vrijdag, september 25, 2009

Drahtgeklammert

Werd me me daar (i.e. in De bastaard) een prachtig boekje in de schoot geworpen: Goethes Faust in ursprünglicher Gestalt - Der Urfaust. Van Insel-Verlag, Leipzig.

De 'gewone' Faust had ik al (en gelezen) (een prachtig bandje van 498 bladzijden van Der Verlag Th. Knaur Nachf. in Berlin d.d. MDCCCCXXIX, voor illiterati = 1929, in Leipzig gezet uit een zeer makkelijk leesbare letter, en uitgevoerd in twee kleuren, zwart en helderrood; prachtig gebonden: het boek blijft open liggen waar je het openslaat) uit de bibliotheek van wijlen mijn tante Stien (kort voor: Christina Frederica).Faust[,] eine Tragoedie von Goethe. Berlin 1929

De oer-Faust ontbrak nog aan mijn boekerij. Het geschenkboekje is zo oud, of: zo ouderwets, of: destijds al zo vaak herdrukt, dat het nog uit zo'n oer-lelijke, onleesbare Fraktur gezet is. Ik meende me te herinneren uit een college boekwetenschap (en vond het digitaliter ook terug in een andere bron) dat het enige goede - als we de mortuis in dit vreselijke geval toch iets moeten zeggen - wat Hitler gedaan heeft, het afschaffen van die lelijke letter is geweest. De stompzinnige sukkel deed het natuurlijk wel weer met een onjuist en daardoor des te meer abject motief; het zou, om het eens netjes te zeggen, geen arische letter zijn (zie hier). Waarschijnlijk is mijn geschenkje dus van voor 9 januari 1941. Maar er wordt helaas geen jaar van uitgave in vermeld. Alleen staat er op de versozijde van het titelblad: '41.-50. Tausend'. Waaruit in ieder geval blijkt dat het ding deel uitmaakt van een forse uitgave. En hoe makkelijk is het internet. Met de meest fantasieloze en schlemiele zoekterm ter zake, namelijk dat wat er onderaan het titel-etiket op het omslag staat: 'Insel-Bücherei Nr. 61' had ik in de tijd van een zucht de gezochte informatie:

Nr: 61 (1) ; Auflage: 06; Variante: 1: Goethes Faust in ursprünglicher Gestalt. Der Urfaust. Mit der Widmung an den Entdecker des Urfaust "Erich Schmidt zum Gedächtnis" nach dem Titelblatt und mit Nachwort mit Initialen "F. B." 6. (von 12) Auflage. 41. - 50. Tsd. Leipzig, (1922). 91, (1) Seiten. Original-Pappband. ÜP Jenne 11. ÜP 1913_0029 ÜP grün, rot, weiß (Kippenberg Sammlung 43,1). TS "Goethes Faust / in ursprünglicher Gestalt / (Der Urfaust)" (Schrift schwarz, Rahmen hellbraun, 4 Sternchen) aufgeklebt, RS "Der Urfaust" mit Nr. aufgeklebt. Signet von Peter Behrens auf Titelblatt. Buchblock drahtgeklammert. Druck von Breitkopf und Härtel in Leipzig.
Bibliographie: IB 61 / Jenne I/61 / Kästner 61 / Plantener 61 / Sarkowski 61 / Verzeichnis 61.

Bron: http://www.bresinsky.de/insel/texte/ib%200061-0070.htm

De eerste oplage was uit 1913, en deze zesde uit 1922. Inderdaad met een schattig Signet van Peter Behrens, ontworpen in 1899 De laatste oplage (inderdaad: toen noemde men een oplage nog geen druk als er geen nieuw zetsel werd gebruikt), de 12e, besloeg de 80. - 89. Tsd. exemplaren en werd gedrukt te Leipzig in 1955.

Maar hoe mooi het boekje en hoe - kennelijk - druk verkocht, het heeft naast die letter (het eerste kwartier ga ik slissen tijdens het lezen met die lange s) nog een klein nadeel: het bindwerk.Goethes Faust in ursprünglicher Gestalt - der Urfaust. Leipzig [1922] Het boekje is met nietjes in elkaar getimmerd; en daar is geen binder bij betrokken geweest; althans geen binder met een geweten; veeleer een bouwvakker met een hamer. Nietjes doen in de loop van bijna negentig jaar rare dingen met papier; ze geven de katernen na verloop van tijd weer alle vrijheid. Maar ja, dit soort bindwerk noemt men in 't Duits dan wel weer 'drahtgeklammert'. Wunderbar; bijna een eufemisme.

zaterdag, september 19, 2009

Primus nidus proprius

Tussen peer en druivenrankEnigszins onthutst - hoewel heerlijk in de herfstzon gezeten nabij vijfenzeventig peren, plukrijp wegend aan de takken der Conférence - na het lezen in een landelijk dagblad van een stuk, de bewerkte, schriftelijke versie van een eerder in de openbaarheid voorgedragen lezing, uitdragende het mij in principe welgevallige standpunt dat wetenschappelijke artikelen in het algemeen, en die van neerlandici in het bijzonder, goed of prettig leesbaar moeten zijn. Ze moeten bijvoorbeeld pakkende openingszinnen hebben.

Boeiender wellicht dan die waarmee dit stukje, dat al bijna ten einde is, begint; dit is dan ook alles behalve een wetenschappelijk artikel.

De auctor van krantenstuk en lezing argumenteert onder andere ex negativo met twee voorbeelden, voorbeelden dus van hoe het niet moet. Inderdaad: droefstemmend proza, bits beoordeeld met een 'Waarom zou je verder lezen?' en een niet minder vilein 'Maar het kan nog erger'. Beide voorbeelden komen mirabile dictu uit het wetenschappelijk tijdschrift waarvan de auctor van het krantenstuk en de lezing sedert de oprichting, met anderen, de redactie vormde tot en met de elfde jaargang, 2006, de regie voerde, de leiding had, het beleid bepaalde, de kopij keurde. Kennelijk op cruciale, gezichts- en stijlbepalende wijze.

Om de Assistant Village Idiot te citeren: 'I wonder about these things'.

donderdag, september 10, 2009

Quaero

Of: een foutje, dat verguldt de boel.

Afgelopen dinsdag kwam het ervan: ik zou ook eens een blik gaan werpen in de vernieuwde LB (kort voor: Letterenbibliotheek), die na maanden van veel lawaaimakend timmeren, breken, boren, schuren, zand- en/of gritstralen en wat al niet, spiksplinternieuw in het Konijn Lodewijk-paleis gehuisvest is, en die dan ook niet meer zo, maar nu 'Universiteitsbibliotheek Binnenstad' heet (UBB?) omdat, logica, de Letterenfaculteit niet meer bestaat maar samengevoegd met Theosofie en Filologie, dat wil zeggen: Theologie en Filosofie, 'Geesteswetenschappen' heet.

Monter stapte de geesteswetenschapper, kien op hermeneutische dit- en datjes, de blinkende bieb binnen... alwaar hij, net over de drempel, vriendelijk doch onwederstreefbaar werd afgewimpeld en weggewuifd: de bibliotheek was gesloten... in verband met de opening. Logica.

Vandaag (wie weet moest er gisteren nog confetti geveegd en glas- en kurkwerk geruimd) hernieuwd het werkelijk prachtige pand betreden en verkend. Alle lof voor ontwerp, uitvoering en inrichting. Even wennen natuurlijk, maar ik geloof dat zulks snel achter de rug is.

Gereserveerde boeken staan, op achternaam des aanvragers alfabetisch gerangschikt, klaar voor uitlening, en dat, uitlenen, mag je zelf doen, met een machine/automaat. Wel leuk: je leent dus zelf uit wat je leent. Op die manier lever je het boek ook weer in, dus ook een soort van bij je zelf.

Mijn reservering betrof een ietwat overhaast, om niet te zeggen: panisch, aangevraagd boekwerk. Er hoeft maar het woord 'episch' of iets verwants in voor te komen en mijn alarmbellen gaan toeteren. Hoewel inzicht ook in mij was voortgeschreden, en ik inzag dat raadplegen van het boek zinloos was, dacht ik het toch beter het eenmaal ingeslagen pad ten einde te begaan. Ophalen, (uit)lenen, menemen, doorbladeren en dan pas terugbrengen. Zie wat ik in handen kreeg. Een pil, een turf, een baksteen van 1890 gram; 21 x 27,5 x 5,3 cm; dat laatste is de dikte; zie:


Wat een mooi uitgevoerd boek. Het lijkt de UBB wel, bij wijze van spreken. En natuurlijk gezet uit mijn favoriet, die mooie Hollandse Mediaeval van S.H de Roos (uit 1912). Het geheel verlucht met enkele platen van Marinus Bauer, zoals deze tegenover pagina 48:




Wat een weelde. En dan hebben we het dus over De oude waereld; het land van Zrathustra; romantisch epos uit Oud-Perzië benevens het boek der toelichtingen. Door Is. Querido. Met lichtdrukken naar teekeningen van Marius Bauer. Deel 1: Koningen. Uitgegeven door Scheltens en Giltay te Amsterdam, een derde druk uit 1920. Ik had er werkelijk nog nooit van gehoord.

Het eigenlijke verhaal loopt tot en met pagina 347; de toelichtingen beslaan nog eens 351 tot en met 514. En dan te bedenken dat er nog twee delen verschenen zijn; het ding beslaat in totaal 1538 bladzijden. Tussen de 44 vermeldingen ervan in Boekwinkeltjes.nl zag ik een 10e druk staan uit 1926. Ik ben benieuwd hoe het werkelijk zit met de productie en receptie, want ik geloof niet dat het lekker wegleest. Ik citeer een enkele zin, van bladzijde 3:

'Een satijnachtige vlindering en trilling van glansblond lentelicht speelde tot heel in de groene, zoemerige, geurende tuinendiepte over beklimopte, wildbebloemde paleisringmuren, met hunne vierkantstrenge, hooge, Assyrische torens en gekanteelde tinnen, van roodgouden glazuursteen schitterschel overstraald.'

