Posts tonen met het label zin. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zin. Alle posts tonen

donderdag, augustus 08, 2024

Kummer aller Art

Fragmentje uit een scène in een Duitse post voor spoedeisende hulp: 

‘Was habe ich denn?’, fragt Onkel Ulrich [Schwester] Gertrud, und man sieht ihm an, dass er sich fürchtet. ‘Das weiß ich nicht, ich hab ja nicht Medizin studiert’, sagt Gertrud, ‘aber Ihre Angst auch nicht.’

Alleen al om deze scène zou men Mariana Leky het Kruis van Literaire Verdiensten moeten opspelden. Het citaat is te vinden in haar bundel columns Kummer aller Art (DuMont Buchverlag, Köln 2022). 

Ook de aanprijzing van het boek in het boek zelf is stilistisch de moeite waard, (hoe vaak worden die tekstjes door de auteur zelf geschreven) en – voor zover ik dat kan beoordelen terwijl ik nog maar een aselecte steekproef van 22,4 % van de bundel heb gelezen – volledig waarheidsgetrouw:

Klug, humorvoll und mit großem Sinn für Feinheiten und Absurditäten porträtiert Mariana Leky Lebenslagen von Menschen, denen es nicht an Zutraulichkeit mangelt, wohl aber am Mut zur Erkennntnis, dass man dem Leben nicht dauerhaft ausweichen kann.

Bij nader inzien dacht ik even dat het eerste citaat, waar het me hier om gaat, dat uit de scène in de SEH, misschien vooral zo goed is door de inhoud van de mededeling, namelijk dat je angst vaak niet gebaseerd is op kennis en dus grote kans loopt niet gegrond te zijn op een stevige laag van feiten, en dat je er in een angstige situatie beter aan doet, af te wachten hoe zich de boel gaat ontwikkelen dan onmiddellijk te panikeren.

Daarna bedacht ik dat die inhoud al welbekend is, niet in de laatste plaats door het culturele cliché ‘De mens lijdt nog het meest / door het lijden dat hij (m/v/x) vreest’.

In derde instantie echter zag ik dat dit afgereden Nederlandse cliché in stilistisch opzicht weinig meer is dan slappe thee, goed voor op een spreekwoordelijk tegeltje, en dan de prullenbak in met die dooddoener.

De formulering die Leky voor deze (kennelijk grensoverschrijdende) volkswijsheid kiest, is op het eerste gezicht misschien ook niet al te fraai, vooral door dat driewerf ‘nicht’. Daar staat tegenover dat die drie ontkenningen keurig zijn verdeeld over drie korte deelzinnen.

Daarvan lijken me de eerste twee geheel spreektalig; het ontbreekt hun aan een vakkundige boetsering. De eerste is een heel alledaagse flutzin; de tweede geeft een verklaring bij die mededeling met behulp van een luchtig ertussen geworpen ‘ja’ in plaats van een wat meer formeel ‘denn’, ‘nämlich’ of ‘schließlich’.

Dan de derde deelzin van Schwester Gertrud. Die is de klap op de vuurpijl, liever gezegd: een genadeloos en staccato mitrailleursalvo van vier knalharde trocheïse stampvoeten met een schokkend groot gat erin en met een grafische hoofdrol voor de a/A: ‘aber Ihre Angst auch nicht.’

Daar komt natuurlijk bij dat deze deelzinnen onderdeel zijn van een korte dialoog, die een onderdeel is van een kleine scène, waarin door dat slotakkoord opeens een derde, tot dan abstract gebleven personage, wordt geconcretiseerd, zodat het ook geobjectiveerd wordt, waardoor het hanteerbaar kan worden.

Dat laatste hoop ik in ieder geval voor Onkel Ulrich.

P.S.
Alles is relatief. Nu ik, vier dagen later, het boek uit heb, moet ik er toch bij aantekenen dat de erin verzamelde ‘literarische Kolumnen’ door de bank genomen een tikkeltje saai, of vervelend of monotoon ben gaan vinden. Misschien moet een mens columns ook helemaal niet bundelen en heruitgeven. Eens per maand een enkele column in Psychologie Heute was wellicht een betere dosering. Of, hand in eigen boezem, ik moet leren prozabundelingen niet te binge-lezen.

