zondag, september 04, 2016

Lezen na de Nacht (poëzie)

De afgelopen tijd heb ik me stiekem (nou ja, Sophie wist het), ongemerkt (en Joska ook), tussen de bedrijven door (valoriseert het niet dan deert het niet, hè Geert), om het proza heen (so sorry, my dear Virginia), het schompes gelezen aan nieuwe poëziebundels. Heerlijk, heerlijk, driewerf heerlijk.

Gewoonlijk zou ik daar, bij bevind van leesplezier, verslag van uitbrengen op mijn leesblog (nee: daar staan zijn geen recensies, hooguit leesverslagen). Maar deze recent stukgelezen bundels ga ik (opnieuw) lezen, en, vanaf 6 februari 2017, bespreken in het Literatuurhuis met mensen die naar de Nacht van de poëzie zijn geweest (hoop ik), die ik nog niet ken (denk ik), en die geen losse gedichten maar hele bundels van enkele Nachtdichters zo onbevangen mogelijk lezen en herlezen (wens en verwacht ik).

Dus: hoe minder papieren en digitale recensies zij, de 'cursisten', er aanvankelijk op na (kunnen) slaan, hoe beter (bij wijze van spreken). Maar ik ben graag bereid toe te geven dat ik doende ben recensies te verzamelen, niet om nu al te lezen, maar om achter de hand te hebben. Want: je eigen leeservaring confronteren met die van anderen is uiterst leerzaam. Dat gaan we in die cursus doen, eerst (misschien wel helemaal) zonder recensies.

Ergo: dat ik niets schrijf hier (een kleine uitzondering hieronder daargelaten), en ook geen leesverslag daar, over de jongste bundel van Eva Gerlach, Anne Vegter, Mustafa Kör, Joke van Leeuwen, K. Michel en Marieke Rijneveld, zegt niets over mijn leesplezier.

Het lijkt me een leuke opdracht om over die bundels, dat lezen, het bespreken, en over de gedeelde ervaringen iets te schrijven... na afloop van de cursus.

Worde vervolgd

vrijdag, augustus 26, 2016

Influenza?

Dan zit je een zeer geroemd en om de beelden bepluimd debuut uit 2015 te lezen en dan lees je dus ook de passage: "als ze straks de boerderij een / injectie geven, in laten slapen als de hond van de boer twee sloten / verderop."

Dan struikel je niet over de even opzichtige als zinledige enjambementen, maar wel over een - hoe heet het - opmerkelijke overeenkomst.


Dan denk je namelijk zwijmelend terug aan een van de legendarisch fraaie oer-Roosbeef-songs, 'De boerderij' van een schijfje uit 2006, waarin Reebergen, na een even gedegen als tergende en goed getimede opbouw, met van die typerende herhalingen (die het in haar songs heel goed 'doen', maar op papier mijns inziens helaas niet) komt tot de weemoedsvolle hartekreet: "de boerderij krijgt een spuitje / zonder verdoving" (hoor hier, of, voor een wat drogere versie, daar).



Dan bedenk je je ook nog dat La Reebergen in 2014 een album uitbracht met de titel Kalf. Geen kip-of-ei-probleem, lijkt me.

dinsdag, augustus 16, 2016

Effe zeuren

In Literair Nederland, of in Literair Nederland, of moet ik zeggen: op Literair Nederland.nl bespreekt Maarten Buser het boek Dichters van het nieuwe millennium. Hij vindt het goed, hij schrijft althans dat het "uiteindelijk toch gewoon geslaagd is", en, let wel, hij bespreekt het boek als geheel. Prettig oordeel, al vind ik het eigenlijk niet 'gewoon' dat een bundel, waarin meer dan twintig verschillende auteurs een bijdrage schrijven over evenzoveel (zeer) verschillende dichters, geslaagd is. Ik vind de pluim van Buser dus bijzonder.

Bij vlagen ben ik stevig bezig het boek ook in z'n geheel te lezen, en ik moet zeggen: het is een kleurrijk geheel geworden, een leuke bundel die je kennis laat maken met dichters die je nog niet of nog te weinig kende, en waarin je kunt lezen wat anderen vinden van de dichters waar je misschien je mening al over klaar dacht te hebben. Maar ja, als ik dat zeg, deugt dat niet, want ik schreef zelf een stuk voor de bundel. Maar als Buser het zegt, ben ik daar, namens de redactie als het ware, blij mee. 

Maar er zijn wel twee zeurpuntjes bij het boek, volgens Buser. Een daarvan betreft de bejegening van de literaire kritiek op het internet. Buser noteert dat Jos Joosten, de hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde te Nijmegen, die zich in het verleden niet bepaald liet kennen als een groot pleitbezorger voor de internetkritiek, 'een belangrijke kanttekening' plaatst:

'De receptie [van Vluchtautogedichten van Maarten van der Graaff] toont namelijk stilaan de nieuwe dimensie waarin de internetkritiek voorziet. Op het moment dat geen enkele krant de bundel had besproken, waren er tal van recensies verschenen op het internet. Dit waren over het algemeen serieuze, lange artikelen'.

Daarna schrijft Buser:

'Dat Fabian Stolk ergens opmerkt "er is slechts één louter zurige recensie [van werk van Annemarie Estor; FS], die van Nikki Dekker op 8WEEKLY, dat evenwel geen vooraanstaand literair-kritisch orgaan genoemd kan worden", is daarom bepaald niet chique en een beetje jammer.'

Toen ik dat las, vroeg ik mij af: 'Waarom? Waarom staat er daar "daarom"?'

Is het 'niet chique' om één specifieke website 'geen vooraanstaand literair-kritisch orgaan' te noemen omdat Joosten vindt dat 'de internetkritiek' in zijn algemeenheid 'stilaan [in] de nieuwe dimensie [...] voorziet'? Is het 'niet chique' om iets anders te vinden dan een collega? Als dat zo is, zit er inderdaad een groot gat in mijn kennis van de literaire meningen-etiquette, want over meningen hebben we het hier. En, wellicht ten overvloede: het internet is wat anders dan één website.

Ik hoor graag - mocht het zo zijn - dat 8Weekly wèl een vooraanstaand literair-kritisch orgaan genoemd zou kunnen worden; mij best, kan best, er gaan dagen voorbij dat ik niets van die stek lees; de ene mening voor een andere. Maar dan snap ik niet dat Buser die site zelf niet noemt in zijn opsomming van 'verschillende websites [die] misschien (nog) niet hun prestige hebben, maar die ruimte [voor recensies] juist wel bieden. Denk aan het wat academischere De Reactor, of juist wat meer mainstreamsites als Meander of inderdaad Literair Nederland.' Is dat misschien omdat bedoelde webstek toch '(nog) niet [zijn] prestige' heeft, met andere woorden (nog) 'geen vooraanstaand literair-kritisch orgaan genoemd kan worden'?

Daar pieker ik dan over, op een dinsdagnamiddag.


zaterdag, augustus 13, 2016

Hedendaags Marechaussisme

De knalharde logica die soms de kop opsteekt in NOS-nieuwsberichten, subliem. Neem een bericht van 13-08-2016, anno internationale terreur-hausse, en Nederland pikt een graantje mee.

"Agenten van de Koninklijke Marechaussee hebben vanochtend zestien mensen beboet die op de A4 bij Schiphol over de vluchtstrook liepen. Niet eerder werden er daar zoveel boetes uitgeschreven. Dat komt omdat de files ook nog nooit zo lang waren, zegt een woordvoerder."

Ik neem aan dat de logicus in dezen een woordvoerder van de Marechaussee is; die weet dat soort dingen: hoe langer de file, hoe meer mensen er over de vluchtstrook gaan lopen, en dus hoe meer boetes de Marechaussee uitdeelt (ik leid eruit af dat je niet over een vluchtstrook mag lopen, tenzij je tegelijkertijd vlucht; rijden over de vluchtstrook schijnt trouwens ook al verboden te zijn, zeker langs files; je vraagt je af waar die dingen voor dienen). Hoe dan ook: deze woordvoerder bedrijft een zuivere vorm van het ten onrechte in het dagelijkse leven veronachtzaamde  Marechaussisme.