Daar staat tegenover dat de werkelijke zetspiegel die van de Volledig werk-uitgave van Willem Elsschot door Athenaeum-Polak & Van Gennep, elk slechts 12 x 19 cm en Kaas bijvoorbeeld nog geen 2 cm dik - allerhandigste boekjes - nauwelijks overtreft. Hoewel ik diep in mijn hart popel om een lezing te wagen, breng ik het ding snel, ongelezen terug (overigens heeft iemand het ooit gelezen en... er met potlood strepen en opmerkingen in genoteerd; om helemaal gifgroen en gallisch van te worden).

woensdag, september 02, 2009

Taalbeheersingskunde en nog wat

NRC, 02-09-2009Vandaag (02-09-2009) in de NRC een bericht dat belletjes doet rinkelen uit een grijs verleden (waaraan gerefereerd wordt door Rosenboom in zijn Zoete mond) toen tv nog zwart-wit was en 'Uitzending gemist' niet bestond, evenmin als de Blue ray- of de DVD- of zelfs nog maar een video-recorder: als je iets life wilde zien, moest je erbij zijn, zodat je inderdaad de indruk had dat je er bij was, of het nu ging om de verkondiging van de geboorte van een koninginnekindje (of was dat al in kleur?), de opening van een dorp, een maanlanding of een boxing match. En ik beken het: ik stond er, in flanel gehuld maar desondanks bibberend, menig maal midden in de nacht voor op, voor zo'n bokswedstrijd dan (achteraf begrijp ik dat niet meer: de stompzinnigste der tot de sport gerekende bezigheden). En dan was er maar één de grootste. En hij zei dat zelf ook steeds weer (zoals ook Rosenboom in Zoete mond allerlei onnozelheden steeds herhaalt); ook toen hij nog maar de gratie had van een Elvis op z'n tandvlees rockend door z'n eigen drugsverdwaasde dromen.

Maar goed: Muhammad Ali (toen ik keek: Cassius Clay) reist tegenwoordig rond om geld in te zamelen om Parkinson te bestrijden; ach zie toch wat er over is van 's mans moordende mokers... Komt hij een van zijn vroegere tegenstanders tegen. De wervende retorica is zo verzonnen: 'Hi there Mr. Cooper! Nowadays I'm tryin' to beat a stronger adversary: Parkinson! Please, fight the pain in my joints and join me in this fight!'
NRC, 02-09-2009
Maar wat staat er in de begeleidende tekst over Henry Cooper: 'De 75-jarige Engelsman was een van de weinige boksers die Ali tegen het canvas sloeg.' Typisch taalverslonzingsfoutje. Maar wel met als gevolg dat er het tegenovergestelde staat van wat de waarheid is en van wat, naar ik aanneem, de bedoeling van de schrijver was: Cooper was één van de weinige boksers die Ali tegen het canvas sloegen. Want echt: Ali sloeg ze allemaal tegen het canvas, en weinigen hem, en niet andersom. En ook dat partijtje tegen Cooper won hij natuurlijk.

En dan nog iets over die veel te dikke roman. Allereerst is het drukwerk aan de binnenkant niet van hoge kwaliteit: de ene pagiana is vetter dan de andere, zoals Coopers linker oog wat meer doorbloed was dan het andere:

Maar als je daaraan voorbij bent en je zit een tijdje in dat boek te lezen, en er eventjes kort in lezen kan niet, want alles duurt er lang en gaat er traag en wordt meerdere keren met velerlei woorden verteld (ik moet anno heden nog steeds meer dan tweehonderd pagina's en weet werkelijk niet meer waar de moed te putten), blijkt dat de titel van het omslag verdwijnt:
Niet-gemanipuleerde, eigenhandig gemaakte foto van het omslag, of: wat daar nog van over is



Sommige boeken zijn hun eigen recensie.

donderdag, augustus 27, 2009

Intertekst

Voor mijn aandeel in de Utrechtse collegereeks Actuele Literatuur (dit jaar: proza) moet ik niet allen vragen en opdrachten formuleren met betrekking tot de tekst van mijn keuze, maar ook proberen antwoorden te formuleren. Een zo'n opdracht zal betrekking hebben op de intertekstualiteit van 'mijn' roman, want daar is ze nogal rijk aan. Bij de voorbereidingen trof het me weer hoe handig het toch is dat allerlei mensen allerlei bevindingen op het internet zetten. Dank zij hen is het meestal betrekkelijk makkelijk om referenties na te trekken (en om toepasselijke illustraties te vinden die een presentatie kunnen opfleuren).

(En tussen haakjes: het is voor de schrijvers ook heel eenvoudig om hun romans vol te stoppen met allerlei quasi-geleerde wetenswaardigheden - en je ziet ook steeds meer personages die 'eventjes' 'iets' via het internet opzoeken, niet alleen in Begeerte heeft ons aangeraakt, maar ook in De literaire kring, dat ik, ook in het kader van eerder genoemd college, onlangs herlas, en ook in Atte Jongstra's romans bijvoorbeeld.)

(dat ondersteunt mijn veronderstelling dat we, alles in beschouwing betrokken, veel dingen sneller kunnen dan vroeger dank zij het internet, maar dat we ook veel méér dingen snel moeten kunnen, en dat we er dus al met al geen snelheid of efficiëntie mee winnen; en dan zwijg ik over die weblogs: als die er niet zouden zijn, zouden veel mensen veel tijd over hebben om veel belangrijker dingen te doen).

Uitzonderingen daargelaten: zo zag ik deze vraag op www.wer-weiss-was.de:
'Hallo!/ Kann mir jemand mitteilen, wo man den TEXT findet zu dem Lied "Mein junges Leben hat ein End", über das Sweelick die Variationen (für Tasteninstrument) geschrieben hat)? / GOOGLE listet so viel auf, dass da einfach nicht durchzukommen ist.)/ Evtl. in der neuen Sweelick-Ausgabe (ed. Dirksen/Vogel) bei Breitkopf & Härtel, die mir (noch) nicht zugänglich ist?/ Dank und Gruß!/ Hannes'.
De naam van de vragensteller spreekt boekdelen; ook een vorm van efficiëntie.

Maar goed. In het weefsel van Begeerte heeft ons aangeraakt hoort dit thuis: https://youtu.be/PDmLfuBxNf8?si=C0j0lgBIeXGGbefl

Vanwege het realisme van het dexseltjeslatijn, en om het instrument te horen en daarmee de wereld van de roman, en om je te realiseren dat er ook goede Nederlandse componisten zijn.

Een heel aantrekkelijke kant die het internet gemeen heeft met de welvoorziene kantoormaterialen- en ook met de ijzerwarenwinkel alsmede de bibliotheek met open opstelling: de mogelijkheid tot dwalen, afdwalen, verdwalen, terugkeren op de schreden en toevalstreffers. Zo vind ik het navolgende eigenlijk nog mooier dan het voorgaande, hoewel Sweelinck er misschien van zou gruwen:

Daar zit - vind ik - meer melancholie in.

Dat gezoek is ook zeer leerzaam en opvoedend. Om het gedender van het vliegtuig te kunnen dempen had ik, in voorbereiding tot mijn reis naar Zuid-Afrika, eerder dit jaar heel het werk van Mahler op een MP3-speler zonder handige navigatie gepropt, zodat ik dat eens goed en volledig zij het ook geheel at random op mijn gemak zou kunnen beluisteren. Daar is niet veel van gekomen, overigens. Ik had er dan ook dit college en de roman van Natter voor nodig om de volledige tekst van Mahlers Rückert-lied 'Ich bin der Welt abhanden gekommen' eens op te zoeken. De strekking van de tekst komt wel wel in de buurt van die van Sweelinck (als ik het zo voor het gemak even aan mag duiden), maar muzikaal zit er inderdaad een paar eeuwen tussen.

https://youtu.be/bxh-VTqNK0c?si=AaipgtTGL0eCuVZW

Wee nu het gebeente der studenten die - om aan de opdracht te voldoen - 'Begeerte heeft ons aangeraakt' en 'intertekst' hebben ingevoerd als Googlezoekterm.... Geen gehannes!

zaterdag, augustus 15, 2009

Van de regenboog

Nog even een draadje afhechten, nu ik in de Volkskrant las over correspondent Marnix de Bruyne die in 't park Pilanesberg bijna onder de voet werd gelopen door een olifant (Intermezzo (15-08-2009 p. 23) en in De standaard van 13-08-2009 een stukje van Luuk Gruwez' Afrikareisreisdagboek las. Mijn dubbelheid jegens Zuid-Afrika blijkt zich ook te hebben afgetekend in de twee souvenirs die ik op het bijna laatste en laatste moment nog kocht om m'n Rands op te maken, dat wil zeggen in een giga winkelcentrum in Potchefstroom, respectievelijk op het vliegveld van Johannesburg, oftewel OR Tambo International Airport. Een CD en een boek.

Om met het ergste te beginnen: in een platenzaak zocht en vroeg ik naar een heel erg populaire schijf. Het visuele zoeken was gauw klaar: de stapels waren niet te negeren. En de juffrouw wees me desgevraagd naar diezelfde stapels en recenseerde de schijf ook positief. Ik heb in de winkel alleen het laatste nummertje van de plaat besluisterd, en dat beviel me wel. Het was in ieder geval niet van die jammerlijke en neo-foute gitaarprotestkoekoekeenzangmuziek als van Koos Kombuis waarvan ik in het pension te Potchefstroom per ongeluk een skyfie in de speler had gestopt tijdens een ontbijt.

Maar in de ivoorwitte huur-Yaris op weg naar Parys werd het collega W. en mij (collega Van O. was reeds huiswaarts) al snel duidelijk dat Bok Springsteen (want daar probeert hij echt op te lijken, physiek althans) erg tot heel erg fout is. Ik was aanvankelijk wat mild van gehoor, want Normaal, hoewel niet helemaal je van het, vind ik toch ook weer niet heel erg wegwerpelijk, althans bij Arbeidsvitaminen, die op kantoor toch nooit aan staan, en martiale ritmes, wel te verwarren met eenvoudige rock, zijn nog tot daar aan toe (al heb ik de wijze Zappa wel eens horen zeggen: Wino's don't march, in een poging het drinken van bier te veroordelen), en door quasi-verontschuldigende hoesteksten ('Afrikanerhart is nie 'n lied wat oproep na enige vorm van revolusie of opstand nie [...]') is makkelijk heen te prikken, maar dat het titellied een refrein heeft met een tekst als 'as jy skiet, skiet my deur [3x] my Afrikanerhart' deed ons het schijfje alras brakend weer naar buiten schuiven. Slechts curiositeitshalve heb ik het naar de blanke top der duinen meegenomen.

