekritiek van deze bomberende dichter-criticus, die zo vaak zegt dat (zijn en andermans' en -vrouws') goede poëzie moet Zingen. Maar neen, hij vindt weliswaar dat 'hele stukken van het boek [...] ongelooflijk geouwehoer' zijn, maar 'Dit soort passages zijn het allerleukste aan het boek', zijns inziens. Hij noemt het boek uiteindelijk 'niet alleen vermakelijk, maar ook intelligent en bijzonder.'

Nu kan ik me - het is mooi weer, ik heb een dagje vrij en lekker uitgeslapen, en de Here staat weer op - me wel vinden in die kwalificaties: een boek dat het verhaal vertelt van ene Chris die redacteur is bij een literaire uitgeverij en die uit geestelijke en sexuele armoede besluit om een autobiografische roman te schrijven waar dan ene Arthur Wevers als tegenspeler in optreedt met wiens vriendin Wendy Smidt hij (die Chris) zeer vleselijk de liefde bedrijft, is wel vermakelijk.

Om zo'n plotje te verzinnen en uit te werken, en daar steeds weer rijmwoorden bij te vinden, moet je misschien wel intelligent zijn (het boek is dat, lijkt mij, niet; in tegendeel: het zwenkt inhoudelijk tussen zogenaamd filosofische overwegingen over schrijven en zijn enerzijds, en platte, misogyne porno anderzijds; nogal vervelend, en nog vervelender is dat dit het soort verteller/auteur is dat zegt dat zulks ook de bedoeling is).

En bijzonder mag het ook wel heten, als in: zo heel erg veel rijmende romans zijn er niet naast Jewgeni Onegin, The Golden Gate, Fredy Neptune, Berliner Lullaby, De haren van Jeanette, De goddelijke komedie. En het is een mooi vormgegeven boekje, met een leuke omvang van 12 x 18 x 1,8 cm, en met een ruime bladspiegel, waardoor je niet kan zien dat elke bladzijde volstaat met een witregelloze sonnetoïde. De nummers van de 23 hoofdstukken staan met grote grijze cijfers door de tekst heen gezet (die Melle Hammer doet leuke dingen voor Contact).

Maar wat de inhoud betreft is wel heel erg gemaakt, tamelijk grof en plat, en wat de vorm betreft bepaald niet poëtisch.

Hij sloeg zijn regenjas dichter om zich heen
en stak zijn sjekkie aan. 'Wat een kloteweer!
Maar waarom ben je toen nou niet meteen
bij Jan gaan wonen? Had je maar één keer
hoeven te verhuizen... Ik bedoel, nu ja...
niet dat ik het nou...'Hij dacht even na.
'Maar in elk geval had het ons allebei
een hoop gezeik bespaard...'Het leek of hij
grijzer was geworden. Hij keek me aan.
'Tsja, weet ik veel, ik bedoel, met Suzan
hier om de hoek,'zei ik, 'en dan met Jan...
of dat nou zo lang goed zal blijven gaan...'
'Ja, jezus, wat een zeikerd zeg... maar goed...
dan had ik Esther misschien nooit ontmoet...

Dat staat bij voorbeeld op p. 269, op drie na de laatste pagina. Niet wat ik noem een spannende, aangrijpende, stevig geformuleerde tekst. De woorden 'nou', 'nu ja', 'even', 'Maar', 'Tsja', 'ik bedoel', nog eens 'nou', 'Ja', 'maar goed' zullen allemaal wel lekkere spreektaal nabootsen, maar in een gedicht zijn het lelijke, betekenisloze stoplappen.

Tsja, zo gaan die dingen in het leven.'
In gedachten staarde hij naar de sneeuw
die gejaagd en wild werd voortgedreven
door de harde wind. Hij bedwong een geeuw
en verzuchtte op een zeurderige toon
die grappig was bedoeld: 'Het heeft gewoon
zo moeten zijn... Ja, ja...' Daarna wendde hij
zijn ogen van de sneeuw naar mij en zei:
'Maar het einige wat ik dus niet snap
is hoe het nou toch in godsnaam kan...'
Hij aarzelde. 'Ik bedoel, dat Suzan...
Nou ja... Het is ook wel een goeie grap,
achteraf bezien, dat ze nou juist
op de dag waarop Wendy was verhuisd...'

Zo luidt het volgende gedicht, of: de tekst op de volgende bladzijde. De eerste regel is misschien grappig bedoeld, maar komt op mij uiterst krachteloos en machteloos over, ook als spreektaaluiting. Daarna komt een overbodige beschrijving van sneeuw, die niet alleen gejaagd maar ook wild wordt voortgedreven, met als toelichting dat dit gebeurt door de wind, nee: door de harde wind. Op 'sneeuw' rijmt niet veel, dus geeuwt de spreker maar eens. En dan komen er weer wat spreektalige vulsels: 'gewoon', 'Ja, ja', 'dus', 'nou toch', nog maar eens 'Ik bedoel', 'Nou' en 'ja' voor de variatie bij elkaar gezet nu, 'ook wel', en ook nog maar weer eens 'nou'. Nietsbeduidende woorden.

[Via een college over lange gedichten verplichtte ik mezelf (en anderen, waarvoor excuses) het boek (nog) eens te lezen. Het oordeel werd er - 27 juni 2009 - niet beter op. Wat een potsierlijke, met meligheden opgedirkte, nietszeggende flauwekul. Uit balorigheid en geërgerd door het gezwatel ben ik gaan tellen. Op tweehonderdzeventig pagina's tekst met elk veertien regels, summa drieduizendzevenhonderdtachtig regels, dertigmaal 'nou ja', vierenveertigmaal 'gewoon', achtenveertig keer 'eigenlijk' en tweehonderddrieënzestig keer 'maar'.]

Vertellen in poëzie gaat anders. Het kan beter. Als je de eerste strofe (toevallig veertien regels) leest van Hyperion van Keats (meer hier):

Deep in the shady sadness of a vale
Far sunken from the healthy breath of morn,
Far from the fiery noon, and eve’s one star,
Sat gray-hair’d Saturn, quiet as a stone,
Still as the silence round about his lair;
Forest on forest hung about his head
Like cloud on cloud. No stir of air was there,
Not so much life as on a summer’s day
Robs not one light seed from the feather’d grass,
But where the dead leaf fell, there did it rest.
A stream went voiceless by, still deadened more
By reason of his fallen divinity
Spreading a shade: the Naiad ’mid her reeds
Press’d her cold finger closer to her lips.

Milton wist het al, en Keats heeft goed naar hem geluisterd: rijm is 'no necessary Adjunct or true Ornament of Poem or good Verse, in longer Works especially, but the Invention of a barbarous Age, to set off wretched matter and lame Meter'. Dat scheelt.

Keats' tekst begint al met een antimetrie die het woord benadrukt dat aangeeft dat we hier niet zo maar over een dipje in een dalletje lezen; 'shady' assonneert met 'vale' en allitereert met 'sadness': de woorden worden inhoudelijk en naar de vorm op elkaar betrokken, ze staan daar niet wat te lummelen in een toevallige regel. Ze drukken met z'n allen iets uit. En: 'sadness' is geen beschrijving van het onderwerp, maar van de plaats waar hij zich bevindt. Maar dat onderwerp is nog niet genoemd. Dat gebeurt ook nog niet in regel twee, want daarin en in regel drie wordt in een constructie van herhalingen een nadere bepaling gegeven: 'Far sunken from [...], Far from [...] and [...]': hoe verder je komt, hoe minder er staat van die constructie: eerst valt 'sunken' weg (zodat de alliteratie met 'fiery' te beter uitkomt), en dan ook 'from': woorden die niet meer nodig zijn omdat je ze ten gevolge van de klassieke drieslag (in een chronologische opsomming) zelf wel in kunt vullen. Geen woord te veel. Pas in regel vier, dus verzonken in de regels van de tekst, zie we de van zijn troon gestoten Saturnus, 'roerloos als een steen', zoals W.W. van Lennep dat in 1879 vertaalde. Met s-klanken die de stilte duiden, wordt Saturnus' beroerde toestand verder beschreven. Niets beweegt, zelfs de lucht niet: er is geen geluid. Totale inertie van Saturnus en om Saturnus. En dat niet alleen: ook volkomen onvruchtbaarheid: geen zaadpluis zal er verwaaien. Waar het dode blad (aan het andere eind van de vegetatiecyclus) viel, bleef het liggen. Dit is poëzie waarnaar je moet luisteren en die je een beeld voor ogen tovert als je de woorden tot je neemt.

Vergelijk dat met de opening van Bittergarnituur:

Iets langer dan een halfjaar geleden,
dat was in 2008, in de tijd
dat ik helemaal was afgegleden
naar de bodem van het voldongen feit,
gebeurden er verschillende dingen
die amper met elkaar samenhingen
en die uiteindelijk ook allemaal,
op zichzelf genomen, als triviaal
en nikszeggend te omschrijven waren,
maar die zich wel zo samenvoegden dat
ik vermoedde dat er iets achter zat,
een zin die de toestand kon verklaren,
en dat terwijl zo'n verband er misschien
dus echt niet was. Hoewel...we zullen zien.

