vrijdag, oktober 28, 2011

W.F. Hermans, 'De blinde typograaf'

Dat is een onzintitel boven dit stukje. Maar misschien trekt ze de aandacht. Wat ik bedoel, is iets anders.

Een boek lees je nooit zonder de ervaringen van de boeken die je ervoor las. Dat kan goed uitpakken. Vanochtend viel me dat op. Ik begon, na in de dagen ervoor weer de nodige bagger gelezen te hebben, aan de tweede herlezing van Bonita Avenue, de Academica Literatuurpijswinnende debuutroman van Peter Buwalda. Wat is dat boek goed geschreven. Tot in leuke details, zoals al heel vroeg in de roman gestrooide kleine opmerkingen: '"Pap, ik háát jazz," zei Janis dan, of Joni, of allebei.' Dat is wanneer nog niet bekend is dat die meiden niet de echte, biologische dochters van Siem Sigerius zijn, maar wat impliciet al duidelijk wordt via hun aan popmuzikale zangeressen ontleende voornamen; niets voor een aan jazz verslingerde vader, zulke namen. Of een gedachte van Aaron die, eveneens heel vroeg in de roman, overweegt of hij in een volle trein tegenover Tineke Sigerius, jaren na het debacle, uit de school zal klappen over zijn misère; dat zou resulteren in: 'Razende paniek alsof het semtex in zijn bovenkamer was geëxplodeerd.' En dan moet dat hele gebeuren in Enschede nog komen.

Maar ook dat bedoel ik niet. Een tijdje terug las ik een andere debuutroman, The House of Leaves (2000), van Mark Z. Danielewski. Daar is veel over te zeggen, en waar het me nu even om gaat, is de weelde aan typografische eigenzinnigheden en spektakels die in die roman verwerkt zijn, die met de thematiek van die roman verweven zijn, want ze maken daadwerkelijk deel uit van wat de roman te vertellen heeft. Het leidt tot voor een roman curieuze voorstellingen. Slechts twee voorbeelden van de meer dan zevenhonderd pagina's:

Nu is dat niet nodig voor een doorsneeroman, maar gisteren las ik er een waaraan de typograaf wel heel erg weinig energie gespendeerd heeft. Als je nu de eerste regel van een hoofdstuk markeert door die in een grotere, vette letter weer te geven, zou je er dan ook niet voor moeten zorgen dat die gehele regel er fatsoenlijk uitziet, en bijvoorbeeld niet nu eens eindigt met het eerste woord van een volgende zin, dan weer met een komma, dan weer met een punt, en moet je er niet zeker voor zorgen dat zo'n regel niet eindigt met een afbreekstreepje, zoals in de volgende vijf van de in totaal twaalf gevallen (het boek telt in totaal eenenvijftig hoofdstukken):

en dan zwijg ik nog over hoofdstukken die op een linkerpagina beginnen, want zo ouderwets wil ook weer niet overkomen. Ik vond het al geen lolletje om het boek te lezen, en als het er dan ook nog zo onverzorgd uitziet, wordt mijn volhoudingsvermogen wel erg op de proef gesteld. Vergeefs.

maandag, oktober 17, 2011

MAS | Antwerpen

Op de roltrap in het MAS tijdens dat zonovergoten weekeind midden oktober; nog nooit zo snel mijn toestel uit de tas gehaald. Aangezet. Snap. Shot. En thuis pas gezien dat het - inderdaad - goed was. Meer info over dit ene werk hier.

Ga naar het MAS. Het is mooi. En heel veelzijdig.

donderdag, september 22, 2011

Begrijpelijke taal

Onlangs, om precies te zijn op vrijdag 9 september 2011 tussen 16.15 en 17.00 uur des namiddags, sprak Leo Lentz in de aula van de Universiteit Utrecht zijn oratie uit bij het aanvaarden van de leeropdracht Tekstontwerp en Communicatie. Die rede ging over zijn onderzoek naar Begrijpelijkheid als norm in de wet, zoals de ondertitel van de gedrukte versie luidt. En natuurlijk had professor Lentz het ook over wat dat wettelijk geregel n i e t oplevert aan begrijpelijke teksten. Dat is een mooi aspect van de taalbeheersing: dat je kan werken met dat zowel droef als hilarisch stemmende materiaal. Eerder genoot ik daar al van bij de oratie van Ted Sanders waarin onder andere onherstelbaar verbeterde vmbo-schoolboekteksten onder de loep kwamen te liggen. Dat de wereld nog steeds de goede kant op draait, mag wel een wonder heten, als je ziet wat er allemaal aan idiote taal geuit wordt (en dan zwijg ik nog van de waanzin die heden Algemene Beschouwingen heet).

