Posts tonen met het label Woordkeuze. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Woordkeuze. Alle posts tonen

maandag, januari 20, 2025

Dat kan toch best anders...

Op de een of andere manier had hij geen honger en voelde hij zich niet moe meer.

Toen ik deze zin las, op pagina 201 van Marcel Mörings roman Mordechai (Prometheus, Amsterdam 2025), was de boot aan.

Wat vooraf ging
De eerste zin van deze 506 bladzijden dikke roman had me meteen het verhaal in gesleurd:

Toen Mordechai Gompertz zijn interviewer buiten westen sloeg was hij tweeënzeventig jaar oud en bevond hij zich op het toppunt van zijn roem.

Ook de tweede, die veel langer is, mag er zijn, al was het maar vanwege de tussenzin over de veronderstelling dat Mordechai de Nobelprijs ‘waarschijnlijk allang [zou] hebben gekregen als hij niet zoveel over joden en zo weinig over politiek had geschreven’. Ja, Möring-ironie! Meer! Ga door!

Wel jammer (maar dit terzijde, en onder voorbehoud, want het is een heikel puntje, geloof ik), wel jammer van de spatie, de spatie die ontbreekt tussen ‘zo’ en ‘veel’. 

Mordechai bleek, terwijl ik nog niet eens op de helft was, dè nieuwe Nederlandse roman te zijn waar ik al een tijd op zat te wachten, zeg maar ongeveer sinds Nirwana (2023) van Tommy Wieringa, een stevige, veel omvattende vertelling met grote vaart en stevige Schwung, potige zinnen, een brede blik en een grote thematische greep, tot ver buiten de pluizige grens reikend van het naveltje van (het narratologische alter ego van) een auteur. Het was al een tijd geleden dat ik een Möring had gelezen en ik had erg veel zin in deze nieuwe; en gelukkig voldoet hij geheel aan mijn verwachtingen.

Maar toen
Bijna geheel, moet dat zijn. Voorop staat dat ik, al lezende, grote moeite heb gehad het boek weg te leggen voor een rondje met de hond, een maaltijd, wat broodnodige slaap of zelfs aandacht voor de allerliefste. Maar toch was er al vroeg iets wat in het hoekje van mijn lezende oog stak.

Möring, dat blijft voorop staan, schrijft meeslepend, gevarieerd, kleurrijk, niet slap, niet flauw, niet plat, niet simplistisch-realistisch, gelukkig wel zonder futiele jargon-nabootsingen en focalisatie-constructies van twaalf- tot zeventienjarigen en andere millennialeske romanflauwekul. Eén spatie te weinig, dat moet kunnen, die zien we door de vingers, evenzo de klassieke verwarring van ‘niet het minst’ en ‘niet in het minst’ (175). Overigens staat op pagina 224 van Mordechai wel de juiste formulering.

Dit
Maar wat echt niet kan, vind ik, is het gratuit strooien met de quasi-nuancerende, maar in wezen morsdode, oeroude stoplap ‘op een of andere manier’. Als je niet weet hoe iets precies gebeurt of in elkaar steekt, zeg er dan niets over of probeer die onzekerheid, dat zoeken en tasten, nauwkeurig te formuleren; daar ben je, dacht ik, schrijver voor. Een stoplap helpt je beschrijving echt geen millimeter vooruit. Allez, niemand ontkomt eraan dat er af en toe een (spreektalige) stoplap in hun geschreven tekst sluipt, maar frequent en bij voortduring dezelfde stoplap in je tapijt weven getuigt op z’n minst van redactionele, maar ook van schrijverlijke luiheid (goed opgelet: de beeldspraak met de ingeweven stoplap klopt niet).

Möring verbruikt in Mordechai heel wat schrijfgaren aan deze stoplap. Een voorbeeld (het enige dat ik ben tegengekomen met de extra nuance ‘vreemde’ erin):

Hij kon ook Rivka zien, die op de bank in de kamer muisstil zat te wezen en op de een of andere vreemde manier leek het alsof hij hoorde wat zij dacht. (54)

Wat verandert er aan deze beschrijving, wanneer we haar in de volgende vorm aan het papier of scherm  toevertrouwen?