Waartoe die onduidelijke ('Iets langer dan') en tegelijk precieze ('een half jaar geleden') tijdsaanduiding, die in de tweede regel om zeep wordt geholpen, doordat de verteller blijkbaar had kunnen volstaan met: 'In 2008'. Vervolgens blijkt ook dat niet van belang, want het gaat erom dat de verteller moreel aan de grond zat. Helaas weet hij dat niet te zeggen. Want wat is 'de bodem van het [niet genoemde] voldongen feit'? Hoe glijdt een mens daar naartoe af, en waarom moet daar dan 'helemaal' aan worden toegevoegd? En wat gebeurden er in 2008? Dingen! Dingen? Dingen.

maandag, maart 23, 2009

Appendix: Litteris Neerlandicorum (moderniis) professionalibus

Flauw, erg flauw, zelfs cum grano salis (zeker dat onuitroeibare post-gymnasiale nep-neo-Latijn). Maar toch. Als je met betrekkelijk rudimentaire zoeksleutels - zoals plaatsnaam + discipline + persoonsachternaam - (en wie hanteert die, door tijdnood gedwongen, niet) op zoek gaat naar wat in een gespecialiseerd beroepsveld wel heet CRIASMDL (Corporation Relatated Professionalised Information in Academic Studies of Modern Dutch Literature), kom je, zonder al te diep de eerste pagina met vindplaatsen door te scrollen, op de volgende, wel uiterst gevarieerd samengestelde professorale almanak:

RUG en RUG
RUN
UL en UL
UM, maar waar een wil is, is de weg naar UM
UU
UvA en UvA en UvA
VU

Het kan natuurlijk ook het nodige onthullen betreffende mijn onbenullig en onvolledig zoekgedrag.

Opmerkelijk overigens dat men het aan de RUG van belang acht te expliciteren van welk geslacht de hooggeleerde is.

Opmerkelijk verder dat men aan de UL in het Nederlands begint, met de aanduiding 'functie' en dan naar ik aanneem in het Engels verdergaat met 'professor', want in het Nederlands is (of wellicht: was) 'professor' een aanspreekvorm, geen functieomschrijving; dat laatste is: 'hoogleraar'.

Ten derde is op te merken dat aangaande de UU de officiële universitaire informatiepagina ver te zoeken is met de genoemde termen, maar dat het aantal relevante hits overstelpend is. Web presence, heet dat, geloof ik.

Blijven opletten

VU-blog 23-03-2009Oftewel: Fama Crescit Eundo (pace Van Dale). Omdat ik het goede oude toeval nog graag een kansje gun hier en daar ruimhartig in te grijpen in het dagelijkse leven, planeer ik soms zo wat op de brede zee der digitale nieuwsvoorziening. En kijk, dan kom je ook wat tegen. Het VU-blog kende ik al wat langer. Het is een weliswaar openbaar te bezichtigen, maar niet erg een baken, want kennelijk een alleen of vooral voor intern gebruik bedoeld prikbord (zelfs in academie-Engels niet juist om te zetten tot: prick board); een digitaal instituutsmededelingenblaadje; vroeger werden die dingen gestencild en bij de uitgang van het gebouw neergelegd.

UvA-blog 23-03-2009Maar ik zie nu pas dat in deze vaart der universitaire volkeren er ook een UvA-blog is; dat is veel meer een algemeen en literair informerende en discusiërende gespreksplek; het ding is dan ook inter-, en bijna hyperactief volgehangen met allerlei doorverbindingen naar tal van andere sites en blogs en wat al niet onder het AVRO-kopje 'Vinger aan de pols'. Het is de kunst om daar als neerlandiblogger tussen te geraken (aanmoediging voor Leienaren, Grunningers, Nimwegers e.t.q.) De nieuwe canon. Met alle in- en uitsluitingen van dien: VU vermeldt UvA niet, zoals UvA VU niet noemt. De vroolijke hermeneut ziet alles, op den duur.

dinsdag, maart 17, 2009

Pracht-editie

Eerlijk gezegd ben ik met m'n suffe/surfende kop vergeten hoe ik er terecht gekomen ben, maar ergens op het internet (niet onaannemelijk De papieren man, waar ik wel vaker even aanleg)[maar zie inmiddels de reactie van De directeur van Het artistiek bureau; ongetwijfeld correct: daar meer ik ook vaak even af. Bewijsstuk.] staat een mogelijkheid om een weliswaar volkomen zinloze, maar niet minder fraaie leeseditie te bestellen van De sadist; pornografiese novelle (niet) van G.K. van het Reve. Zinloos, omdat het verhaal toch niet van Reve is/blijkt/schijnt; ook omdat de tekst van een droefstemmend laag literair peil is; zinloos ook omdat de oorspronkelijke tekst in pdf-formaat toegankelijk is (hier). Maar hoe minder zin iets heeft, des te mooier kan het zijn.

Ik heb een van de 70 exemplaren ongezien besteld en daags daarna ontvangen. Een schoonheid van een uitgaafje van De Uitvreter (Woold - 't Harkel). Zes vliesdunne A-5 velletjes (45 grams houtvrije Bankpost) in een donkerbruin omslag. En alles gezet uit een quasi-typemachineletter (8 punts Typewriter).

In het colofon wordt het dingetje heel netjes een leeseditie genoemd, een term die als volgt wordt uitgelegd: 'met stilzwijgende correctie van tik- en andere fouten, negeren van het uitbundige gebruik van de caps lock-toets, en vervanging van het storende "mij" (p. 1 "Een van hen kwam naar mij toe") door "hem".' Of dit helemaal door de beugel van het Huygens Instituut kan, betwijfel ik. Alleen al de ondertitel, die luidt in het origineel 'pornografise roman'; is dat een spelfout, een tikfout of een stilistische eigenzinnigheid, of een poging een Reviaans stijleigen na te bootsen? Men kan niet voorzichtig genoeg zijn op dat gebied.

In het colofon wordt het uitgesloten geacht dat Reve echt de auteur zou zijn; daarom blijven er ter uitgeverij vijf exemplaren van deze editie gereserveerd voor 'de echte schrijver'. Maar die zal zich nooit bekend durven maken, want een regel verder wordt het werkje een 'niet geslaagde pastiche' genoemd.

Maakt allemaal niet uit, wat mij betreft. Het is een schitterend uitgaafje. Om te hebben, en voorzichtig op te bergen. De uitvreter maakt, dat spreekt, meer fraai werk (zie hier).

woensdag, maart 04, 2009

Voorjaarsschoonmaak

Dubbend, twijfelend, pieker- en peinzend, het kopje geknikt op een schouder, de beide voeten voorzichtiglijk neven elkander op een gevaarlijk draaibaar krukje, liep ik (metaforisch dan, want vooral met de ogen) vanmiddag de ruggen der boeken in de studeerkamer weer langs: welk kan nou toch echt... niet gemist worden, welk kan nu dan eindelijk... achter een ander boek gezet worden, welk kan nu zonder medelijden of nostalgie of weemoedig terugdenken aan de gelukkige schenker bikkelhard verwezen worden naar het magazijn van de tweedehandsboekhandel, het lankmoedig equivalent van het Keulse stadsarchief? Het moet, het is nodig, het is onvermijdelijk, het kan niet anders want alles staat klem, alles staat vast, klemmer vast dan een hoofdstedelijke foutparkeerder, of een forens ogenschijnlijk op weg naar Den Haag op de A 12.

Laat ik dan maar mijn opruimkriebels dempen met een snoeiharde aanval op de laatste resten pre-digitaal bibliografisch archief. Stapels met laden zijn er al verdwenen, twee slechts nog houden dapper stand. De enige keren dat ik er nog in keek, waren de vorige lentes dat ik overwoog ze te ruimen...



Oude fiches

Alles kan ik verwijderen,
de verdroogde collegeaantekeningen,
mislukte tentamens, het boekje
met slimme notities, kan ik met dorre ogen
zien opgaan in rook, daar ben ik
echt een kei in.

Maar oude fiches in 't voorjaar,
decennia her geschreven, melig van inktvraat,
in stoffige laatjes, nee.

donderdag, februari 26, 2009

Ceci n'est pas une sculpture de Giacometti

Voor een af en toe nog Kopland lezende Giacometti-fan is het wel verwarrend om, even een paar daagjes met dochter uitwaaiend en shoppend in Parijs, dit tegen het dommelige lijf te lopen:


Wat je niet op deze foto ziet, is de onwaarschijnlijk grote menigte agenten van politie die men daar met bussen tegelijk had opgetrommeld terzij des generaals. Naar ons later bleek was dat ter gelegenheid van de veiling van het interieur van YSL die de dag na onze passage zou plaats gaan vinden. L'argent des autres, c'est le moindre de mes soucis, om Couperus maar weer eens aan te halen.

zondag, februari 08, 2009

Typografie e.t.q.

Wouter Godijn, De zieken breken, omslagUit doorgaans goedgeïnformeerde hoek werd me aangeraden de bundel De zieken breken (Contact, Amsterdam-Antwerpen 2008) van Wouter Godijn eens te bezien in het kader van WoepS. Een interessant, om niet te zeggen: prolematisch geval; en daar is het precies om te doen, met die lange en/of verhalende gedichten. Maar hier en nu wil ik stilstaan bij het uiterlijk van het boek.

Als je de bundel (?) hebt gelezen, zie je pas dat de vormgeving van de voorkant niet alleen maar voor de mooiïgheid is (de boekverzorging is van Melle Hammer). Dat de woorden zieken en breken (af)gebroken zijn, is relevant in het licht van hun betekenis, die in de bundel natuurlijk nog verder wordt uitgewerkt. Dat zieken zwart en breken rood is, weerspiegelt een tweedeling die ook in de bundel te zien is. Dat de hoofdletter G én gebroken, én deels zwart - deels rood is, zegt ook wel wat; net als het gegeven dat de auteur zowel Godijn heet als ook onder die naam als personage in deze poëzie een (hoofd)rol speelt (zoals, naar ik vernam, ook in ander werk). En bij dat alles komt natuurlijk dat Wouter Godijn, niet alleen het personage, maar ook de auteur, ziek is (MS). Het omslag, en meer nog de Franse titel, laat zich dan ook tevens lezen als een beangstigende volzin: De zieken breken Wouder Godijn (waarbij de zieken een tot meerdere personages versplinterde ziekte is, of zelfs: een versplintering van de zieke, Wouter Godijn).

Als gezegd: die typografische tweedeling zie je in de bundel terug. Om te beginnen in de inhoudsopgave:
Wouter Godijn, De zieken breken, inhoudsopgave Geen een-voudige tweedeling is het, want er is meer dan alleen zwart en rood, en schreefletters en schreefloze letters. Van de afdeling 'De zieken spreken' is alleen de afdelingstitel rood, van 'De zieken leggen Wouter Godijn het zwijgen op en spreken verder' zijn ook de gedichttitels rood gezet. Inderdaad: de verbeelding van een progressieve ziekte.