De stukjes van Leky blijken namelijk weinig meer te zijn dan verslagjes van weinig verheffende, alledaagse voorvalletjes van haarzelf en/of huisgenoten, kleinburgerlijke evenementjes met een licht-tragisch of semi-dramatisch, veelal weemoedig aspect, opgediend op een bedje van licht-hyperbolische en even zachtzinnig-ironische formuleringen, met hier en daar een toefje voorzichtig absurdisme. Het hangt allemaal zo ongeveer een beetje als het ware tussen Godfried Bomans en Simon Carmiggelt, voor zover ik me nog iets kan herinneren van hun midden in de vorige eeuw geteleviseerde, steeds nèt niet laatdunkende, doorgaans goedgemutste en altijd oubollige beschrijvingen van lotgevalletjes van Nederlandse soortgenoten, met kleine tussenpozen voorzien van een vleugje zelfspot, aan de waarheid waarvan de kijker allengs ging twijfelen.

woensdag, juli 10, 2024

Context en syntax (Consyntaxtext)

 

Berichtje van de NOS op 09-07-2024, volgens de kleine lettertjes overgenomen van de VRT.

Het eerste wat je ‘leest’ van zo’n bericht, als ik even mag generaliseren, is niet het bericht, maar de foto, dan de kop boven het geheel en ten derde de tekst onder de foto. In dit geval is dat eigenlijk niet eens nodig, want er ‘staat’ drie maal ongeveer precies (haha) hetzelfde, namelijk dat er ergens een toren van een kerk is gewaaid. Inhoudelijke details volgen in het bericht zelf, de tekst.

Ik denk dat ‘waaien’ een lastig werkwoord is, omdat alleen de wind het doet, of zelfs alleen maar ‘het’, en dan nog liefst zonder object. ‘Buiten waait de wind om het huis’, zongen ooit de Hagenezen Van Kooten en De Bie (1948) (en de Rotterdammer Gerard Cox ook, trouwens).

Maar er is in het dagelijks taalgebruik de complicatie dat ook objecten (of zelfs mensen, waarom niet) kunnen waaien. Maar dan kunnen zij alleen van iets (af) waaien, of misschien ook tegen iets (aan). Google het zelf maar: bomen en hijskranen kunnen bij stormweer zomaar tegen huizen of muren aan waaien. Dat is eigenlijk geen echt waaien, als je het mij vraagt, maar meer een gewaaid worden, door de wind tegen iets aan geblazen worden. Want serieus zelf waaien doet geen enkele boom of hijskraan, hoe hoog die het ook in de bol heeft.

Het onderwerp van vandaag is evenwel niet het waaien. Het is ook niet de taalverspilling in zowel de kop als het foto-onderschrift: één maal het morfeem ‘kerk’ zou werkelijk afdoende en duidelijk genoeg zijn geweest, heel bijzondere ongevallen daargelaten, namelijk die waarbij in een convoi exceptionel een monumentale kerktoren van een trekker met oplegger zou zijn geblazen door een windvlaag tijdens het transport van de oorspronkelijke standplaats naar, ik noem maar iets in de buurt, het Nederlands Openluchtmuseum. Als kerktorens van iets waaien dan is dat, daar durf ik mijn tien vingers voor in het vuur te steken, van een kerk. Dus ‘Toren waait van kerk’ was de betere, want kortere, kop geweest (geen dank; gratis taaladvies). Geen fatsoenlijke lezer die op het dwaalspoor van de watertoren of de duiktoren of de kasteeltoren zou zijn geraakt, laat staan op het kronkelige pad van de Julianatoren.

Het onderwerp van vandaag is de enige zin waar het feitelijke bericht uit bestaat:

In het Vlaamse Heffen is een kerktoren van een kerkgebouw geraakt door het overtrekkende noodweer.

Daar is geen woord Frans bij, maar toch raakten wij hier thuis enigszins in verwarring.

Optie 1: de NOS heeft een Vlamicisme overgenomen; daar komt bij dat de plaatselijke verslaggever zijn woordgebruik een vleugje variatie heeft willen geven door niet nog een keer een vorm van dat moeilijke werkwoord ‘waaien’ te gebruiken en daarvoor in de plaats het werkwoord ‘geraken’ in te zetten. Uitleg leen ik van het Taaladvies.net:

Geraken wordt veelvuldig gebruikt in België in de betekenis ‘erin slagen ergens te komen’ of ‘in een zekere toestand komen’. Het is als standaardtaal in België te beschouwen.