Lentz wijst er in het begin van zijn openbare lezing op dat deze 'een waarschuwing [bevat], zoals we die in allerlei teksten vaak gemarkeerd zin met Pas op! Dat is een signaal aan de lezer dat er een of ander gevaar dreigt. Dit gevaar kan vermeden worden als de lezer de instructies nauwgezet opvolgt', en tevreden kon hij constateren dat de velen, aanwezig in de aula, de waarschuwing monter in de wind hadden geslagen, zoals lezers 'wel vaker in handleidingen die eerste bladzijden over[slaan]'. (Lentz 2011: 5)

In de buurt van mijn woonst hangt in de openbare ruimte een onbegrijpelijke tekst, met letterlijk de waarschuwing erboven die Lentz, inclusief uitroepteken, in zijn oratie noemt: Pas op! Het is een waarschuwing die ik tot op heden zonder kleerscheuren of ander malheur heb genegeerd, zoals ik ook aan de lopende band voorbijga aan de waarschuwing dat iets (en dat is tegenwoordig vrijwel: alles) gevaarlijk is voor kinderen onder de drie of zo, omdat het kleine onderdelen kan bevatten, of gemaakt is in een fabriek waar ook pinda's worden verwerkt, of gluten.

De hoofdtitel van Lentz' oratie luidt: Let op: Begrip verplicht! 'Let op' beduidt hetzelfde als 'Pas op'. Het deel van de hoofdtitel dat tussen de waarschuwing en het uitroepteken staat, kan ik wat moeilijker kwijt bij dat bordje in mijn werkelijkheid: Begrip verplicht. Of: het kan wel verplicht zijn, maar ik begrijp niet wat de bordjesschrijver bedoelt met het pleonastisch intrappen van wat volgens mij een open deur is.


Waar heb je nou machines voor? Wat is daar handig aan? En dan nog: er staat een volkomen Bokito-proof hek om die machine heen; je kunt er niet bij in de buurt komen als je het al zou willen.

zaterdag, september 17, 2011

Taalvondst

In zijn recensie van de debuutbundel van Ellen Deckwitz, De steen vreest mij, betoont Guus Middag zich blij-verrast door een taalvondst in deze regels:

Hij knikt, gelooft niet
dat er in mijn ballpoint
ook een kogel zit.

De kop boven de recensie luidt dan ook: 'De balpen als schietwapen', maar verder vindt Middag de bundel vooral vaag, zoals blijkt uit de ondertitel van zijn stuk: 'De dichterlijke geheimspraak van Ellen Deckwitz'. Wel maakt één gedicht hem nieuwsgierig naar de volgende bundel van deze dichteres die tot nu toe vooral bekend is van poëziepodia, voordrachtspoëzie, slams; aanstaande zaterdag treedt ze op tijdens de Nacht van de Poëzie.

Naar aanleiding van de hier geciteerde regels zegt Middag onder andere: 'Iedereen weet, of kan weten, dat er voorin een balpen een heel klein, in inkt ronddraaiend balletje zit'. Inderdaad. 'Daarom heet de balpen (of ballpoint) ook balpen (of ballpoint). Inderdaad. En, voegt Middag eraan toe: 'Het is een geweldige vondst voor een schrijver om bij dat balletje aan een kogel te denken.' (NRC Boeken 16 september 2011, p. 10)

Maar, dacht ik, als die Deckwitz nou eens Duitse wortels heeft (haar familienaam zou erop kunnen duiden), zou ze dan niet het woord 'Kugelschreiber' in haar woordenschat hebben gevonden? En, dacht ik, heette de balpen ook in het Nederlands niet kogelpen?

Een blik in het digitale WNT sub 'balpen' bleek een schot in de roos, en dan vooral het volgen van de link naar het etymologisch woordenboek waarin staat opgetekend: 'De leenvertaling kogelpen [1960; M.H.] (< Duits Kugelschreiber) is een tijdlang gepropageerd als de juiste Nederlandse term, maar wordt vrijwel uitsluitend in België gebruikt.'

