dinsdag, maart 29, 2016

Beelden in taal (loop)

Wanneer iemand een beeld niet geslaagd vindt, zegt hij vaak dat de vergelijking mank gaat (ook daar schuilt trouwens weer een beeld in).
Aldus Peter Burger & Jaap de Jong in Handboek stijl. Adviezen voor aantrekkelijk schrijven (2e, ongew. uitgave. Den Haag 2002, p. 102). Ook daar schuilt weer een beeld in, een personificatie, om concreet te zijn. Wat dan weer kan gelden als ondersteuning voor de bewering:
allemaal spreken [...] we voortdurend in beelden, meestal zonder daarbij stil te staan. (100)
En ook daar is weer een metafoor in geslopen.

maandag, maart 28, 2016

Vreemde smetten

In haar eerste college voor de Universiteit van Nederland legt Lotte Jensen uit waar dat nu vreemd klinkende "van vreemde smetten vrij" vandaan komt in 'ons' eermalige volkslied 'Wien Neêrlandsch bloed' (zie hier: http://nederl.blogspot.nl/).

Toen ik vanochtend maar eens vijf kilo extra op de Adductor legde, schoot mij - ik weet niet waarom of waardoor - de vraag te binnen wat nu werkelijk de kracht van dergelijke oude teksten nog is. Ik moest namelijk - ik weet nog steeds niet waardoor of waarom - denken aan een deun die ik diep in de twintigste eeuw meerdere jaren ten gehore heb moeten brengen na vlijtige studie en repetitie in het gezelschap steeds van minstens dertig generatiegenoten, en ik weet dat vele duizenden doorheen heel het land dat ook deden, al gedaan hadden en waarschijnlijk nog steeds doen:
Hoor wie klopt daar [...] 't Is een vreemdling zeker, die verdwaald is zeker, 'k zal eens even vragen naar zijn naam!
Ik heb de indruk - en die verdween niet toen ik ook op de Abductor tien pond extra legde - dat de door dit olijke lied vertegenwoordigde en breed gedissemineerde ideologie van - wellicht christelijk gefundeerde - internationale gastvrij- en behulpzaamheid diep verankerd is geraakt in 'onze' volksaard.

PS
Jensen is de elfde vrouwelijke docent in de Universiteit van Nederland. Ze is de vijfentachtigste docent die een collegereeks verzorgt.

zaterdag, maart 12, 2016

Stuitend

Hier wordt een doorsnee hermeneut bepaald niet vroolijk van: een boekhandelaar die in de krant recensies verguist. Een boekhandelaar die niet geïnteresseerd is in meningen en nuances. Een boekhandelaar die lak heeft aan gedachtenuitwisseling. Een boekhandelaar die namens haar lezers alleen geïnteresseerd is in "wat ze moeten kopen". Een boekhandelaar die denkt dat zoiets klakkeboem eenduidig is vast te stellen. Een boekhandelaar die denkt dat ze weet wat haar klanten moeten kopen wanneer een andere boekhandelaar op tv een seconde lang een boek voor een camera houdt. Een boekhandelaar die denkt dat boekhandelaren niet van mening kunnen verschillen, althans niet die vier die eenmaal per maand met hun knar op tv mogen roepen dat ze een boek "letterlijk" verslonden hebben. Ik ben blij dat er in Utrecht betere boekhandelaren zijn. Ook zij moeten hun schoorsteen laten roken, maar ze hebben tenminste nog ideeën over de waarde van hun waar, en niet alleen over de prijs.

dinsdag, maart 01, 2016

Opgravingen

Voorafgaand aan de verschijning van de online editie Brieven en Correspondenten rond 1900 publiceert Annemarie Kets van het Huygens ING het weblog Opgravingen, waarin zij en gastbloggers de komende maanden alvast enkele trouvailles uit deze rijke databank in het licht houden.

Studenten die in 2009-2010 en 2010-2011 mijn werkgroep 'Moderne Tijd' volgden in het college Lezen en laten lezen, hebben stevig bijgedragen aan de totstandkoming van de editie, meer in het bijzonder aan het bezorgen van de correspondentie tussen Albert Verwey en Frederik van Eeden uit de periode 1880-1895.

zaterdag, februari 27, 2016

Nare mannen

De hoofdpersoon van de eerste roman van Sander Schwartz, de hoofdpersoon van De vergever, de jongste roman van Robert Anker, is volgens zijn geestelijke vader 'Een nare man'. En Schwartz vervolgt: 'Ik heb iets met nare mannen, ik weet niet waarom, ook mijn volgende boeken worden erdoor bevolkt.' En een eindje verder recapituleert hij nog eens:
Enfin, het waren echte mannenboeken die ik schreef, bevolkt door harde mannen. Misschien moet ik dat woord 'hard' een beetje nuanceren. Ze waren vooral hard voor zichzelf. Ze moesten zichzelf neerzetten in een weigerachtige wereld. Ze waren er niet op uit om anderen te benadelen maar dat gebeurde natuurlijk wel, en dat ze daarbij op gespannen voet stonden met de heersende moraal, laat zich raden. Zulke mensen vinden wij al snel onaardige, nare mensen.
Klopt, zou ik ook zeggen als dit een analytische beschrijving was geweest van het oeuvre van Robert Anker. Zo'n gast als die Schwartz noem ik elders een pro-actieve seksist. En dat was niet als compliment bedoeld, let wel: als het om een mens zou gaan; maar nu het om een personage van een roman van Anker gaat, maak ik me er minder zorgen over. Bovendien gaat het lancet van Anker heel diep in het wezen van die Schwartz. Nadat hij hem tot leven heeft gewekt en even zijn woeste gang heeft laten gaan, sloopt hij hem ongenadig. Hij slaat zijn gewapendbetonnen bolster aan barrels zodat zijn eigenste werkelijke zieltje bloot komt te liggen. Dat laat Anker die Schwartz natuurlijk zogenaamd zelf doen. Maar we moeten niet vergeten dat binnen de romanwereld die snerpende analyse wordt opgesteld en uitgesproken door Schwartz' grote (inmiddels ex-)geliefde Kim. Kim dringt tot zijn wezen door, en vertrekt, en als ze elkaar per ongeluk weer ontmoeten in de Bijenkorf, stelt ze de diagnose.
En toen ik dat las, dacht ik: iets vergelijkbaars heb ik eerder gelezen. Bijvoorbeeld in Een kleine moeite van Hans Blom. En toen ik daar iets over noteerde, moest ik weer aan een ander vergelijkbaar boek denken, Een mooie jonge vrouw van Tommy Wieringa. En nu schiet me te binnen dat ook in Compassie van Stephan Enter een empathieloze hork ten tonele wordt gevoerd en door de psychologisch-analytische gehaktmolen wordt gedraaid.
Al met al een aardig tuiltje recente romans met antipathieke hoofdpersonages, die door een meestal niet erg prominent vrouwelijk personage doorzien worden en op een ander, beter spoor worden gezet. Vergelijk dat eens met een roman als Het smelt van Lise Spit: de heldin lijkt wel een aanminnig meisje en jonge vrouw, en haar jeugdvriendjes zijn inderdaad zelfingenomen seksistische rotpubers, maar die Eefje, later Eva, komt niet op een beter spoor. Zij onderneemt de ijselijkste wraak die maar denkbaar is. Niks geen compassie of katharsis, althans niet een ten goede.