Er is in deze bundel nog veel meer te genieten op typografisch gebied. Ik noem hier slechts twee zaken (koop de bundel zelf om de rest te zien en de gedichten te lezen, en laat me even weten: is het een bundel of een (één) gedicht'). De afdelingstitel 'De zieken spreken' is in een Telegraafgrote schreefletter (contradictio in terminis) in dieprood gezet, en past niet op de pagina: het woord 'spreken' (nota bene) is op pagina [13] midden in de tweede e gebroken en gaat pas verder na het eerste gedicht van die afdeling, op pagina [16]. Zetter, drukker en binder hebben dat perfect uitgevoerd!

De verdeling van rode en zware inkt is, tot slot, in de bundel wat anders dan in de inhoudsopgave. Een fijnzinnig extraatje voor de lezer ten einde toe is de 'Epiloog' die, anders dan in de inhoudsopgave, niet in zwart, maar in een verzoenende vermenging van rood en zwart, in een diep rouwig paars is gedrukt.

Deze uitgave deed me teruglopen naar de boekenkast; de gewone boekenkast, niet het zelf getimmerde en viltgevoerde kastje met zeldzame, oude en/of bijzondere uitgaven. In de gewone kast zijn gewone uitgaven van gewone uitgevers te vinden die bijzonder zijn vormgegeven. Van een min of meer private press kan je zoiets wel verwachten (Exponent, De Avalon Pers, Uitgeverij Herik), maar van reguliere producenten valt het me - wie weet wel steeds vaker - vrolijk op. En dan bedoel ik niet des Bezigen Bij's uitgave Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen van Tonnus Oosterhoff (2002; Piet Schreuders), waarin de dichter quasi met een pen heeft geschreven door het drukwerk heen (beetje flauw); noch Meulenhoff-Manteau's Ik, en andere gedichten van Erik Spinoy (2007; Herman Houbrechts), waarin behalve dergelijk penwerk en verdergaande, Bezette stad-achtige maaksels, ook grijze afdelingscheidende pagina's met witte motto's te vinden zijn, en dat een geestig omslag heeft: zesmaal zelfgenoegzaamgroot ik, op de voorkant, in rode schaduwletters op een blauwe ondergrond.

Zie een Contact-uitgave als Krang en zing van Piet Gerbrandy (2006; Melle Hammer), die de inhoudsopgave, fraai gevormd, in twee kleuren op het voorplat heeft staan inclusief paginanummers, en in spiegelschrift en andere kleuren en zonder die nummers op het achterplat, waar nog bijkomt dat binnenin de gedichten geen titels hebben, maar bodems, in vette zwarte schreeflozen (helaas op een beetje glanzend papier; dat vond ik op school al niet fijn lezen in Raamwerk en zo).

Zie Querido's Totaal witte kamer van Gerrit Kouwenaar (2002; Kees Nieuwenhuijzen). Die is van een schone eenvoud, de meester volkomen waardig: matzwart omslag met flappen, titel en dergelijke in een hoek van 45 graden, schreeflozen, lichtblauw en wit, gestyleerde o in totaal, ook op de titelpagina; binnenwerk lekker ruim op het papier, dikke schreefloze initialen bij een tekstletter met schreef, en lichtblauwe afdelingstitels.

Niet te vergeten van Contact De grote verdwijntruc van Onno Kosters (2007; Melle Hammer), waarin uitbundig gespeeld wordt met allerlei lettergrootten, schreven en cursiveringen, waarin een gedicht op z'n kant staat, waarin twee soorten papier verwerkt zijn, en waar de tekst al begint aan de binnenkant van het omslag, waar namelijk de motto's staan afgedrukt.

Ook aardig is van De arbeiderspers Infauste dienstprognose door Rob Schouten (2000; Jaap Meijer), dat typografisch misschien niets bijzonders biedt (nogals klassieke opmaak met de Scala), maar in een dun kartonnen kaft steekt dat de bundel tot een ambtelijke archiefmap maakt (stofmapblauw met etiket erop). Dan heb je iets anders dan alleen maar een dichtbundeltje in handen.

En natuurlijk de Prometheus-uitgave Resitent van Saskia de Jong (2006, Michaël Snitker), met een bloedrood schreefloos lettertje gedrukt op chirurgengroen papier, gestoken in een klinisch plastic stofomslag.

Kunst- en dichtwerk.

maandag, januari 19, 2009

Oversteekplaats

Afgelopen vrijdag vond in Leuven het Tweede Congres Nederlandse Literatuur plaats, onder de naam Cross over, en gewijd aan: De plaats van de tekst (zie hier). Niets dan lof voor 't een en 't ander. Goed opgezet. Gesmeerde organisatie. Lekkere hapjes. Er was alles aan gedaan om de aandacht af te leiden van het gebouw waar het plaatsvond. Erg leuk en leerzaam om allerlei be- en onbekende collega's te zien, horen en spreken, onder anderen lieden die opeens als het ware achter hun e-mail-alias vandaan komen. Congres-pop-ups, als het ware.

Een dag bijna alleen maar over literatuur, herstel: over de tekst discussiëren. Niet eenvoudig, want de standpunten, invalshoeken, methodologieën, meningen, feiten en inzichten vliegen je dan in razende vaart om de oren. Een hele opgaaf voor mijn trage hersentjes om daar op in te spelen. Maar ik vind het wel een heel goede opzet: iedereen een pripeper indienen en andermens' pripepers vantevoren bestuderen, dan kort ter plekke toelichten en vervolgens doordenken en uitwisselen maar. Moest ik wel wat aan wennen.

Overigens zullen de pre- niet als vanzelf tot echte, nou ja: papieren 'papers' of digitale publicaties worden; er komen namelijk geen 'handelingen', zoals ze dan zouden gaan heten. We hebben ze tijdens het congres al zo grondig doorgenomen dat ze meteen tot postpapers zijn geworden. Wie er niet bij was, weet er niet van. De plaats van de paper? Die blijkt zeer vluchtig in een discursieve ruimte.

Opmerkelijk (tweede terzijde) dat de subdiscipline die mijns inziens het meest met tekst te maken heeft, de editietechniek, betrekkelijk gering van vertegenwoordiging was. Maar dan de kwaliteit!

De vorige keer was ik er niet bij; misschien is me daarom de reden ontgaan van de Engelse benaming van dit congres (om nog te zwijgen van de naam van de ingediende teksten). En als ik de congresnaam opzoek via Google, krijg ik dit: 'Did you mean: crossover'. Het zal wel een coniunctivus adhortativus zijn:
'cross over
1. To change from one condition or loyalty to another.
2. Genetics To exchange genetic material. Used of homologous chromosomes' (aldus: http://www.thefreedictionary.com/cross+over).
Vrij vertaald: Kom over de brug! (Al vraag ik me af of dat Engels een goede metafoor voor letterkundige Neerlandici bevat: homologe chromosomen.) Die aansporing gold dan niet mijn bijdrage over edities, noch mijn aandacht voor Tekst en instituties, de ochtendsesssie die ik bijwoonde; op redelijk bekend terrein vertoefd.

Het was meer Marjolijn Februari die de gehele verzamelde geleerde goegemeente verzocht eens wat verder te kijken dan de eigen wijsneus lang is. Ze had, nota bene, het hele congres bijgewoond om des te beter die wetenschappelijke (en andere) literatuurbeschouwers van repliek te dienen. Ze sprak (onder meer) over de verbazingwekkende wijze waarop vooral haar debuut in een literairhistorisch hok werd en blijft worden geknuppeld, waar het volgens haar in het geheel niet thuishoort en waar het bovendien niet goed tot zijn semantische recht komt. De vraag is, of er aan een dergelijk brandmerk wel te ontkomen is (vergelijk het welkomstwoord op haar website). Zeer leerzaam voor de brandmerkers, deze onverwachte bijdrage aan Tekst en instituties.

Ook Mary Kemperink, als voorzitster van de jury van de Scriptieprijs Nederlandse Taalunie 2008, had een aanjagend addertje onder het overigens zo feestelijke gras: de hooggewaardeerde gekandideerde scriptanten hadden allemaal enkele steken (hele toeren zelfs, om in de terminologie te blijven) laten vallen op het gebied van de spelling. Een opmerking die de betroffen (kan je dat zo zeggen?) studenten zich aan konden trekken, maar niet minder de docenten die hen begeleid hadden.

Aldus gesticht en na een borrel die ook receptie werd genoemd, hoewel die aan het eind kwam (en dus een dicessie of digressie was), vrolijk koutend met Ivo terug naar huis langs het ijzeren spoor; de deurklink der trein ontglipte ons te Mechelen nipt aan de vingers, wat een uur extra conversatietijd opleverde, maar overigens verliep ook dit deel van de dag aangenaam en voorspoedig, niet alleen wegens de overweldigende hoeveelheid frieten die we te Antwerpen voorgeschoteld kregen, verborgen onder een megakwak mayo.

vrijdag, januari 09, 2009

Lezen en Laten Lezen

We - studenten en docenten van de cursus Lezen en Laten Lezen, Nederlands, Universiteit Utrecht - gingen vandaag op bezoek bij het Huygens Instituut, daar waar het toch eigenlijk allemaal gebeurt als het om editeren gaat, om het zo maar eens te zeggen. Om kort te gaan: een prima onthaal, door geleerden van diverse pluimage, wat in editietechnische zin en aanhakend bij de opzet van het college wil zeggen: kenners van de Nederlandse literatuur en edities op het terrein van de Middeleeuwen, Vroegmoderne en Moderne Tijd. En niet te vergeten een exposé door Eva van onze bezigheden tijdens het college.