Optie 2: ‘geraakt’ is synoniem met het deelwoord ‘aangeraakt’, ‘getroffen’.

Beide opties zijn geldig, denken wij thuis, daarbij geholpen door enige kennis van de Nederlandse taal zoals die in Vlaanderen gebezigd wordt en lettend op de contextuele noties ‘Vlaamse’, ‘Vlaanderen’ en ‘VRT’.* Beide opties leveren een goede zin op en een correcte beschrijving van de werkelijkheid. Hun dieptestructuren evenwel zijn heel verschillend.

Vroeger, toen TGG nog iets betekende, kon ik hiervan, in het kader van de eerste-jaarscursus Inleiding in de Algemene Taalwetenschap, met gemak twee boomstructuurtjes tekenen die het syntactische verschil duidelijk maken. Maar nu die vaardigheid me in de loop van veel letterkundige jaren ontglipt is, wordt het verschil misschien ook wel duidelijk met het ombouwen van de zin tot twee verschillende vragen:

1. Waarvan of waarvandaan is de kerktoren geraakt?
2. Door wat is de kerktoren van een kerkgebouw geraakt?

Het zijn geen tentamenvragen dus het geeft niet dat in vraag 2 het antwoord op vraag 1 staat.

* ‘Heffen’ herkende ik niet als een naam van een dorp in Vlaanderen; de ironie van de naam in het licht van het beschreven ongeval heeft daar niet onder geleden.

Met dank aan F.A. van G. voor de initiële taalobservatie en het screenshot.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

zaterdag, september 03, 2022

Over zinnen

Samen met mijn collega Henk Pander Maat heb ik zes jaar lang met heel veel plezier en leerrijke ervaringen college gegeven over Stilistiek, of zoals de lange titel van de cursus luidt: Stilistische analyse van Nederlandse teksten; het afgelopen academiejaar was ons beider laatste keer. We gebruikten als handboek weer Style in Fiction van Geoffrey Leech en Mick Short (2nd ed., 2007).

Een van de vele leuke en goede aspecten van dat boek is dat Leech en Short bij tijd en wijle heel lang stilstaan bij en piekeren over hoe een zin uit een literair werk in elkaar zit en waarom de constructie zo goed is, of hoe die wellicht anders had gekund, en welk effect een verandering zou hebben. Ze doen dat omdat ze ervan overtuigd zijn dat de formulering van een zin ertoe doet, dat wil zeggen: dat een weloverwogen formulering zin toevoegt aan een zin, dat een welbewust stilistische keuze een zin semantisch rijker en/of krachtiger maakt dan wanneer dezelfde mededeling in een minder goed passende vorm is achtergelaten op het papier. Bovendien gaan ze ervan uit dat literaire auteurs met evenveel zorg omgaan met hun materiaal, de taal. Mijn favoriete Leech & Short-uitweiding gaat over dit zinnetje van Katherine Mansfield uit 'A cup of Tea' (1922):

The discreet door shut with a click.

Van pagina honderd tot en met pagina honderdzes gaat het nergens anders over in Style in Fiction.

Ik wou dat ik nog eens zo de tijd kon nemen om in een college samen met de studenten lekker door te denken over één enkele zin en al de varianten en hun consequenties te wikken en af te wegen tegen elkaar op de balans van een gemeenschappelijk stijlgevoel en -inzicht. Maar ik ben bang dat zo iets wat al te old school geworden is. Veel colleges en andere vormen van onderwijs zijn in de loop der jaren volgestopt met allerlei andere nuttige kennis en vaardigheden, van het leren lezen van een artikel of handboek, het goed begrijpen, samenvatten en toepassen van die teksten, via het verzamelen van theoretisch en ander materiaal, het leren schrijven van foutloze zinnen met een kop en een staart die niet op dezelfde plaats aan het lijf zitten, tot en met het contextualiseren van de tekst en het correct citeren en beschrijven van de gebruikte literatuur - en dat iedere jaargang opnieuw.