Leuk is dat: wat voor de één niet meer is dan het oppoetsen van een in onbruik geraakt synoniem voor een alledaags woord (of het opdelven van een in onbruik geraakt neerlandisme, herstel: purisme), is voor de ander een dichterlijke taalvondst. Ik denk namelijk dat Middag bedoelt dat Deckwitz een neologisme heeft gedicht (hij ziet in haar bundel 'een duidelijke voorliefde voor zelfgemaakte rare woorden', zoals 'bladerpilaar' en 'letselsterfte'), terwijl ik denk dat ze iets gevonden heeft wat in de taal klaar lag, verscholen lag, erin verstopt is geraakt door onbruik.

Toch weer een illustratie van het belang van de lezer bij het tot stand komen van poëzie. Als duizend lezers dezelfde bundel lezen, lezen ze misschien alle duizend toch een andere bundel.

zondag, september 11, 2011

Poëzie in de openbare ruimte


Altijd al gedacht dat je geen poëzie kan lezen als het hard waait, maar bij een gedicht van Robert Anker is het echt onmogelijk. Info hier.

zaterdag, september 10, 2011

Weinig letters, veel geschiedenis

Eindelijk eens diep gegaan met de Open Monumenten Dag. Een paar meter onder het hedendaagse maaiveld gekeken naar dat van de Romeinen een twintigtal eeuwen terug hier ter stede.


Onder andere. En hoe mooi is het dan om, na eerst naar omlaag te hebben gekeken, vervolgens de blik omhoog te richten langs een bouwwerk van eeuwen later, dat er eeuwen later nog steeds staat, waar ik bijna dagelijks langs fiets, alsof het er niet toe doet.

Dat - en zo kwetsbaar - is cultureel erfgoed (zie ook de NRC van vandaag, katern Wetenschap, over het doolhof van het digitale erfgoed).

dinsdag, augustus 16, 2011

Motto

Een staartje vakantie gedaan in The Cotswolds: wandelen, wandelen en nog eens over allerlei public footpaths en bridleways , over lanes en drives en soms ook tarmac roads, dwars door fields en over fences via stiles, zonder nadere overpeinzingen bramen plukkend bij de vleet en met felrealistisch gevaar ook voor eigen leven.

Maar één dag, terwijl autochtonen hun eigen hoofdstad met een flinke vlek op het blazoen wisten te verrijken, hebben we doorgebracht in Oxford, samen met duizenden Belgen, Duitsers, Fransen, Italianen, Japanners et tout le monde onder een vrolijk zonnetje.

In een donkere doorgang in één van de gebouwen van de Bodleian Library zag ik het wapen met motto van de universiteit van Oxford staan: Dominus illuminatio mea. De tekst is de aanhef van Psalm 27. Is het nou universitair chauvinisme dat ik Sol iustitiae illustra nos mooier vind, vooral dat nos, vergeleken met mea?


Yes, we zijn weer thuis, het nieuwe seizoen is geopend, de verlichting gaat weer aan.

zondag, juli 31, 2011

Vakantielectuur

Weer geen poëzie meegenomen op vakantie dit jaar, maar toch in de dichtkunst terechtgekomen. We hadden, na een weekje Gardameer, de tenten opgezet in Montegrotto Terme om vandaaruit Venetië te kunnen bezoeken. Wat we gedaan hebben ook. Dom, want dat laatste doen er meer in de zomervakantie.

Venetië is, behalve van mensen, vol van kunst en dus ook van (referenties aan) poëzie.
Pax tibi Marce Evangelista meus,
de heer bekeek Carpaccio's leeuw,
zoals die grommend met geheven vleugels
de rust in de lagune gebiedt. Of hij
de barken van de dood ook ziet?

Dat schreef Huub Beurskens in 'Charme' in 1988 (opgenomen in Bange natuur en alle andere gedichten tot 1998. Meulenhoff, Amsterdam 1997, citaat op p. 162). Zijn ik-figuur zit er op een ochtend 'in hemdsmouwen bij' op een terras: 'De cameriere loopt te geeuwen,/ cinzanorood staan zijn parasollen/ op de dag geschreven'.

Andere tijden; nergens rust nu aan de lagune; we konden over de koppen lopen op het San Marcoplein en in alle andere straten en stegen. Wel zag ik, vanuit een volgeperste waterbus, een spandoek met 'On first looking into Chapman's Homer.' Wat dat doek, en eventueel Keats in andere tijden, daar deed, moet ik nog uitpluizen.

Een blik op de kaart leerde dat Arquà Petrarca in de buurt van de camping lag; dus kon ik treden in de voetsporen van C.O. Jellema. Leuk, want in zijn gedicht dat de naam draagt van die vlek, lijkt het of Jacques Perk en Mathilde Thomas toch getrouwd zijn.
Arquà Petrarca

Gelezen van hem niets. Zijn sarcofaag bekeken.
Laura alleen op school, omdat Mathilde Perk.