Het was optimaal amateurfotografenweer (vrieskoud, rijkberijpt en kraakhelder) en precies deze gelegenheid bood me de ultieme smoes de aanschaf door te zetten van een zakformaat fototoestelletje (Kodak EasyShare C813 met een 36 mm - 108 mm lens en 8,2 megapixels).

Al te vlot. Even wennen nog. Eigenlijk is alleen het kladje gelukt dat ik ex tempore (d.i. voor de vuist weg) maakte vanuit de trein. De actiefoto's van de sprekende Peter de Bruijn, Eva Meylink, Marjolein Hogenbirk, Jan Bloemendal en Bram Oostveen zijn al te dynamisch om hier weer te kunnen geven, helaas. Ik probeer het volgend jaar graag weer.

Tussen Utrecht en Den Haag, 09-01-2009

maandag, december 29, 2008

Archiefwerkzaamheden

Een typische bezigheid voor de laatste dagen van het jaar. De boel opruimen, de oude zooi weggooien, andere oude zooi toch maar weer niet weggooien. Dus de Jaarboeken van de Maatschappij, die sinds mensenheugenis een steeds grotere stofberg om zich heen verzamelden op de onderste plank van een boekenkast in een hoekje op de zolder... de deur uit: die zijn toch al gedigitaliseerd, geDBNLiseerd; veel handiger dan die papieren dingen.

Maar al die LP's... nee, daar kan ik nog geen afscheid van nemen. Bewaren is evenwel zinloos, want de pick-up is al jaren de deur uit wegens lamme snaar en aanschaf CD-spelertje dat in de kast past...

Vandaag eindelijk zo'n mp3-phonograaf gekocht. Ik wist niet dat de bewegingen die er bij een draaitafel horen zo diep in je spiergeheugen zitten: het voorzichtig uit de hoes halen van de zwarte schijf, vingers aan de rand en op het etiket alleen, blazen, omdraaien met een luchtige beweging van twee handen, weer blazen, etiketje lezen, A-kant boven, neerleggen op de schijf, het stof eraf wissen, de naald omhoog, opzijbewegen, schatten waar de groef begint, en langzaam laten dalen... de krassen en spetters zitten nog op precies dezelfde plaatsen. Ook het gehoorgeheugen laat zich weer kennen. De muziek komt meteen weer in het hoofd opdagen als ze uit de groef weerklinkt.

Eindelijk Nightingales and Bombers van Manfred Man's Earth Band weer eens gehoord



(en dat nu ik De welwillenden aan het lezen ben). Lionel Richie, een dico-single van All Night Long (eindeloos, B-kant met alleen de muziek), nog van ons afstudeerfeest.



Lotte, van Stephan Sulke in de enig echte versie (die man is zo stom geweest er ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag een nieuwe deun van te maken, met een mechanisch huppelritme erin, niet om aan te horen, maar iets beters was er digitaliter niet te streamen of te down loaden... tot nu). Freeze Frame van Godley and Creme, schitterend.



'Truth is stranger than fiction'. En straks ook Willem Vermandere op de mp3-speler, vreeemde combinatie. Le Piano Magique d'Erroll Garner, een CBS-schijf uit 1972, vijf jaar voor de goede man stierf... Nu ja, binnenkort mijn eigen top 2000 gedigitaliseerd. Alle goeds voor 2009!

dinsdag, december 23, 2008

Alberto Giacometti - Scultore - Pittore - 1901-1966

Weena, 23-12-2008Collegepauze, bijdrage congres ingediend, schets voor het wetenschappelijk jaarverslag voorbereid, eerste fase van de workshoppreparatie achter de rug... tijd voor een museum.

Hoe het gekomen is, weet ik niet meer, maar sinds ongeveer achtentachtig (vorige eeuw) loopt Alberto Giacometti door mijn blikveld. Misschien om/doordat ik wel houd van getroubleerd realisme.

In januari '88 kocht ik Alberto Giacometti, Photographed by Herbert Matter (New York 1987).

In augustus negenentachtig schafte ik de 575 pagina's dikke Giacometti; a Biography (London-Boston 1983, reprint 1986) aan, geschreven door James Lord, die op zijn beurt weer door Giacometti vereeuwigd is.

In november negenentachtig kwam daar de Engelse vertaling van Alberto Giacometti (oorspr. 1984) bij, door Bernard Lamarche-Vadel.

In de zomervakantie van 1998 bezocht ik in L'Isle sur la Sorgue (Vaucluse) een tentoonstelling in het Centre Xavier Battini: Giacometti, Richier, Gutfreund (daar hing, meen ik, een Sartreportret in blauwe ballpoint).

In tweeduizendeneen doolde ik door het Museum Kurhaus te Kleve (Kleve, waar mijn oom woont), alwaar onder andere werken van Giacometti.

Hoe ik dat weet? Gekke gewoonte om aanschafdatum in boeken te noteren (doe ik tegenwoordig wat terughoudender, omdat wegens volle kasten het gevaar van doorverkopen groter is). En doordat ik een plakboek heb met de ansichtkaarten, die ik aanschaf, iedere keer als ik met plezier door een museum/tentoonstelling heb gedwaald, gedoold, gewandeld. En wat me nu dus een kunstdagboek (in voortdurende aanbouw) heeft opgeleverd. Handig ook als naslagwerk.

Dus ging ik vandaag naar Rotterdam (waar mijn familie vandaan komt, beter: kwam, want ook die oom woont er niet meer, maar al weer jaren in Kleve), naar de Kunsthal, wegens de Giacomettitentoonstelling (sinds ik met collega's de studievereniging Awater groot-dicteewedstrijd heb gewonnen, durf ik ook dit best te schrijven, zonder koppelteken).

Wat een genot om al die bekende werken nu (weer) eens in het echt te zien. Misschien toch vandaag met een voorkeur voor de schilderijen, de portretten: wat een gezwoeg, dat werk. Ja, echt werk. Werk in uitvoering, ook nu ze voltooid aan de muur hangen.
Annette zittend in het atellier, ca. 1960 Maar hoogtepunt vond ik, letterlijk naast onder andere de beroemde (zie hier voor een voorbeeldje), levensgrote lopende man (onderdeel van het Chase Manhattan Project van 1960), een gigantische vitrine (ik gok 1,5 x 1,5 x 1,5 meter) met daarin een bronzen figuurtje uit de jaren veertig, van net 4 cm hoog en een paar mm dun. Verpletterend in al z'n kleinheid. Lijkt op een afgietseltje van een Etruskisch beeldje dat thuis op de boekenkast staat: Ombre della sera, aangeschaft in Volterra. En zo, en langs nog andere omwegen, komt alles bijeen.

Omslag Robert Anker, Goede manieren; een episodisch gedicht

donderdag, december 11, 2008

Epische en/of Lange Gedichten

Geleend van de site van het Willem Elsschot Genootschap, het minst gekke plaatje als je op 'epiek' googletAl een tijdje sla ik m'n aantekeningen betreffende lange verhalende gedichten in de moderne Nederlandse letterkunde op in een map met de titel oEPs, een flauwe afko van: Onderzoek Epische Poëzie Stolk. Maar sinds een tijdje is er een nieuwe map bijgekomen, waarin ik de parafernalia van de Workshop Lange Gedichten archiveer; een workshop die Dietlinde Willockx (Universiteit Antwerpen) en ik aan het op poten zetten zijn. Die nieuwe map heet, jawel: WoepS, ook al zit Dietlinde niet zo strikt op de epische, meer op de lange lijn. Juist die net wat afwijkende posities maken de samenwerking zo vruchtbaar en ook aangenaam en leerzaam, vind ik.

Op 19 juni 2009 gaat het plaatsvinden, in de Sweelinckzaal, Drift 21, te Utrecht, tussen 11.00 en 17.00 uur. Geen lange, doorgekauwde, betogen, maar korte bespiegelingen en reflecties daar weer op, daar hopen en rekenen we op. Wie er meer over wil weten, zie de WoepS-site.

Is 'Eindeligt' van Willem Jan Otten, in Welkom; gedichten 2003-2008 (Amsterdam 2008) nou lang of episch? Of niet? Minder dan zijn De eend, denk ik. Maar het gaat me er niet om het onderscheid vast te spijkeren, maar juist om het productief te houden. Onder andere. Demarcatie en fascinatie. Zoiets.

vrijdag, november 28, 2008

De dijk

'In 1937 schreef Engelman een episch gedicht over de afsluitdam van de Zuiderzee: "De dijk".' Aldus Paul Claes in zijn Lyriek van de lage landen; de canon in tachtig gedichten (Amsterdam 2008: 319).

Dan is mijn aandacht gewekt. Een mij nog niet bekend modern epos!
Kopen!
Lezen!

Ah, de Lutetia van Jan van Krimpen. Wat een sterke letter. Maar dit terzij.

Teleurstelling. Zesendertig kwatrijnen van negen- en zeslettergrepige, jambische, gekruist rijmende verzen die (zonder dat ik het mooi vind) de lof tuiten van een dijk, die enigszins tijdloos en als een levend wezen wordt voorgesteld; wie wil kan er mythische, nou vooruit: epische proporties in zien.

Maar ik lees de eerste regels:

De dijk ligt tusschen ’t land en ’t water
met palen en bazalt. (5)

Sinds Vasalis en uit eigen reiservaring weet ik dat de Afsluitdijk ligt tussen water en water; tussen zee en wat sindsdien geen zee meer maar meer is. Hoezo afsluitdam van de Zuiderzee, zoals Claes dat noemt?

De tweede strofe begint aldus: 'Hij heeft de zee het land ontstolen' en in deel II staat:

De molens slaan de horizonnen
met wieken, kruis na kruis,
de polder is een vat vol sponnen [=vulgaten]
en heimelijk geruisch.