vrijdag, februari 19, 2016

Geesje, muze

In de Volkskrant vandaag las ik een vast wel heel verkeerde, ongewenste, politiek incorrecte, want heteroseksueel-mannelijk-chauvinistisch-zwijnerige beschrijving van een belangrijk model van de schilder G.H. Breitner; alle de werken die hij maakte met haar als model hangen nu bijeen in het Rijks Museum. Stefan Kuiper noemt haar in die krant '[e]en frêle antilope met flaporen'.

Ik heb, ook al is het niet correct, een zwak voor die kimonodoeken van George, en voor Geesje, en nu ook voor die rare omschrijving van meneer Kuiper. Er zou eens een romancier of romancière het verhaal van Geesjes leven moeten optekenen, in de trant van die roman van Margriet de Moor over dat gewurgde meisje dat Rembrandt tekende, om maar een voorbeeld te noemen.

Een beetje rondbladerend in de ether vond ik een itempje van DWDD over de tentoonstelling (wat me eigenlijk meteen deed besluiten die maar niet in het echt te gaan bezoeken: ik ga me daar een beetje m'n nek staan te verdraaien tussen al die honderden Van Nieuwkerk-adepten die zelf niet weten wat de moeite waard is; dank je feestelijk). De als 'directeur collecties' geafficheerde Taco Dibbits mocht er zijn licht over laten schijnen en zei, toen hij de naam van Geesje Kwak had genoemd: "wat natuurlijk al een grappige naam is". Kunsthistorische lulkoek, lijkt me.

Daarna vertelde hij dat Geesje en haar zus Anna, die ook modelleerde voor Breitner, afkomstig waren uit de Zaanstreek en in Amsterdam kwamen wonen, in de Pijp, om in een naaiatelier te werken waarschijnlijk. Toen wist hij zich gelukkig beter te gedragen.

Verder zei Dibbits, waarschijnlijk om de bijzonderheid van de tentoonstelling aan te prijzen, dat Breitner zelf al die werken nooit bij elkaar had zien hangen in één ruimte. Tsja, maar heeft Van Gogh wel ooit al zijn zonnebloemen bijeen gezien, Pollock al zijn druppels, Warhol zijn soupen, Mondriaan z'n vlakken en lijnen? Vul het rijtje zelf aan en maak er een mooie tekening bij.

Breitner zag ze nooit bijeen want hij verkocht al dat werk. Wat weer een leuk licht werpt op het klassieke beeld van de laat-negentiende-eeuwse artisten als bohémiens. Maar in dit geval een vals licht, want Breitner had inderdaad een voortdurend, chronisch en ongeneeslijk gebrek aan poen. Zijn vrienden, om van zijn gebedel af te zijn, hebben toen maar een fonds in het leven geroepen, waar de schilder uit kon putten. Over een tijdje* kan ik hier een hyperlinkje aanleggen naar een paar woorden over deze kwestie en aanverwante zaken...

* Dat tijdje is nu voorbij: hier is m'n opgraving.

maandag, februari 01, 2016

Quotum, of: geconsolideerd inzicht, dan wel: Bel, 'spits', Bloed en rozen

[E]ind vorige [= 19e] eeuw ontstond er een diepe kloof tussen kunstenaar en maatschappij. Het gevolg was dat er zich een even wijde gaping dreigde te openen tussen de nieuwe literatuur en het publiek. De tegenstelling tussen de hoge kunst en de ontspanningslectuur, die waarschijnlijk al in de hele negentiende eeuw aanwijsbaar is, werd opeens op de spits gedreven.
Ton Anbeek en Jaap Goedegebuure, Het literaire leven in de twintigste eeuw. Leiden: Martinus Nijhoff 1988: 18-19.

De Tachtigers [...] staken hun minachting voor het grote publiek niet onder stoelen of banken. Hiermee dreven ze de tegenstelling tussen 'hoge kunst' en ontspanningslectuur, die al de hele negentiende eeuw aanwijsbaar was, welbewust op de spits.
Helleke van den Braber, Geven om te krijgen. Literair mecenaat in Nederland tussen 1900 en 1940. Nijmegen: Vantilt 2002: 61-63.
Aan het eind van de negentiende eeuw hadden veel kunstenaars zich afgekeerd van de samenleving. Er ontstond een breuk tussen auteur en publiek, tussen kunstenaar en maatschappij. De tegenstelling tussen hoge literatuur en ontspanningslectuur, die al in de negentiende eeuw bestond, werd toen door sommige auteurs op de spits gedreven.
Jacqueline Bel, Bloed en rozen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900-1945. Amsterdam: Bert Bakker 2015: 78.

woensdag, januari 20, 2016

Bel, Braak, Bloed en rozen

Wat zijn het toch een rare 'gegevens' waarmee een literatuurhistoricus (m/v) moet werken. Zo schrijft Bel met betrekking tot Gilliams' Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936): 'De critici waren positief. Dat het boek vernieuwend was [...] werd overigens niet opgemerkt.' (689) Ik neem aan dat het diezelfde critici waren, die dat vernieuwende niet hebben opgemerkt. Dat werpt toch wel een zorgelijk licht op het concept 'vernieuwend', lijkt me.