Van heel ander allooi is het boek, dat ik, op ongeveer gelijke gronden, vrij impuslief aanschafte: Some of my best friends are white; subversive thoughts from an urban Zulu warrior, door Ndumiso Ngcobo.
Alleen de titel al is beter. Bovendien prachtig uitgevoerd: de hoofdstukjes zijn gescheiden door inktzwarte pagina's (zodat het boek er op de snede uitziet als een bichrome spekkoek). Bovendien is het boek geschreven in een razende, zwaar aangezette, megalomane annex hyperbolerende dan wel dito-troferende stijl (à la die van Jeremy Clarkson - moet je maar net van houden, geef ik onmiddellijk toe; lang houd ik het ook niet vol).

Het eigenaardige is dat Ngcobo vanuit zijn perspectief precies al die pijlijke onderwerpen toch zó belicht, dat het eindoordeel steeds niet anders is dan dat wat ik als eenvoudige voorbeoordeelde externe witmens al had gevormd en/of had meegekrekregen. Het leven in de "'burbs" met die witte lui is letterlijk en figuurlijk eng; het leven in de zwarte townships is erg; taxibusjes zijn een regelrecht helse ervaring; Zulu's zijn niet gewelddadig, alleen maar pragmatisch. Maar, en dat valt op als het over (zwarte) vrouwen gaat, eigenlijk is het boek ook een beetje te veel als Youp van 't Hek die in z'n eigen Buckler spuugt.

Maar toch, leerzaam is het ook. Een enkel voorbeeld, over taal: 'I'm black, and black people are proud of their names. Black people's names mean something. And most of us are tired of hearing white people call a guy Zap because they can't bother to work out how to pronounce Xam'obhaxul'abanye. No-one is asking you to learn the Zulu language; just learn to pronounce the name of the guy who you've been sharing a cubicle with for five years. So you know, his name means "an iguana that whips other iguanas with his tail, rips out their spleens and makes jewellery with their kidney stones". Honest, I'm not making it up. How do you go from that to Zap, a rude hand gesture? When I read the name Jacques, you don't hear me say Jackass, do you?'

zondag, augustus 09, 2009

Lou tems passo / Passo lou ben

Autichamp, 04-08-2009, 13:34Hoewel de vakantie buitenslands dit jaar door omstandigheden, waar ik verder niemand mee lastig zal vallen, al was het maar omdat ze niet wereldschokkend zijn (en als ze dat wel waren, evenmin) korter duurde dan gewoonlijk en wenselijk, heb ik, doezelend in de Drôme, nabij Bourdeaux en de oevers van de Roubion - een geweldige omgeving waar heerlijke geitenkaas wordt geproduceerd en een prima witbier wordt gebrouwen (dat laatste om precies te zijn in Saou, alwaar ook een zeer aantrekkelijk restaurant is, waar we, door weer andere omstandigheden van even gering belang, driemaal niet gegeten hebben) - [wat een bijzin] heb ik dit jaar maar liefst twee pretboeken gelezen; uitzonderlijk, omdat ik doorgaans niet één boek uit krijg tijdens het reces, doordat dan mijn aandacht in beslag wordt genomen door nietsdoen, eten, tentstokken (in werkelijkheid: tentbogen), haringen, quoucquelouren, en vooral zon en slaap. En eten, niet te vergeten. Een derde heb ik wel aangelezen, maar dat boek vergt kennelijk een strenger leeshouding dan mijns inziens acceptabel is tijdens vertiertijd; daar ga ik binnenkort dus serieus werk van maken.

Het eerste is van Nathan Englander, van wie ik eerder een heel goede roman las (zie hier) en vervolgens, kort voor de vakantie, een verhalenbundel aantrof in de ramsj: Verlost van vleselijke verlangens. Vertaald door Nicolette Hoekmeijer. Anthos, Amsterdam 2007 (oorspronkelijk: For the Relief of Unbearable Urges uit 1999, en in dat jaar ook in het Nederlands verschenen bij Vassalucci). Omdat de vakantie nog niet geheel ten einde is, en omdat, anders dan wellicht te verwachten is bij dat soort proza, des uitgevers lovende woorden voorin het boek geheel mijn mening weergeven, volsta ik met een citaat: Englander laat in bundel van negen verhalen 'zijn Joodse hoofdpersonen op vaak bizarre wijze in conflict komen met de seculiere wereld. Hij zoekt het delicate evenwicht tussen ernst en ironie, tussen het tragische en het komische, en tussen de grote geschiedenis en het kleine menselijke leed. Englander schrijft zonder moraliserend te willen zijn: het verhaal zelf is de boodschap.' Vooral dat delicate evenwicht is zo goed aan deze verhalen, net als aan die roman.

Het tweede boek was in zekere zin een boek op vakantie, omdat ik het al tweemaal en met plezier gelezen heb: Bert Natter, Begeerte heeft ons aangeraakt; roman. 2e dr. Thomas Rap, Amsterdam 2008 [1e dr. 2008]. Laat ik ook hier wegens vakantie dan maar kort over zijn. In één woord: louter hilarisch en toch droefgeestig leesplezier (zie verder hier).

Recensies zeggen steeds braaf dat de titel ontleend is aan de Internationale, en dat zal dan de Nederlandse vertaling van Henriette Roland Holst zijn. 'Soit', zouden dan de Fransen zeggen om mijn reactie te verwoorden, want wat Natters roman met de Internationale te maken heeft, is mij na driewerf lezen nog niet duidelijk geworden, ook niet na Wikipedisch raadplegen van de oorspronkelijke strijdliedtekst, waarin dezelfde regel wonderbaarlijk genoeg luidt: 'Nous ne sommes rien, soyons tout.' Ik dacht dat ik wel een beetje Frans machtig was, maar dit zet mij toch weer terug in de schoolbanken van mejuffrouw Staal. Ach, als dat zou kunnen, dan zou zij weer uit haar Volkswagen 1500 kunnen stappen en niet meer tegen die shovel aanrijden en me misschien ook kunnen vertellen of het waar is dat Gérard de Nerval iets te maken heeft met de uitvinding van de Linotype, zoals me deze vakantie in het Musée de l'Imprimerie te Lyon werd verteld door de enthousiaste medewerker in het atelier (ik vreesde een wat te eenzijdig Frans-georiënteerde drukkerijgeschiedenis aan 13, rue de la poulaillerie, waar maar één (1) bladzijde van Plantijn wordt getoond... maar in Richard Sieburths 'Introduction' bij Nervals Selective Writings - Penguin Classic, 1999 - lees ik dat Nerval in 1844 inderdaad een 'stereograph' heeft gepatenteerd, een ruwe versie van de beroemde zetmachine).

zondag, juli 19, 2009

Een twee veel

Er is veel over dit boek te doen (geweest) als je alleen al enkele niet vakspecifieke bronnen zoals kranten en weekbladen openslaat of browst. Ik heb het nu eindelijk ook maar eens gelezen, na veel dralen, want ik houd niet zo van die door slecht lezen en geborneerd recenseren gehypte producten, en mijn belangstelling en waardering voor literatuur hoeft niet erg geprikkeld of aangemoedigd te worden, vind ik. Maar ja, een mens moet alleen met recht van spreken zijn mening ventileren. Ik had - voor mezelf en de aanscherping mijner gedachten - al een notitie van ruim zes bladzijden Moleskin-groot geschreven naar aanleiding van de mediaheisa, onder de titel: 'De euforie van het essay', die ik eigenlijk bedoeld had voor een logje, maar dat ging, zonder het boek gelezen te hebben, zelfs mij toch te ver. En nu dan deze, andere aantekening.

De schrijver zelf noemt zijn boek 'een academische studie' en: 'een analyse die het veelvuldig voorkomen van geëngageerde romans in de Nederlandse literatuur sinds de jaren tachtig probeert te verklaren', en nadrukkelijk geen 'literaire positiebepaling' en ook 'geen pleidooi voor geëngageerde literatuur' maar weer wel een pleidooi voor 'een (academische) literatuurkritiek die recht doet aan dat [gesignaleerde] engagement.' (bron: nrcboeken)

Dat is bijzonder leuk van dit boek: het doet inderdaad waar het voor pleit blijkens die laatste hier aangehaalde zinsnede. En dat met een Vaessens kenmerkend opgewekt enthousiasme en breeduitwaaierende, maar somwijlen helaas wel al te ad hoc bijeengezochte argumenten. En daarmee is het toch ook wel een (literaire) positiebepaling. En te weinig een studie, te weinig academisch, te weinig analytisch. Wat Vaessens niet doet (of: niet genoeg, of: niet voortdurend), is op een controleerbare manier gegevens verzamelen, ordenen, analyseren. Hij hink-stap-springt door zijn weinige feiten rechtstreeks naar zijn duiding. Heel vaak heb ik in de marge genoteerd: 'veel', en dan daaronder: '1', bedoelend dat Vaessens een betoogonderdeel start met iets als 'Veel literaire auteurs zullen de stelling onderschrijven dat [...]' maar dat hij vervolgens niet verder komt dan: 'Februari bijvoorbeeld.' (p. 207) Eén schrijver is wel heel wat anders dan veel schrijvers.

Om niet hetzelfde te doen als Vaessens, geef ik wat meer voorbeelden van deze meervoud-enkelvoudretoriek:

'Ook de [!] romanschrijvers zelf hebben enthousiast bijgedragen aan het idee dat romans en auteurs zich liefst afzijdig houden. Zelfs [?] Mulisch werkte dit misverstand in de hand.' (9)

'Ook andere schrijvers [...]. Zo werd Marcel Möring [...].' (10)

'De laatste jaren is nogal eens opgemerkt [...]. [...] schreef bijvoorbeeld Yra van Dijk [...].' (14)

'Steeds meer literaire intellectuelen (schrijvers, critici, lezers) vallen van hun geloof. Zij [...].' (44) (hier ontbreekt de invulling zelfs volledig).

'Postmoderne critici passen deze gedachte ook toe op [...]; ze proberen [...]. Ze lezen [...].' (45) (idem).

'De vertegenwoordigers van de relativistische positie slaagden erin [...].' (47) (hierbij noteerde ik niet 'veel 1' maar, zoals ook elders: 'wie dan?').