Deze praktische, op ervaringskennis gestoelde vorm van logica is nog niets vergeleken bij de granieten logische intuïtie van de gemiddelde autorijdende annex vliegbegerige burger-landgenoot:

"De files ontstonden door de extra veiligheidsmaatregelen in verband met terreurdreiging. Mensen die bang waren hun vlucht te missen, stapten uit en gingen lopend verder. // Volgens de Marechaussee ontstonden daardoor levensgevaarlijke situaties."

Worden er eens een keer op tijd ('preventief', staat er namelijk op de waarschuwingsborden) (extra) veiligheidsmaatregelen getroffen, wat doen dan Jan en Truus met de boordevolle rolkoffer: levensgevaarlijke situaties creëren. Zo wordt hier alles de verwoesting in genivelleerd.

Er gaan overigens dagen voorbij dat ik, logische leek, in een file in m'n auto blijf zitten, maar ik heb nu weer wat geleerd: voortaan gewoon verder lopen, over de vluchtstrook. Kans op boete van € 110 maar kennelijk is dat goedkoper dan lang-parkeren op Schiphol.

Waar een klein land groot in kan zijn.

zondag, augustus 07, 2016

Vertalen

Stijl, meer in het bijzonder een auteursstijl, is te omschrijven, stel ik voor, als (de systematiek in) de keuzes die een schrijver maakt uit de mogelijkheden die haar of zijn taal biedt om iets te verwoorden. Er is niet zo maar een inhoud die je in willekeurige vormen kan gieten. Of: dat kan wel, maar heel vaak verandert dat wat je in een vorm goot door de vorm waar je het in goot, zoals moge blijken uit de volgende voorbeelden:

(1a) Goedemorgen.
(1b) Hé, hallo!
(1c) Mohgge...
(1d) [Een gebaar]
(1e) Hoi.
(1f) Chill, jij ook hier?!
(1g) 'Goeîe smorregges!!!'

Vertalen lijkt me ook een kwestie van kiezen, steeds weer kiezen hoe je een boodschap omzet van de ene taal in de andere, liefst met zo weinig mogelijk andere veranderingen. 'Война и мир' kan je, denk ik, beter vertalen als 'Oorlog en vrede' dan als 'Vechten en een plaspauze'. Vertalen is, in mijn optiek, een tekst omzetten in een andere taal, zonder dat er verder ook maar iets verandert aan de inhoud, toon, sfeer, betekenis, boodschap en wat al niet van de tekst, voor zover je tekst en boodschap al kunt onderscheiden.

Toen ik op vakantie Mrs. Dalloway van Virginia Woolf las in de Nederlandse vertaling getiteld Mrs Dalloway, heb ik me siësta's en doorwaakte nachten lang verbaasd over het oeverloze gebruik van de bepaling 'een of ander(e)', een soort geïntensiveerde vorm van 'een' die steeds irritanter wordt naar mate hij inhoudslozer wordt, en die inhoudslozer wordt in dezelfde mate als waarin hij steeds overbodiger wordt gebruikt. Intensiveerders zijn als vette woorden: hun effect is omgekeerd evenredig aan hun frequentie. Sommige mensen, sommige media zijn er dol op.

Dat 'een of ander(e)' komt zo vaak voor in de Nederlandse vertaling van Woolfs roman, dat ik, ten gevolge van een vreemde denkkronkel wellicht, begon te vrezen te doen te hebben met een stijlkenmerk van de vertaalster in plaats van een stijlprocédé van de beroemde Britse schrijfster. Enkele voorbeelden:

(2a) het vreemde hoge zingen van een of ander vliegtuig boven haar
(3a) liet doorschemeren dat zijn vrouw een of andere inwendige kwaal had
(4a) Het een of andere comité, ze vroeg er nooit naar.
(5a) Maar dat zij op de en of andere manier in de straten van Londen,
(6a) Ze moest hem meenemen naar een of ander park.
(7a) De koningin, die naar een of ander ziekenhuis ging, de koningin die een of andere bazar ging openen

En dat is nog maar de weergave van de eerste van zestien bladzijden met e-book-zoekresultaten. In elk van de gevallen staat er, denk ik niets of weinig anders dan in een constructie zonder die stoplap:

(2b) het vreemde hoge zingen van een vliegtuig boven haar
(3b) liet doorschemeren dat zijn vrouw een inwendige kwaal had
(4b) Een comité, ze vroeg er nooit naar.
(5b) Maar dat zij in de straten van Londen,
(6b) Ze moest hem meenemen naar een park.
(7b) De koningin, die naar een ziekenhuis ging, de koningin die een bazar ging openen

Thuis, op een grijs overtogen, mislukte, nazomerse flutzondag, kon ik een digitale versie van een Engelse uitgave van de roman gratis maar legaal downloaden, inzien en doorzoeken, en las er de volgende geno-teksten:

(2c) the jingle and the strange high singing of some aeroplane overhead
(3c) intimating [...] that his wife had some internal ailment
(4c) Some committee, she never asked what.
(5c) but that somehow, in the streets of London
(6c) She must take him away into some park.
(7c) The Queen going to some hospital; the Queen opening some bazaar

Misschien is zin (5) de uitzondering, maar ik denk dat, door de bank genomen, de onverschilligheid of ongedifferentieerdheid of matheid van (sommige van) Mrs(.) Dalloway(')s overpeinzingen, gedachten en waarnemingen met betrekking tot de haar direct omringende werkelijkheid meer dan voldoende tot uiting wordt gebracht met dat breidelloze, grijze, bloedeloze, onbepaalde lidwoord 'een' (niet alleen omdat in bijna iedere zin ook een contrasterende bepaling voorkomt, zoals 'the', of een concreet verwijzend persoonlijk of bezittelijk voornaamwoord). 

Rest de vraag waarom Woolf koos voor 'some' in plaats van 'a'. Waarom schreef ze, met andere woorden, of beter: met één ander woord, niet:

(2c) the jingle and the strange high singing of an aeroplane overhead
(3c) intimating [...] that his wife had an internal ailment
(4c) A committee, she never asked what.
(5c) but that, in the streets of London
(6c) She must take him away into a park.
(7c) The Queen going to a hospital; the Queen opening a bazaar

Is 'some' een (op den duur) even overbodige, geïntensiveerde vorm van 'a' als 'een of ander(e)' dat is van 'een'?

Dit is een vraag in het kader van het internationale interdisciplinaire onderzoeksproject 'On Translating Indifference: Stylistic and Linguistic Research on Western-European Literary High Modernism'.







De blöde hermeneut (rectificatie)

In Dichters van het nieuwe millennium (Vantilt, Nijmegen 2016), een 320 pagina's dikke bundeling van vierentwintig essays over evenzo veel dichters die in de twintigste eeuw zijn gedebuteerd, staat op pagina 215 tot en met 225 mijn beschouwing over, bespreking van de poëzie van Annemarie Estor, onder de titel 'Een volstrekt hybride dichterschap'. En daar staat een onjuistheid in (in dat stuk, niet de titel).

Ik schrijf daar dat Estor, die de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut van 2010 kreeg voor haar bundel Vuurdoorn me, 'vóór haar debuut al drie kleine poëziebundels had gepubliceerd bij uitgeverij De Lijster [...]; ze hebben een ISBN, twee ervan hebben NUGI-code 310, en alledrie zijn ze te raadplegen via bibliotheken.' Tot zover nog geen vuiltje aan de lucht.