Over diezelfde Gilliams - maar dan meer in het algemeen - noteert Bel: 'Vanaf de jaren zeventig kreeg hij de ene prijs na de andere. Toch is zijn werk nooit bekend geworden bij een groot publiek. Zijn dagboeknotities, die in 1943 verschenen [...] trokken de aandacht. [...] Gilliams behoort inmiddels bij de gecanoniseerde auteurs.' (691) De wondere wegen naar de roem. Er staan in Bloed en rozen wel meer opmerkingen die wijzen op de enorme spanning tussen officiële reputatie enerzijds en (verkoop)succes c.q. aandacht van de (gewone) lezers aan de andere kant.

Inmiddels ben ik gevorderd (nee, snel lees ik niet, afgeleid als ik ben door de brieven van Tepper, om maar wat te noemen) tot hoofdstuk 4.5 '"Le chemin de dames": vrouwen in de letteren'. Dan zitten we meteen met bladzijden vol over de opinie van Ter Braak. Weer zo'n figuur met een literair aura van hier tot gunter maar met een lezerspubliekje van likmevestje (om mijn moeders uitdrukkingen maar eens te lenen).

Hoe het kan, weet ik niet, maar opeens was er dit:

Uit: Menno ter Braak, Mémoires involontaires. Facsimile-editie bezorgd door ir. Elizabeth de Vooze. Oldenkotte: J. W. Vreugdendal & Zn, 1916, p. 573.


zaterdag, januari 16, 2016

Smullen

Van dingen spreek ik in de tweede werkelijkheid,
dat is de buigzame herinnering;
beleven is te snel zelfs voor verwondering:
een voetstap klinkt als men hem niet meer hoort.

Dat is van C.O. Jellema (uit de bundel Klein Gloria en andere gedichten - 1961).

En vandaag lees ik:

Herinneringen raken mij dieper dan ervaringen in de tegenwoordige tijd.

Dat is Nanne Tepper (geciteerd in de inleiding van De kunst is mijn slagveld).

Hmmmm, weekeinde.

Quizzle

"Sels schrijft het meest affectieve proza dat ik sinds tijden las. De vertelwijze is episodisch: de vorm die gebeurtenissen aannemen als vaste genres om hun ontwikkeling, afwikkeling en verwikkeling te beschrijven ontbreken."

Na hoeveel keer lezen begrijp je de tweede zin? Zo nee, dan ligt het aan mij.

zaterdag, januari 09, 2016

Terminologisch bederf

Van een opmerkelijk boek is onlangs een opmerkelijke editie verschenen. Het is een boek waar ik slechts enkele pagina's van heb gelezen toen het tot mijn verrassing en schrik tussen honderden fatsoenlijke digitale romans op een usb-stokje bleek te staan dat ik van iemand kreeg toen die iemand hoorde dat ik een e-reader had aangeschaft, zo maar. Het boek is werkelijk niet te pruimen, niet te lezen zo beroerd geschreven. Ik kan dus niet zeggen dat ik het gelezen heb. Maar ik denk dat ik de strekking al wel via andere wegen had vernomen voor ik die twee-drie pagina's las.

Het verscheen oorspronkelijk in twee delen; het eerste in 1925, het tweede in 1926 (wanneer het gedigitaliseerd is, weet ik niet). De ondertitel van het eerste deel luidt: Eine Abrechnung, die van het tweede: Die nationalsozialistische Bewegung. En de hoofdtitel van beide delen is: Mein Kampf. In mei 1930 verscheen de 800 bladzijden tellende 'Volksausgabe' (hoe leerzaam is het internet).

De recent verschenen editie wordt een 'kritische editie' genoemd. Maar, waarde filologen, laat u niet bedriegen. Het begrip 'tekstkritiek', zoals wij dat kennen en hanteren, lijkt hier niet in het geding; en er is al helemaal geen sprake van een historisch-kritische of een critical-text-editie. Deze editie is hooguit een geannoteerde lees-editie en heet 'kritisch' omdat de editeurs de inhoud van het boek kritisch bejegenen en van commentaar voorzien: alle idiote ideeën, bezopen gedachten en als feiten gepresenteerde leugens van Hitler worden becommentarieerd.

Dat annoteren is nog een hele klus geweest, want de kranten en dergelijke laten niet na te verklappen dat deze 'editie' maar liefst 3500 geleerde kanttekeningen bevat. Dat zijn gemiddeld 4,375 noten per pagina breedsprakig proza. Dat heeft tot gevolg gehad dat het boek nu niet 800 pagina's telt, maar meer dan het dubbele: 1948 (en opnieuw een tweebander is). Dat lijkt heel wat, maar het betekent een editiefactor van slechts 2,435. Dat is klein bier vergeleken bij menig Nederlandse (literaire) historisch-kritische editie in de echte academische zin van het woord; die komen zelfs tot een factor 10.