'de meeste vooraanstaande schrijvers (Hermans en Mulisch)' (51) (als zij met z'n tweeën al de meeste zijn, kunnen er in totaal maar drie zijn...).

'Toch heeft [...] het bredere debat over literatuur nauwelijks geprofiteerd van de terugkeer van politiek en engagement op de agenda van postmoderne literaire intellectuelen.' (61)

En in dezelfde alinea: 'Het relativistische denken van postmoderne literaire intellectuelen kreeg geen aansluiting bij een breder publiek [...].'(61) (geval van 'wie dan?').

'Het relativistisch postmodernisme in de literatuur(beschouwing) bleef uiteindelijk te veel steken in deconstructie. Men legde zich toe op [...].' (63) (welke men?).

'Naarmate [...] gaan schrijvers zich vaker [...] verzetten. Vooral schrijvers die sympathseerden met de deconstructie van het aristocratische cultuurideaal van het humanistisch modernisme, wat de aanvankelijke inzet van het postmodernisme was. Deze schrijvers willen niet [...], maar ze vechten wel [...]. En ze zien onder ogen [...].' (66) (wie dan, wie dan, vijfmaal: wie dan?).

Ook buiten het boek jongleert Vaessens met gegevens. Zo stelt hij in een interview met Elsbeth Etty, die vroeg: 'Literatuur klinkt toch al eeuwen door in de maatschappij?': 'Mijn boek behandelt een periode waarin dat helemaal niet gebeurde: de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. In de statistieken kun je terugzien dat in romans, kritieken, maar vooral ook in de literatuurwetenschap de ideologische, moralistische of ethische dimensie uit de literatuur werd weggefilterd.' (nrcboeken) Nu is een interview geen academische studie, maar ook in het boek geeft Vaessens zelfs niet het begin van een statistiek, laat staan van 'de statistieken'.

De vrij-zwevende beschrijving van de 'Literaire autoriteit in naoorlogs Nederland' (Deel 1 van het boek), waaruit de bovenstaande verzameling citaten is gesprokkeld, vraagt me om al in de analyse te geloven, voordat ze is uitgevoerd. Hier wordt minder een werkelijkheid beschreven, dan een beeld opgeroepen. Daarom zie ik De revanche van de roman eerder als een essay dan als een academische studie. En er is helemaal niets tegen een essay waarin een beeld wordt opgeroepen van een verleden opdat daarmee een toestand in het heden zou kunnen worden 'verklaard', maar moge het dan ook een essay heten.

Er steekt ontegenzeglijk een thematische eenheid (hier en daar een writer's block maar vooral: engagement) in de besproken romans: Robert Vernooy, De dingen die er niet toe doen - 1989, Frans Kellendonk, Mystiek lichaam; een geschiedenis - 1986, Joost Zwagerman, Chaos en rumoer - 1997, Arnon Grunberg, De asielzoeker - 2003, Marjolijn Februari, De literaire kring - 2007 en Charlotte Mutsaers, Koetsier Herfst - 2008. Maar dat er geen andere schrijvers en titels zelfs maar worden genoemd, doet toch vrezen dat de besproken boeken kundig voor bespreking zijn geselecteerd. Mij fronsen de brauwen als Vaessens schrijft over een 'in fasen' verlopend 'afscheid van de literaire conventies van het relativistisch postmodernisme' (199) en als hij het heeft over 'Schrijvers als Kellendonk en Vernooy' (199), 'auteurs als Zwagerman en Grunberg' (200) en 'auteurs als Februari en Mutsaers' (200), daarmee het achtereenvolgens aanrollen suggererend van drie grote golven van auteursgroeperingen op Neêrlands smalle, geteisterde literaire ree. Zes romans, daar hebben we het over.

Maar ook op een andere manier is Vaessens' betoog niet stevig, althans: niet duidelijk. 'Kennelijk', zo schrijft hij bijvoorbeeld naar aanleiding van een verzameling uitspraken over de demobilisatie van de moderne schrijver met een in dit boek te vaak en niet geheel terecht gebruikt woord, 'Kennelijk was de dominantie van het humanistisch literair discours in de jaren vijftig zo totaal en vanzelfsprekend, dat de ondergraving ervan door het relativistisch literair discours en de postmoderne cultuur ervaren wordt als een dodelijke aanval op de literatuur zelf.' (50) Vervolgens vraagt hij (zich) neo-dialectisch relativerend (af): 'hoe hard kwamen de klappen van het relativisme eigenlijk aan bij mensen die in de literatuur de dienst uitmaakten (schrijvers, critici, leraren)?' En het antwoord is: 'het is beslist niet zo dat hun [d.i. van de leden van 'de literaire elite'] discours vervolgens door de meerderheid van de bevolking als besmet of veracht werd gezien. Zeker niet in Nederland, waar in de jaren zeventig en tachtig de meeste vooraanstaande schrijvers [...], critici [...] en neerlandici [...] er in hun poortwachtersretoriek geen blijk van gaven dat de postmoderne deconstructie van de ideologie van de cultuur erg veel indruk op hen had gemaakt. Hun [...] humanistische positie [bleef] de standaard' (50-51).

Kortom: de dodelijke aanval was niet dodelijk. Er was eigenlijk niet eens een aanval in Nederland. In andere woorden: 'Het postmoderne denken over literatuur werd vanuit de mainstream van de academische beschouwing van de Nederlandse literatuur niet werkelijk serieus genomen, laat staan gepropageerd.' (53) En: 'De discussie werd kennelijk niet urgent gevonden.' (54) Waar hebben we het dan nog over? Wat valt er nu eigenlijk precies te revancheren?

zaterdag, juli 11, 2009

'Context is everything' (John Gouws)

Parys, Zuid-Afrika, 9 juli 2009In het kader van een bijdrage aan de Werkswinkel Vers en Verhaal, over 'Narratiewe strukture en tegnieke in lyriese poësie' bezocht ik, met Lange-Gedichten-partner Dietlinde Willockx (Universiteit Antwerpen), die er ook een bijdrage leverde, op uitnodiging van professor Heilna du Plooy de North-West University, Potchefstroomkampus. Nu is het wat veel gevraagd om voor een lezing van veertig minuten (en het beluisteren en bespreken van de nodige andere lezingen natuurlijk) dik negenduizend kilometer heen en dito terug te vliegen; dus hebben we ook de omgeving daar verkend, samen met collega Ben van Overmeire (Vrije Universiteit Brussel) in een huurautootje, want reizen te voet, per trein en per taxibusje werd ons hartelijk afgeraden. Hoe leuk het nochtans was om in deze gelegenheidsformatie door het noordwesten van Zuid-Afrika te toeren, laat ik aan een ieders verbeelding over, met als aanwijzing dat het inderdaad heel leuk en leerzaam en genoeglijk was. Want inderdaad:

Pilanesberg National Park, 6 juli 2009; wij reden ook in zo'n Toyotaatje Yarusjeen meer van dat soort dingen. Maar onthutsend ook. Vooral dat wat niet in een fotolijstje te vangen is. De diepgewortelde segregatie, de letterlijk angst aanjagende verhalen, de longen- en zieltergende stank van primitieve vuren, walmend over Soweto, de stoffende wegen van weinig meer dan aangestampt zand met keien langs andere townships, de ellende, de barre armoe, de onmacht, de onmogelijkheid je eraan te onttrekken, want je geeft toch een fooi (van niks, de Rand is weinig waard) aan de man die aanbiedt/zegt op de auto te passen terwijl hij niet de parkeerwachter is. En voor we zelfstandig rondtourden reden we, op een zondags uitje, met alle ramen dicht, de deuren op slot en de airco aan in de fonkelwitte Mercedes van Heilna naar de 2000 miljoen jaar oude archeologische wonderplek Vredefort Dome, terwijl het Pianoconcert no. 3 van Rachmaninov vredig op de achtergrond van ons cultureel verantwoorde gesprek voortkabbelde. En er was ook dit:

Kgaswane Mountain Reserve, 8 juli 2009En al die vriendelijke, behulpzame mensen, die je geen moment verloren laten staan: Heilna voorop, en Andries, en Danie, en Bernard, en Hein, en Leon, en Gideon en Dion... Lekker eten (als enige niet-vegetariër van het trio heb ik het zonder tegenzin op me genomen van de biltong te proeven en ook de impala te proberen; je moet de zaken toch van meerdere kanten belichten met z'n drieën), voortreffelijke logies. Zuid-Afrika is (als) een bijzonder, mooi, groot gedicht met een zeer complex en verwarrend verhaal. Ik ben er nog lang niet uit.

zondag, juni 28, 2009

Frans?

Geleend van http://rhinoden.rangerup.com/tag/parachute-jump/Lang, heel lang geleden, in een grijs maar hemels blauw verleden, ging ik in het weekeind 's zomers (waarschijnlijker op zater- dan op zondag, vrees ik) op de fiets (id est: op mijn fietsje) van Zeist, waar ik toen woonde, naar wat nu waarschijnlijk Kamp Zeist heet, maar wat ik toen eenvoudigweg 'Soesterberg' noemde. Het was in de tijd nog vóór de zogenoemde en bij nader inzien zogenaamde 'gastarbeiders', toen een pension bij ons in de straat al bijna evenmin-verantwoord vol was gestouwd met Amerikaanse militairen.

In die dagen, toen Starfighters de zomerse hemel regelmatig aan flarden reten, verwees 'Soesterberg' mij minder naar het gelijknamige dorp dan naar de heerlijke heidevelden daar in de buurt. In die zorgeloze jaren ging ik in hiervoor bedoelde weekeinden graag kijken naar liefhebberende mensen die er genoegen in schepten om uit een sportvliegtuigje te springen en aan een valscherm (ach, wat een mooi, efficient woord) langzaam ter aarde te zijgen. Zo ruischend als zij toen doorgaans landden.

Een enkeling was dat (nog) niet gegeven, en landde, al trekkend en gaandeweg meer rukkend aan lijnen en touwen, met een onbeschrijflijke rotvaart in een boom, die er lol in had om op dat heideveld in bloei of zo maar te staan; of nog erger: zo'n luchtduivel denderde regelrecht richting nonchalant neergepote bungalowtent van een dagrecreant. Zo'n - althans vanuit het oogpunt des valschermspringers onverhoopte - landing ging meer dan eens gepaard van een knetterende wolk van tamelijk ongerichte, maar welgemeende en krachtige verwensingen, afkomstig vanonder het flapperende scherm.