Ik heb, voor ik dat schreef, met behulp van het interbibliothecair leenverkeer autopsie kunnen plegen op die werken, me ervan overtuigd dat inderdaad Annemarie Estor er de auteur, De Lijster er de uitgever van is, en dat de inhoud uit poëzie bestaat, en ik heb me er vervolgens over verbaasd dat ik geen informatie kon vinden over die uitgeverij waar ik nog nooit van gehoord had; maar ja, wanneer ken je alle uitgeverijtjes, en er verdwijnt tegenwoordig van alles in letterenland, en tussen 1996 en 2015 was dat ook al het geval.

Op haar website citeert Estor maar één gedicht uit één van deze boeken, het bundeltje Middag 'dat ze aanduidt als een "miniboek in eigen beheer" [...].' Ik dacht aan de mogelijkheid dat de dichter haar maar liefst elf tot veertien jaar oude werk achteraf als onvoldragen wilde beschouwen, zoals Achterberg deed met zijn, overigens minder oude, debuut De zangen van twee twintigers (1924) 'om baan te maken voor wat sindsdien "echt" zijn debuut heet, de bundel Afvaart (1931).' Nog steeds geen vuiltje aan de lucht (zeker niet als je door een tunnel kijkt, namelijk die van de veelkantigheid van Estors werk).

Ik voorzie in de genoemde essaybundel Estors omschrijving 'miniboek in eigen beheer' van de volgende kanttekening: 'wellicht een handige typering om gedoe met haar eerste Herman de Coninckprijs te omzeilen [in 2012 kreeg Estor die prijs ook nog voor de beste bundel van het jaar: De oksels van de bok], maar desalniettemin bezijden de waarheid.' En daar zit de fout.

De waarheid, die ligt niet eens in het midden. Uitgeverij De Lijster is geen échte uitgeverij, nooit geweest ook, het is dus ook niet een historische poëtische Geheimtip, maar de noemer waaronder Estor enkele eigenhandig (en kundig) gemaakte boekjes heeft verzameld die ze van een heus ISB-nummer had voorzien. De Lijster was dus haar eigen uitgeverij, Estor was de uitgeverij zelf. De uitgaven waren dus uitgaven in eigen beheer. Die lui van de Herman de Coninckprijs lieten zich heus niet bedotten, die wisten dat. Zij wel. En Annemarie Estor wist dat ook. Zij wees me op mijn fout. Terecht.

Het is hier niet gezellig meer

Word je langzaam wakker op een redelijk zonbesprenkelde zondagochtend, klap je een elektronische nieuwsmachine open, heeft er weer een idioot, in België, als een beest om zich heen lopen hakken met een machete, en: 'Hij riep volgens de lokale politie "Allahu Akbar" (God is de grootste) tijdens zijn daad.' Aldus de Volkskrant.

Ik probeer de laatste te zijn om te twijfelen aan de Arabische taalvaardigheid van de politie van Charleroi, maar aan de journalistieke zuiverheid zit soms, denk ik, wel eens een steekje los. Natuurlijk moet een krant feitelijk, helder en volledig informeren, maar of dat dan ook betekent dat alle vermoedens van betrokkenen en/of omstanders erbij betrokken moeten worden, lijkt mij, hoe zeg je dat: vers twee (het is zondag).

Iets anders is dat die kreet, of het roepen ervan, erbij staat. Dat betekent iets. Of zelfs heel veel. Het betekent iets als: het was geen Belg (in deze context), niet iemand van 'ons', maar (weer) een van hen. En de lezer mag inkleuren wie zij dan zijn (maar die lezer zou juist geïnformeerd moeten worden). En het lijkt te betekenen: deze man verrichtte zijn daad in een context van of als uiting van een sterke geloofsovertuiging, en zelfs een specifieke geloofsovertuiging (want er zijn niet heel veel 'geloven' waarin deze uitroep gebezigd wordt)  (ik denk trouwens dat met deze betekenis de mogelijkheid dat de macheteur tòch een Belg zou kunnen zijn, niet terugkeert in de interpretatie van de berichtgeving).

Maar zo langzamer hand begin ik sterk te twijfelen aan het verband tussen die uitroep en een wezenlijke geloofsovertuiging. De uitroep is verworden tot een kreet, aangezien ze als een gore zwarte vlag wappert bij al te veel al te afgrijselijke geweldsmisdaden. Is de vertaling zoals de krant die geeft wel correct? Mijn Arabisch is belabberd, maar betekenen deze woorden niet net zo iets loos' en leegs en uitgeholds als het hier te lande bij het herhaaldelijk zetten van de fiets net naast de klem, of bij het met een dronken kop porren van de sleutel net naast het slot wel gehoorde 'goddallemachtig'? Dan denk je toch ook niet: Oh, oh, vast weer een zeer beginselvaste Calvinist die iets probeert te doen? En indien wel: maakt het uit of er een falende Calvinist dan wel een dito Katholiek iets probeert te doen met zijn fietsslot?

Einde van deze overweging.

maandag, mei 30, 2016

Even iets rechtzetten

Marc Reugebrink geeft via Facebook enig zicht op de productieperikelen van zijn aanstaande jongste roman, Het huis van de zalmen. Recent (27-05-2016) liet hij een foto zien van twee pagina's van de drukproef. Op een ervan (p. 151) heeft hij spaties tussen woorden onderstreept, en in de marge erbij genoteerd: 'spaties'. Waarschijnlijk een wanhopende esthetische hartekreet die vertaald kan worden met: 'Beste zetter, deze spaties zijn te wijd, doe er a.u.b. iets aan!' Op de foto is ook Reugebrinks laptop te zien, met op het scherm een stuk van de kopij met dezelfde passage. De kreet staat op het papier bij deze zin, meer in het bijzonder de regel tussen de verticale strepen die ik hier in het afschrift heb toegevoegd:
Het vroor nog licht toen Marius om tien uur 's ochtends het hekje opende en met een trouwboeket waarin vooral witte fresia's waren verwerkt onder de van dennentakken gevlochten boog met bovenin in heldere kleur- | en het bordje HULDE AAN HET BRUIDSPAAR naar de | voordeur van de Zegerijstraat 16 liep.
De tekst van de proef en van de kopij zijn gelijk. Er bestaat kennelijk geen twijfel over de woorden, de formulering. Alleen typografisch is er een probleem: al dat wit. Ik ben geen zetter (al heb ik als lezer inmiddels wel gezien dat zetters veel kunnen; let maar eens op, als er bijvoorbeeld in een tekst twee regels staan die met dezelfde woorden beginnen, dat die, als het goed is, toch een typografisch verschil hebben). Paradoxaal genoeg kan een zetter het wit tussen de woorden alleen verkleinen als hij tegelijk het wit tussen de letters van de woorden vergroot, opdat de regel mooi uitgevuld blijft. Goede zetters kunnen dat.

De laatste tijd ben ik veel bezig met stijl, ook wel: de vraag hoe je een boodschap met zo weinig mogelijk inhoudelijke variatie in een andere vorm, in andere woorden kunt gieten. En dat is de vluchtroute die ik zou kiezen als ik Reugebrinks amateurzetter of leerlingzetter zou zijn (indachtig ook het cosmetisch rapport van Hermans' Tranen der acacia's dat Herman Franke ooit opstelde voor De revisor ). Zo'n typografische rommelaar zou wellicht denken: "Mijn spaties zijn niet groot, jouw woorden zijn te klein, schrijver, of het zijn er te veel; daardoor vullen ze die ene zetregel niet." 

De schrijver vraagt de zetter het wit tussen de woorden aan te passen. De zetter kan ook de schrijver vragen de woorden tussen het wit aan te passen, dan komen de juiste spaties vanzelf wel mee. En als de schrijver het niet doet, dan gaat de zetter maar aan het beunen.