Hij kon ook Rivka zien, die op de bank in de kamer muisstil zat te wezen en het leek alsof hij hoorde wat zij dacht.

Mijn antwoord: niets, helemaal niets, geen ruk, geen hol, geen nuance, geen spanning, geen twijfel, geen moer, helemaal niets.

Dit was niet de eerste verschijning van deze uitgekauwde betekenisloze stoplap uit de categorie ‘op (de) een of andere manier’ in deze roman. Ik was hem in de voorgaande vijftig bladzijden, denk ik, al zeven of tien keer (te veel) tegengekomen; ik heb die niet genotuleerd; maar vanaf dat moment was mijn maat vol en ben ik wel gaan boekhouden, tegen mijn zin want de roman is echt heel goed, maar ik geloofde op de een of andere manier mijn eigen ogen eigenlijk best wel niet. Een bladzij verder was het weer raak:

Op de een of andere manier was het nooit goed. Alles was te veel of te weinig, te veel controle door de overheid of niet genoeg, te veel aandacht voor minderheden of te weinig, te veel informatie of juist niet, te veel vrijheid of niet genoeg. (55)

Dat kan ook anders, en niet minder goed maar beter:

Het was nooit goed. Alles was te veel of te weinig, te veel controle door de overheid of niet genoeg, te veel aandacht voor minderheden of te weinig, te veel informatie of juist niet, te veel vrijheid of niet genoeg.

Nog geen twintig pagina’s verder, weer raak, nu in een zin die tevens een alinea is:

Op de een of andere manier putte Mordechai daar weinig troost uit. (71)

Doet de volgende formulering het niet net zo goed?

Mordechai putte daar weinig troost uit.

Desnoods:

Mordechai kon daar maar weinig troost uit putten. 

En als het echt nodig is, al snap ik de reden niet, kan dit ter variatie:

Mordechai kon daar hoe dan ook maar weinig troost uit putten. 

Dan duurt het even, maar na bijna vijftig bladzijden is er weer een, eveneens in een alinealange zin:

Op de een of andere manier moest Mordechai aan zijn grootvader denken en daarna aan de allereerste Gompertz, die van het zoekgeraakte of, waarschijnlijker, niet-bestaande boek. (119) 

Dat kan best anders:

Mordechai moest aan zijn grootvader denken en daarna aan de allereerste Gompertz, die van het zoekgeraakte of, waarschijnlijker, niet-bestaande boek. (119) 

Of, om er een kleurtje aan te geven:

Onwillekeurig moest Mordechai aan zijn grootvader denken en daarna aan de allereerste Gompertz, die van het zoekgeraakte of, waarschijnlijker, niet-bestaande boek. 

Verderop:

Het was een innerlijk conflict dat hem nooit had verlaten en nu was dat op de een of andere manier actueel geworden, zonder dat hij goed kon definiëren waarom. (155)

Dat kan met gemak ruimschoots beter, want het ‘op een of andere manier’ wordt ook al weergegeven door ‘zonder dat hij goed kon definiëren waarom’:

Het was een innerlijk conflict dat hem nooit had verlaten en nu was dat actueel geworden, zonder dat hij goed kon definiëren waarom.

Nog geen twintig kantjes verder:

Van Flo was niets te verwachten en hij kon zich op de een of andere manier niet onttrekken aan... Wat? (169)

Dat kan beter:

Van Flo was niets te verwachten en hij kon zich niet onttrekken aan... Wat?

Meteen aan de ommezijde:

Op de een of andere manier had hij een geweldige bende verwacht, kleren op de vloer, een aanrecht met een vieze vaat van een week of meer, dode planten, een lege koelkast en overal flessen en volle asbakken. (170-171)

Zie toch hoe slinks in deze beschrijving wordt aangegeven dat de flessen hoogstwaarschijnlijk leeg zullen zijn door de eraan voorafgaande lege koelkast en de clichématige combinatie met de expliciet volle asbakken erna. Maar de formulering van de verwachting kan beter:

Hij had een geweldige bende verwacht, kleren op de vloer, een aanrecht met een vieze vaat van een week of meer, dode planten, een lege koelkast en overal flessen en volle asbakken.