Over de zorgen van de editeurs met betrekking tot en voor de constitutie van de tekst van Mein Kampf heb ik vooralsnog geen letter gelezen; maar dat zijn we in ons lieve kleine vakgebiedje wel gewend.

vrijdag, januari 08, 2016

Amekaar

Aristoteliaans is dan in verband hiermee, om te denken in termen van teveel of te weinig. Er kan teveel [of] te weinig zijn
(Arjo Klamer, 'Handelen uit overtuiging', 2004)

Da's toch vreemd (ik struikel er wel vaker over), dat je twee woorden/woordgroepen niet op dezelfde wijze schrijft terwijl ze qua opbouw geheel overeenkomen (in dit geval: 'te' + onbepaald hoofdtelwoord) en qua betekenis ook (zij het dan zoals zwart en wit overeenkomen, namelijk als tegengestelden).

Zeker in de tweede zin is duidelijk dat bedoeld wordt dat er van iets te veel kan zijn of te weinig. Bij de formulering van de eerste zin zou de gedachte aan 'een teveel' kunnen hebben meegespeeld; maar dan zou daar, omdat 'of' hier een tegenstellend voegwoord is, toch tegenover moeten worden gesteld: 'een teweinig'?

Maar dat mag dan weer niet, want de Woordenlijst Nederlandse taal kent het woord 'teweinig' niet, maar wel wel 'teveel' (dat zegt misschien niet alles, want de dikke papieren Van Dale(2005) denkt er hetzelfde over, maar kent wel het zelfstandig naamwoord 'weinigte', en zelfs 'veelte', ook al zijn die verouderd; de digitale Woordenlijst wil daar helemaal niets van weten, en vraagt, een tikje neerbuigend, twee maal of ik misschien een ander woord zocht).

Och, dan moet 'een teweinig' zeker 'een tekort' zijn? Maar dan zou een andere Klamer iets kunnen zeggen als:

Aristoteliaans is dan in verband hiermee, om te denken in termen van tekort of telang. Iets kan te kort of te lang zijn
In het echte citaat gaat het over onder- of bovenmaatse hoeveelheid, in het nepcitaat om lengte; dat zou toch allemaal op dezelfde wijze geschreven moeten kunnen worden. Maar ik geef je op een briefje dat 'telang' niet in de Woordenlijst staat. Dat zal wel 'overschot' moeten zijn, denk ik. Maar dat weet de Woordenlijst niet, en ze vraagt of ik wellicht 'belang' bedoel. Nee dus. En ook niet 'bekort', trouwens, noch 'beweinig, noch 'beveel'.

Hoe een mens toch ooit deze taal verwerven kan. En dat terwijl ik iets aan het lezen was over narrative progression. Dat wordt een Echternach-progressie, als ik zo doorga.

zaterdag, januari 02, 2016

Helemaal autonoom en met eigen merites

Twee kranten proberen een zojuist overleden zangeres te waarderen. Omdat ze zo goed was, ondanks een wat zwaar en getekend leven; maar zingen dat ze kon! Geweldig. Gek genoeg ontkomen ze er allebei niet aan deze zangeres slechts te waarderen in het kader van het gegeven dat haar vader een zanger was. Ze blijft dus in deze kranten de dochter van een zanger wiens naam wèl in de kop van het In Memoriam wordt genoemd. Sneu.






zondag, december 27, 2015

Kwetutniet

Omgang met woorden, spelling: een sleepend zeer, een chronisch leiden.

En daar komt ook betekenisbesef bij kijken.

Zo heb ik er aardigheid in om 'mijn' studenten (dit is: studenten die het lot treft door ze in mijn werkgroep verzeild te laten geraken) erop te wijzen dat ze zich bezighouden met interessante, precaire concepten. Ze studeren immers Nederlandse taal en cultuur. Dan gaat het vaak om nuances en zelfreflexiviteit en het dienovereenkomstig trachten te vermijden van witte en/of mannelijke staar, bijvoorbeeld.
[CNTR ALT]
Zo heb ik er aardigheid in om 'mijn' studenten [...] er op te wijzen dat ze zich bezig houden met interessante, precaire concepten. Ze studeren immers Nederlandse taal en cultuur. Dan gaat het vaak om nuances en zelfreflexiviteit en het dien overeenkomstig trachten te vermijden van witte en/of mannelijke staar, bij voorbeeld.

Grote kans dat in het eerste van een reeks colleges er iemand zegt dat zij/hij vindt dat iets gewoon een geval van [...] is.
- Zo 'gewoon' is dat niet, lijkt me, anders spraken we er nu niet zo uitgebreid over, toch?
- Oh, nee, dat is natuurlijk zo, maar wat ik wilde...
- Nee, 'natuurlijk' is het ook niet, weinig in cultuur is natuurlijk, en in taal zo mogelijk nog minder, denk ik.

Ja, inderdaad, met dergelijke interrupties sla ik de discussie bij- en op een haar na dood, maar à la Dreverhaven deed met Katadreuffe, hoop ik, zoals ook graan dood moet gaan om nieuw gewas te genereren. Hoop ik althans.

Het kerst- en jaarwisselingsreces gebruik ik om te proberen een gigantische leesachterstand weg te werken (nee, het lukt niet). En daarbij bleef deze keer (ja, het lukte eerder ook al niet, waardoor het nu al weer moeilijker wordt) bleef ik deze keer dus met het lezend ogenpaar haken aan de zeker in hedendaagse romans mijns inziens verderfelijke want klakkeloos gebruikte bepaling "(de) een/ene of andere" + [zelfstandig naamwoord]. Het betreft hier nadrukkelijk een pre-wetenschappelijke, intuïtieve hypothese, meer een veronderstelling dus, of een vooronderstelling, noem het gut feeling.

Eerder struikelden mijn lezende doppen al over de zinledige interjectie "soort van".
In de Das Mag-roman van Lize Spit komt deze stoplap gelukkig slechts drie keer voor.
In Wortels Das Mag-boek maar één maal (inderdaad: ik ben dol op digi's), net als in Couperus' Van oude menschen (A-P&VG). Hulde!
In Nu ik van Pontzen (Querido) geen keer. Dubbele hulde. Dito voor Peeks Godin, held (Querido), De helleveeg van Van der Heijden (Bezige Bij) en De nieuwe elite van Ter Braak (Leopold's).
In de Nederlandse vertaling van 2666 van Bolaño (Lebowski) zes, maar da's dan ook een heel extreem dik boek, ook statistisch bezien.