Voor de toerist, als elk dorp, lijkt ook dit tevreden,
herkent geen groten, het verdient aan een.

Mozart was, las ik, hier. Maar om de dichter
of om het ritje vanuit Padua? Als kind.

Pelde een perzik in de zin, beet gretig
zag op de grond de omgekrulde schil.

Drie dingen: dat hij, oud, in deze stilte bouwde,
omdat de heuvel leek op zijn geboortestreek;

de kat zich om zijn koude voeten had gevouwen,
toen hij gevonden werd alsof hij sliep;

zijn laatste briefje aan Boccaccio luidde
- wat Rilke noemen zou: de eigen dood -

'schrijven en kijken naar het leven is mijn leven';
drie dingen die ik nu voorgoed onthoud.

C.O. Jellema, De schaar van het vergeten. Querido, Amsterdam 1981, p. 26.

Van Petrarca heb ik ook niets gelezen, of vrijwel niets, geloof ik; het mag in ieder geval geen naam hebben. Zijn sarcofaag heb ik nu ook gezien, maar dat was geen genoegen; wat een lillik ding.


Dat ze aan deze grote geest proberen te verdienen, is duidelijk. Alle wegen leiden, lijkt het, naar dat huis, en zelfs het restaurant heet dan maar De Laura.


Petrarca's huis kan bezocht worden, maar dat kost wel een euro of wat. En zonder die poen mag je er niet eens foto's van maken als je eenmaal door de eerste poort getreden bent. Ik heb mijn geld bewaard voor een heerlijke gelato.

Topografisch onbenul als ik ben, werd ik op de terugweg door Duitsland tussen Garmisch-Partenkirchen en München verrast door de aanwezigheid van de Starnberger See, en heb me vervolgens suf zitten piekeren hoe het begin van The Waste Land ook weer ging.

Ah, nu ik het opzoek, weet ik het weer: 'Summer surprised us, coming over the Starnbergersee / With a shower of rain.' Maar eenmaal in München was het, afgelopen vrijdag, toch werkelijk een ongeëvenaarde, schier eschatologische stortbui, inclusief hagelstenen. Niet geloven dus, die poëzie. Klopt niet.

donderdag, juli 14, 2011

Woordenverklontering

Zit ik te lezen in goed geschreven debuutroman, Verloren vader van Sayadin Hersi, afkomstig uit Ogaden, het grensgebied tussen Somalië en Ethiopië, die sinds 1992 in Nederland woont en momenteel werkzaam is als schoolarts bij de Amsterdamse GGD (met dank aan de flaptekst), struikel ik, met mijn etymologisch getroebleerd ogenpaar opeens over een volgens de Woordenlijst volkomen correcte woordafbreking op pagina 38: tever-
geefs
. Waarom is dat niet te vergeefs, of zelfs alleen maar: vergeefs?

Op bladzij 67 staat, alweer correct volgens de Woordenlijst: hoelang.

Vreemd dat dat gewoon is. Hoegroot bestaat niet. Wel hoegrootheid. Serieus. Hoelaat bestaat ook niet. Wat is het verschil tussen hoelang en hoelaat of hoe laat en hoe lang? Net als allang, dat vind ik ook zo'n maffe woordenverklontering. En zolang. Waarom niet ook zogroot?

dinsdag, juni 28, 2011

Gort voor de domme kippen

Of je nog peulen lust? Wat lees ik daar nou weer in de NRC annex op NRC.nl? Nou dit:
“Blijft mijn buurt wel mijn buurt als er weer een kerk gesloten wordt en er een moskee wordt gebouwd? Waarom passen de nieuwkomers zich niet aan ons aan? Ze pikken toch niet de baan van mijn zoon in?”

Op deze manier verwoordt Verhagen de vrees die volgens hem breed wordt gedeeld in het land. Ten onrechte zouden dit soort huiveringen volgens Verhagen “ook door mijn eigen CDA” lang beschouwd zijn als foutieve reactie op “de snelle veranderingen in de wereld.” Volgens hem moet het CDA hierop inspringen:

“We moeten die zorgen niet afdoen als onfatsoenlijk of stellen dat je dat niet mag vinden. Het onbehagen moet ook het onbehagen zijn van een volkspartij als het CDA”.
En dat is dan vicepremier van Nederland. Die zich geen seconde afvraagt of er wel ene moer klopt van dat soort mijn- en dijnerige angsthazerij. Die er geen fractie van een seconde over nadenkt of die wereldangst ook maar enig fundamentum in re heeft.