Zie toch eens: het zijn 49 woorden, dus 48 spaties die te wijd kunnen zijn. Wat een gedoe. Als je waar dan ook wat klooit aan de woorden van deze zin, verschuift overal het wit. Exit 'waarin' en 'waren verwerkt' en vervangen door kortweg 'van'. Dat wordt dan:
Het vroor nog licht toen Marius om tien uur 's ochtends het hekje opende en met een trouwboeket van vooral witte fresia's onder de boog van gevlochten dennentakken met bovenin het helder gekleurde bordje HULDE AAN HET BRUIDSPAAR, naar de voordeur van de Zegerijstraat 16 liep.
Niemand loopt naar een huis zonder het hekje te openen; dat hoeft er niet bij. En als het er niet bij staat, kan heel dat hekje weg; dat staat daar echt in de weg.
Het vroor nog licht toen Marius om tien uur 's ochtends met een trouwboeket van vooral witte fresia's onder de boog van gevlochten dennentakken, met bovenin het helder gekleurde bordje HULDE AAN HET BRUIDSPAAR, naar de voordeur van de Zegerijstraat 16 liep.
We zien meteen dat Blogger een weinig fijnzinnige uitvuller in dienst heeft. Maar kom op, het kan minder omslachtig. Even die lange zin in tweeën knippen; dat hapt de moderne lezer makkelijker weg, en weg is 'toen' (jammer van die lichte allusie op de opening van De avonden, maar wie denkt daar nog aan op p. 151). Dat Marius op pad is met een trouwboeket, is wel duidelijk op een trouwdag en onder dat bordje. En als we niet weten welke bloemen een ondergeschikte rol spelen in de compositie van dat boeket, kan het wel wat korter; het bordje met de huldetekst is een geval van traditionele volkscultuur en zal per definitie helder, en niet dof, grauw of mat gekleurd zijn; dat het om een tekst gaat, blijkt al wel uit de kleinkapitalen, die ook gebruikt zijn voor de weergave van de trouwkaart net even eerder in de tekst; en dat zo'n bordje niet verlept ergens onderaan de boog bungelt, is ook een volkenkundig cliché van jewelste:
Het vroor nog licht om tien uur 's ochtends. Marius liep met een boeket witte fresia's onder de boog van gevlochten dennentakken met HULDE AAN HET BRUIDSPAAR naar de voordeur van de Zegerijstraat 16.
Het zijn nu nog maar 34 woorden. Dat zo'n groot huldeblijk niet bij de schuurdeur staat opgesteld is ook geen nieuws voor wie wel eens getrouwd is:
Het vroor nog licht om tien uur 's ochtends. Marius liep met een boeket witte fresia's onder de boog van gevlochten dennentakken met HULDE AAN HET BRUIDSPAAR naar Zegerijstraat 16.
En opeens denkt de herscheppende amateurzetter: loopt Marius onder de boog? Of loopt hij door de boog? Door de boog natuurlijk, en onder die tekst door. Maar dat laatste is al opgelost: het is die boog met die tekst. Onder of door: het scheelt toch weer een letter zetbreedte, dus speelruimte.

Gaat Marius zelf trouwen? Dan is het toch zijn boeket, dat hij aan zijn aanstaande gade schenken gaat? Die 'i' en 'j' zijn lekker dicht tegen elkaar aan te zetten, moet je weten.
Het vroor nog licht om tien uur 's ochtends. Marius liep met zijn boeket witte fresia's door de boog van gevlochten dennentakken met HULDE AAN HET BRUIDS-PAAR naar Zegerijstraat 16.
Nu er zo weinig overblijft, valt extra op dat er tweemaal 'met' staat, zij het in een andere context. Verwarrend. Omdat er inmiddels ruimte over is, plakt de herscheppende zetter er een feestelijke alliteratie bij:

Het vroor nog licht om tien uur 's ochtends. Marius liep met zijn boeket witte fresia's door de boog van gevlochten dennentakken, waaraan de HULDE AAN HET BRUIDSPAAR hing, naar Zegerijstraat 16.
Benieuwd hoe dat eruit ziet in zetsel (32 woorden zijn het nog maar). En wat de schrijver ervan vindt bij de tweede correctie.

maandag, mei 23, 2016

Stijl, meer in het bijzonder de poëtische.

In een recensie van een boek met de al te melige titel Pussy album, las ik, in een alinea met de kop 'Treffende taal' het volgende:
Omdat het verhaal nogal dun is, moet dit boek het hebben van de stijl. Die is grof, maar soms ook poëtisch – ‘Troosteloze flats stapelen zichzelf de grijste in’, of grappig – ‘Eva en de alcoholadefabriek. Met de pont over de portrivier van Willy Wodka’. In een van de weinig vrolijke en uitgelaten momenten van Eva schrijft Bergsma: ‘Ik ben het grootste uitroepteken dat er rondloopt.’ Taalvaardig en creatief met woorden en beelden is ze zeker.
Hoe ziet een stijl eruit die afwisselend grof, poëtisch en grappig is? Ik weet het niet, al was het maar omdat ik niet weet wat de recensent bedoelt met een grove stijl, een poëtische en een grappige stijl. Dat vult de recensent allemaal niet in. Dus probeer ik het maar.

Ik denk dat de stijl van de titel van het boek nog lang niet grof genoeg is. Die titel zou veel beter kunnen luiden: Kut-album. Kut is grover dan pussy, want pussy is Engels, dus kent wellicht niet iedereen in Nederland de ambiguïteit ervan (en wie het wel weet laat het boek alleen al wegens de titel in de winkel liggen); je zou het wel een semantisch verlies kunnen noemen dat door deze aanpassing de half verborgen referentie aan het zo genoemde 'poesiealbum' verloren gaat; anderzijds: het gaat hier om een roman, niet om een album gedichten, dus de referentie aan dat genre rijmt als kut op Dirk. Bovendien, om verder op de originele titel door te gaan, suggereert de uitgang -y dat het hier om een verkleinde vorm gaat, en dat wekt al gauw vertedering (cf. baby, poepie, junkie). En vertedering is niet grof. Poep en junk, dat is pas grof. En kut.

Grappig vindt de recensent kennelijk een woordspelletje met een boektitel, zoals de varaint op Sjakie en de chocoladefabriek, de Nederlandse vertaling van een kinderboek van Roald Dahl. Vervang de naam van de hoofdpersoon door die van je eigen hoofdpersoon, en klaar is Eva. Lachen. Eva en de anderen. Eva Nieland. Eva zegt sorry. Het wordt al gauw hilarisch, immers? De komst van Eva Stiller. Eva's erfenis. Beter dan Gummba. Maak zelf uw eigen leuke bijna-titels. Maar pas op, want er zijn andere recensenten die een bloedhekel hebben aan oubollige woordgrapjes. Wie wind zaait...

Dom, zo u wilt: grof, is het om chocolade niet te vervangen door alcohol, als Eva meer met dat spul dan met chocolade heeft dan Sjakie, maar door iets waanzinnigs en niet bestaands als alcoholade. Het kan zijn dat dit als woordspel bedoeld is: in beide woorden zit de lettercombinatie co gevolgd door, op enige afstand een a en ook nog een l in de buurt. Maar dat was het dan wel. Uit de suiker in de chocolak.Was mijn naam John de Mol, dan had ik hier een format van goud in handen.

Komen we nu tot de echte poëtische stijlaspecten. Poëzie is indirect want gebruikt vaak beeldspraak. Denkt men. Alsof in 'gewone' omgangstaal geen beeldspraak voorkomt, alsof in de krant men nooit de omschrijving vak K gebruikt voor dat deel van de Tweede Kamer waar de bewindslieden zitten, alsof Jan Marijnissen in datzelfde 'huis' nooit zei: Effe dimmen, waar hij letterlijk iets anders bedoelde, en ga zo maar verder. Het is misschien beter om te stellen dat in poëzie als het goed is relatief vaak originele beeldspraak wordt gebruikt (zie verder Aletta G. Dorst, 'More or different metaphors in fiction? A quantitative cross-register comparison', in: Language and Literature 24 (2015), nr. 1: 3–22).