  Zes bladen verder:

Het was een korte ontmoeting geweest, maar een die Mordechai had aangemoedigd om Berlins essay ‘Two Concepts of Liberty’ te lezen en dat had op de een of andere manier bijgedragen tot zijn boek. (176)

 Ik val, niet voor mijn plezier, in herhaling: dit kan beter:

Het was een korte ontmoeting geweest, maar een die Mordechai had aangemoedigd om Berlins essay ‘Two Concepts of Liberty’ te lezen en dat had bijgedragen tot zijn boek.

 Twee zijden later:

De jaren zestig en de echo daarvan, de jaren zeventig, waren eindelijk voorbij en nu leek een tijdperk te beginnen waarin jonge mensen werkelijk anders waren en hoewel hij zelf niet meer tot die groep behoorde was hij op de een of andere manier vervuld van een ongekend soort optimisme.

Proef het verschil – of, als je het mij vraagt, het ontbreken ervan – tussen deze twee versies van dezelfde mededeling, waarvan de laatste is ontstaan door een minimale redactionele ingreep, namelijk het wissen van zes woorden:

De jaren zestig en de echo daarvan, de jaren zeventig, waren eindelijk voorbij en nu leek een tijdperk te beginnen waarin jonge mensen werkelijk anders waren en hoewel hij zelf niet meer tot die groep behoorde was hij vervuld van een ongekend soort optimisme.

Stijl wordt onder andere gemarkeerd door woordkeus. Mijn stelling is dat het verschil tussen de twee formuleringen in de bovenstaande paren steeds bestaat uit slechts zes dezelfde woorden, dat het verschil in stijl, in zeggingskracht en in inhoud van de twee formuleringen steeds volkomen nihil is, dat de betreffende zes woorden inhoudsloos zijn en dat ze daarom zonder afbreuk te doen aan de kern van de stijl van Möring met een gerust hart uit de tweede druk van de roman weggelaten kunnen worden.

Mocht dat laatste werkelijkheid worden (of bij een latere druk, kan ook, als het boek snel en goed verkoopt), dan ben ik gaarne bereid die herziene versie aan te schaffen en mijn exemplaar van de eerste druk (hardcover met stofomslag) cadeau te doen aan iemand met een smalle beurs en die niet struikelt over repetitieve klein- of onbenulligheden.

Nog geen twintig bladzijden verder duikt de formule, aan het eind van een zin die zestien regels beslaat, weer op; ik citeer hem in de kleinste context; ik laat het aan de lezer om het citaat zónder de zes vermaledijde woorden te lezen:

dat hij [...] de pornograaf was van zijn familiegeschiedenis en dat hij dat op de een of andere manier, diep van binnen, eigenlijk altijd had geweten. (192)

Voor alle duidelijkheid: dat ‘diep van binnen’ geeft al aan dat het niet gaat om evidente kennis, en ook dat ‘eigenlijk’ suggereert iets in die richting.

Omdat variatie verfrissend kan zijn, citeer ik hierna wel de zinnen die in het boek verontreinigd zijn met de stoplap, maar ik laat die stoplap achterwege, en waar nodig (ten gevolge van de emendatie) heb ik, eveneens stilzwijgend, de woordvolgorde veranderd. In enkele gevallen citeer ik voor een goed begrip ook de zin die voorafgaat aan of volgt op de zin met de gewraakte woordklont.

201 - Hij had geen honger en hij voelde zich niet moe meer.

214 - Hij had dit zelf tot stand gebracht maar het leek ineens onwerkelijk en hij kon zich zelfs al niet eens meer goed herinneren hoe hij dat had gedaan.

215 - Klara en Ephraim, ze waren beiden aanleiding voor het gesleep met het familiearchief.

256 - Mordechai was nog geen Australiër tegengekomen die zich niet verbonden voelde met het land waar zijn voorouders vandaan kwamen.

262 - De logica zei dat de moderne dynamiek van relaties betekende dat twee op de drie paren op den duur uit elkaar gingen, maar hij had gedacht dat zij aan die statistiek zouden ontkomen.

281 - Hij schrok van die gelijkenis.