Hoeveel kerken stonden er dan oorspronkelijk in 'mijn' buurt? Vijf, tien, twintig? En allemaal van die lelijk Cuyperiaanse kastelen? Of stond er bij nader inzien misschien al heel lang nog maar één enkele kerk, en dan niet eens in 'mijn' buurt, maar hooguit in de buurt van 'mijn' buurt, en is zelfs die ene al lang geleden omgetoverd tot shopping center of luxe appartementencomplex met goddelijke uitstraling?

En hoeveel moskeeën staan er wel in de buurt van 'mijn' buurt? In heel Nederland stonden er in 2010 453. En dat op een totaal van 418 gemeenten. Zijn dat één procent moskeeën per buurt, als u me de rekenkundige gok voor het gemak van mijn betoog even toestaat?

En klopt vicepremier Verhagens suggestie wel dat voor iedere kerk die er in 'mijn' buurt gesloten wordt er een moskee in ruil bijgebouwd wordt? Loop toch gauw een eind heen naar de buurtpomp. De Nederlandse aannemerij zou God, zo u wilt Allah, op zijn blote knietjes danken voor zo veel opdrachten. Heel die bouwfraude in een keer van de aardbodem gewist.

En als je, Maxime, dat zo verreselijk erg vindt voor 'jouw' buurt: ga dan massaal met 'jouw' CDA-ers weer als een haas aan het ware gristelijke geloof en laat die klokken weer beieren, stamp die banken vol, knijp de kat in het donker van de consistorie en loof en prijs de HEERE dat het een aard heeft en laat de heidenen een heilige poep ruiken.

Maar als je toch zo druk bezig bent, Maxi, blijf, alsjeblieft, uit mijn buurt.

Lust je nog...

Peultjes. Inderdaad. 200 gram, klasse 1, uit Kenia. Albert Heijn.
Achterop het zakje:
Bereiden: puntjes en eventuele draden verwijderen en wassen. Koken: in een bodempje water met een snufje zout in circa 5 minuten beetgaar koken.
Nou, werkelijk: die beetgare puntjes en eventuele draden zijn niet te eten. En zonde om dan al die peulen weg te gooien.

woensdag, juni 22, 2011

Recht zo die gaat | Zeeman Marsman

Gejat van: http://www.kb.nl/nieuws/2011/werkman.htmlIk ben niet zo van de ingezonden brieven; die zijn soms zo frikkerig; maar vandaag begonnen de vingers van de schrijfhand toch te jeuken. Ik las, terwijl de koffie langzaam druppelend uit de automaat mijn mok in droop en de damp geur werd, het volgende in de Volkskrant:
KB verwerft 'druksels' Marsman en Werkman
BOB WITMAN − 22/06/11, 00:00
AMSTERDAM - Een drukwerk uit 1942, gemaakt in een oplage van twaalf exemplaren, met een gedicht van Hendrik Marsman en vormgegeven door de Groningse typograaf en kunstenaar Hendrik Werkman (1882-1945), is aangekocht door de Koninklijke Bibliotheek (KB). Het geldt als een zeer zeldzaam en kostbaar werk. De bibliotheek doet geen mededelingen over de verwervingskosten.
Dat was het nieuws waar ik van opkeek. Maar waar ik van grimmelde was de volgende alinea, en daarvan vooral, nee: alleen de tweede zin, en ook wel de alinea (of: zin) erna:
De KB noemt de aankoop een 'prachtige aanvulling' op de reeds bestaande collectie van Werkman en Marsman. De dichter / zeeman Marsman verdronk in 1940, vier jaar na publicatie van zijn belangrijkste gedicht Herinnering aan Holland.

De Zee is een van zijn laatste werken.
Sinds wanneer staat Hendrik Marsman bekend als dichter/zeeman? Is dit een cynische verwarring van onkunde en half verwerkte biografische gegevens, of zijn er echt zo veel zeemansgedichten van Marsman die ik steeds maar over het hoofd heb gezien?

Toch maar de inhoudsopgave van het Verzameld werk erbij gepakt (4e druk van de dundrukeditie, Amsterdam 1979). Op pagina 75 eindelijk beet: 'Zinkend schip'. Louter beeldspraak: 'De avond daalt; / een zinkend schip.'

Vier bladzijden verder ligt een lyrisch 'ik' onder de titel 'Twee meeuwen' 'beneden / aan den voet der duinen'; een landman, dus.