Molens aan de Afsluitdijk? Een polder? En waarom zegt Engelman in deel III: 'Ligt hij er pas, ligt hij er eeuwen, / met zijn geduchten zoom?' (9) Dat is wel een heel idiote vraag met betrekking tot een net voltooide dijk?! Maar: waar staat dat deze dijk net voltooid is? Heeft Engelman willen dichten als een tweede Nijhoff: 'Ik ging naar Den Oever om de dijk te zien. Ik zag de afsluitdijk'? Dan was hij er bepaald niet vlot bij: ‘Op 28 mei 1932, vijf jaar na het begin van het werk, kon het laatste gat in de dijk worden gesloten.’ [http://www.afsluitdijk.org/NL%20BOUW%201.htm - 28-11-2008]. Dat ding was anno 1937 dus al vijf jaar klaar. Komt Engelman nog eens aan met zijn lofdicht? Hij had wel Achterberg ver vooruit kunnen zijn: 'Eindelijk is het grote gat gedicht.'

Maar wie schetst mij mijn schrik bij 't naslaan van een Engelmanboek, Op gezang en vlees belust; over leven, werk en stad van Jan Engelman (Utrecht 2000), want daarin staat De dijk aangeduid als 'een werk dat was geschreven bij gelegenheid van de voltooiing van de Afsluitdijk.' (28) En bij een foto van Johanna Diepenbrock, de dame die De dijk voordroeg 'bij het ingebruiknemen van de schouwburgzaal in de Studio der Algemeene Vereeniging Radio-Omroep te Hilversum' op 22 april 1937 (aldus de colofon van De dijk, Amsterdam 1937: [15]), en voor wie Engelman viel, welnu, bij die foto staat nog eens: 'Het gedicht "De dijk" schrijft Engelman ter gelegenheid van het gereedkomen van de afsluitdijk.' (118)

En ook G.P.M. Knuvelder noemt in zijn Schets geschiedenis Nederlandse letterkunde (37e dr. Den Bosch 1972, p. 167) 'het grotere gedicht De Dijk (1937) over de Afsluitdijk'. Als Claes fabuleeert, weet hij zich dus door kenners gedekt.

En er zijn er meer die De dijk verbinden aan de Afsluitdijk. Bijvoorbeeld Sanne Duyve en Lian Zigterman van de Hogeschool Van Hall – Larenstein (Kust- en zeemanagement) in hun ontwerp De dijk in z’n element; ontwerpvisie voor een nieuwe Afsluitdijk, gedateerd 22 mei 2008 (zie hier). En ook een boze blogger. En ook het WestFries Museum citeert Engelmans De dijk in de context van de Afsluitdijk.

Maar ik geloof toch en ondanks dat alles echt dat Engelmans De dijk er losser van staat. Engelman bezingt op alternatieve wijze iets waar ons kleine landje groot in is: de aloude strijd tegen het water, en het letterlijk winnen van terrein; kortom, een oeroude toop in vaderlandslievende poëzie ('gewijde grond der Vaderen, / Gij niet op mijn verzoek ontwoekerd aan de zee', dichtte De Génestet), maar nu eens benaderd vanuit het fenomeen 'dijk'. Niet die ene dijk, nee: een dijk, iedere dijk, de ideale dijk, de Hollandse dijk van alle tijden, der dijken dijk. De dijk die, al ligt hij stil, door Engelman toch als een grote held wordt voorgesteld. De impliciete zanger van De dijk vraagt zich niet voor niets af of de dijk wellicht nog 'het schip van Bran' ziet en 'Tromp nog of De Ruyter' bespeurt. (9) Deze dijk is geen echte dijk, maar, zoals Engelman op pagina 12 dicht: 'van dat onophoudlijk streven [namelijk: van de menselijke geest] het eeuwig zinnebeeld.'

maandag, november 24, 2008

Toch weer Achterberg

Soms denk je dat de aandacht verflauwt, soms lijkt die weer opgeleefd.

In de bloemlezing Lyriek van de lage landen; de canon in tachtig gedichten De Bezige Bij 2008) heeft Paul Claes aandacht voor Achterberg. Zoals van al zijn canonieken, beschrijft Claes heel in het kort des dichters leven en werken alsmede de situering, techniek en thematiek van het opgenomen gedicht, in het geval van Achterberg is dat 'Eben Haëzer', een leuke keuze want, zoals de canoniquer opmerkt: 'Ongewoon voor Achterberg is het ontbreken van het grondthema en de aanwezigheid van jeugdherineringen.' Erg veel wijzer word je er verder niet van, want een mededeling als 'Achterberg publiceerde bijna duizend gedichten, waaronder veel sonnetten' is maar een beetje, net niet helemaal waar. De historisch-kritische editie van het werk van Achterberg (Constantijn Huygens Instituut 2000) telt immers 1016 gepubliceerde gedichten, dus iets meer dan duizend; en in zijn proefschrift uit 1982 heeft Gerrit Otterloo net één meer dan een kwart daarvan, om precies te zijn 255, als sonnet geïdentificeerd; en de meeste daar weer van, net als 'Eben Haëzer', zijn geschreven na de Tweede Wereldoorlog, wat het nog minder begrijpelijk maakt dat er in Claes' canon een foto van de dichter uit 1936 is opgenomen. Maar goed, '1016' is een vorm van 'bijna duizend', en één meer dan een kwart van duizend is een vorm van 'veel'. Het is dan ook meer een (schitterend uitgevoerde!) salontafelbloemlezing dan een feitelijk naslagwerk.

Atte Jongstra refereert aan de Langbroekse bard in het hoofdstuk 'In de gekkenschemer' van zijn privé-domein-uitgave Klinkende ikken; bekentenissen van een zelfontwijker (De Arbeiderspers 2008) in - hoe kan het anders - een voetnoot, nummer 87 om precies te zijn, op pagina 188: 'Het zou me verbazen als hetzelfde niet opgaat voor een flink aantal gedichten van Gerrit Achterberg.' En 'hetzelfde' refereert dan aan 'het doen en ontdoen, na het trauma van de moord', wat weer (in het Engels) terug te lezen is op www.ncbi.nlm.nih.gov. Hoeveel 'een flink aantal' is in het denkraam van deze zelfontwijker met perifere blik, is vooralsnog onduidelijk.

Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries nemen in De canon van de Europese poëzie; 500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben (Meulenhoff 2008) (zonder foto van de samenstellers op het achterplat, gelukkig) welgeteld twee gedichten van Achterberg op: 'Code' en 'Werkster' (inderdaad, mijnheer Claes: weer twee sonnetten). Ook een mooie keuze. Het aantal van twee moet overigens niet gerelateerd worden aan Komrij's loftuitende maximum van tien destijds.

Frank Noë heeft met de roman Spellbound (Ailantus 2008) het leven van Achterberg verfictionaliseerd, blijkens alleen al de titel van de recensie in de NRC-bijlage 'Boeken' d.d. 21 november 2008: 'Achterberg in het koekoeksnest.' Maar ook de titel van de roman doet bellen rinkelen in het brein van de Achterberglecteur. Ik moet het boek nog lezen; zie hier alvast een andere recensie.

dinsdag, november 04, 2008

Prijzen, prees, geprezen

‘hard en scherp, maar ook liefdevol en humorvol, en spannend en geraffineerd’. Laat ik daar enige maanden geleden toch heel anders over gedacht hebben... Moet ik er dan echt opnieuw aan beginnen? Maar ik zit midden in Vriendinnen van Piet Gerbrandy: hard, scherp, liefdevol en humorvol, tergend en denderend.

donderdag, oktober 30, 2008

Epische poëzie

Telefo(t)onplaatje d.d. 29-10-2009Dat was een mooi initiatief van Hans Vandevoorde: hij, aan de VU Brussel doende met een college over epische poëzie na 1945, nodigde een paar soortgenoten uit om een workshop te doen binnen zijn college: Odile Heynders (Tilburg) - die Heilna du Plooy (Potchefstroom) introduceerde -, Dietlinde Willockx (Antwerpen), en mijn persoontje (Utrecht): allen van de species letterkundige, subgroep: op de ene of de andere manier, met de ene en de andere invalshoek bezig met wat je epische, of verhalende, of lange gedichten zou kunnen noemen, of het narratieve aspect van poëzie. Een beter kippenhok kan je je niet wensen (inhoudelijk gezien dan; die campus daar aan de Pleinlaan/Rue de la plaine dat is me er een) (alhoewel: mooie herinnering eraan: bezoek ter gelegenheid van de promotie van Sven Vitse; een openbaring om die daar hoogstprofessioneel te zien opereren in zijn oorspronkelijke biotoop, als ik dat zo mag zeggen).

En daar, in die hiervoor aangeduide epische polyfonie, zat meteen het interessante: we leerden elkaar (beter) kennen als betreders van dit betrekkelijk spoorloze terrein, en we leerden dat de invalshoeken op dat ene gebied heel uiteenlopend kunnen zijn. Hans had met en bij dezen zijn workshop op poten, Odile Heynders en Heilna du Plooy zijn met een andere bezig, net als Dietlinde Willockx en ik; alles in uiteenlopende stadia, vanzelf.

Daardoor - wederom: wegens die hiervoor aangeduide epische polyfonie - ging het dan ook over, onder meer en anderen, Zwagerman, Nolens, Van Dixhoorn, Gorter en Anker. Ha, ik hoop dat de studenten het ook zo leuk vonden; ik kan me voorstellen dat vijf van die min of meer zelfbenoemde epische geleerden voor hen wat veel knuppels in het hoenderhok waren.

Heilna du Plooy had me bij het scheiden van de markt een stapel papieren meegegeven, die ik in de trein te lezen begonnen ben. Goed spul. De laatste zes pagina's van dat nog te publiceren hoofdstuk van een boek had ik gepland te lezen tussen Rotterdam en Utrecht... maar daar stak de prozaïsche werkelijkheid een vrolijk spaakje in het wiel, door me in gesprek te laten raken met een mij tot dan toe onbekende meneer Ben [Nogwat], oud-leraar natuurkunde, die, vanuit de kop van Drenthe met veel bagage op wandeling was geweest in de Randstad, en die al koutend zelfs zo begeesterd was geraakt dat hij zijn bloedeigen dochter aan de telefonische kant schoof, omdat we het, onder veel en veel meer, hadden over Joe Speedboot. De internationale intercity als de trekschuit der 21ste eeuw.