286-287 - Hij had nooit nagedacht over haar voorgeschiedenis.

315 - Ze was van middelbare leeftijd, een kop kleiner dan Ephraim, haar zwarte haar was met een lint bijeengebonden in een vlecht en je kon niet zeggen of ze slank of mollig was.

337 - Hij had zijn wenkbrauwen opgetrokken. In het donker van de slaapkamer kon ze dat niet zien, maar ze wist dat toch.

341 - Ze verstonden elkanders taal niet, maar dat was geen beletsel. Ze spraken met elkaar en Ephraim begreep dat de schipper zijn god dankte dat hij meestal op zee was en daardoor weinig meekreeg van oorlogen, opstanden conflicten en vetes. ‘De zee,’ zo begreep Ephraim zijn mengeling van woorden en gebaren, ‘is een goede moeder.’

345 - De gebeurtenissen op de kermis hadden hem doen terugdenken aan de jaren die achter hem lagen.

364 - Hij herinnerde zich zijn moeder, Jetta van Vlies, als een lieve vrouw toen hij een kind was, dat was veranderd toen hij opgroeide. Hij wist niet waarom.

365 - Dat ze thuis Jamaica-rumbonen snoepte was niet in tegenspraak met haar periodieke vroomheid.

373 - De verkoop van de winkel en het boek zouden bijna genoeg opleveren voor een huis. Hij moest meer geld verdienen. 

392 - Haar rectie stelt hem teleur. Alsof het er niet toe doet dat hij weggaat.

409 - De scènes vloeien in elkaar over en het was alsof hij door Carls ogen naar de werveling van beelden staarde, alsof hij hem werd en met hem opzag naar een groot onzegbaar iets wat er moest zijn, maar nergens zichtbaar was.

410 - ‘Hij was natuurlijk zo gek als een deur,’ zei de opzichter toen hij en Mordechai waren gaan kijken. ‘Maar ik voel me een lul als ik denk aan wat hij heeft gedaan.’

432 - Zijn resolute optreden had tot gevolg dat het hele groepje volgde.

436 - Ze had in de rij gestaan toen hij in een Groningse boekhandel signeerde, een vrouw van Ruths leeftijd, midden vijftig, gehuld in bontgekleurde lappen stof die bij elkaar waren gekomen in de vorm van kleding.

446 - Zelfs toen het bonzen zich verplaatste naar de ramen werd zijn rust er niet door verstoord.

450 - Hij  vertelde over zijn ontmoeting met mevrouw Wolf en, toen dat naar zijn zin niet genoeg verklaarde, over Ruth en dat zijn grootmoeder veel meer moeder was geweest. Het was ook nodig om over Ephraim en Maurice te vertellen om duidelijk te maken dat Ruth en Rebekkah alles alleen hadden gedaan en voor hij het wist zei hij dat het allemaal begonnen was met de allereerste Gopertz: [...].

459 - Dat jonge mensen ondanks een leven voor zich vroeg konden sterven en ouderen met een lage levensverwachting nog flink ouder konden worden maakte geen deel uit van de rekensom.

465 - Het minst van alles begreep hij het chauvinisme van mensen die het bijzonder vonden dat ze in Amsterdam, New York of Beijing woonden, dat ze zich identificeerden met een stad, een land.

483 - Hij schudt zijn hoofd. Het is zelfs een geruststellende gedachte dat Judith daar woont.

486 - Ze waren ongeveer even oud, maar hij was haar blijven zien als de vrouw die hem ooit in haar schuur had laten slapen. In de tussenliggende jaren [...] waren er kraaienpootjes rond haar ogen verschenen, haar haar was grijs geworden, op de rug van haar handen schemerden levervlekken.

488 - Hij had dat... vertrouwd... gevonden.

490-491 - Mordechai herkende in haar gezicht de trekken van Rebekkah en dat verontrustte hem. 

502 - Hij kon er niet aan ontkomen om het verhaal van Lichtenstein te vertellen.

 

P.S. 

Hors concours, want het lijkt me meer een ondeugdelijke formulering dan alleen maar een stoplap: 401 - Waarom had iemand hem hier opgehangen? Vanwege het een of ander oude bijgeloof?’ Dat moet toch zijn: Vanwege een oud bijgeloof?’?