Bij een van die onfortuinlijke gelegenheden - waarvoor ik waarschijnlijk eigenlijk kwam, zoals de Jacky Ickx-adept voor walmend rubber en verpulverde strobalen, zoals de Cassius Clay-bewonderaar voor de ongenadige knock-out, zoals de El Cordobés-volgeling voor de woedende hoorn in de zachte ruggengraat, zoals de Alwin Schockemöhle-volgeling voor de versplinterde balk en de armzalige Julia Mestern-fan voor het dito bot - reageerde een onbekommerde heidevelddagjescampeerder laconiek: 'Zo, daar was geen woord Frans bij.'

Nu is Nederland inderdaad doorgaans zo georganiseerd dat zowel het een (naar beneden springen uit een zich horizontaal voortbewegend luchtvaartuig) als het ander (schuilen voor/tegen iets geheel anders onder een lap katoen, omhooggehouden door wat licht-metalen stokjes) tegelijkertijd mogelijk moet zijn. Dat heet dan: een compromis. Spring niet op tenten, tent niet onder springers. Volgens het internet-WNT:

'znw. onz. Ontleend aan fr. compromis.
1. De overeenkomst een geschilpunt aan de uitspraak van scheidsrechters te onderwerpen.
2. Eene overeenkomst, eene schikking tusschen partijen, waarbij ieder iets toegeeft, en vervolgens: eene handeling, waarbij men, om eenig doel te bereiken, zijne beginselen ten deele prijsgeeft.
3. In eene bet., overigens niet eigen aan fr. compromis, doch wel aan lat. compromissum: eene verbintenis door wederzijdsche beloften, een verbond. Alleen in toepassing op het verbond der edelen uit 1566.'

Kortom: alles goed en aardig, en: samen komen we er wel uit, uit de lucht, uit de boom, uit de tent, van de hei, uit de klei. Maar bedrieg ik mij niet, dan is er de klad in geslopen, zeker nu het sluiten van een compromis meer regel dan uitzondering geworden is, om niet te zeggen: zeer frequent wordt toegepast, beleidsbepalende gedragscode is, zozeer dat er een zelfs werkwoord voor verzonnen is, dat op zijn beurt weer, zoals alle werkwoorden die wat te zeggen hebben, een tegenwoordig deelwoord heeft. De betekenis daarvan echter is heel..., hoe zeg ik het zonder te vervallen in een woordkeus als van die valschermzandruiter? Volgens hetzelfde woordenboek betekent het:

'Blootstellen, t.w. zijn of iemands goeden naam; zich of iemand in opspraak brengen; het er naar maken dat men of dat iemand blijkt betrokken te zijn bij eene zaak, waarmede zijn goede naam, positie of veiligheid gemoeid is.' Dat werkwoord is net als 'compromis' ontleend aan het Frans, aan 'compromettre'. Compromitteren.

Gênant, klinkt het vanonder het taalvalscherm.

zondag, juni 21, 2009

Via (lang) gedicht naar roman

Dit is niet de plaats om een uitgebreide evaluatie te noteren van de Workshop Lange Gedichten. Als je daar meer over wilt weten, had je er maar bij moeten zijn. Met bruut voorbijgaan aan de bijdragen van Lotte, Jan-Willem, Johan, Hans, Yves, Kim en Paul, over allerlei uiteenlopende soorten teksten (van gedichten tot bijna proza, van klassiek tot postmodern) van uiteenlopende lengte (van net honderd regels tot vele duizenden) uit allerlei perioden of tijdvakken (van vroeg-negentiende- tot laat-twintigste-eeuws), die de workshop inderdaad het gewenste veelvervige karakter gaven dat Dietlinde en mij bij het plannen maken toelachte, licht ik er de voordracht van Callahan door Onno Kosters even uit, de enige niet-beschouwende bijdrage die alleen al daardoor bijdroeg aan het palet. Ik geloof niet dat ik iemands mening in de verdrukking breng als ik zeg dat dat een klaterende voordracht was.

Nu ik weet hoe deze poëzie klinken kan, ga ik de bundel waar dat gedicht in staat, Callahan en andere gedaanten, toch maar weer eens herlezen. Ik dacht namelijk tot voor kort dat ik De grote verdwijntruc veel beter vond. Maar misschien klopt dat niet helemaal. Relatief dan, want ik vind die Grote verdwijntruc wel een heel goede, intrigerende bundel. Flarden ervan zweven door mijn hoofd. Aangenaam.

En via de bundel, meer in het bijzonder het gedicht 'Il Gattopardo (Vrij naar Visconti)' werd ik op het spoor gezet van De tijgerkat van G. Tomasi di Lampadusa, een vertaling door Anthonie Kee, waarvan dit jaar de dertiende druk verscheen in een kloeke Athenaeum-Polak & Van Gennep-pocket van 312 bladzijden.


Ik ben pas op een derde, dus daar ga ik nog niks over zeggen, anders dan dat ik soms denk: heeft Rosenboom het van Tomasi di Lampadusa geleerd?

Maar wat op pagina 106 even tegenviel, was de wel heel slechte letteruitvoering, alsof er een afdruk van een pdf-versie van een fotokopie in terecht is gekomen. En 106 is niet de enige pagina die bepaald onder de maat is qua 'zet'- en 'druk'-werk.

Klik erop en vergroot, dan zie je wat ik zag
Maar daarover niet gezeurd: het is een wonderlijke, eigenaardige historische roman, met een soms heerlijk ironische afstand nemende verteller, die vanuit 1958 neerblikt op het gedoe en het gebrek aan doen in 1860, en voortdurend ruim de tijd neemt om mensen en situaties te beschrijven. Je moet dit boek in ieder geval niet gehaast lezen, zeker het begin niet.

Maar, ay, de dagen worden al weer korter!

vrijdag, mei 29, 2009

dialogen die knetteren als de op hol geslagen bedrading in verhitte hoofden

Het schrijven van een juryrapport is een vak apart. Je moet het kunnen, als je het doet. Er zijn jury's die het niet kunnen. Die zouden het dus niet moeten doen. Maar helaas: die dopen des niet tegenstaande een harkje in een teiltje gouden uilenzeik en krabbelen daarmee op een velletje papier. Of zo.

Dialogen die knetteren. Een metafoor, mag je hopen; appelleert aan: de vonken springen ervan af. Dat zegt men, als men iets erg goed vindt. Ieder zijn mening (laten we die vrijheid vooral houden, maar ook: laat een officiële jury proberen die mening goed te formuleren). Verder: als de op hol geslagen bedrading. Een vergelijking, althans, zo zal dit stukje taal bedoeld zijn. Bedradingen slaan doorgaans niet op hol; bedradingen zijn materiële dingen die door mensenhand zijn aangelegd en dus ergens liggen: gevlochten metaal met plastic eromheen, of koper met een andere kunststof. Pony's en paarden en andere gedresseerde dieren zijn tot op hol slaan in staat; het betekent dat de berijder er geen controle meer over heeft; deze bijt dan vaak ten gevolge daarvan in het zand. Zandruiter. Onbenul. Minkukel. Vraag het Van Grunsven. Verder: bedrading die knettert, is niet goed aangelegd en/of niet goed geïsoleerd. Hoe dan ook: ondeugdelijk. Of er staat te veel spanning op. Ook dan deugt er iets niet, zo niet aan de bedrading, dan wel aan de bedrader of de gebruiker van de bedrading. Net zoals op hol slaan duidt op 'bestandig onvertoon of minnen functioneren' (I.L. Pfeijffer, 'Gebruksaanwijzig') . Voort, voort: verhitte hoofden: weer een metafoor, maar weer uit een ander domein genomen. Verhitte hoofden zijn hoofden waarin te veel tegelijk of in een keer gebeurt, denk ik; hoofden die lijden onder een overcapaciteit aan te verwerken indrukken bijvoorbeeld. Hoofdpijn des zandruiters. Wat dan bedrading in een hoofd is... weer een andere metafoor? Om een robot te omschrijven? Willy Wortels Lampje met zware migraine?

Wat een gehypertrofeerde nonsens. En als je dan het boek leest, waar het betrekking op heeft, dat vol staat met de meest bloedeloze, armetierige, zwaar aan taalschraalte lijdende klets- en leuterpraat via met merknaam en type-aanduiding genoemde mobiele telefoons, via MSN en in kroeg of disco of thuis aan de steeds weer opnieuw - in een verkrampte poging tot toepassing van een humoristisch procédé - met zo veel woorden genoemde Jan des Bouvrietafel...

David zegt:
ik ga een tijdje weg
David zegt:
naar Amerika
David zegt:
overmorgen
Naomi86 zegt:
wat jij wil

en dat dan anderhalve bladzijde lang voortemmerend, en tienmaal opnieuw in een blijkens een op het omslag van de inmiddels tiende druk aangebrachte, aan de NRC ontleende blurb 'uiterst vermakelijk[e]' roman, die zo ontzettend déjà Kluun après la lettre is (in de visie van de Gouden Uil-jury: 'op een manier die: / verfrissend en nieuw is') en dus een flinterdunne narratieve kern heeft, die eindeloos en nogmaals is uitgewalst over tweehonderdzesentachtig stierlijk vervelende bladzijden vol herhalingen van merknamen en andere onbenulligheden en al te kortzichtig geconstrueerde karikaturen, alles onder leiding van een zich in zelfmedelijden wentelende, zogenaamd eenentwintigjarige, good old Hildebrand in neerbuigende betweterigheid verre overtroev- en -treffende ik-verteller, die alle begrippen die hij wél kent uit de wereld van 'de mensen die ze allochtonen noemen', uitlegt aan de - evident witte en onbenullige - geïmpliceerde lezer... doet je luidkeels brullen om de Gouden Doerian.

'Ik zou ook hardop dingen kunnen zeggen die iedereen eigenlijk al wist, maar het lukte me niet.' (p. 200) Dan kan je het dus niet, ik-verteller David. Je zou het dus niet kunnen. Maar welaan: 'Een boek dat je dooreenschudt.'

'een zilverkleurige Samsung E800-mobiele telefoon in haar - ik dacht - cup 90E decolleté.' (p. 44) Geinûhg! 'Nederlands dat swingt als een Afrikaanse tiet'. Ammehoelah.