De volgende dag - wat wil zeggen: vandaag - meteen om 09.00 uur weer aan de bak met een college over Marsmans Tempel en kruis. Werkelijk prachtig: iedereen (elke collegiant, om dat woord maar weer eens te gebruiken) droeg uit zijn of haar hoofd het hem of haar toegewezen fragment van die bundel / van dat gedicht voor. Mnemotechiek in praktijk. Heel mooi.

vrijdag, oktober 17, 2008

Zwaluw-editie

Blijverrast was ik toen ik het pakje openmaakte, mij - tegen (overigens zeer billijke) betaling natuurlijk - toegezonden door een collega-boekwinkeliertje.nl. Want eerlijk gezegd vond ik de naam van de mij onbekende uitgeverij niet bepaald opwekkend: Keizerskroon. De bollen, hoe vorstelijk de bloemen die daaruit groeien ook ogen, stinken nog erger dan doerians. En de titel van het boek, Tempel en kruis en andere gedichten , vond ik niet bepaald opwindend; eerder vreesaanjagend duf; plus dat ik die andere gedichten niet hoef; die heb ik al, in Verzameld werk en in Verzamelde gedichten. Daar staat Tempel en kruis ook in, dat weet ik, maar daarvan wil ik er, naast de acht exemplaren die ik al heb (eerste tot en met derde druk, gebonden of ingenaaid, met of zonder stofomslag), nog wel een bij.

En zie nu toch eens: 100 bij 150 millimetertjes meet dit piepkleine kleinoodje. Het is twee millimeter dik, dun dus, en bevat toch maar liefst tachtig bladzijden: eersteklas bijbelpapier! Met een voorwoordje van (de weduwe mevrouw) R. Marsman.

Het gaat hier om het eerste deeltje van de reeks Zwaluw-editie (waarin verder verschenen Avonturiers van Arthur van Schendel, Het wentelende wiel; Indische ervaringen van W.S.B. van Assen en het puzzleboekje O...ja!!!; zes andere deeltjes stonden al in het vooruitzicht). PiCarta dateert het uitgaafje op [1947].

'De Zwaluw-editie', zo staat aan de binnenzij van het voorplat, 'is bedoeld voor Nederlanders buiten de grenzen en verder voor eenieder, waar ook ter wereld, die contact met de Nederlandse cultuur op prijs stelt.'

En wat nu zo aardig is: aan het voorplat zit een flapje dat je op het achterplat kan plakken, en waarop een plekje voor een postzegel zit ('Indië: 2 ct. Overig buitenland: 4 ct.'). Op het achterplat staan verzendinstructies en adresruimte gedrukt. Waarmee het voortreffelijke papier verklaard is. Aan het achterplat zit ook een afscheurbaar retourkaartje ('Frankering als Briefkaart'), want:

Geachte Lezer
De uitgever heeft getracht, door deze uitgave het contact tussen U en Nederland te bevorderen. Hij verneemt gaarne uw oordeel.
Laat Uw advies voor verdere uitgaven aan anderen ten goede komen. Schrijf Uw bemerkingen op deze strook en zend deze ongefrankeerd terug.

(staat er daarom 'Frankering' en niet 'Frankeren' aan de andere zijde?). Oneerbiedig uitgevouwen ziet een en ander er aldus uit:



Om nog even uit te laten komen, wat een klein ding het is, hier de eerste druk van Tempel en kruis (ingenaaid, 135 x 215 mm, met 86 bladzijden maar liefst tien milimeter dik) en dit zwaluwtje naast elkaar (klikken op de plaatjes doet ze vergroten).

zondag, oktober 05, 2008

Plus Bourdieu que Bourdieu

(deze kop is natuurlijk alleen de aandacht te trekken van zekere Nijmeegse lezer, maar...) als ik, zoals de afgelopen tijd, gefêteerd wordt op plaatjes als het bijgaande, aan de internetversie des Volkskrants ontleende olijke groepsportret, en denk aan de daarbij horende berichten en de daaronder passende kennelijke werkelijkheid, kan ik toch niet anders dan mij verbaasd tonen in c.q. over al mijn onwetendheid.

Ik heb namelijk altijd gedacht dat al dat veld-, habitus, spel- en praxisgedoe waarmee Bourdieu een treffend beeld weet te schetsen van de handel en wandel in het gebied van (onder andere) de literatuur, in hoge mate een matafoor was, ontleend aan de hardere, concretere, oorzakelijker en gevolgrijker wereld van het geld; dat het redelijk overtuigende beeldspraak was, een pregnante wijze van spreken om anders nogal abstracte processen duidelijk te mee maken. Maar als ik dan die plaatjes e.d.m. (= e.t.q.) waarneem, slaat me de schrik om het lijf.

Nog nooit heb ik geld weggezet op de ene bank - en niet op de andere - omdat een meneer, die niet mijn broer is die al heel zijn werkzame leven bij een al heel oude bank werkt, me zei: 'Deze bank is betrouwbaar, en dat is ze omdat ik een bijzondere meneer ben, want ik loop eenmaal per jaar (en dan nog niet eens met carnaval) met een goudkleurig koffertje van papier-mâché door letterlijk en vooral figuurlijk Den Haag.' Maar kennelijk moet ik dat wel doen.

Een bank blijkt pas betrouwbaar en goed, niet als ze je zonder zorgen een zo hoog mogelijke rente op je zuurverdiende centen geeft, en een goed advies erbij, een kopje koffie, en geen strafrente bij onverhoedse geldopname, maar een bank blijkt goed als iemand, die zelf geen geld genoeg heeft, maar die een astronomisch bedrag, althans een bedrag waarvan ik in mijn mensenleven nog geen promille bij elkaar zou kunnen sparen, een man die zo'n bedrag dus moet lenen bij andere banken, een bank koopt en zegt: 'Deze bank, die ik net, stiekem, met een paar vrindjes, in het weekeinde, als de beurzen allemaal dicht zijn, en niemand die er belang bij heeft zich ermee kan bemoeien, gekocht heb, is goed.'

Dat is niet alleen een vorm van 'Wij van WC-eend adviseren WC-eend', maar het is ook een heel erg geval van volkomen symbolisch handelen dat werkelijk handelen zou moeten geldig- en wie weet zelfs zaligverklaren. Er is helemaal geen kapitaal, er is alleen maar symbolisch kapitaal. Kapitaal is een metafoor voor kapitaal. De kwadratuur van de veldtheorie. Ik begin het te begrijpen.

Vandaag niets gespaard. Weer een boek gekocht; net als gisteren trouwens. Godverdomse dagen op een godverdomse bol.

maandag, september 22, 2008

Daisy Wolthers 1922-2008

Lees ik net in een oude krant (straatfeest gehad, even niet opgelet) dat Daisy Wolthers is overleden op de dertiende dezer. Die lieve oude dame (goh, ze was van hetzelfde jaar als mijn oude moeder is). Te lang niet gezien. Ze was ook wel van een heel andere generatie dan ik, zeker in de Achterbergianistiek. Toen ik bij het Genootschap kwam, deed zij heel informeel nog net wel wat mee, maar niet echt meer. Maar op sommige momenten wist zo toch wel weer een stevige voet tussen de deur te zetten. Altijd enthousiast. Op 15 mei 1986 blijk ik Coming up for air van George Orwell gekocht te hebben. '"Moet je lezen", zei Daisy Wolthers', heb ik voorin genoteerd. Want inderdaad: dat zei ze, aan het einde van de pauze in een Achterbergsymposium, peuk uitdrukkend, rennend naar de zaal, zich nog naar me omdraaiend. Wie zegt er nou in een Achterbergsymposiumwandelgang dat je Orwell moet lezen? Daisy.

woensdag, september 17, 2008

Hoogmoed I-V

Hoogmoed is een mooi gegeven voor literaire teksten. Hybris. Tragedie. Hoogmoed is het misschien ook dat ik me hier waag aan een taalgebruiksoverweging (ik voel de taalkundig-analytische vaardigheid en dito terminologie als het ware uit mijn herinnering wegsijpelen). Regelmatig denk ik, hoe dan ook, te horen dat de uitdrukking / zegswijze / het spreekwoord / gezegde met daarin de woorden 'hoogmoed' en 'val' verkeerd begrepen en verkeerd gebruikt wordt.

Maar ja, ga je ernaar zoeken, in de krant, kom je niks tegen. Het misbruik is misschien vooral te horen. Maar nu heb ik er toch een gevonden. 'Anders dan in de mythe van Icarus […] komt hier de hoogmoed net niet voor de val: de eend kan juist op tijd terugkeren naar de haven.’

Aldus Guus Middag en Sander Bax in het stuk over 'Willem Jan Otten' in: Kritisch lexicon van de moderne Nederlandse literatuur (februari 2003, p. 6.) Ik vrees dat hier de neologistische werkwoordelijke uitdrukking 'voor de val komen' gebruikt is, met de betekenis: ten val komen, onderuitgaan, om niet te zeggen: op z'n bek gaan (want misschien zit er ook de gedachte achter: boontje komt om z'n loontje; nog zo'n versleten zegswijze).

En, net opgedoken uit het internet, de explicitering van de fout die ik bedoel. En nog een. En een derde. Terwijl de eenvoudige, oorspronkelijke mededeling toch slechts is: '955. Hoogmoed komt voor den val, d.w.z. hoovaardij gaat aan verderf vooraf', zoals Stoett al zei. Niets dan een temporele relatie. Eerst hoogmoed, dan val. Ik zal eens voorbeelden gaan sparen van dat andere gebruik.