Maar wat nu als ik "of andere" als zoekterm door die zelfde digitaal voorhanden romans jaag?

Hier zijn de resultaten:

5 Spit (waarvan 4 x "op de een of andere manier", 1 x "om de een of andere reden")
1 Wortel ("manier")
0 Couperus
2 Pontzen ("op de een of andere manier", "om een of andere Vlaamse grap")
0 Peek
7 Van der Heijden (5 x "op de een of andere" waarvan 3 x met "manier", verder met "misstap" en "orgeldraaier"; 2 x "een of andere" met "kliniek" resp. "toost")
0 Ter Braak
67 Bolaño (waarvan 21 x "de een of andere manier", 1 x "een of andere onverklaarbare manier", en de rest 10 x "de een of andere ranch, anekdote, principiële verklaring, farmaceutische industrie, winkel, trattoria, aanval, ziekte" en 2 x "reden", en de rest van de rest "een of andere [zelfstandig- naamwoord(groep)]".

Interessant bij de laatste (wellicht meer in het bijzonder de vertalers Aline Glastra van Loon en Arie van der Wal) is dat "de" wegvalt wanneer er een bijvoeglijk naamwoord vóór "manier" opduikt.

De schrijver van de roman, die ik nu aan het lezen ben, en op basis van welke leeservaring de bovengenoemde hypothese weer aan des bewustzijns oppervlakte drijven kwam, mag zich gelukkig prijzen dat ik geen e-versie van zijn boek heb, tenzij hij (want het is een hij) de contra-hypothese aanhangt dat mijn indruk van nul en generlei waarde is, totdat er een literair-stilistische datamijnwerker de nodige feitelijke evidentie onder geschoven heeft.

En dan nog: vooralsnog zie ik geen correlatie tussen het voorkomen van de stoplap en mijn oordeel over een roman; maar wellicht brengt een statistische correctie daar verandering in, dat wil zeggen een relatering van de frequentie aan de omvang van de tekst (maar dan nog blijf ik de roman die ik nu lees beter vinden dan veel andere romans die ik onlangs las) (maar ik heb de roman nog niet uit, dus ik weet het nog niet helemaal).

Maar wat me nu het meest verbaast: waarom schrijven 'we' steeds hardnekkig: "op de een of andere manier", en niet: "opdeëenofanderemanier" en "opeenofanderemanier", wat beter zou zijn, afgaande op de woordenlijstregels.

Een "woordgroep groeit" namelijk "aaneen door veelvuldig gebruik": "Woordcombinaties die vaak voorkomen in ons taalgebruik, krijgen gemakkelijker de status van samenstelling dan zeldzame combinaties." Voorbeelden: "een portie rodekool" vs. "een portie groene kool", en "Zij leert pianospelen" vs. "Zij leert marimba spelen".

En: bij "verzwakte betekenis" worden woorden aaneengeschreven: "Als de betekenis van een van de woorddelen is verzwakt of niet meer kan worden herkend in het geheel, dan wordt het woord vaak aaneengeschreven." Voorbeelden: "een hoog gebouw" vs. "een hogeschool" en "drank halen" vs. "ademhalen".

Houd mij ten goede: ik ben vaker tegen dan voor aaneenschrijvingen. Ik vind "allang" al lang een lelijk woord, net als "veelbelovend" en "hoopgevend". Als er verschil is, zoals tussen een "hoge school" en een "hogeschool", dan heeft een verschil in vorm zin, lijkt me. Maar "al lang" lijkt me duidelijker zelfs dan "allang". Je schrijft toch ook niet "vorigeweek"? Ik niet, in ieder geval.

Nog weer een andere vraag is, waarom we niet schrijven "op de ene of de andere manier". Dat we (wie, in vrede's naam?) dat niet doen, lijkt een reden te meer om ervan uit te gaan dat van deze woorden de betekenis verzwakt is. Wat weer een reden is om te denken dat ze een stoplap zijn. Wat weer de aanleiding was om erover te struikelen bij het lezen, zelfs als ze nietaaneengeschrevenzijn.

donderdag, december 24, 2015

Bel, Piet, Bloed en rozen

Bel graast, het is al vaker gezegd, ook de weiden af die wat verder van de bekende literair-historische snelweg liggen. De Indische letterkunde, de Nederlandstalige literatuur van, uit, met betrekking tot Congo, detectives, de damesroman, jeugdliteratuur, journalistiek proza, om maar wat te noemen. Daarmee wordt de traditioneel in literair-historische handboeken behandelde literatuur, die zij natuurlijk ook niet overslaat, in een wat ander licht gezet. Of misschien beter: dat licht wordt wat geconcretiseerd (vergeef me de zwakke beeldspraak), want bijvoorbeeld die damesromans werden altijd wel genoemd in andere handboeken, maar dan alleen maar omdat de Hepie en Hepie van het Modenisme er zo op hadden gescholden. Bel bespreekt die boeken en hun auteurs als onderdelen van de geschiedenis, niet als schietschijven voor venten. Ik noem dat winst.

Bij tijd en wijle zegt ze, niet alleen over die bijna of helemaal vergeten werken, dat een boek ook nu nog leesbaar is. Dat vind ik dan weer jammer eigenlijk, omdat een serieus handboek niet een babbeltje is aan de stamtafel van café DWDD, in mijn optiek. Bovendien weet ik niet of ik precies die boeken die Bel (nog) leesbaar vindt, eveneens leesbaar vind. En wat zegt het als ik al dan niet mèt haar van mening zou zijn dat de interviews van E. d'Oliveira "heel leesbaar en beeldend geschreven" zijn? En mag ik tegensputteren: 'Maar die van zijn kleinzoon zijn leesbaarder en beeldender geschreven"? En dan nog: ik zou die interviews echt niet meer lezen wegens leesbaarheid van hun geschreven-zijn, maar vanwege de erin opgeslagen informatie over de toenmalige literatuur en literaire smaak. Dit terzijde.