Dit indirecte, beeldende taalgebruik (wat zelf al beeldspraak is) kunnen we hier ontdekken in de woordgroep Troosteloze flats. Flats hebben immers geen gemoed, maar hier worden ze als menselijke wezens voorgesteld, gepersonifieerd. Maar origineel is het beeld niet, want in de dikke Van Dale wordt het metonymisch gebruik van dit woord beschreven (een troosteloos gevoel gevend). Exit de echte poëzie.

Maar deze flats kunnen zich stapelen. Niets of niemand kan zich(zelf) stapelen, dus dit moet wel heel erg beelden taalgebruik zijn. Stapelen is immers een overgankelijk, en niet een wederkerend werkwoord. De lezer moet zich dus maar een beeld in gedachten zien te vormen van flats die zich op elkaar stapelen, flat op flat, deze hand op deze hand.  Kleuterpoëzie.

Nog bijzonderder wordt het wanneer blijkt dat deze flats zichzelf de grijste in stapelen, wat wil zeggen dat zij zich, zonder hulp van buiten, zo op elkaar stapelen dat zij maar liefst in de grijste uitkomen, wat een stuk verder ligt dan de zwartte en dan de roodte, en al helemaal veel verder dan de witte en de paarste.

Zeven woorden, barstensvol poëzie. Creatief met woorden.

zaterdag, mei 21, 2016

Au courant

Vandaag struikelde ik, gezeten op terras A, kopje koffie erbij, over een zin in de krant.

(1) Opvalt dat bijna vier op de tien actieve VVD'ers [...] bij volgende parlementsverkiezingen liever een ander als lijsttrekker ziet dan premier en huidige partijleider Mark Rutte.

Ik trof haar aan in de NRC van 21 mei 2016 op pagina 4.

Dat "ziet" ziet er leuk uit, maar moet "zien" zijn, aangezien niet "bijna een kwart" of "bijna veertig procent van de actieve VVD'ers" het onderwerp is maar "bijna vier op de tien actieve VVD'ers" (los daarvan rijst de vraag waarom de inactieve VVD'ers hun mening niet werd gevraagd, en even los de vraag hoeveel actieve VVD'ers er überhaupt zijn, ook procentueel, en tot slot tot welke categorie Van der Steur gerekend wordt).

Mij in het oog sprong die constructie aan het begin van zin (1). Ik zie er een beknopte vorm in van een - volgens mij - vaker gebruikte constructie:

(2) Wat (hierbij) opvalt, is dat [...].*

Voorbeelden uit de werkelijkheid zijn (3) en (4):

(3) Wat opvalt is zijn duidelijke voetbalvisie. (Bron)
(4) Wat opvalt is dat de wedstrijd eigenlijk heel saai was. (Bron)

Dat het twee zinnen over voetbal zijn, is toevallig. Maar ook in een andere context vind ik het een lelijke constructie, doordat die persoonsvormen zo stom naast elkaar staan. Je kan dan - vind ik - beter zeggen: 

(5) Het valt (hierbij) op dat [...].

En nog beter, want concreter en minder (loos) generaliserend:

(6) Het valt mij op dat [...].

Opvallen is immers niet een natuurverschijnsel, maar geheel afhankelijk van het denkraam van de individuele waarnemer.

De vraagt staat nog open of de bedoelde constructie in (1) correct is. Het internet, de grote dagelijkse-taalbak, leverde me geen andere voorbeelden van het gebruik van deze constructie. Dan maar een andere verzonnen in een gedachtenexperiment om na te gaan of ze correct kan zijn. Zin (8) bevat een (het bleek deze week weer, helaas) gewone constructie:

(8) Het vliegtuig stortte neer.

Daar kan je - denk ik - extra nadruk aan geven door de woordvolgorde te veranderen, zoals in:

(9) Neer stortte het vliegtuig.

Maar moet je het dan niet zoals in (9) schrijven, in plaats van als in (10)?

(10) Neerstortte het vliegtuig.

Onvermijdelijk, maar zinledig, hierbij even te denken aan een klein stukje van The Waste Land:

And when we were children, staying at the archduke’s,
My cousin’s, he took me out on a sled,
And I was frightened. He said, Marie,  15
Marie, hold on tight. And down we went.

Zin (9) maakt, ook al lijkt ze me niet onmiddellijk correct, de weg misschien vrij voor een nieuw alternatief voor (1):

(11) Op valt dat bijna vier op de tien actieve VVD'ers [...] bij volgende parlementsverkiezingen liever een ander als lijsttrekker ziet dan premier en huidige partijleider Mark Rutte.

Maar ook die constructie kwam ik bladerend met Google niet tegen, en dan laat ik de gevallen buiten beschouwing waarin iemand een werkwoordsvorm per ongeluk onterecht in tweeën hakt, zoals in (12):

(12) [E]r zijn geen storingen op geslagen in het motorMM., op valt is wel dat ik niet in de andere systemen foutcodes uit lezen. (Bron)

Gezegd moet worden, maar dit terzijde, dat de schepper van (12) zeer creatief met zijn of haar voorzetsels en spaties dan wel scheidbaar samengestelde weekwoorden om gaat, als het hier al om dat soort werkwoorden gaat.

Nu ja, het is zaterdag. En mijn broer is jarig. Ik moet gaan fietsen. Ik vlucht voor het gemak in het Frans:

(13) Frappant is dat bijna zes op de tien actieve VVD'ers [...] bij volgende parlementsverkiezingen liever premier en huidige partijleider Mark Rutte als lijsttrekker zien dan een ander.


* Een alternatieve basisconstructie, waar (1) vanaf geleid kan zijn, is:

(2a) Opvallend is dat [...].

Deze lijkt op:

(2b) Opmerkelijk is dat [...].

Wellicht komt hier een oplossing uit, want (2a') maakt de weg vrij voor een niet frequente, maar wel correcte constructie als de volgende:

(2b') Merk op dat [...].

Merk overigens op dat (2b') wellicht voorkomt in een wat andere gebruikssituatie dan (1), zoals wel blijkt uit (de context van) (2b''):

(2b'') Merk op dat de fout gelijk aan nul is. (Bron)

Zo komen we er dus ook niet uit.

Prettig week eind. 

Woordkeuze

Voor het eerst zie ik dat 'omstandigheden' gebruikt kan worden als synoniem van 'rattenplaag'. Is dat nou een eufemisme?


maandag, april 18, 2016

Tijdverblijf

De eerste scriptie die ooit begeleidde ging over de bundel Door eenen spiegel (1984) van C.O. Jellema (1936-2003). Van Redbad Fokkema (1938-2000), voordien een van mijn docenten en toen mijn collega annex co-promotor, had ik een drukproef van de bundel gekregen (hij zal er een recensie over geschreven hebben in Trouw), en het bleek een intrigerend boek, ook volgens Henk van Woerden, de doctoraal-student (nee, niet de Zuid-Afrikaans-Nederlandse schrijver van die naam (1947-2005); ik twijfel nu of Henk, deeltijd-student en leraar Nederlands, echt zo heette; nazoeken kan ik het hier in Den Andel niet: toen werden scripties nog niet digitaal opgeslagen, de eerste twee IBM-computers met de tekstverwerker Word-Star waren net op het instituut De Vooys gearriveerd).

Sinds dien alle poëzie van Jellema verzameld en gelezen en genoten.

En nu was ik, pierewaaiend in Groningen, in de gelegenheid om eens langs het huis te rijden waar hij op het laatst van zijn leven woonde. Oosterhouw heet het indrukwekkende pand (hier meer informatie).