Dan moet dertig bladzijden verder het antwoord te vinden zijn in 'Lezend in mijn boot', maar helaas: 'ik was / in mijn roeiboot de plas / opgegaan en liet mij drijven'. Een zoetwaterrecreatiematroos die 'het verhaal van den Vliegenden Hollander las.'

Dan maar 'De boot van Dionysos', het tweede onderdeel van Tempel en kruis? Nou, dat is meer zoiets als wat Adriaan Roland Holst over zijn Wilde kim zei: er zit meer wijn dan zeewater in. En dan nog: daar gaat het over 'het blauw verschiet der blinkende rivieren', over 'het glinstrend water' en 'de schoeiing van basalt'. Een Hollands rivierenlandschap. Geen zee te bekennen, tenzij een overdrachtelijke.

Blijft over het laatste onderdeel van diezelfde bundel (of: van datzelfde lange gedicht), 'De zee', dat geen zelfstandig gedicht is, maar een onderdeel van Tempel en kruis, een onderdeel dat er eigenlijk niet uit losgemaakt kan worden omdat het de verwoording is van de conclusie die de hoofdfiguur van dat gedicht trekt uit een zeer uitgebreide reeks overwegingen en overdenkingen in de eraan voorafgaande vijftig gedichten. Maar dan nog: die zee daar heeft niets te maken met Marsmans zogenaamde zeemanschap, maar alles met de metafoor van de Middellandse zee als bron van de West-Europese beschaving, die Marsman anno 1939 naar de gallemiezen zag gaan maar die hij voor alles en ondanks alles wilde behouden en behoeden.

Nieuw ook was me het gegeven dat 'Herinnering aan Holland' het 'belangrijkste' gedicht van deze dichter zou zijn. Zijn bekendste wellicht, en tevens het gedicht dat veelal ten onrechte 'Denkend aan Holland' wordt genoemd, bovendien het meest op T-shirts, kussenslopen, servetten en plinten gereproduceerde gedicht. Maar 'belangrijk' als in: van literair-historisch belang, dat waren toch veeleer gedichten uit zijn eerste bundel, Verzen, gedichten als 'Verhevene', 'Vlam', 'Heerscher', 'Fort' of vooruit, er komt een boot in voor, 'Hiddensoe':

Bronzen boot

de sprong
uwer flanken
stoot
een mes
in den nacht

zilvren dood

maan
die de dolk
van den boeg
aan den muur
van den nacht
tot scherven
sloeg

schuim

flarden bloed

maandag, juni 06, 2011

Nieuwe media mix | Gadget | Must have


Hoge resolutie tekstscanner (dpi quite sufficient), geïntegreerd met krachtige, megaMB™ tekstverwerker en ondersteund met mail- en SMS-diensten, draadloos blauwtand appliceerbaar op Mac en Pc, mits voorzien van autonoom verbeeldding.

zaterdag, mei 14, 2011

Ter gelegenheid

van de verjaardag van Albert Verwey (15 mei 1865 - 8 maart 1937) en om de goede voortgang te vieren van het project Correspondentie Albert Verwey 1880-1895 heeft Annemarie Kets afgelopen vrijdagmiddag een partijtje georganiseerd in het Allard Pierson Museum en de Bibliotheek Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam aan de Oude Turfmarkt. Een leuk initiatief, omdat al degenen die op welke wijze dan ook medewerk(t)en aan dat project en/of gebruik maken van de resultaten (onder anderen Madelon de Keizer, die een nieuwe biografie van Verwey schrijft), in principe veelal in barre eenzaamheid van achter zijn/haar eigen computer met de brieven van en aan Verwey werkt in het digitale tekstlaboratorium e-Laborate; nu kon iedereen al die anderen (weer) eens in het echt zien en spreken en gedachten en inzichten in vivo uitwisselen.

Bart Slijper vertelde over zijn Kloosbiografie (in-wording), met bijzondere aandacht voor de relatie tussen Kloos en Verwey. Vervolgens leidde Klaas van der Hoek, conservator handschriften van de Universiteitsbibliotheek, de gasten rond door de koele bibliotheekmagazijnen en liet tal van originele documenten en boeken met opdrachten van Verwey zien en twee van zijn copyboeken, plus (weer eens iets anders dan de fez van Perk en de sigarenpeuk van Kloos in het Letterkundig Museum) een bureaulamp en een vulpen van Verwey.