Waar ik naartoe wilde: wat schetst mijn vroolijke verbazing als ik in deze Belse baksteen zomaar een aparte paragraaf ingeruimd zie voor de dichter wiens werk - althans een klein stukje ervan - onderwerp was van mijn doctoraalscriptie? Geen idee, maar het is zo. Ik denk dat het voor het laatst was in het handboek dat ik eertijds als student moest bestuderen, herstel, althans nuancering: de handboeken literatuurgeschiedenis die de studenten Nederlandse taal- en letterkunde te Utrecht moesten bestuderen, ergens in het laatste kwart van de vorige eeuw. Want we moesten toen alle vier de delen tot ons nemen van het reeds in het eerste des betreffende hoorcollege tamelijk vakkundig neergesabelde Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde.

In deel IV (vijfde, geheel herziene, druk, Den Bosch 1976), handelend over de 'Moderne letterkunde derde tijdvak 1875-1916', meer in het bijzonder als onderdeel van de 'Derde generatie 1905-1916', noemt G.P.M. Knuvelder 'mijn' dichter op maar liefst 43 bladzijden, en vijftien daarvan beslaan die ene, alleen aan hem gewijde paragraaf. Dat aantal haalt hij bij Bel niet, maar toch heeft Querculus bij haar nog altijd 34 mentions, inclusief die eigen paragraaf van 4,33 pagina's. Dat is vet meer dan zijn generatiegenoot Gossaert krijgt (20); dat het veel minder is dan twee andere generatiegenoten krijgen, ligt wel in de rede, afgaande op hun klaarblijkelijk 'belang': A. Roland Holst en J.C. Bloem scoren 43 respectievelijk 51 pagina's met vermeldingen.

Wat zou mijn dichter daarvan gevonden hebben, deze 'zeloot van een pantheïst', die zelf - niet in z'n eentje overigens - een tijdschrift oprichtte dat hij Leiding noemde?

donderdag, december 17, 2015

Koepelblauw bij tussenpoos

Ik heb het gevonden, het lezersgeluk, al moest ik worden zevenenvijftig jaar. Na het lezen van We komen nog één wonder te kort, of in ieder geval een roman met een dergelijke titel, wist ik het: ik heb een voorkeur voor bepaalde soorten romans, en meer nog een afkeur van één (ander) soort romans. Ik heb dus wat in de betreffende wetenschap wel wordt genoemd: een literatuuropvatting; ik ben een lezer met - grotendeels onderhuidse, niet geëxpliciteerde, en al helemaal niet gesystematiseerde - ideeën over wat een goede roman zou moeten inhouden, bevatten of zijn.

Nu heb ik - nadat ik bij donkren wand stil peinzend poosde - helder gekregen, dat ik vaak binnens-, en soms ook buitensmonds zat te foeteren op bij uitstek één soort romans, namelijk die met een hoog Bittere kruid-gehalte: romans waarin een normaal-functionele, volwassen, welopgevoede en -leide, niet door al te ernstige gebreken gehinderde schrijver (m/v) moedwillig van zijn gaven, talenten en verworvenheden afstand neemt, en als het ware in de huid kruipt van een kind (m/v), veelal omtrent de tien jaren oud, want dat heeft als voordeel dat het heldje of vertellertje nog fris, onbedorven, naïef, onschuldig en betrekkelijk wereldvreemd is, en nog veel kan en moet leren, en lekker spontaan is en creatief op associatieve in plaats van rationele of vakbekwame wijze, seksueel in godsnaam nog niet ontloken is, maar wel op des ontwakens drempel staat, en onbelast is met wereldse zaken als inkomen, hypotheek- en andere schulden, verslavingen, zorg(en) voor (en om) kinderen of ouders, de hoogte van de wereld-olieprijs, en ga zo maar door. Romans dus, waardoor de lezer gesust wordt, want die kan zich ten opzichte van het kletsende kind ouder, wijzer en droever voelen en doorziet met gemak wat voor het heldje nog met raadselen omweven is.

Met de referentie aan Het bittere kruid zat ik ernaast, zo ontdekte ik recent na veel spannend worstlen en ijdel gebaar. Dat is namelijk het soort boeken waar je eigenlijk niets tegen mag zeggen omdat het behoort tot het bijzonder overschatte sub-soort van de autobiografische levensnavertelsels. Schaduwkind, Tonio, dat werk (en ook veel lamlendig coming of age-spul van auteurs die zo jong zijn dat ze nog niks na te vertellen hebben). Het lijkt me onfatsoenlijk daar iets negatiefs, althans afkeurends, althans niet-waarderends van te zeggen, want voor je het weet kwets je de mens achter de auteur.

Hoewel ik ook van dat bitter gekruide werk niet houd, gaat het me meer om een ander soort literatuur. Het zijn de romans waarin de auteur flink zijn best doet om zich maar eens een voorstelling te maken van hoe het er nou toch aan toe zou gaan in het blonde koppetje van een kind dat dit of dat aan ergs is overkomen. Hoe zou het toch zijn als zo'n ventje op een eiland woont met alleen zijn moeder en nog één andere eilandbewoner omdat zijn vader in zee gedonderd en verdronken is, toen het eens stormde, bijvoorbeeld, want dat kan gebeuren, zo'n storm, zeker op en rond een eiland in de zee. Of wat voor gedachtetjes en filosofietjes, ja vooral filosofietjes zou een meiske hebben als haar moeder overlijdt en de geliefde van haar zus, terwijl haar zus, broer en vader, net als zij zelf, daar door gebrek aan ervaring en begeleiding niet specifiek goed mee om weten te gaan maar er anderzijds ook weer niet heel diep aan onderdoor gaan. Dat soort gedachtenexperimentjes, waar soms wel een verhaaldraadje doorheen geweven is, maar niet noodzakelijk, want alleen al het gepieker en gepraat en monologueïntérieurgebabbel is voor de schrijver stof genoeg; het hoeft nergens toe te leiden maar het papier raakt er vol van.