Groeten uit Leens.

dinsdag, april 12, 2016

Errrrr

Als je tegen problemen aanloopt, loop je er dan tegenaan of loop je ertegen aan?
Als je tegenover iemand zit, zit je er dan tegenover of zit je ertegen over?
Als je tegen iets aanleunt, leun je er dan tegenaan of leun je ertegen aan?
Als je je tegen iets afzet, zet je je er dan tegenaf of zet je je ertegen af?
Als je tegen de wind in loopt, loop je er dan tegenin of loop je ertegen in?
Of ertegenaan, en ertegenover, en nog eens ertegenaan, en ertegenaf, en ertegenin?

maandag, april 11, 2016

Zou ie?

Na wat er zou gebeuren, die avond, zou hij alleen nog maar met die hese stem praten, en zingen zou niet meer lukken, of hij deed net of het niet meer lukte, omdat ie toch wist dat het nooit meer wat zou worden. [p. 7-8 van 133]
Ik vraag me dan af of het eerste "zou" eenzelfde is als het tweede (terwijl ik denk dat het tweede en het derde wel eenzelfde vorm van "zou" zijn) (hoe je zo'n verschil expliciet kan maken, hoop ik binnenkort te leren van studenten die het vak Stilistiek gaan volgen).

En nu een variant.
Het was 26 november 2013 en het was de laatste keer dat ie zou zingen na wat er later zou gebeuren. [p. 6 van 133]
Van die tweede geciteerde zin, die eerder in Schuld staat, namelijk op de eerste pagina van de e-versie van de roman, die ik er gratis bij kreeg), geloof ik toch echt dat ie niet klopt, dat ie niet kan. De bedoeling is, lijkt me, afgaande op die tweede zin, dat ie (en dat verwijst dan naar Ron, a.k.a. Ronald) na die avond, na wat er toen gebeurde, niet meer zou zingen, en niet dat het de laatste keer was dat ie zou zingen na wat er later gebeurd was, want na wat er gebeurd was zong ie immers niet meer.

(Zijn er wellicht twee vormen van "het" in het geding, zoals er ook twee "zou"s lijken te zijn?)
 
Opmerkelijk is wel dat Ronald niet meer zou zingen nadat ie iemand had doodgeslagen, want ie zong levensliederen. Dat kon ie daarna niet meer. Had ie dus over kunnen stappen op murder ballads.

maandag, april 04, 2016

Kunst en pegels

Zie hier mijn opgraving uit Brieven en correspondenten rond 1900.

vrijdag, april 01, 2016

Stijl en variatie

Het eerste nummer van het deze maand her-verschenen magazine Shutr.photo opent hoofdredacteur Robert Theunissen met een tekstje over het gegeven dat sommige foto's, ondanks het gangbare vooroordeel, zonder uitleg, zonder context niet zeggen wat ze te zeggen hebben.

Daarom stelt hij voor "om het cliché 'Eén foto zegt meer dan duizend woorden', te veranderen in: 'Elke foto stelt meer dan duizend vragen'." 

De structuur van de variant lijkt aan de oppervlakte 100% op die van het origineel: [X] foto [pv] meer dan duizend [y]. Maar dieper bezien is het een heel andere zin.

Het blad kost € 9,95, maar dan heb je wel wat! Naast al die mooie foto's.

dinsdag, maart 29, 2016

Beelden in taal (loop)

Wanneer iemand een beeld niet geslaagd vindt, zegt hij vaak dat de vergelijking mank gaat (ook daar schuilt trouwens weer een beeld in).
Aldus Peter Burger & Jaap de Jong in Handboek stijl. Adviezen voor aantrekkelijk schrijven (2e, ongew. uitgave. Den Haag 2002, p. 102). Ook daar schuilt weer een beeld in, een personificatie, om concreet te zijn. Wat dan weer kan gelden als ondersteuning voor de bewering:
allemaal spreken [...] we voortdurend in beelden, meestal zonder daarbij stil te staan. (100)
En ook daar is weer een metafoor in geslopen.

maandag, maart 28, 2016

Vreemde smetten

In haar eerste college voor de Universiteit van Nederland legt Lotte Jensen uit waar dat nu vreemd klinkende "van vreemde smetten vrij" vandaan komt in 'ons' eermalige volkslied 'Wien Neêrlandsch bloed' (zie hier: http://nederl.blogspot.nl/).

Toen ik vanochtend maar eens vijf kilo extra op de Adductor legde, schoot mij - ik weet niet waarom of waardoor - de vraag te binnen wat nu werkelijk de kracht van dergelijke oude teksten nog is. Ik moest namelijk - ik weet nog steeds niet waardoor of waarom - denken aan een deun die ik diep in de twintigste eeuw meerdere jaren ten gehore heb moeten brengen na vlijtige studie en repetitie in het gezelschap steeds van minstens dertig generatiegenoten, en ik weet dat vele duizenden doorheen heel het land dat ook deden, al gedaan hadden en waarschijnlijk nog steeds doen:
Hoor wie klopt daar [...] 't Is een vreemdling zeker, die verdwaald is zeker, 'k zal eens even vragen naar zijn naam!
Ik heb de indruk - en die verdween niet toen ik ook op de Abductor tien pond extra legde - dat de door dit olijke lied vertegenwoordigde en breed gedissemineerde ideologie van - wellicht christelijk gefundeerde - internationale gastvrij- en behulpzaamheid diep verankerd is geraakt in 'onze' volksaard.

PS
Jensen is de elfde vrouwelijke docent in de Universiteit van Nederland. Ze is de vijfentachtigste docent die een collegereeks verzorgt.

zaterdag, maart 12, 2016

Stuitend

Hier wordt een doorsnee hermeneut bepaald niet vroolijk van: een boekhandelaar die in de krant recensies verguist. Een boekhandelaar die niet geïnteresseerd is in meningen en nuances. Een boekhandelaar die lak heeft aan gedachtenuitwisseling. Een boekhandelaar die namens haar lezers alleen geïnteresseerd is in "wat ze moeten kopen". Een boekhandelaar die denkt dat zoiets klakkeboem eenduidig is vast te stellen. Een boekhandelaar die denkt dat ze weet wat haar klanten moeten kopen wanneer een andere boekhandelaar op tv een seconde lang een boek voor een camera houdt. Een boekhandelaar die denkt dat boekhandelaren niet van mening kunnen verschillen, althans niet die vier die eenmaal per maand met hun knar op tv mogen roepen dat ze een boek "letterlijk" verslonden hebben. Ik ben blij dat er in Utrecht betere boekhandelaren zijn. Ook zij moeten hun schoorsteen laten roken, maar ze hebben tenminste nog ideeën over de waarde van hun waar, en niet alleen over de prijs.

dinsdag, maart 01, 2016

Opgravingen

Voorafgaand aan de verschijning van de online editie Brieven en Correspondenten rond 1900 publiceert Annemarie Kets van het Huygens ING het weblog Opgravingen, waarin zij en gastbloggers de komende maanden alvast enkele trouvailles uit deze rijke databank in het licht houden.