Zoals past bij een verjaardagsfeestje was er ook aandacht voor vloeibare parafernalia en minder verheven kout.

zondag, mei 08, 2011

Dat zet geen zoden aan de dijk


(jongstleden zaterdag, Selexyz, Utrecht)

Eventjes een Nederlandse song text (?) uit 1989 lichtelijk adapteren:

juffrouw van de [boeken]winkel
denk nou niet - alweer zo'n kinkel
die hier in uw bak komt zitten grutten
en op een kruk gaat zitten dutten
met zo'n grote [leesbril] op
en iets kopen? njente - nop!
juffrouw u weet toch dat ik niet zo ben
u wilt toch niet beweren dat u mij niet herkent

dat ben ik - in de uitverkoop
dat ben ik - op de grote hoop
profiteer - bijna gratis
niemand weet wat dat voor [boek] is [ay, jammer van dat oorspronkelijke dubbelrijm]
mijn hele ziel en zaligheid
aan de straatstenen niet kwijt
dat ben ik - op de grote hoop
rijp voor de sloop
in de uitverkoop

en zo voort en zo verder. Van De Dijk, 'uitverkoop' op Niemand in de stad.

Dat boek van en over Perk is al weet ik hoe lang 'in prijs opgeheven', zoals dat geloof ik heet en het staat in vol ornaat op DBNL. Dan is het toch weer verrassend nog een stapeltje tegen te komen.

zondag, april 24, 2011

Terug in Utrecht

In het museum Hamburger BahnhofZo, dat was een lange zit op Goede Vrijdag, aan de Potsdamer Platz, in de Philharmonie Berlin: De Mattheus, uitgevoerd door het RIAS Kammerchor, onder leiding van Hans-Christoph Rademann.

Achter de musici gezeten, in een zaal die dat qua geluid wel hebben kan, recht tegenover de dirigent, die er in al zijn ernst mede een waar spektakel van maakte. Dat was pure passie (in de andere zin) waarmee hij aan het dirigeren was; alsof hij zelf eigenlijk liever mee zou spelen en zingen. En op het laatst nog een passage die me de rillingen ouderwets over de rug joeg toen het koor en orkest heel, maar dan ook heel zachtjes zong respectievelijk speelde. De zaal, en die zat boordevol, was enthousiast, en terecht.

Pas vanochtend las ik in de NRC, in het Hollands dagboek van beenviolist Ralph Rousseau, dat het ongebruikelijk is om op Goede Vrijdag nog na 15:00 uur een passie te spelen, omdat Christus dan al gestorven was; een vrij fundamentalistische gedachtegang waar gelukkig heel rationeel geen gehoor aan wordt gegeven.

Na afloop nog een aangenaam gesprek bij een witbier met collega Gijsbert, zodat het nog wat later werd dan het al was. Genoegens kunnen zo eenvoudig zijn.

Zit ik de volgende zaterdag aan de Oderberger Straβe (ik had reisadviezen gekregen van een ervaringsdeskundige) lekker aan het bier, nou ja, het echte witbier was eventjes op bij Fleischmöbel, dus het werd witbier (Hefeweizen) met 50 % grapefruitsap, een aanrader bij deze zomerse temperaturen, zie ik opeens zo'n parkeercontrolerende ambtenaar aan het sombere werk. Pas in tweede instantie zie ik dat hij een Nederlandse auto probeert of overweegt te, of daadwerkelijk zal, bekeuren, en pas in derde instantie, meer in het bijzonder na een blik op het nummerbord, bedenk ik me dat bij deze man, zo lang nog na 1989, misschien alsnog de angst in de overheidsfunctionele knieën is geslagen: 'Was soll denn das hier, so ein neumodisches Partei-Auto??'

Daarna, omdat ik toch die kant op moest, een heerlijk ijsje verderop in dezelfde straat bij Kauf dich glücklich, en toen begon de vertrektijd zich toch werkelijk aan te dienen en moest ik de schoon vormgegeven dieperik van het Hauptbahnhof in.

Ik moet nodig weer eens terug naar Berlijn.

donderdag, april 21, 2011

Intusschen in Berlijn

Toegegeven: Köln is niet wat je noemt verbijsterend mooi. Maar er zijn toch stukjes die dat proberen goed te maken, zoals dat op het bijgaande plaatje, geschoten met de telefoon, wandelend van de binnenstad naar het universiteitsterrein; met een rijtje platanen lijm je mij in een handomdraai. En misschien niet mooi, maar wel een beetje Emmalaan-like (Utrechtse neerlandici weten wat ik hiermee bedoel) is het Instituut voor Neerlandistiek aan de Lindenthalgürtel: de voormalige praktijkruimte en woonst van een tandarts, ongelogen: dr. Faust. Klein, overzichtelijk, inpandige collegezaaltjes, verse koffie, vriendelijke mensen, kamers overladen met boeken want de bibliotheek is in da hous.