En wat ik helemaal niet vat: door die Uil wordt dit boek ('dit vlammende fresco over het precaire work in progress dat samenleving heet', dixit de jury) op één lijn gezet met nota bene Marc Reugebrinks Het grote uitstel.

zondag, mei 17, 2009

Dat zijn zo de lammigheden des levens...

... pleegt, in geval van onverhoopt malheur, mijn oude moeder te zeggen, tekst, troost en moed puttend uit een bodemloze bron. Zie, wat me vandaag overkwam, gelukkig aan het eind van de productie, dus zonder schade aan het avondmaal:

Pizzazerk

Mijn terracotta pizzasteen pardoes in twee gebroken, al bakkend in de oven.

Waar, gelukkig, weer een brok tomeloze, zij het ook handgeleide, natuur tegenover staat:



Vorig jaar één enkel peertje kunnen oogsten (nee: in aller ijl moeten oogsten om de wespen voor te zijn), maar dit jaar... alleen al tegen dit klein stukje onzer muur de kracht der Conference: vierentwintig popelende peren. Wij zijn nog lang niet op de helft van het pad van ons leven.

woensdag, mei 13, 2009

Op een kluitje, met progressie

Lang geleden, in juli 2006, las ik een boek dat handelt over een aantal mensen die, door omstandigheden, bij elkaar in een vakantieverblijf terechtkwamen. Het boek met dit magere gegeven (het loopt inderdaad niet goed af) was niet goed. En dat is een wel erg ruimhartige formulering voor een huiveringwekkende lectuur. Ik heb het over Mirjam Boelsums, In zeven dagen (Augustus, Amsterdam-Antwerpen 2006). Ik las het niet, ik moest het lezen wegens juryverplichting, vrijwillig op me genomen, en schreef er een rapportje over dat ik op het internet zette. Jeugdzonde.

Acht maanden later las ik een boek dat handelt over een aantal mensen die, door omstandigheden, bij elkaar in een vakantieveblijf terechtkwamen. Het nog steeds magere gegeven werd hier in een verrassender verhaal met boeiender personages uitgesmeerd over, afgaande op de hoofdstuktitels, twaalf dagen. Het boek was goed geschreven, al was het nog niet echt mijn soort boek. Ik heb het over Adriaan Jaeggi, Edele dieren (Nieuw Amsterdam 2007). Ik las het graag, niet alleen omdat ik een weelderig, met violette inkt gesigneerd exemplaar van die boomlange, anekdotenvolle Adriaan kreeg (of: ik kocht het en hij signeerde het even zwierig als ware het een geschenk, dat kan ook; weet ik niet meer; doet er niet toe). Van dat boek is, heel decent, geen spoor terug te vinden in mijn leesdagboek, waar ik toch werkelijk heel trouw alles probeer te boekstaven van mijn leesavonturen; zelfs niets in de index; niks. Ik zal het eerdaags herlezen, bij wijze van herdenking van Adriaans eerste sterfdag (zeg je dat zo?)

Drie dagen geleden las ik een boek dat handelt over een aantal mensen die, door omstandigheden, bij elkaar in een vakantieveblijf terechtkwamen. Het fundamenteel magere gegeven wordt hierin toch al weer sterker, of ter wille van een boeiender thematiek, uitgewerkt in drie zeer uiteenlopende delen, met verschillende, zij het ook vermoeiende focalisaties (licht beneveld, zwaar beschonken of garnalen stoned is het uitzich op de wereld hier voornamelijk). Ik heb het over Jeroen Olyslaegers, Wij (Meulenhoff-Manteau, Amsterdam-Antwerpen 2009), van de drie het mooist vormgegeven boek ook. Het boek heet wel Wij, maar het eerste deel heet 'Zij' en het laatste 'Gij'; alleen het middelste deel heet 'Wij'. Daar gaat het ook over. Ik las het overigens in eerste instantie omdat ik Wij van Elvis Peeters zo afstotelijk, en irritant, en kunstmatig provocerend, en flagrant stilistisch armoedig vond, dat ik het niet uit wenste te lezen; en tijd over had voor een ander. Dat bleek de weg naar een intrigerende roman.

vrijdag, mei 01, 2009

Woordensalade / Word salad / Wortsalat

Zomaar een citaat:

'Het boek loopt momenteel het gevaar überhaupt niet serieus gelezen te worden. Dat zou zonde zijn, want het debat erover verdient het serieus gevoerd te worden, zij het wellicht op scherpere wijze dan [de auteur] dat in [zijn boek] zelf doet. Wij maken ons hier hard voor de urgentie van dat debat en zullen proberen een eerste aanzet te geven tot een in onze ogen meer productieve invulling ervan.'
(bron via bron)

In partjes:

- 'Het boek loopt momenteel het gevaar überhaupt niet serieus gelezen te worden.'

'Momenteel' betekent: 'nu'. De aangehaalde zin gaat uit van de veronderstelling dat het lezen van het boek op andere momenten anders was of zal zijn. De lezer die dus even wacht, loopt niet het gevaar het boek niet serieus te lezen.

- 'überhaupt' is een Duitse stoplap, beter: Duitstalige discursieve blingbling, met als Nederlandse, even nietszeggende equivalenten: 'dan ook', 'doorgaans','in het algemeen' en 'over het algemeen' (bron: gemakzucht)

- Als een boek het gevaar loopt niet serieus gelezen te worden, is dat dan een verwijt aan de lezers (van toen, nu, of straks), of aan het boek (ergo en bij implicatie: de schrijver)?

- Aansluitend op het voorgaande: wat is de relatie tussen 'Dat zou zonde zijn' en 'het debat erover verdient het serieus gevoerd te worden, zij het wellicht op scherpere wijze dan [de auteur] dat in [zijn boek] zelf doet.'? Er staat 'want' tussen, maar het is de vraag of dat woord de logische kant raakt dan wel de redeneerkunstige wal. Ik vrees voor geen van beide. Boem is ho, plons is water.

- Hoe voert in des hemels e.t.q. naam een auteur het debat over zijn eigen boek in dat boek? Of wordt hier wellicht bedoeld: voedt? Maar dan nog...

- Is het zinnig een serieus debat te voeren/voeden over een boek waarover het debat niet serieus gevoe(r)d wordt en waarover de auteur in het boek zelf het debat al niet scherp voert/voedt, en zo ja, is de hierboven aangehaalde tekst daarvan een goed (= serieus) voorbeeld?

- Hoe serieus wordt een boek genomen als lezers zich hard moeten maken voor de urgentie van het debat dat niet serieus genoeg over het boek gevoe(r)d wordt en ook niet scherp door de auteur?

- Hoe productief is een aanzet tot een debat als dat gesteld wordt in termen zoals hierboven aangehaald?

- Hoe zinnig zijn discussies op internet?

- Wie leest dit?

- Waarom schreef ik dit?

donderdag, april 30, 2009

Vormen van canonisering

Willockx, Boom, roos, vis

Gisteren met collega Van der Poel naar Antwerpen gegaan om de presentatie bij te wonen van het boek van Dietlinde Willockx, Boom, roos, vis; natuurpersonificaties als leesmethode voor de poëzie van Guido Gezelle. Daarmee (met dat boek, bedoel ik) wordt Gezelle weer verder gecanoniseerd, voor zo ver dat nog mogelijk is, natuurlijk.

Omdat Antwerpen een heel aangename stad is, hebben we er een B&B-overnachting aan geplakt (wat reuze praktisch was, want het bleef nog erg lang gezellig in café De Kat, met tal van letterlievende lieden). De volgende dag, gelukkig nog onwetend van wat voor een vangodverlaten dag dit in Nederland zou worden, kwamen we al wandelend, met stralend weer, en zoekend naar een leuk kastje voor op de overloop en nieuw glasservies, we op een plaats die door de literatuur vereeuwigd is:

Kloosterstraat...

Maria van Dam woont er (nog steeds) niet. Het stedelijk informatiecentrum archeologie en monumentenzorg is er gehuisvest.

... 15

[Maar sapperloot... wat me vandaag, dat is 28 juni 2009, gewerd: 'Mag ik je erop attent maken dat de Elsschot-studie inmiddels óók al heeft uitgewezen dat het huidige nummer 15 pas vanaf 1984 bij het Mercator Orteliushuis hoort? Als je de volgende keer nog eens in Antwerpen bent, moet je aan de overkant wezen, waar op nummer 16 een ‘marchand d’oiseaux’ gevestigd was. Voor alle onduidelijkheden en complicaties rond deze toeschrijving verwijs ik je gaarne naar Het Dwaalspoor van Eric Rinckhout, want geheel zeker is het nou ook weer niet. Wel dat jij en collega Van der Poel in ieder geval verkeerd stonden.' Hartelijk dank, Peter de Bruijn. Bijna zou ik zeggen, dat we dus wel goed stonden, maar kennelijk volkomen de verkeerde kant op keken. Wat het alleen maar erger maakt. Kan ik dit archiveren onder: Trial and error? Of moet het onder: Miskleun?]

Op een heel andere plek deed 'de straat' op eigen wijze zijn best bij te dragen aan een nieuwe literaire canonvorming:

Elsschot, Vandeloo, Conscience, Van Ostaijen en Hazeu

donderdag, april 23, 2009

Valies met dromen? U'd!

Afgelopen dinsdag om 19.07 vertrokken van Utrecht Centraal naar Amsterdam dito over 't spoor door een schitterende zon-overgoten weidelandschap op weg naar wat - achteraf - zo niet een goeddeels klompbrekende, dan wel een sarongscheurende avond over literaire kritiek bleek te zijn (brrrr) met Michel Fabers Onderhuids op zak... het soort roman waar ik eigenlijk niet, nee: nooit naar zou grijpen in de boekwinkel (als ik al in de betreffende niche kom...), maar die (d.w.z. de Nederlandse vertaling ervan in een heerlijk soepele pocket van een tientje) ik kocht louter omdat-ie van Michel Faber is ('k las eerder op vakantie de vuistdikke roman Lelieblank, scharlaken rood en de ijzersterke korte verhalen van onvervalst Engelse snit The Fahrenheit Twins). En zie: raak, in de roos, bingo. Wat een idioot intrigerende roman, die heel gewoontjes begint, met een vrouw die vrij obsessief stevig gespierde, mannelijke lifters meeneemt, maar die steeds verder ontspoort en wordt tot een maf en gruwelijk soort science fiction-achtige anti-bio-industriethriller (ha: de geboorte van een genre!).