Lang, heel lang geleden, aan het eind van de vorige eeuw, toen ik een jaartje docent Nederlands was aan het Gymnasium Camphusianum in Gorinchem, heb ik het bestaan om ‘met’ een examenklas twee lesuren lang (ik geloof zelfs dat het blok-uren waren, in de dépendance, die niet onder de terreur van de schoolbel van de hoofdlocatie viel) door te zagen over één ingezonden krantenstuk van de publiciste Henriëtte Boas; de leerlingen dachten, hoewel ze me rustig mijn gang lieten gaan, dat ik volkomen geschift was (waar een kleine kern van waarheid in school); slechts een enkeling doorzag uiteindelijk hoe dubbelzinnig en intern tegenstrijdig het gramstorige stukje tekst was; de rest was al bezig met de volgende pauze, een repetitie of overhoring, die verdomde leeslijst, het mondeling, kortom met iets anders van groter belang.

Vanochtend (vrijdag 2 september 2022) in de trein naar mijn kleinkinderen voor het wekelijkse oppasdagje, las ik verder in Wormmaan (2021) van Mariken Heitman; ik was er de dag ervoor in begonnen nadat ik een roman van een generatiegenoot van Heitman na hooguit tien bladzijden teleurgesteld terzijde had gelegd, vooral wegens de volkomen onbenullige stijl ervan, de onnadenkendheid die uit de bouw van iedere zin sprak. Heitman had me met haar eerste zin al bij de leeslurven (nog afgezien van de toevallige buitenliteraire context anno 2022):

Het besturen van een trekker is een daad van soevereiniteit.

‘Kom maar op’, dacht ik na die zin, ‘maak me dat maar eens duidelijk’. En dat lukte, nog voor de eerste alinea ten einde was. Die ervaring strookte met met mijn waardering voor Heitmans debuut, De wateraap (2019), dat eveneens tegelijk eigenzinnig en ongewoon is, en dat ook niet zomaar uit de losse pols is te resumeren maar toch buitengemeen overtuigend is.

In de trein las ik op pagina 33 deze zin, die me mede opviel doordat ze me deed denken aan een andere zin:
 
Klingelend sloeg de deur achter me dicht.

Lijkt ook wel op die zin van Mansfield, toch? Vooral doordat met het laatste woord de zin zo stevig is afgerond en als het ware ge-‘dicht’ is. En die indruk ontstaat mijn inziens mede door dat ferme ‘sloeg’; ‘dichtslaan’ is harder en bozer dan ‘dichtdoen’ en ‘dichtgaan’ (we zouden van intensivering kunnen spreken, maar dit is een blogje, geen college). Bovendien maakt dat werkwoord de deur tot een actor, wat veel levendiger en ongewoner is dan wanneer de levenloze deur dicht zou worden geslagen door Elke, de hoofdfiguur. Impliciet doet zij dat natuurlijk wel; de deur slaat niet vanzelf dicht; dat is heel duidelijk door de context; sterker nog: Elke slaat die deur zo ferm dicht, tijdens een woedende aftocht, dat ze al een paar stappen verder is als de deur echt gesloten is, achter haar. Ze is al weg, ze heeft de deur al achter zich gelaten, en daarmee de plaats waar ze was en daarmee de mensen met wie ze daar was, die haar verontwaardiging gaande maakten, en wel door haar identiteit niet te erkennen. 

Andere aspecten die deze zin ‘af’ maken, zijn de alliteratie van ‘deur’ en ‘dicht’ (zelfs het lidwoord doet een beetje mee): die woorden zijn zowel semantisch als fonetisch op elkaar betrokken. En door de assonantie is het eerste woord van de zin ook betrokken op het laatste. Het is de deur van een (ouderwetse) bakkerswinkel (uit de jeugd van Elke) die hier dichtslaat; kennelijk hangt er zo’n belletje aan. Daar komt nog een metrische herhaling bij: ‘klingelend’ en ‘achter me’ zijn dactylische eenheden die, doordat er twee onbeklemtoonde lettergrepen volgen op een beklemtoonde, wellicht het wegsterven van het harde geluid representeren. En zo bezien staat heel de zin in het teken van de dichtslaande deur.

Acht pagina’s eerder, aan het begin van hetzelfde hoofdstuk (p. 25), staat deze volzin, waarvan de laatste deelzin de opmaat lijkt voor die latere enkelvoudige zin:

We staan in in de zaadloods, de tl-verlichting gaat knipperend aan, achter ons sluit de schuifdeur met een smak. 
 
Er staat niet:

(1) met een smak sluit achter ons de schuifdeur.

Ook niet:

(2) met een smak sluit de schuifdeur achter ons.

En al helemaal niet:

(3) met een smak ging de schuifdeur achter ons dicht. 