Voordeel van zo'n tragisch mini-existentialistje is voor de auteur dat die niet diep in de buidel van de stijlvaardigheden hoeft te tasten: het taalvermogen van de hoofdpersoontje annex focalisatortje annex vertellertje is evenmin ontwikkeld als diens denk- en observatie- en abstractievermogen. Als stilistisch model volstaat de diarreeërige monoloog van een Brigitte Kaandorp-kloon in de recovery room van een veldhospitaal in Transsylvanië dat onder vuur ligt van slecht geïnformeerde geallieerde bevrijders. Amechtig korte, maar eindeloos veel zinnen. Veel rechte schikking. Veel woordherhaling. Uitermate weinig onderschikking. Veel spreektaal. Interjecties zijn van harte welkom. Of je in de rij voor de kassa van de super staat, zaterdagochtend, vlak voor de kerst, iedereen om je heen het karretje tot de boord toe vol, de caissière druk doende verdwaasde bejaarden naar de vrijwillige zorgverlener te begeleiden terwijl het kassabonpapier op is.

Een variant van deze romanvorm die enige ruimte biedt voor verder reikende creativiteit, is die van de vie romancée, bijvoorbeeld van een buitenlands dichterspaar, en ook de roman waarin een psychiatrische delinquent of zijn ex-echtgenote mentaal op de voet word gevolgd, biedt ruimte tot lichte variatie. Een hond erbij, doet ook wonderen.

woensdag, december 16, 2015

Bel, belang, bloed en rozen

In de paragraaf over 'Poëzie en socialisme' schrijft Bel: "In Nederland [...] werden verschillende dichters [...] lid van de [...] SDAP [...]. Naast Herman Gorter en Henriette Roland Holst, de belangrijkste onder hen, waren er nog andere socialistische dichters, zoals C.S. Adama van Scheltema, die een groot lezerspubliek had, en de wat minder bekende Samuel Bonn en A. van Collem." (234)

Vervolgens haalt ze Carel Scharten (De gids, 1907) citerend en parafraserend aan, die Gorter en Roland Holst "grote dichters" vond, en Adama van Scheltema wat "zwakker" van stem maar wel een "lichte, gemakkelijk-áánsprekende bariton", Van Collem een "aanstellerige epigoon van de Tachtigers", en Bonn met zijn "futtige ongeliktheid" wel plezierig. (234-235)

Wat gebeurt hier nu precies op het gebied van evaluatie? Die Scharten was een contemporaine criticus, en Bel is een 21ste-eeuwse literatuurhistorica; hun oordelen lijken overeen te stemmen. Maar van de laatste zou ik toch meer argumentatie willen horen: op grond van welke overwegingen noemt ze Herman en Henriette de belangrijkste socialistische dichters en Adama van Scheltema (alleen maar) eentje met een groot lezerspubliek?

Het doel van de socialistische dichters was - denk ik - het verheffen van het arbeidersvolk. En in dat opzicht lijkt me Adama van Scheltema, met zijn grote publicitaire reikwijdte ('s mans werk is nog steeds met geen mogelijkheid te omzeilen in antiquariaten) wel een tikkie belangrijker dan Gorter en Holst.

Maar Gorter krijgt aansluitend nog een hele eigen paragraaf van vier pagina's toegemeten in deze literatuurgeschiedenis: 'Gorter en De school der poëzie' (235-238). Daardoor lijkt hij als nóg 'belangrijker' te worden beoordeeld dan al die anderen (Scharten beschrijft hem en Holst echter ook als "koorzangers van een nieuw geloof, maar uitklaterend [sic] een verouderde kaste-taal").

Anders gezegd: de polyperspectiviteit van Bel lijkt me hier kieskeurig en niet neutraal-beschrijvend (en ik weet ook wel dat neutraal niet mogelijk is, maar toch...) Daar pieker ik dan over op woensdagochtend.

woensdag, december 09, 2015

Bel, brows, bloed en rozen

Kijk, je moet even wachten, maar dan krijg je toch wat. Op pagina 130 begint de paragraaf 'Oude en nieuwe vormen van idealisme: van damesroman tot detective'. Daarin beschrijft Bel - en ik weet niet zo gauw een ouder handboek voor literatuurgeschiedenis te verzinnen dat zulks deed, laat staan zo uitvoerig - al die wat lower browed [vergeef me mijn Engels] literatuur die in die andere handboeken misschien wel even aangestipt, maar vaker alleen maar genoemd en liever nog overgeslagen wordt, maar die wel de hoofdstroom van de belangstelling van de gemiddelde lezer uitmaakte: de zogenaamde damesromans en de detectives, min of meer sussende massalectuur, het afzetpunt voor de meer verontrustende, hogere literatuur.

En ook de literatuur voor de jeugd krijgt er - gerelateerd aan de invoering van de leerplicht - zijn plekje, tot en met een van de eerste series die ik zelf vrijwel integraal las, zonder overigens in de gaten te hebben gehad dat het literatuur zou hebben kunnen wezen: de avonturen van Pietje Bell. Wat erger is: ik had, lezende in de jaren zes- en zeventig, geen idee dat Pietjes avonturen uit 1914 stamden. Je zou er bijna toe overgaan die boekjes te herlezen (maar jaren geleden heb ik, omdat mijn zoon er toen aan begon, weer eens een exemplaartje van de Bob Evers-reeks ter hand genomen, en dat is me toen niet goed bekomen; ik houd dus maar liever de vage maar goede herinnering aan meneer Bell in stand).