Studenten die in 2009-2010 en 2010-2011 mijn werkgroep 'Moderne Tijd' volgden in het college Lezen en laten lezen, hebben stevig bijgedragen aan de totstandkoming van de editie, meer in het bijzonder aan het bezorgen van de correspondentie tussen Albert Verwey en Frederik van Eeden uit de periode 1880-1895.

zaterdag, februari 27, 2016

Nare mannen

De hoofdpersoon van de eerste roman van Sander Schwartz, de hoofdpersoon van De vergever, de jongste roman van Robert Anker, is volgens zijn geestelijke vader 'Een nare man'. En Schwartz vervolgt: 'Ik heb iets met nare mannen, ik weet niet waarom, ook mijn volgende boeken worden erdoor bevolkt.' En een eindje verder recapituleert hij nog eens:
Enfin, het waren echte mannenboeken die ik schreef, bevolkt door harde mannen. Misschien moet ik dat woord 'hard' een beetje nuanceren. Ze waren vooral hard voor zichzelf. Ze moesten zichzelf neerzetten in een weigerachtige wereld. Ze waren er niet op uit om anderen te benadelen maar dat gebeurde natuurlijk wel, en dat ze daarbij op gespannen voet stonden met de heersende moraal, laat zich raden. Zulke mensen vinden wij al snel onaardige, nare mensen.
Klopt, zou ik ook zeggen als dit een analytische beschrijving was geweest van het oeuvre van Robert Anker. Zo'n gast als die Schwartz noem ik elders een pro-actieve seksist. En dat was niet als compliment bedoeld, let wel: als het om een mens zou gaan; maar nu het om een personage van een roman van Anker gaat, maak ik me er minder zorgen over. Bovendien gaat het lancet van Anker heel diep in het wezen van die Schwartz. Nadat hij hem tot leven heeft gewekt en even zijn woeste gang heeft laten gaan, sloopt hij hem ongenadig. Hij slaat zijn gewapendbetonnen bolster aan barrels zodat zijn eigenste werkelijke zieltje bloot komt te liggen. Dat laat Anker die Schwartz natuurlijk zogenaamd zelf doen. Maar we moeten niet vergeten dat binnen de romanwereld die snerpende analyse wordt opgesteld en uitgesproken door Schwartz' grote (inmiddels ex-)geliefde Kim. Kim dringt tot zijn wezen door, en vertrekt, en als ze elkaar per ongeluk weer ontmoeten in de Bijenkorf, stelt ze de diagnose.
En toen ik dat las, dacht ik: iets vergelijkbaars heb ik eerder gelezen. Bijvoorbeeld in Een kleine moeite van Hans Blom. En toen ik daar iets over noteerde, moest ik weer aan een ander vergelijkbaar boek denken, Een mooie jonge vrouw van Tommy Wieringa. En nu schiet me te binnen dat ook in Compassie van Stephan Enter een empathieloze hork ten tonele wordt gevoerd en door de psychologisch-analytische gehaktmolen wordt gedraaid.
Al met al een aardig tuiltje recente romans met antipathieke hoofdpersonages, die door een meestal niet erg prominent vrouwelijk personage doorzien worden en op een ander, beter spoor worden gezet. Vergelijk dat eens met een roman als Het smelt van Lise Spit: de heldin lijkt wel een aanminnig meisje en jonge vrouw, en haar jeugdvriendjes zijn inderdaad zelfingenomen seksistische rotpubers, maar die Eefje, later Eva, komt niet op een beter spoor. Zij onderneemt de ijselijkste wraak die maar denkbaar is. Niks geen compassie of katharsis, althans niet een ten goede.

vrijdag, februari 19, 2016

Geesje, muze

In de Volkskrant vandaag las ik een vast wel heel verkeerde, ongewenste, politiek incorrecte, want heteroseksueel-mannelijk-chauvinistisch-zwijnerige beschrijving van een belangrijk model van de schilder G.H. Breitner; alle de werken die hij maakte met haar als model hangen nu bijeen in het Rijks Museum. Stefan Kuiper noemt haar in die krant '[e]en frêle antilope met flaporen'.

Ik heb, ook al is het niet correct, een zwak voor die kimonodoeken van George, en voor Geesje, en nu ook voor die rare omschrijving van meneer Kuiper. Er zou eens een romancier of romancière het verhaal van Geesjes leven moeten optekenen, in de trant van die roman van Margriet de Moor over dat gewurgde meisje dat Rembrandt tekende, om maar een voorbeeld te noemen.

Een beetje rondbladerend in de ether vond ik een itempje van DWDD over de tentoonstelling (wat me eigenlijk meteen deed besluiten die maar niet in het echt te gaan bezoeken: ik ga me daar een beetje m'n nek staan te verdraaien tussen al die honderden Van Nieuwkerk-adepten die zelf niet weten wat de moeite waard is; dank je feestelijk). De als 'directeur collecties' geafficheerde Taco Dibbits mocht er zijn licht over laten schijnen en zei, toen hij de naam van Geesje Kwak had genoemd: "wat natuurlijk al een grappige naam is". Kunsthistorische lulkoek, lijkt me.

Daarna vertelde hij dat Geesje en haar zus Anna, die ook modelleerde voor Breitner, afkomstig waren uit de Zaanstreek en in Amsterdam kwamen wonen, in de Pijp, om in een naaiatelier te werken waarschijnlijk. Toen wist hij zich gelukkig beter te gedragen.

Verder zei Dibbits, waarschijnlijk om de bijzonderheid van de tentoonstelling aan te prijzen, dat Breitner zelf al die werken nooit bij elkaar had zien hangen in één ruimte. Tsja, maar heeft Van Gogh wel ooit al zijn zonnebloemen bijeen gezien, Pollock al zijn druppels, Warhol zijn soupen, Mondriaan z'n vlakken en lijnen? Vul het rijtje zelf aan en maak er een mooie tekening bij.

Breitner zag ze nooit bijeen want hij verkocht al dat werk. Wat weer een leuk licht werpt op het klassieke beeld van de laat-negentiende-eeuwse artisten als bohémiens. Maar in dit geval een vals licht, want Breitner had inderdaad een voortdurend, chronisch en ongeneeslijk gebrek aan poen. Zijn vrienden, om van zijn gebedel af te zijn, hebben toen maar een fonds in het leven geroepen, waar de schilder uit kon putten. Over een tijdje* kan ik hier een hyperlinkje aanleggen naar een paar woorden over deze kwestie en aanverwante zaken...

* Dat tijdje is nu voorbij: hier is m'n opgraving.

maandag, februari 01, 2016

Quotum, of: geconsolideerd inzicht, dan wel: Bel, 'spits', Bloed en rozen

[E]ind vorige [= 19e] eeuw ontstond er een diepe kloof tussen kunstenaar en maatschappij. Het gevolg was dat er zich een even wijde gaping dreigde te openen tussen de nieuwe literatuur en het publiek. De tegenstelling tussen de hoge kunst en de ontspanningslectuur, die waarschijnlijk al in de hele negentiende eeuw aanwijsbaar is, werd opeens op de spits gedreven.
Ton Anbeek en Jaap Goedegebuure, Het literaire leven in de twintigste eeuw. Leiden: Martinus Nijhoff 1988: 18-19.

De Tachtigers [...] staken hun minachting voor het grote publiek niet onder stoelen of banken. Hiermee dreven ze de tegenstelling tussen 'hoge kunst' en ontspanningslectuur, die al de hele negentiende eeuw aanwijsbaar was, welbewust op de spits.
Helleke van den Braber, Geven om te krijgen. Literair mecenaat in Nederland tussen 1900 en 1940. Nijmegen: Vantilt 2002: 61-63.
Aan het eind van de negentiende eeuw hadden veel kunstenaars zich afgekeerd van de samenleving. Er ontstond een breuk tussen auteur en publiek, tussen kunstenaar en maatschappij. De tegenstelling tussen hoge literatuur en ontspanningslectuur, die al in de negentiende eeuw bestond, werd toen door sommige auteurs op de spits gedreven.
Jacqueline Bel, Bloed en rozen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900-1945. Amsterdam: Bert Bakker 2015: 78.

woensdag, januari 20, 2016

Bel, Braak, Bloed en rozen

Wat zijn het toch een rare 'gegevens' waarmee een literatuurhistoricus (m/v) moet werken. Zo schrijft Bel met betrekking tot Gilliams' Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936): 'De critici waren positief. Dat het boek vernieuwend was [...] werd overigens niet opgemerkt.' (689) Ik neem aan dat het diezelfde critici waren, die dat vernieuwende niet hebben opgemerkt. Dat werpt toch wel een zorgelijk licht op het concept 'vernieuwend', lijkt me.