Waarom niet? Misschien omdat in (1) en (2) ‘smak sluit’ met elk een volle klemtoon niet 'smakkend' klinkt? Ik weet het niet. Wellicht (ook) omdat de informatie ‘met een smak’ niet makkelijk te integreren is met het voorgaande deel van de zin: smakkend staan is een bizarre gedachte, en het tl-licht smakt hoogst waarschijnlijk ook niet, want het knippert en een smak is iets eenmaligs, knipperen is repeterend? En variant (3) mag dan wel weer 'dicht' op het eind hebben (dat zou trouwens een wat gemakzuchtige herhaling van die formulering zijn) maar 'dichtgaan' met een smak... dat is in mijn lezende oren niet indrukwekkend; bovendien wordt dit werkwoord in de persoonsvorm noodzakelijkerwijs in tweeën gesplitst; dat haalt de kracht er een beetje uit, zo'n tangconstructie, waarbij 'ging' wel een klemtoon krijgt maar niet de meest belangrijke inhoud bevat van 'dichtgaan' ('achter ons ging de schuifdeur met een smak dicht' is dus niet beter). 

Er staat wel:

(4) achter ons sluit de schuifdeur met een smak.

De bepaling ‘achter ons’ sluit heel goed aan bij de eerdere informatie: twee mensen staan in een zaadloods. Daarna komt pas de nieuwe informatie; een goede volgorde: het nieuwe toevoegen aan het bekende, informatie geleidelijk uitbouwen. Ze zijn al binnen, hadden het licht al aangedaan en hadden de deur al een zet gegeven, maar met wat vertraging gaat het licht nu pas voluit aan en valt de deur nu pas geheel dicht. En dan is er (weer) de formele (fonetische) ondersteuning van de inhoudelijke samenhang: de alliteratie van ‘sluit’, ‘schuifdeur’ en ‘smak’ (en met terugwerkende kracht kan ook ‘ons’ erbij betrokken worden, zij het met zijn ‘s’ achteraan). Daarbovenop komt de assonantie van ‘sluit’ en ‘schuif-’. En weer staat er een woord met een volle klemtoon op het eind van de zin (geen slepend einde met een onbeklemtoonde lettergreep). Het laatste deel van deze deelzin is weer lekker metrisch: ‘sluit de schuifdeur met een smak’ is een viervoetige jambische woordgroep. Het is, kortom, semantisch heel effectief dat er in de ene zin een (gewone) deur dichtslaat en in de andere een schuifdeur sluit.

Tegen het einde van hetzelfde hoofdstuk, op pagina 35, staat nog zo’n lekkere zin, niet met een deur, maar een zin die de trekker uit de eerste zin van de roman (p. 5) in herinnering roept, wanneer Elke, afgeleid, even naar buiten staart:

De trekker sukkelt in lussen over het land.

Bedenk zelf een passende analyse, en merk verder op dat de evaluatie van de trekker helemaal is omgeslagen. De soevereiniteit is verdwenen, het ding is een sukkel geworden. Dat komt door de ontwikkeling van het denken van Elke in dit hoofdstuk. Elke werkt in de zaadveredeling (vooral pompoenen, erwten en granen) en die trekker is daar een instrument. Denkend over rassen, erfelijkheid en de stabiliteit van eigenschappen, en hoe autonoom iedere generatie al dan niet is, zich herinnerend hoe de bakker (handelaar in graanproducten) Elkes identiteit niet honoreerde, maar vast bleef houden aan de generieke uiterlijke verschijningsvomen die hij meende waar te nemen, komt Elke tot inzicht in haar situatie.

De slotzin van het hoofdstuk, doet, schijnbaar onverwacht, de deur dicht, een metaforische deur. Elke zegt:

‘Ik neem ontslag.’ 
 
Een daad van soevereiniteit. Deze zin op deze plaats in dit hoofdstuk lijkt een narratieve (macrostructurele) nabootsing van het (microstructurele, ritmische) patroon dat de zinnen met de deuren zo overtuigend en betekenisrijk maakt. Punt. Uit.

Dat schoot door mijn boemelend hoofd, ergens ter hoogte van Hemmen-Doodewaard.


PS
Wel vreemd dat ik hier niet expliciet heb gerefereerd aan dat mooie boek over de kunst van het schrijven van zinnen: First You Write a Sentence. van Joe Moran.