 

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

  

Post P.S.

Een dikke tien jaar geleden las ik Mörings Louteringsberg. Tot mijn verbazing zag ik net (21-02-2025) dat ik toen over een of andere stoplap struikelde.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde. 

donderdag, augustus 08, 2024

Kummer aller Art

Fragmentje uit een scène in een Duitse post voor spoedeisende hulp: 

‘Was habe ich denn?’, fragt Onkel Ulrich [Schwester] Gertrud, und man sieht ihm an, dass er sich fürchtet. ‘Das weiß ich nicht, ich hab ja nicht Medizin studiert’, sagt Gertrud, ‘aber Ihre Angst auch nicht.’

Alleen al om deze scène zou men Mariana Leky het Kruis van Literaire Verdiensten moeten opspelden. Het citaat is te vinden in haar bundel columns Kummer aller Art (DuMont Buchverlag, Köln 2022). 

Ook de aanprijzing van het boek in het boek zelf is stilistisch de moeite waard, (hoe vaak worden die tekstjes door de auteur zelf geschreven) en – voor zover ik dat kan beoordelen terwijl ik nog maar een aselecte steekproef van 22,4 % van de bundel heb gelezen – volledig waarheidsgetrouw:

Klug, humorvoll und mit großem Sinn für Feinheiten und Absurditäten porträtiert Mariana Leky Lebenslagen von Menschen, denen es nicht an Zutraulichkeit mangelt, wohl aber am Mut zur Erkennntnis, dass man dem Leben nicht dauerhaft ausweichen kann.

Bij nader inzien dacht ik even dat het eerste citaat, waar het me hier om gaat, dat uit de scène in de SEH, misschien vooral zo goed is door de inhoud van de mededeling, namelijk dat je angst vaak niet gebaseerd is op kennis en dus grote kans loopt niet gegrond te zijn op een stevige laag van feiten, en dat je er in een angstige situatie beter aan doet, af te wachten hoe zich de boel gaat ontwikkelen dan onmiddellijk te panikeren.

Daarna bedacht ik dat die inhoud al welbekend is, niet in de laatste plaats door het culturele cliché ‘De mens lijdt nog het meest / door het lijden dat hij (m/v/x) vreest’.

In derde instantie echter zag ik dat dit afgereden Nederlandse cliché in stilistisch opzicht weinig meer is dan slappe thee, goed voor op een spreekwoordelijk tegeltje, en dan de prullenbak in met die dooddoener.

De formulering die Leky voor deze (kennelijk grensoverschrijdende) volkswijsheid kiest, is op het eerste gezicht misschien ook niet al te fraai, vooral door dat driewerf ‘nicht’. Daar staat tegenover dat die drie ontkenningen keurig zijn verdeeld over drie korte deelzinnen.

Daarvan lijken me de eerste twee geheel spreektalig; het ontbreekt hun aan een vakkundige boetsering. De eerste is een heel alledaagse flutzin; de tweede geeft een verklaring bij die mededeling met behulp van een luchtig ertussen geworpen ‘ja’ in plaats van een wat meer formeel ‘denn’, ‘nämlich’ of ‘schließlich’.

Dan de derde deelzin van Schwester Gertrud. Die is de klap op de vuurpijl, liever gezegd: een genadeloos en staccato mitrailleursalvo van vier knalharde trocheïse stampvoeten met een schokkend groot gat erin en met een grafische hoofdrol voor de a/A: ‘aber Ihre Angst auch nicht.’

Daar komt natuurlijk bij dat deze deelzinnen onderdeel zijn van een korte dialoog, die een onderdeel is van een kleine scène, waarin door dat slotakkoord opeens een derde, tot dan abstract gebleven personage, wordt geconcretiseerd, zodat het ook geobjectiveerd wordt, waardoor het hanteerbaar kan worden.

Dat laatste hoop ik in ieder geval voor Onkel Ulrich.