Ook mooi aan Köln (en, bleek later, niet minder Berlin) is de mogelijkheid om schier overal te stoppen met lopen, te gaan zitten, en iets te eten en iets (anders) te drinken. Ik dacht dat ik die Keulenaren daarin maar als goede leidslieden moest volgen. Niet ten onrechte, want die Duitse horecalui zijn zeer aangenaam in de omgang. Evenals de museumlieden, in concreto de Ludwig Museumlieden. En een historisch-moderne kunst dat ze daar verzameld hebben...

Dit noteer ik in Berlin, aan het Marheinekeplatz, of daaromtrent. Om het juister te zeggen: ik noteerde het in m'n hotel, en was van plan het later te interneteren om de hoek bij een Geschäft van een verre Oost-Europeaan met computers achter zijn winkel met ver-Oost-Europese toetsenborden met diakritische tekens waarvan ik niet wist dat ze bestonden, en zeker niet onder toetsen die ik gewend ben (als in: waarvan ik gewend ben dat ze) eenvoudige letters (te) produceren. De ideale wereld schuift deze twee in één.

Goed, ik was van plan dit vandaag te posten, na het college, bijvoorbeeld, maar mij werd het niet onmogelijk gemaakt om daarna nog uitgebreid en aangenaam te converseren, en daar weer na kwam ik op een terras terecht van een uiterst bekwame Italiaanse keukenmeester (dit klinkt wijdser dan het stadsplattegrondelijk is) zo dat het een en het ander in samenspanning voorkwam dat de lust mij zou bekruipen dat ik daadwerkelijk de gang zou maken richting die pc-boer. Inmiddels (donderdag 21) zit ik diep in voormalig Oost-Berlijn achterin de zaak van een heel donkere meneer die wel behoorlijke verlichting heeft aangebracht.

En dan nu waar het om draait: die universitaire uitwisseling. Leuk is dat! En die mensen die je dan (weer) tegenkomt buiten de muren, ik noem een Gwennie Debergh, ik noem een Gijsbert Pols, en een Jan Konst, en hen die hen omringen al noem ik die dan hier niet met en bij name, zo vriendelijk als die allen zijn, zo soepel als dat allemaal toegaat, om niet te… nee: om wel te zeggen: voorkomend (dat is letterlijk: ze voorkomen dat je wensen zou hebben; dat is gastmensschap).

En nu: een ijsje.

maandag, april 18, 2011

Dom, dom, dom

Die van Utrecht is natuurlijk (in de zin van: vanzelfsprekend, en dat dan weer figuurlijk) nummer één; die van Barcelona is er geen, maar een basiliek, maar lijkt er in de verte wel een beetje op; die van Keulen is niet permanent in aanbouw, maar in dito restauratie, en die hebben ze, naar ik me liet vertellen, tijdens de oorlog (WO II) alleen maar laten staan omdat die zo'n handig oriëntatiepunt was voor de piloten die de rest van de stad plat moesten gooien.

Inderdaad: het uitzicht is bedroevend, maar een klimwandeling één van die torens op (beter: in) is werkelijk indrukwekkend. Deernis met die dappere middeleeuwers die dat bijelkaar gezwoegd hebben.

En dat uitzicht: daar merk je weinig van als je er schaal 1:1 in rondloopt, en zeker met dit weder en na een aangenaam gastcollege.

vrijdag, april 15, 2011

Koninklijke kwartiermakelaardij

Zeer vereerd door deze koninklijke kwartiermaakster, maar meer nog door het verzoek dat me bereikte gastcolleges te verzorgen aan de Universität zu Köln en de Freie Universität Berlin (de tour zou eerst nog grander zijn, maar dat paste niet in de beurzen). Die oosterburen krijgen wat poëzie om hun oren, moderne epische poëzie, natuurlijk. Ik ben zeer nieuwsgierig naar hoe dat daar toegaat. En dan, direct daarna, aan de slag met blok vier in Utrecht, Geschiedenis van de moderne letterkunde en Genrevervaging, naast de steeds doorstomende Educatieve minor en de immer voortkachelende Eindwerkstukken. Nimmer een duf moment. En, oh ja, ik moet ook nog...
Nee, geen litanie, letterenlol.