Over diezelfde Gilliams - maar dan meer in het algemeen - noteert Bel: 'Vanaf de jaren zeventig kreeg hij de ene prijs na de andere. Toch is zijn werk nooit bekend geworden bij een groot publiek. Zijn dagboeknotities, die in 1943 verschenen [...] trokken de aandacht. [...] Gilliams behoort inmiddels bij de gecanoniseerde auteurs.' (691) De wondere wegen naar de roem. Er staan in Bloed en rozen wel meer opmerkingen die wijzen op de enorme spanning tussen officiële reputatie enerzijds en (verkoop)succes c.q. aandacht van de (gewone) lezers aan de andere kant.

Inmiddels ben ik gevorderd (nee, snel lees ik niet, afgeleid als ik ben door de brieven van Tepper, om maar wat te noemen) tot hoofdstuk 4.5 '"Le chemin de dames": vrouwen in de letteren'. Dan zitten we meteen met bladzijden vol over de opinie van Ter Braak. Weer zo'n figuur met een literair aura van hier tot gunter maar met een lezerspubliekje van likmevestje (om mijn moeders uitdrukkingen maar eens te lenen).

Hoe het kan, weet ik niet, maar opeens was er dit:

Uit: Menno ter Braak, Mémoires involontaires. Facsimile-editie bezorgd door ir. Elizabeth de Vooze. Oldenkotte: J. W. Vreugdendal & Zn, 1916, p. 573.


zaterdag, januari 16, 2016

Smullen

Van dingen spreek ik in de tweede werkelijkheid,
dat is de buigzame herinnering;
beleven is te snel zelfs voor verwondering:
een voetstap klinkt als men hem niet meer hoort.

Dat is van C.O. Jellema (uit de bundel Klein Gloria en andere gedichten - 1961).

En vandaag lees ik:

Herinneringen raken mij dieper dan ervaringen in de tegenwoordige tijd.

Dat is Nanne Tepper (geciteerd in de inleiding van De kunst is mijn slagveld).

Hmmmm, weekeinde.

Quizzle

"Sels schrijft het meest affectieve proza dat ik sinds tijden las. De vertelwijze is episodisch: de vorm die gebeurtenissen aannemen als vaste genres om hun ontwikkeling, afwikkeling en verwikkeling te beschrijven ontbreken."

Na hoeveel keer lezen begrijp je de tweede zin? Zo nee, dan ligt het aan mij.

zaterdag, januari 09, 2016

Terminologisch bederf

Van een opmerkelijk boek is onlangs een opmerkelijke editie verschenen. Het is een boek waar ik slechts enkele pagina's van heb gelezen toen het tot mijn verrassing en schrik tussen honderden fatsoenlijke digitale romans op een usb-stokje bleek te staan dat ik van iemand kreeg toen die iemand hoorde dat ik een e-reader had aangeschaft, zo maar. Het boek is werkelijk niet te pruimen, niet te lezen zo beroerd geschreven. Ik kan dus niet zeggen dat ik het gelezen heb. Maar ik denk dat ik de strekking al wel via andere wegen had vernomen voor ik die twee-drie pagina's las.

Het verscheen oorspronkelijk in twee delen; het eerste in 1925, het tweede in 1926 (wanneer het gedigitaliseerd is, weet ik niet). De ondertitel van het eerste deel luidt: Eine Abrechnung, die van het tweede: Die nationalsozialistische Bewegung. En de hoofdtitel van beide delen is: Mein Kampf. In mei 1930 verscheen de 800 bladzijden tellende 'Volksausgabe' (hoe leerzaam is het internet).

De recent verschenen editie wordt een 'kritische editie' genoemd. Maar, waarde filologen, laat u niet bedriegen. Het begrip 'tekstkritiek', zoals wij dat kennen en hanteren, lijkt hier niet in het geding; en er is al helemaal geen sprake van een historisch-kritische of een critical-text-editie. Deze editie is hooguit een geannoteerde lees-editie en heet 'kritisch' omdat de editeurs de inhoud van het boek kritisch bejegenen en van commentaar voorzien: alle idiote ideeën, bezopen gedachten en als feiten gepresenteerde leugens van Hitler worden becommentarieerd.

Dat annoteren is nog een hele klus geweest, want de kranten en dergelijke laten niet na te verklappen dat deze 'editie' maar liefst 3500 geleerde kanttekeningen bevat. Dat zijn gemiddeld 4,375 noten per pagina breedsprakig proza. Dat heeft tot gevolg gehad dat het boek nu niet 800 pagina's telt, maar meer dan het dubbele: 1948 (en opnieuw een tweebander is). Dat lijkt heel wat, maar het betekent een editiefactor van slechts 2,435. Dat is klein bier vergeleken bij menig Nederlandse (literaire) historisch-kritische editie in de echte academische zin van het woord; die komen zelfs tot een factor 10.

Over de zorgen van de editeurs met betrekking tot en voor de constitutie van de tekst van Mein Kampf heb ik vooralsnog geen letter gelezen; maar dat zijn we in ons lieve kleine vakgebiedje wel gewend.

vrijdag, januari 08, 2016

Amekaar

Aristoteliaans is dan in verband hiermee, om te denken in termen van teveel of te weinig. Er kan teveel [of] te weinig zijn
(Arjo Klamer, 'Handelen uit overtuiging', 2004)

Da's toch vreemd (ik struikel er wel vaker over), dat je twee woorden/woordgroepen niet op dezelfde wijze schrijft terwijl ze qua opbouw geheel overeenkomen (in dit geval: 'te' + onbepaald hoofdtelwoord) en qua betekenis ook (zij het dan zoals zwart en wit overeenkomen, namelijk als tegengestelden).

Zeker in de tweede zin is duidelijk dat bedoeld wordt dat er van iets te veel kan zijn of te weinig. Bij de formulering van de eerste zin zou de gedachte aan 'een teveel' kunnen hebben meegespeeld; maar dan zou daar, omdat 'of' hier een tegenstellend voegwoord is, toch tegenover moeten worden gesteld: 'een teweinig'?

Maar dat mag dan weer niet, want de Woordenlijst Nederlandse taal kent het woord 'teweinig' niet, maar wel wel 'teveel' (dat zegt misschien niet alles, want de dikke papieren Van Dale(2005) denkt er hetzelfde over, maar kent wel het zelfstandig naamwoord 'weinigte', en zelfs 'veelte', ook al zijn die verouderd; de digitale Woordenlijst wil daar helemaal niets van weten, en vraagt, een tikje neerbuigend, twee maal of ik misschien een ander woord zocht).

Och, dan moet 'een teweinig' zeker 'een tekort' zijn? Maar dan zou een andere Klamer iets kunnen zeggen als:

Aristoteliaans is dan in verband hiermee, om te denken in termen van tekort of telang. Iets kan te kort of te lang zijn
In het echte citaat gaat het over onder- of bovenmaatse hoeveelheid, in het nepcitaat om lengte; dat zou toch allemaal op dezelfde wijze geschreven moeten kunnen worden. Maar ik geef je op een briefje dat 'telang' niet in de Woordenlijst staat. Dat zal wel 'overschot' moeten zijn, denk ik. Maar dat weet de Woordenlijst niet, en ze vraagt of ik wellicht 'belang' bedoel. Nee dus. En ook niet 'bekort', trouwens, noch 'beweinig, noch 'beveel'.

Hoe een mens toch ooit deze taal verwerven kan. En dat terwijl ik iets aan het lezen was over narrative progression. Dat wordt een Echternach-progressie, als ik zo doorga.

zaterdag, januari 02, 2016

Helemaal autonoom en met eigen merites

Twee kranten proberen een zojuist overleden zangeres te waarderen. Omdat ze zo goed was, ondanks een wat zwaar en getekend leven; maar zingen dat ze kon! Geweldig. Gek genoeg ontkomen ze er allebei niet aan deze zangeres slechts te waarderen in het kader van het gegeven dat haar vader een zanger was. Ze blijft dus in deze kranten de dochter van een zanger wiens naam wèl in de kop van het In Memoriam wordt genoemd. Sneu.