Voor ik kon verderlezen, maakte een jonge man plaats voor mij, door een nogal vreemd gevormde koffer te verschuiven, zo'n ding waar een muziekinstrument in zit. Nimmer te beroerd om wildvreemden aan te spreken, vroeg ik de kennelijke eigenaar: welk instrument? Iets luiterigs, had ik in mezelf gegokt (en ik kreeg het woord 'luthier' weer in de geest dat dochter en ik een tijdje terug in de buurt van ons hotel in Parijs, bij Gare Saint-Lazare, op talloze etalageruiten hadden gezien).

Deels raak gegokt.

Een Arabische luit, een U'd. Hier werd het ijs me te glad onder de voetjes, want ik weet van muziek zo weinig dat het aan niets grenst; wat me er niet van weerhoudt er graag naar te luisteren. Bij doorvragen was de muzikant zo vriendelijk mij zijn kaartje te geven, waarop een web-adres met nadere informatie. Hij vertelde er alvast wel bij, dat hij met zijn muziek een brug probeert te slaan met wat ik dan maar noem meer westerse muziek. Geen hardcore U'd, dus.

Klopt. Klik maar op audio op zijn site. En zo kon ik dankzij de trekschuit der 21-ste eeuw, een visitekaartje als intermediair, en het internet weer iets bijleren. Hartelijk dank, Haytham Safia.

zondag, april 12, 2009

is een roman dus een geschiedenis

http://home.hetnet.nl/~arthur.wevers/Zo, lieve lezer, luidt de eerste regel van het gedicht op bladzij 126 van Artur Wevers' debuut Bittergarnituur (Uitgeverij Contact, Amsterdam 2009). Het is, u las de krant dus weet dit al, een roman in verzen, geschoeid op de leest van bijvoorbeeld Jewgeni Onegin van Aleksandr Poesjskin uit 1833 (lees die prachtige vertaling door W. Jonker, verschenen bij uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 1989), maar het had ook Vikram Seths The Golden Gate kunnen zijn (uit 1986, waarvan ook een vertaling verscheen bij Van Oorschot, in 1995). Alledrie de boeken bevatten louter veertienregelige gedichten met een spijkerhard volgehouden rijmschema (ababccddeffegg). In alledrie de gevallen kan je nauwelijks spreken van sonnetten, omdat er een ongebruikelijk rijmschema wordt gehanteerd, omdat er geen wending in de gedichten zit en omdat de regels en de gedichten enjamberen dat het een aard heeft. Waar Poesjkin en Seth zich gebonden weten aan een goedgehanteerd jambisch metrum en regels van vier versvoeten, maakt Wevers doorgaans gebruik van een vrije vorm van vijfvoeters, of: tienlettergrepige verzen, althans regels. Maar wat dictie, taalgebruik en klankspel en beeldenrijkdom betreft en ook wat werkelijk ritme betreft, liggen er weinig vlammetjes tussen deze bitterballen die uiterst weinig met poëzie te maken hebben. De regels zijn doorregen met spreektaalachtige schrijftaalarmoedige tussenvoegsels als 'dus', 'eigenlijk', 'best wel', 'een soort', 'nou ja' en noem al die chicklitterige kletsklontjes maar op.

Dus toen ik in de NRC van 10 april 2009 de boekbespreking door Ilja Leonard Pfeijffer zag met de titel: 'En toen zag ik dat al mijn zinnen metrisch waren', verwachtte ik een magistraal stukje scherpe poëziekritiek van deze bomberende dichter-criticus, die zo vaak zegt dat (zijn en andermans' en -vrouws') goede poëzie moet Zingen. Maar neen, hij vindt weliswaar dat 'hele stukken van het boek [...] ongelooflijk geouwehoer' zijn, maar 'Dit soort passages zijn het allerleukste aan het boek', zijns inziens. Hij noemt het boek uiteindelijk 'niet alleen vermakelijk, maar ook intelligent en bijzonder.'

Nu kan ik me - het is mooi weer, ik heb een dagje vrij en lekker uitgeslapen, en de Here staat weer op - me wel vinden in die kwalificaties: een boek dat het verhaal vertelt van ene Chris die redacteur is bij een literaire uitgeverij en die uit geestelijke en sexuele armoede besluit om een autobiografische roman te schrijven waar dan ene Arthur Wevers als tegenspeler in optreedt met wiens vriendin Wendy Smidt hij (die Chris) zeer vleselijk de liefde bedrijft, is wel vermakelijk.

Om zo'n plotje te verzinnen en uit te werken, en daar steeds weer rijmwoorden bij te vinden, moet je misschien wel intelligent zijn (het boek is dat, lijkt mij, niet; in tegendeel: het zwenkt inhoudelijk tussen zogenaamd filosofische overwegingen over schrijven en zijn enerzijds, en platte, misogyne porno anderzijds; nogal vervelend, en nog vervelender is dat dit het soort verteller/auteur is dat zegt dat zulks ook de bedoeling is).

En bijzonder mag het ook wel heten, als in: zo heel erg veel rijmende romans zijn er niet naast Jewgeni Onegin, The Golden Gate, Fredy Neptune, Berliner Lullaby, De haren van Jeanette, De goddelijke komedie. En het is een mooi vormgegeven boekje, met een leuke omvang van 12 x 18 x 1,8 cm, en met een ruime bladspiegel, waardoor je niet kan zien dat elke bladzijde volstaat met een witregelloze sonnetoïde. De nummers van de 23 hoofdstukken staan met grote grijze cijfers door de tekst heen gezet (die Melle Hammer doet leuke dingen voor Contact).

Maar wat de inhoud betreft is wel heel erg gemaakt, tamelijk grof en plat, en wat de vorm betreft bepaald niet poëtisch.

Hij sloeg zijn regenjas dichter om zich heen
en stak zijn sjekkie aan. 'Wat een kloteweer!
Maar waarom ben je toen nou niet meteen
bij Jan gaan wonen? Had je maar één keer
hoeven te verhuizen... Ik bedoel, nu ja...
niet dat ik het nou...'Hij dacht even na.
'Maar in elk geval had het ons allebei
een hoop gezeik bespaard...'Het leek of hij
grijzer was geworden. Hij keek me aan.
'Tsja, weet ik veel, ik bedoel, met Suzan
hier om de hoek,'zei ik, 'en dan met Jan...
of dat nou zo lang goed zal blijven gaan...'
'Ja, jezus, wat een zeikerd zeg... maar goed...
dan had ik Esther misschien nooit ontmoet...

Dat staat bij voorbeeld op p. 269, op drie na de laatste pagina. Niet wat ik noem een spannende, aangrijpende, stevig geformuleerde tekst. De woorden 'nou', 'nu ja', 'even', 'Maar', 'Tsja', 'ik bedoel', nog eens 'nou', 'Ja', 'maar goed' zullen allemaal wel lekkere spreektaal nabootsen, maar in een gedicht zijn het lelijke, betekenisloze stoplappen.

Tsja, zo gaan die dingen in het leven.'
In gedachten staarde hij naar de sneeuw
die gejaagd en wild werd voortgedreven
door de harde wind. Hij bedwong een geeuw
en verzuchtte op een zeurderige toon
die grappig was bedoeld: 'Het heeft gewoon
zo moeten zijn... Ja, ja...' Daarna wendde hij
zijn ogen van de sneeuw naar mij en zei:
'Maar het einige wat ik dus niet snap
is hoe het nou toch in godsnaam kan...'
Hij aarzelde. 'Ik bedoel, dat Suzan...
Nou ja... Het is ook wel een goeie grap,
achteraf bezien, dat ze nou juist
op de dag waarop Wendy was verhuisd...'

Zo luidt het volgende gedicht, of: de tekst op de volgende bladzijde. De eerste regel is misschien grappig bedoeld, maar komt op mij uiterst krachteloos en machteloos over, ook als spreektaaluiting. Daarna komt een overbodige beschrijving van sneeuw, die niet alleen gejaagd maar ook wild wordt voortgedreven, met als toelichting dat dit gebeurt door de wind, nee: door de harde wind. Op 'sneeuw' rijmt niet veel, dus geeuwt de spreker maar eens. En dan komen er weer wat spreektalige vulsels: 'gewoon', 'Ja, ja', 'dus', 'nou toch', nog maar eens 'Ik bedoel', 'Nou' en 'ja' voor de variatie bij elkaar gezet nu, 'ook wel', en ook nog maar weer eens 'nou'. Nietsbeduidende woorden.

[Via een college over lange gedichten verplichtte ik mezelf (en anderen, waarvoor excuses) het boek (nog) eens te lezen. Het oordeel werd er - 27 juni 2009 - niet beter op. Wat een potsierlijke, met meligheden opgedirkte, nietszeggende flauwekul. Uit balorigheid en geërgerd door het gezwatel ben ik gaan tellen. Op tweehonderdzeventig pagina's tekst met elk veertien regels, summa drieduizendzevenhonderdtachtig regels, dertigmaal 'nou ja', vierenveertigmaal 'gewoon', achtenveertig keer 'eigenlijk' en tweehonderddrieënzestig keer 'maar'.]

Vertellen in poëzie gaat anders. Het kan beter. Als je de eerste strofe (toevallig veertien regels) leest van Hyperion van Keats (meer hier):

Deep in the shady sadness of a vale
Far sunken from the healthy breath of morn,
Far from the fiery noon, and eve’s one star,
Sat gray-hair’d Saturn, quiet as a stone,
Still as the silence round about his lair;
Forest on forest hung about his head
Like cloud on cloud. No stir of air was there,
Not so much life as on a summer’s day
Robs not one light seed from the feather’d grass,
But where the dead leaf fell, there did it rest.
A stream went voiceless by, still deadened more
By reason of his fallen divinity
Spreading a shade: the Naiad ’mid her reeds
Press’d her cold finger closer to her lips.

Milton wist het al, en Keats heeft goed naar hem geluisterd: rijm is 'no necessary Adjunct or true Ornament of Poem or good Verse, in longer Works especially, but the Invention of a barbarous Age, to set off wretched matter and lame Meter'. Dat scheelt.