Aanvulling 27 september 2008, de volkskrant, René Cuperus in de rubriek 'Stelling', de kop: 'De hoogmoed moest eens ten val komen.' En in het stuk zelf (de koppenwrijver kan de schuld niet krijgen): 'Het mooie is dat iedereen allang voorvoelde dat de ijdele hoogmoed van het financieel kapitalisme eens ten val moest komen.'

Tweede aanvulling 28 oktober 2008, Jan Blokker, Jan Blokker jr. en Bas Blokker, Nederland in twaalf moorden; niets zo veranderlijk als onze identiteit. Amsterdam-Antwerpen 2008, p. 84, over 28 januari 1256, de dag waarop koning Willem II werd vermoord, bezien vanuit West-Friese optiek: 'De dag dat de Hollandse hoogmoed voor de val kwam.'

Derde aanvulling 6 januari 2009, Herman Pleij in Nova, in een bui van Friesch doorloopend cultuurhistorisch wishfull thinking sprekend over atletische mannen in strakke pakken en op coole klapnoren op het hedendaagse ijs en over het oer- of oud-Hollandsche solidariteitsgevoel dat daar kennelijk aan gepaard gaat: 'Hoogmoed komt voortdurend voor de val.'

Vierde aanvulling 4 oktober 2009, een los documentje op een losse USB-stick met wat grensgevallen. [1] Dagblad de Limburger, 9 april 2004. 'Hoogmoed directie komt voor de val' Venray - Door Jan Houba De hinderlijke milieu-effecten van vliegveld Niederrhein worden uitgestrooid over het aangrenzende Noord-Limburg en Oost-Brabant. Terecht maken verantwoordelijke bestuurders zich daar zorgen om. Het spreekwoord 'hoogmoed komt voor de val' kwam bij mij op, toen ik het artikel in de krant las over vliegveld Niederrhein en de uitspraken daarin van directeur Van Elk. Het heeft mij zeer gestoord. Iemand die zich qua toon en inhoud zó uitlaat als Van Elk, is geen knip voor zijn neus waard. Als ik daar verantwoordelijk bestuurder zou zijn, dan was ik snel klaar met die man: ontslag! 

[2] Hoogmoed voor de val? Gebrek aan politieke relativering?

[3] 11 februari Fortuyns hoogmoed komt voor de val
Pim Fortuyn is lijsttrekker af. Het bestuur van Leefbaar Nederland heeft hem aan de kant gezet. De aanleiding was een interview in de Volkskrant waarin Fortuyn dingen zegt die niet stroken met het partijprogramma van Leefbaar Nederland. [...] Hij had op zijn tien vingers kunnen natellen dat het bestuur het niet zou pikken als hij zich niet aan de afspraken houdt. Waarschijnlijk heeft hij gedacht: ik ben zo'n fantastische stemmentrekker, ik kan wel een potje breken. Maar hoogmoed kwam weer eens voor de val.

[4] 07 september 2002 Hoogmoed komt voor den val LASCARI - Givoanni Greco (63) is in zijn graf gevallen. De Siciliaan bekeek regelmatig hoe het vorderde met de bouw van zijn toekomstige laatste rustplaats. Een echt mausoleum moest het worden. Afgelopen weekeinde klom hij op een ladder om de bovenkant te bekijken, gleed uit, stootte zijn hoofd tegen een marmeren trap en viel dood in de tombe. de Volkskrant

[5] Op 25-08-2004 17:42 schreef J@son het volgende: Japan heeft MILJOENEN geinvesteerd in het team om de gouden plak \"even\" op te halen in Athene. Kosten noch moeite gespaard. Zelfs het Pré-Olympisch toernooi in Nettuno kostte de Japanners alleen al 2 miljoen aan hotelkosten (verblijf in 5-sterren hotel). En dan de bronzen plak winnen. Als Nederlander teken je hiervoor, maar de Japanners wacht geen vreugdevol onthaal in eigen land. Er zal alleen rerept worden over de beschamende nederlaag tegen de Aussies... Tja, dan is het blijkbaar hoogmoed voor die bekende val gebleken keb er niet zo veel verstand van. (jij wel zag ik ) Twas iig voor deze leek goed te zien dat de japaners de canadezen overliepen. 

[6] Zeker bij motorrijders komt hoogmoed voor de val. Overschat jezelf niet. Diegene die denken dat ze het wel kunnen, liggen meestal het eerste tegen de vlakte.

[7] De grote reis werd gemaakt per trein, de deftige garibaldi’s schuin op een oor, of de bonte hoera-petten lichtzinnig op het achterhoofd beklommen de Losserse muziekanten vastberaden het Zaandamse podium. Zij zouden een paar nummertjes weggeven die die aanstellerige westerlingen met de oren zouden doen klapperen. Maar ook hier kwam hoogmoed voor de val: vijftig punten, een derde prijs en een schouderklopje van de jury was het loon.

[8] Van bescheiden onderaannemer die van God een casco-woning kreeg aangereikt en deze ploeterend en zwoegend inrichtte, heeft de Nederlander zich ontwikkeld tot heuse architect van het 'woonhuis Nederland'. Volgens Ton Verbeek zal vroeger of later deze hoogmoed voor de val komen.

[9] Hoogmoed komt voor ´t verval

[10] Zelf kunnen vliegen… Panamarenko is niet de enige die hierover droomt. Ovidius schreef er al over in zijn Metamorfosen. Zijn verhaal over Icarus, die wilde vliegen maar toch ten val kwam is wereldberoemd. Je leest alles over Icarus en over hoe hoogmoed voor de val komt in dit heel uitgebreide en boeiende onderzoek.

[11] Dat hoogmoed voor de val komt is ook onze topmanagers inmiddels duidelijk. Dat uitgerekend 's-lands grootste kruidenier een lesje in bescheidenheid krijgt is een harde culturele les. Daar waar de Nederlandse manager zich steeds verder wentelde in de weelde van zijn ivoren toren komt een nuchtere en bescheiden Zweed het concern redden van de ondergang. 

[12] Maar hoogmoed komt ten val, wil Goltzius hier zeggen.

[13] Zeg beste Mabel Wisse Smit een leugentje om bestwil, best, maar voor de rest zoals je ziet komt hoogmoed voor de val.

[14] Vroeg of laat komt hoogmoed voor de val, en de man die het meest - mans - is, die als een ijdele, leeghoofdige marionet optreedt en danst aan de touwtjes van de duivel, wordt publiekelijk vernederd. http://www.escrivaworks.nl/book/de_voor/punt/703

zondag, september 14, 2008

Utrecht Uitfeest

We waren, ten gevolge van de kooktijd van het zondagse eitje, een tikkie aan de late kant, de boel was al begonnen...
Operaconcert Oudegracht 14-09-2008
... maar het was er niet minder boeiend door; onder een naadloos gelaste, staalblauwe hemelkoepel klaterden en sprankelden de zangstukken over de Oudegracht nabij de Geertebrug...
Operaconcrt Oudegracht 14-09-2008-II
... zelfs zoonlief kon er (11.00 uur is wel vroeg) bij onthaasten...
Operaconcert Oudegracht 14-09-2008-III

dinsdag, augustus 26, 2008

Hendrik Marsman, The Zodiac

Bron: Adriaan J. Barnouw (ed.) Coming After. An Anthology of Poetry from The Low Countries. New Brunswick, 1948: 273 (blijkens een aantekening: Reprinted from the spring, 1947, issue of the Sewanee Review).

The Zodiac

I

The man of whom I tell this narrative
Returned, some time ago, to his native land.
He has since lived, for nearly a full yaer,
Over the peaceful broker's offices
Which, at the corner between two canals,
Front on the square that, starfish-shaped, ejects
Its corridors into the city's mine.
To the right his window sees the shrinking line
Of narrow bridges building an approach
To feudal doors - a row of mansions
Whose cellars stand in water masonried,
On the left the skimming searchlight of its glance
Touches the tops of trees that rooted stand
Deep in the sagging quays of the canal.
The square lies, like an empty crater bowl,
Amid the agonized obscurity
Of the dead city's hellish neon light.

zondag, augustus 17, 2008

H. Marsman, Tempel en kruis

Niet een erg mooi plaatje; sorry Een poging tot vertaling van de eerste passage, geconcipieerd tijdens een vakantie in East Anglia, augustus 2008.

Hoe ik ertoe gekomen ben te proberen de openingspassage van Tempel en kruis te vertalen, weet ik niet precies meer. Het was in Ringstead. Misschien doordat ik probeerde het begin van The Waste Land te memoriseren en te kalligraferen, maar daarmee vastliep, en door-associeerde naar een minstens evenzeer fascinerend stuk epische poëzie, dat beter in mijn hoofd zit; en dat dan in combinatie met de tijdens de vakantie wassende aandacht en waardering voor de Engelse taal, zeker zoals die in het land van herkomst gebezigd wordt door de local guys, want - mind you - ik heb niet de pretentie werkelijk zelfs maar het begin van een goede vertaling te kunnen leveren; maar het proberen-te-vertalen is een plezierige manier om opnieuw naar een tekst te luisteren.

Eerlijk gezegd wist ik daar in het perfide Albion vertoevend niet eens of de tekst al is vertaald; en internet was er daar op het Norfolkse vakantieadres gelukkig niet; zo min als een goed woordenboek.


Zodiac

I

The man who's story I am about to tell
has revisited his land of birth for short;
today it is a year ago he's put up
the flat above the peaceful broker's office
located at the corner of two canals
at the square that like a starfish in the sand
radiates its shafts into the city mine.
on the right his window sees the shrinking rank
of narrow bridges making the connection
with feudal portals - a row of houses
each which its cellar standing in the water -,
on the left the skimming searchlight of his eyes
touches the tops of the trees that are rooted
in the sinking wharfs of the canal;
and like an empty crater the square lies
spread out in the agonizing darkness
of the infernal dead city neonlights.