P.S.
Alles is relatief. Nu ik, vier dagen later, het boek uit heb, moet ik er toch bij aantekenen dat de erin verzamelde ‘literarische Kolumnen’ door de bank genomen een tikkeltje saai, of vervelend of monotoon ben gaan vinden. Misschien moet een mens columns ook helemaal niet bundelen en heruitgeven. Eens per maand een enkele column in Psychologie Heute was wellicht een betere dosering. Of, hand in eigen boezem, ik moet leren prozabundelingen niet te binge-lezen.

De stukjes van Leky blijken namelijk weinig meer te zijn dan verslagjes van weinig verheffende, alledaagse voorvalletjes van haarzelf en/of huisgenoten, kleinburgerlijke evenementjes met een licht-tragisch of semi-dramatisch, veelal weemoedig aspect, opgediend op een bedje van licht-hyperbolische en even zachtzinnig-ironische formuleringen, met hier en daar een toefje voorzichtig absurdisme. Het hangt allemaal zo ongeveer een beetje als het ware tussen Godfried Bomans en Simon Carmiggelt, voor zover ik me nog iets kan herinneren van hun midden in de vorige eeuw geteleviseerde, steeds nèt niet laatdunkende, doorgaans goedgemutste en altijd oubollige beschrijvingen van lotgevalletjes van Nederlandse soortgenoten, met kleine tussenpozen voorzien van een vleugje zelfspot, aan de waarheid waarvan de kijker allengs ging twijfelen.

maandag, januari 18, 2021

Zondagnamiddagwandeling

Een van de wat vreemdere woorden die Achterberg gebruikt in zijn bundel Spel van de wilde jacht (1957) is wat mij betreft 'zondagnamiddagwandeling'. Het staat in de eerste zin, de eerste regel regel van het eerste gedicht, de proloog 'Beau lieu':

'Bij een zondagnamiddagwandeling / liep ik de herenhuizen in te kijken'.

Heel erg vreemd is het woord nou ook weer niet, maar ik herinner me uit mijn werkzaamheden voor mijn proefschrift, dat meer dan een recensent of bespreker zich vergiste in het woord en er 'zondagmiddagwandeling' van maakte. Achterberg daarentegen heeft bij het ontstaan van het gedicht nooit getwijfeld aan het woord. Hij schreef het meteen zo in  de eerste schrijffase op een blaadje van een kladblok, zonder vraagteken ervoor, erdoor of erachter, en hij heeft er later nooit verandering in aangebracht of zelfs maar (op papier) er een alternatief voor overwogen.

Toen ik onlangs weer in de omgeving van Achterbergs geboortehuis wandelde, waar deze bundel zich goeddeels af lijkt te spelen, moest ik daar weer aan denken – en vervolgens ook aan de tweede regel van sonnet III van de Ballade van de gasfitter (1953), die meer dan eens verbasterd is tot 'Of gaten in de gasleiding slaan', waar Achterberg, mede om redenen van metriek, 'gasgeleiding' schreef; maar dat ter zijde.

Voer je anno nu "bij een zondagnamiddag" in als zoekterm in Google, is de eerste reactie: 

'Did you mean: bij een zondagmiddag[?]'

Nee, dat bedoelde ik niet, en nee: Achterberg bedoelde dat ook niet. We bedoelen: 'zondagnamiddagwandeling'! Behandel de woorden van de dichter met respect, zo ook mijn zoektermen ('gasgeleiding' wordt vergoogled tot 'gasleiding').

Wat schetst dus mijn verbazing als ik, lezend in de Leseprobe van Esther Kinsky's Am Fluß (2014), het woord 'Samstagnachmittagspaziergang' tegenkom? Geen idee, maar leuk vind ik het wel, dat woord. Nog langer dan dat van Achterberg, ook al is het een dag eerder en in het Duits waarschijnlijk minder ongebruikelijk.

De Nederlandse vertaling, Langs de rivier (door Josephine Rijnaarts, uitgeverij Pluim 2020) heeft (echter): 'zaterdagmiddagwandeling'. Wat jammer nou, ook al is het conform Van Dale DU-NL s.v. 'Nachmittag'; de tweede optie die dit naslagwerk biedt, is echter wel 'namiddag'. En Van Dale NL-NL benoemt inderdaad een nuanceverschil s.v. 'middag': '1 het midden van de dag de tijd van 12 uur tot 18 uurnamiddag'.