Een en ander zet de boel lekker in perspectief.

maandag, december 07, 2015

Bel, bloed, poen en rozen

Het nieuwe deel van de nieuwe geschiedenis van de Nederlandse literatuur, Bloed en rozen van Jacqueline Bel, zet aan het denken. En dat zeg ik al nadat ik amper één tiende van de tekst gelezen heb (of eigenlijk minder: de hoofdtekst begint op pagina 21 en loopt door tot 989 en ik ben pas op 112). Bel betoogt dat haar bijdrage aan de grote literatuurgeschiedenis van de Taalunie lijkt op Nederlandse literatuur, een geschiedenis, het handboek dat in 1993 verscheen onder hoofdredactie van M.A. Schenkeveld-van der Dussen, omdat haar Bloed en rozen eveneens polyperspectivisch is, maar dan met dit verschil dat '[het] uitgangspunt [...] dit keer gegoten [is] in de vorm van een lopend verhaal dat vanuit verschillende perspectieven wordt verteld'. (25) De grote lijn in het verhaal moet je soms echter zelf zien te vinden.

Onder de kop 'De auteurs: broodschrijverij en mecenaat' schrijft ze: 'Aan het eind van de negentiende eeuw hadden veel kunstenaars zich afgekeerd van de samenleving.' (78) En: 'In de negentiende eeuw waren dichters en schrijvers vaak graankoopman, leraar, dominee of priester geweest [...]. Maar Kloos, Van Deyssel en Boutens konden een vaste werkkring niet combineren met hun kunstenaarschap. De Tachtigers kozen welbewust voor onmaatschappelijkheid.' (78) Daarmee lijkt Boutens een Tachtiger te zijn geworden. Overigens lees ik op Wikipedia: 'In 1894 aanvaardde hij [=Boutens] de betrekking van leraar klassieke talen aan de jongenskostschool 'Noorthey' te Voorschoten,' en dat hij dat tien jaar volhield.

Maar daarna wordt het nog wat vreemder: Kloos ging 'af en toe "in de kost" bij Frederik van Eeden [...]. Lodewijk van Deyssel kampte altijd met geldgebrek. Aanvankelijk logeerde hij vaak bij het echtpaar Verwey in Noordwijk en ook Van Eeden stopte hem regelmatig geld toe.' (78) Daar zou een noviet in de letteren uit af kunnen leiden dat Verwey en Van Eeden geen Tachtigers waren, net zo min als Gorter, die immers leraar was. (80) Verwey heeft zijn jonge jaren een betrekking gehad bij "de firma Schrikker en Peereboom, commissionairs in effecten, Kerkstraat 211" te Amsterdam. (Maurits Uyldert, De jeugd van een dichter. 1948: 75)

Vervolgens staat er te lezen dat 'Arnold Aletrino [...] arts [was] en Frederik van Eeden psychiater. J.C. Bloem en P.N van Eyck waren juristen.' (80) Nou ja, Bloem en Van Eyck hebben inderdaad rechten gestudeerd en promoveerden ook in dat vakgebied (op stellingen), daarom zou je ze, ik zou haast zeggen: de jure jurist kunnen noemen, maar Van Eyck, bijvoorbeeld, schraapte zijn dagelijkse poen aanvankelijk bijeen als correspondent van de NRC te Rome, en in 1918 'kreeg hij een ambtelijke functie op het Ministerie van Landbouw. Tussen 1920 en 1935 werkte hij voor de NRC als correspondent in Londen' (viva Wikipedia); in 1935 kwam hij, zoals Bel dat beschrijft, 'terecht aan de universiteit' (80), maar bepaald niet als jurist.

Al met al kan je je afvragen - en dat bedoelde ik met mijn eerste zin - hoe dat beeld van die Tachtigers als bohémiens eigenlijk is ontstaan en in hoeverre en voor wie het überhaupt geldt, en welke schrijvers er in voorgaande eeuwen allemaal graanhandelaar waren, naast Cornelis Paradijs.

In de volgende paragraaf, onder de noemer 'Netwerken, huwelijken en petite histoire', noteert Bel: 'Via tijdschriftredacties ontstonden belangrijke netwerken, maar veel schrijvers en kunstenaars werden door "gewone" vriendschap, huwelijk of familieband bij elkaar gebracht." De tweede alinea begint zo: "Nieuwe familiebanden ontstonden ook door huwelijken." (80) En dan wordt onder anderen Albert Verwey opgevoerd die, net als Frederik van Eeden en Willem Witsen, trouwde met "een dochter van de beroemde liberale en welgestelde geleerde Johannes van Vloten." Vreemd genoeg wordt alleen van Verwey gezegd dat hij "daardoor een zorgeloos leven [kon] leiden, zonder kostwinner te hoeven zijn." Me dunkt dat deze constatering beter past in de vorige paragraaf, maar dan moet je wel weer de vraag stellen of Verwey zich daadwerkelijk had afgekeerd van de maatschappij.

Direct volgend op de juist geciteerde opmerking over de zorgeloze Appie, staat er: "Bekend was ook de schrijversfamilie Alberdingk Thijm, met als beroemdste representant Lodewijk van Deyssel. Vader Alberdingk Thijm was voorvechter van de katholieke emancipatie, voorstander van samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland, en oprichter van het Vlaamse [sic] tijdschrift Dietsche Warande." (80) In de context van de ontwikkelingen aangaande de broodschrijverij en het mecenaat is het interessant om de positie van vader en zoon Thijm wat sterker en contrasterend uit de doeken te doen; papa is te omschrijven als een 'katholieke koopman en homme des lettres", zoals Ruiter en Smulders dat doen in hun Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 (1996: 32) terwijl zoonlief zich inderdaad voluit meende toe te moeten leggen op alleen die tweede karakteristiek: "Voor Van Deyssel/Thijm, beroepsschrijver maar geen rentenier à la Flaubert, was het nauwelijks mogelijk aan de kost te komen", noteert Larens Ham in Door Prometheus geboeid (2015: 149).

Ik ga die biografieën en dergelijke toch eens met hernieuwde aandacht herlezen.