Eenmaal thuis, maar nog binnen vakantietijd, zie ik dit: 'H. Marsman, The Zodiac (De dierenriem uit: 'Tempel en Kruis, vertaald door Adriaan Jacob Barnouw)' (bron: http://www.schrijversinfo.nl/marsmanh.html). En er is zelfs dit: Romy Heylen, Dierenriem triptiek: vergelijkende studie van Hendrik Marsman: "De Dierenriem", vertaald door Adriaan J. Barnouw, en James Dickey: "The zodiac" (1981) (bron: Picarta). Die confrontatie moet ik dan maar eens aangaan. Ooit.

Secateurs & Eversharp

Wilfrid George schrijft op zijn Foothpath Map of Hunstanton, Holme, Docking and Heacham (4th edition, Aldeburgh (Suffolk) 1994) onder het kopje Fallen signposts: 'The walker who carries wire, string and pliers, and re-erects these, will earn the gratitude of those who follow.' Typerend voor de Engelse omgangsvormen.

Meer nog uit het hart van de ervaring gegrepen is zijn notitie onder een ander kopje 'Brambles would be less of a problem if more walkers carried a pair of secateurs.'

Tot mijn geluk had de winkel aan de overkant van ons huisje aan de Highstreet in Ringstead een vrijwel antiek 'pair of secateurs' in de aanbieding.



Prompt vergat ik 't ding mee te nemen op onze laatste vakantiewandeling, die nota bene wel langs heel dreigende brambles ging,



om nog te zwijgen van het naastgelegen golfveld, waar dit bord bij stond:



En dat ding is nog wel zo mooi scherp.

Bruggetje.


Op een openlucht-antiekmarkt (antiek? nou ja: 'collectables' dan) te Southwold zag ik een 'zilveren' vulpotloodje liggen... Toch maar niet gekocht. Wel een mooi ding. Maar ja, ik heb al zo veel vul- en slijppotloden thuis (en een doos met twaalf stuks, van 4B tot en met 6H mee op vakantie, voor als het tekenvirus weer de kop opsteekt). Bijna twee weken later in zo'n rommelwinkeltje in Old Hunstanton zie ik weer zo'n ding. Na een dag piekeren toch, op de laatste vakantiedag, gekocht, omdat het er zo mooi uitzag, niet wetend of, slechts hopend dat het tuig nog schreef.

Kijk ik thuis, na enig peuteren, op het internet... blijk ik terecht te komen in een wereld die ik niet kende, die van de schrijfwaren van Wahl Company en die van het droeve, het tragische verhaal van Charles R. Keeran die de Eversharp uitvond en patenteerde, maar er stom genoeg geen moer mee heeft bereikt, terwijl er miljoenen van verkocht zijn (lees maar na in 'A tale of two pencils').

Want ik heb dus wel een echte Wahl Eversharp op de kop getikt, en hij doet het nog ook: iemand heeft op internet een handig plaatje gezet van een oude gebruiksaanwijzing.
Aan de hand daarvan kwam ik erachter dat er nog zeker vijf 12-mm-stiftjes in zitten. 't Dingetje schrijft als een engeltje. Alleen het gummetje is op en versleten. Maar aan een nieuw is wellicht nog te komen via het wereld wijde web. Of ik leer om voortaan alles in een keer goed te schrijven.

zaterdag, juli 12, 2008

Bibliograf(ie)machine

LB UU 19-06-2008
Heb ik net van Geert uit Washington geleerd dat je niet alleen 'loopgraaf' maar ook 'loopgracht' kan zeggen (Van Dale noemt dat laatste Belgisch-Nederlands; we spreken dus keurig volgens het boekje), en waren we net overeengekomen dat het meervoud van het eerste - een meervoud dat meer in overeenstemming met de werkelijkheid is - meer morbide klinkt ondanks alle etymologische verwantschappen tussen graven en grachten, kom ik in mijn mobieltje bovenstaand prentje tegen, gemaakt op 19 juni 2008 te 14:55 uur. Dat is/was dus een stukje van de Letterenbibliotheek... het betreft een foto doorheen een venster, met zicht op een graafmachientje; een (locatie) en ander (machientje) prikkelt mijn woordspelzenuw onstuitbaar (reden te meer waarschijnlijk er niet aan toe te geven; excuses in dat geval).

maandag, juli 07, 2008

Dag, beste jongen, dank voor je geld en je sigaren.

Op 9 september 1888 schreef Willem Kloos dat aan Albert Verwey vanuit Villa des Chéras te Mont-lez-Houffalize, het huis van Lodewijk van Deyssel.

Toen ik net terug op mijn werkstek kwam na het diner, trof ik deze aldus (zie plaatje) aan:

Ik ben, moet u weten, bezig een recensie te schrijven, en daarbij blijk ik in minder dan geen tijd negen boeken van de huisbibliothecaire plank getrokken te hebben naast het te bespreken werk. Dit, onder andere om erachter te komen dat in het te bespreken werk ergens 'november' staat in plaats van 'september', en dat nog wel in de parenthese '(dat moet 16 november zijn geweest'). Nou, mooi niet dus.

En dan is er nog ander gedoe, met de datering van een 'Briefje, 28/29 september 1888', waar een an-noot-tatie bij staat, dat blijkens een brievencatalogus het ding geschreven zou zijn op 29 september, en wel 'blijkens een potloodaantekening' (zonder dat erbij staat van wie die aantekening is; dus doet het er ook niets aan toe of af of die in potlood of in ecoline of waterverf of met eyeliner geschreven zou zijn) terwijl volgens een andere bron het 'Briefje' geschreven zou zijn op de 28ste.

En wat staat er in dat briefje? Er staat in dat briefje: 'ik kom morgen (Zondag) met den trein' etc. Dus dan is het ook niet moeilijk meer om na te gaan dat dat zondag 30 september 1888 moet zijn en dat gisteren, ergo de dag van schrijven, dus 29 september 1888 moet zijn geweest, en dat de datering dan '29 september 1888' moet zijn en niet '28/29 september 1888'.

En dat klopt dan weer met de datering van 'een groot vel copie' dat meegaat met die trein, bevattende 'Het Boek van Kind en God', op 28 en 29 september, door weer een andere bron van diezelfde plank, maar niet met wéér een andere bron, die stelt dat op 29 september Kloos Verwey 'een vel kopij ter plaatsing in De Nieuwe Gids [bezorgt] met de tekst van Het boek van kind en God.'

Wat een ellende, wat een gedoe, met die kolkende dichtersharten. Wim wil zijn stoel terug van Appie. 'Dien stoel, ja, daar ben ik nog het meeste aan gehecht van alles.' Laat me niet lachen. Vijf dagen later: 'Dien Stoel, houdt gij dien maar, als vriendelijk aandenken, als hij er toch anders uitziet als [sic] voorheen.'

Die Tachtigers, dat is een warboel. En daar varen ze wel bij. Iedere keer kan er weer iets anders rechtgezet worden. Zo blijven ze in beeld.

dinsdag, juli 01, 2008

Revisie?

Dat was even schrikken toen ik in het jongste nummer van De revisor het interview met FPvO las, waarin hij over het proefschrift van Leo Mosheuvel, Een roosvenster; aantekeningen bij Een winter aan zee van A. Roland Holst (1980), zegt: 'In dat boek is hij de hele tijd bezig om aan te tonen dat Roland Holst niet kon dichten. [...] ik heb het Mosheuvel wel eens horen zeggen: "Ik schrijf dit boek om hem kapot te maken."' (en dan volgt er nog een sneer: 'Overigens, niemand leest het.')

Ik heb het boek, die keer dat ik het las, heel anders gelezen, namelijk als een gedegen poging door te dringen tot die moeilijke dichtbundel. Dat het niet als een doktersromannetje lekker wegleest, lijkt me wel jammer, maar overigens geen ongewone trek van veel proefschriften, en zeker van die ergocentrische priegelanalyses waarvan er wel meer in Utrecht werden gefabriekt (en ook elders; en nog steeds; lees, als je toch al levensmoê bent, de 'analyse' van een gedicht van Karel van de Woestijne door Dirk de Geest in de bundel Al ben ik duister, 'k zet me glanzend uit (2007); een regelrechte, gortdroge, ellenlange, doormummelende aanslag op het gedicht en op je leeslol).

Maar dat was soms zo en kon toen, dertig jaren her, niet anders; het was toen in de mode. En Mosheuvel signaleerde zelf tenminste de ironie dat Roland Holsts moeilijke tekst had geleid tot een moeilijk leesbaar boek. En diezelfde Mosheuvel was beschaafd genoeg om de typering, die de Prins der Dichters aan zijn eigen bundel gaf, Nijhoff citerend, als hoofdtitel van zijn studie te kiezen. Die oude, dementerende man wist, toen Mosheuvel hem sprak, niet veel zinnigers meer uit te brengen dan dat ene steeds weer: het is een roosvenster. Zoiets zou ik misschien gedacht hebben, maar Mosheuvel refereert eraan dat die bundel 'haast al in een vorig leven ontstaan was'. Dat zijn toch niet de woorden van iemand die een tekst van een dichter wil slopen... en dan nog zo uitgebreid en gedegen, honderden bladzijden lang?

Maar toch... als je dan de eerste stelling bij dat proefschrift leest:

'Indien men de kenmerken die Sötemnann geeft voor het onderscheid tussen "pure" en "impure" dichters toetst aan de versinterne expliciete poëtica van A. Roland Holst, dan is deze eerder een vertegenwoordiger van de "impure dan van de "pure" richting.'

... ook al was dat '(im)pure' bedoeld als een neutrale, niet esthetisch-waarderend geladen, technische, poëticaal-descriptieve terminologie, toch is een vleug van dedain er niet mee te ontlopen...

... en als je dan ook de tweede stelling leest (de laatste die over ARH handelt):

'In de wijze waarop A. Roland Holst in zijn dichtwerk taal hanteert is een tendens aanwijsbaar die men anti-creatief zou kunnen noemen.'

... dan zou je haast weer in Een winter aan zee duiken en er vervolgens door dat Roosvenster naar kijken, om te zien of hier niet stiekem inderdaad een debunkertje aan het werk was...