Ik ben benieuwd wat Kinsky in gedachten had. Sowieso naar wat ze van de vertalingen vindt. De roman heet in de oorspronkelijke uitgave een Roman te zijn, maar in de Nederlandse vertaling wordt hij op het omslag aangeduid als Terreinroman; de Engelse vertaling heeft als titel slechts River, zonder ondertitel.  Dat is wel in mooie overeenstemming met het motto, ontleend aan Ian Sinclair's Ghost Milk: 'The ultimate condition of everything is river'. Het bepalend lidwoord in de Nederlandse titel is me te specificerend, terwijl de roman langs verschillende rivieren voert, als ik het wel heb.

Ik kies er, na de Probelesung en de leesproef, toch voor om de Nederlandse vertaling te kopen (en, CV,  een papieren versie, en online bij een lokale boekhandel). Het is een zeer omvangrijke roman, bestaand uit bijzonder veel beschrijvingen, beschrijvingen van halflandelijkheid (een begrip dat ik alleen ken uit een gedicht van Simon Vestdijk, maar een concept dat in de werkelijkheid ruim voorradig is), genuanceerde, zorgvuldige beschrijvingen, die een beroep doen op een groter vocabulaire dan ik in twee jaar middelbare school-Duits heb aan kunnen leren en in de decennia erna heb proberen uit te breiden. De vertaling van Rijnaarts lijkt me zeer wel geslaagd, kleinigheden daargelaten waarover het in een vertaling altijd plezierig struikelen is, omdat ze heel vaak toch op de kracht van het origineel wijzen.

zaterdag, juni 10, 2017

Maaichine

Bij mijn favoriete Utrechtsche IJzerhandel W. Pijper stond een aanbieding voor de etalage, een gloednieuwe 'grasmachine'. Het ding zelf stond erbij, en daardoor begreep ik dat het om een grasmaaier ging. Het woord 'grasmachine' kende ik niet.

Met de machines in mijn lexicon kan je meestal machinaal datgene doen wat in het eerste lid van de samenstelling genoemd wordt. Met vliegmachines kan je vliegen, met naaimachines naaien, met snijmachines snijden, met nietmachines nieten, met wasmachines wassen en zo verder. Dus was mijn eerste gedachte dat je met een grasmachine wel zou moeten kunnen grassen, maar wat dat is, weet ik dan weer niet. Maar het bleek, als gezegd, te gaan om een machine waarmee je kunt maaien, en wel in het bijzonder gras. Een grasmaaier dus, of een grasmaaimachine, om preciezer te zijn.

Toen ik, eveneens vandaag, Google naar 'grasmachine' liet zoeken, kreeg ik 124.000 resultaten; een zoekactie met  'grasmaaier' leverde 1.010.000 resultaten op. Ik concludeerde voorzichtig dat ik een mainstream lexicon heb in dit opzicht. Die gedachte werd bevestigd toen ik de dubbele zoekactie herhaalde met de n-gramviewer van de DBNL: 22 grasmachines (sinds 1905) en maar liefst 80 grasmaaiers (sinds 1867) (de oudste variant wordt het vaakst gebruikt, en dat komt niet door die 38 jaar verschil, want in die periode kwam het woord maar dertien keer voor). Een derde zoektocht, nu met SoNaR – het referentiecorpus van hedendaags, geschreven Nederlands – leverde 196 maal 'grasmachine' op in 146 documenten en 319 keer 'grasmaaier' in 260 documenten. Mijn persoonlijke lexiconhypothese lijkt me hiermee wel bevestigd.

(16 juni 2017: omdat het kan, ook gekeken in de 44 miljoen woorden van Subtlex-nl, een gegevensbestand van Nederlandse woordfrequenties gebaseerd op 44 miljoen woorden uit film- en tv-ondertitels,  en daarin komt 'grasmachine' tweemaal voor in twee bronnen, en 'grasmaaier' 81 maal in 52 bronnen.)

Grappig is dat in de resultaten van de Google-zoektocht met 'grasmachine', doorgaans wordt gesproken over 'grasmaaier'. Ik kwam er overigens ook de 'handmaaier' tegen; luguber.