Keats' tekst begint al met een antimetrie die het woord benadrukt dat aangeeft dat we hier niet zo maar over een dipje in een dalletje lezen; 'shady' assonneert met 'vale' en allitereert met 'sadness': de woorden worden inhoudelijk en naar de vorm op elkaar betrokken, ze staan daar niet wat te lummelen in een toevallige regel. Ze drukken met z'n allen iets uit. En: 'sadness' is geen beschrijving van het onderwerp, maar van de plaats waar hij zich bevindt. Maar dat onderwerp is nog niet genoemd. Dat gebeurt ook nog niet in regel twee, want daarin en in regel drie wordt in een constructie van herhalingen een nadere bepaling gegeven: 'Far sunken from [...], Far from [...] and [...]': hoe verder je komt, hoe minder er staat van die constructie: eerst valt 'sunken' weg (zodat de alliteratie met 'fiery' te beter uitkomt), en dan ook 'from': woorden die niet meer nodig zijn omdat je ze ten gevolge van de klassieke drieslag (in een chronologische opsomming) zelf wel in kunt vullen. Geen woord te veel. Pas in regel vier, dus verzonken in de regels van de tekst, zie we de van zijn troon gestoten Saturnus, 'roerloos als een steen', zoals W.W. van Lennep dat in 1879 vertaalde. Met s-klanken die de stilte duiden, wordt Saturnus' beroerde toestand verder beschreven. Niets beweegt, zelfs de lucht niet: er is geen geluid. Totale inertie van Saturnus en om Saturnus. En dat niet alleen: ook volkomen onvruchtbaarheid: geen zaadpluis zal er verwaaien. Waar het dode blad (aan het andere eind van de vegetatiecyclus) viel, bleef het liggen. Dit is poëzie waarnaar je moet luisteren en die je een beeld voor ogen tovert als je de woorden tot je neemt.

Vergelijk dat met de opening van Bittergarnituur:

Iets langer dan een halfjaar geleden,
dat was in 2008, in de tijd
dat ik helemaal was afgegleden
naar de bodem van het voldongen feit,
gebeurden er verschillende dingen
die amper met elkaar samenhingen
en die uiteindelijk ook allemaal,
op zichzelf genomen, als triviaal
en nikszeggend te omschrijven waren,
maar die zich wel zo samenvoegden dat
ik vermoedde dat er iets achter zat,
een zin die de toestand kon verklaren,
en dat terwijl zo'n verband er misschien
dus echt niet was. Hoewel...we zullen zien.

Waartoe die onduidelijke ('Iets langer dan') en tegelijk precieze ('een half jaar geleden') tijdsaanduiding, die in de tweede regel om zeep wordt geholpen, doordat de verteller blijkbaar had kunnen volstaan met: 'In 2008'. Vervolgens blijkt ook dat niet van belang, want het gaat erom dat de verteller moreel aan de grond zat. Helaas weet hij dat niet te zeggen. Want wat is 'de bodem van het [niet genoemde] voldongen feit'? Hoe glijdt een mens daar naartoe af, en waarom moet daar dan 'helemaal' aan worden toegevoegd? En wat gebeurden er in 2008? Dingen! Dingen? Dingen.

maandag, maart 23, 2009

Appendix: Litteris Neerlandicorum (moderniis) professionalibus

Flauw, erg flauw, zelfs cum grano salis (zeker dat onuitroeibare post-gymnasiale nep-neo-Latijn). Maar toch. Als je met betrekkelijk rudimentaire zoeksleutels - zoals plaatsnaam + discipline + persoonsachternaam - (en wie hanteert die, door tijdnood gedwongen, niet) op zoek gaat naar wat in een gespecialiseerd beroepsveld wel heet CRIASMDL (Corporation Relatated Professionalised Information in Academic Studies of Modern Dutch Literature), kom je, zonder al te diep de eerste pagina met vindplaatsen door te scrollen, op de volgende, wel uiterst gevarieerd samengestelde professorale almanak:

RUG en RUG
RUN
UL en UL
UM, maar waar een wil is, is de weg naar UM
UU
UvA en UvA en UvA
VU

Het kan natuurlijk ook het nodige onthullen betreffende mijn onbenullig en onvolledig zoekgedrag.

Opmerkelijk overigens dat men het aan de RUG van belang acht te expliciteren van welk geslacht de hooggeleerde is.

Opmerkelijk verder dat men aan de UL in het Nederlands begint, met de aanduiding 'functie' en dan naar ik aanneem in het Engels verdergaat met 'professor', want in het Nederlands is (of wellicht: was) 'professor' een aanspreekvorm, geen functieomschrijving; dat laatste is: 'hoogleraar'.

Ten derde is op te merken dat aangaande de UU de officiële universitaire informatiepagina ver te zoeken is met de genoemde termen, maar dat het aantal relevante hits overstelpend is. Web presence, heet dat, geloof ik.

Blijven opletten

VU-blog 23-03-2009Oftewel: Fama Crescit Eundo (pace Van Dale). Omdat ik het goede oude toeval nog graag een kansje gun hier en daar ruimhartig in te grijpen in het dagelijkse leven, planeer ik soms zo wat op de brede zee der digitale nieuwsvoorziening. En kijk, dan kom je ook wat tegen. Het VU-blog kende ik al wat langer. Het is een weliswaar openbaar te bezichtigen, maar niet erg een baken, want kennelijk een alleen of vooral voor intern gebruik bedoeld prikbord (zelfs in academie-Engels niet juist om te zetten tot: prick board); een digitaal instituutsmededelingenblaadje; vroeger werden die dingen gestencild en bij de uitgang van het gebouw neergelegd.

UvA-blog 23-03-2009Maar ik zie nu pas dat in deze vaart der universitaire volkeren er ook een UvA-blog is; dat is veel meer een algemeen en literair informerende en discusiërende gespreksplek; het ding is dan ook inter-, en bijna hyperactief volgehangen met allerlei doorverbindingen naar tal van andere sites en blogs en wat al niet onder het AVRO-kopje 'Vinger aan de pols'. Het is de kunst om daar als neerlandiblogger tussen te geraken (aanmoediging voor Leienaren, Grunningers, Nimwegers e.t.q.) De nieuwe canon. Met alle in- en uitsluitingen van dien: VU vermeldt UvA niet, zoals UvA VU niet noemt. De vroolijke hermeneut ziet alles, op den duur.

dinsdag, maart 17, 2009

Pracht-editie

Eerlijk gezegd ben ik met m'n suffe/surfende kop vergeten hoe ik er terecht gekomen ben, maar ergens op het internet (niet onaannemelijk De papieren man, waar ik wel vaker even aanleg)[maar zie inmiddels de reactie van De directeur van Het artistiek bureau; ongetwijfeld correct: daar meer ik ook vaak even af. Bewijsstuk.] staat een mogelijkheid om een weliswaar volkomen zinloze, maar niet minder fraaie leeseditie te bestellen van De sadist; pornografiese novelle (niet) van G.K. van het Reve. Zinloos, omdat het verhaal toch niet van Reve is/blijkt/schijnt; ook omdat de tekst van een droefstemmend laag literair peil is; zinloos ook omdat de oorspronkelijke tekst in pdf-formaat toegankelijk is (hier). Maar hoe minder zin iets heeft, des te mooier kan het zijn.

Ik heb een van de 70 exemplaren ongezien besteld en daags daarna ontvangen. Een schoonheid van een uitgaafje van De Uitvreter (Woold - 't Harkel). Zes vliesdunne A-5 velletjes (45 grams houtvrije Bankpost) in een donkerbruin omslag. En alles gezet uit een quasi-typemachineletter (8 punts Typewriter).

In het colofon wordt het dingetje heel netjes een leeseditie genoemd, een term die als volgt wordt uitgelegd: 'met stilzwijgende correctie van tik- en andere fouten, negeren van het uitbundige gebruik van de caps lock-toets, en vervanging van het storende "mij" (p. 1 "Een van hen kwam naar mij toe") door "hem".' Of dit helemaal door de beugel van het Huygens Instituut kan, betwijfel ik. Alleen al de ondertitel, die luidt in het origineel 'pornografise roman'; is dat een spelfout, een tikfout of een stilistische eigenzinnigheid, of een poging een Reviaans stijleigen na te bootsen? Men kan niet voorzichtig genoeg zijn op dat gebied.

In het colofon wordt het uitgesloten geacht dat Reve echt de auteur zou zijn; daarom blijven er ter uitgeverij vijf exemplaren van deze editie gereserveerd voor 'de echte schrijver'. Maar die zal zich nooit bekend durven maken, want een regel verder wordt het werkje een 'niet geslaagde pastiche' genoemd.

Maakt allemaal niet uit, wat mij betreft. Het is een schitterend uitgaafje. Om te hebben, en voorzichtig op te bergen. De uitvreter maakt, dat spreekt, meer fraai werk (zie hier).

woensdag, maart 04, 2009

Voorjaarsschoonmaak

Dubbend, twijfelend, pieker- en peinzend, het kopje geknikt op een schouder, de beide voeten voorzichtiglijk neven elkander op een gevaarlijk draaibaar krukje, liep ik (metaforisch dan, want vooral met de ogen) vanmiddag de ruggen der boeken in de studeerkamer weer langs: welk kan nou toch echt... niet gemist worden, welk kan nu dan eindelijk... achter een ander boek gezet worden, welk kan nu zonder medelijden of nostalgie of weemoedig terugdenken aan de gelukkige schenker bikkelhard verwezen worden naar het magazijn van de tweedehandsboekhandel, het lankmoedig equivalent van het Keulse stadsarchief? Het moet, het is nodig, het is onvermijdelijk, het kan niet anders want alles staat klem, alles staat vast, klemmer vast dan een hoofdstedelijke foutparkeerder, of een forens ogenschijnlijk op weg naar Den Haag op de A 12.

Laat ik dan maar mijn opruimkriebels dempen met een snoeiharde aanval op de laatste resten pre-digitaal bibliografisch archief. Stapels met laden zijn er al verdwenen, twee slechts nog houden dapper stand. De enige keren dat ik er nog in keek, waren de vorige lentes dat ik overwoog ze te ruimen...



Oude fiches

Alles kan ik verwijderen,
de verdroogde collegeaantekeningen,
mislukte tentamens, het boekje
met slimme notities, kan ik met dorre ogen
zien opgaan in rook, daar ben ik
echt een kei in.

Maar oude fiches in 't voorjaar,
decennia her geschreven, melig van inktvraat,
in stoffige laatjes, nee.