Klik hier voor nadere informatie en draag bij aan het in stand houden van de al bijna twee decennia oude, maar nog steeds sprankelende en stimulerende prijs voor literaire prozadebuten, toegekend aan onder anderen Shira Keller, Erik Menkveld(†), Peter Buwalda, Marieke van der Pol, Anna Enquist, Gerbrand Bakker, Erwin Mortier en Joyce Roodnat.
maandag, augustus 11, 2014
Maar nu even dit
dinsdag, augustus 05, 2014
Interpretatie
Bij nader inzien niet al te moeilijk:
1. Je mag niet in het meer zwemmen;
2. Je mag niet op het meer met een bootje peddelen annex kanoën (ook niet als je niet weet hoe je de peddels, riemen of wrikstokken moet vasthouden);
3. Je mag het meer niet in de fik steken.
Simple comme 'Bonjour', zou mijn moeder zeggen (die geen rijbewijs had, en dus ook niet wist dat alle drie de borden eigenlijk het einde van een verbod beduiden).
maandag, juni 02, 2014
Dizzling about e-reading
Dat vind ik nog eens klasse: auteurs die waarschuwen voor de oneigenlijkheid van de e-versie van hun eigen boek, een versie waarvan ze de publicatie tegelijkertijd niet hebben kunnen of willen tegenhouden, denk ik. Poen moet rollen, schoorstenen moeten roken en stinken niet.
Vandaag heb ik de voor- of inkijk van die e-versie geconsumeerd. En eerlijk = eerlijk: die is in zekere zin en tegen mijn verwachting ijzersterk. Het papieren boek is al een reproductie van een boek, dus een digitale weergave daar weer van kan er ook wel bij; multipliceert het niet, dan deert het niet. En de losse invoegsels zijn er ook in de digi-versie. Je kunt ze alle zo een beetje heen en weer bewegen op de pagina met je muizende vinger of zo, opzijschuiven om de 'onderliggende' pagina te kunnen lezen; en je kunt er de achterkant ook van bekijken. Wat niet kan, is dat ze tijdens het lezen uit het boek pletteren zo dat je de oorspronkelijke plaats ervan kwijtraakt. Echte rommel is niet te digitaliseren. De digitale versie is statischer dan de analoge. De analoge versie is echt echter, beter, veel beter. Maar de digitale is zeker geen slap aftreksel.
Nog vreemder: de digitale versie heeft de optie om de ingebedde roman, Ship of Theseus dus, te lezen zónder de marginalia. Op iedere opening van het 'boek' zit een knopje om de marginalia in en uit te schakelen. Daarmee heb je in de digi-versie dus een optie die de analoge versie niet heeft.Gek genoeg is deze prachtige, 'schone' versie van de ingebedde roman volslagen overbodig. Die roman heeft in die vorm immers nooit bestaan. Sterker: deze optie ontkent juist de suggestieve kracht die uitgaat van de analoge versie, namelijk dat je met dat echte boek in je echte handen je er steeds van bewust bent dat er iets wezenlijks niet klopt aan dit facsimile-boek. Noem me van de oude stempel: ik ben dol op papier: bindgaren, ezelsoren, roest als het moet, maar liever lompenpapier.
Dom dom dom
Dan maar op m'n nachtkastje en ernaast (onvoorstelbaar dat daar dat boek met die lelijke muil erop zou liggen).
Steeds hoger, op de studeerkamer, want ik gebruik het tijdens het college "Instituties: Literatuurkritiek": bureau, onder mappen en papieren, tussen boeken, onder boeken, ernaast, op de boekenplanken: niks. Nog maar eens beneden. Weer niets.
Ah! Dan ligt het op mijn werkkamer op het instituut, op m'n semistatisch flexplekbureau temidden der papieren. Weder niets en noppes.
Uren later. Ik m o e t nu echt iets opzoeken in het boek. En in een verstoken hoekje van mijn brein bereid ik de zoekactie kennelijk al voor, en dan pas weet ik opeens waar het boek ligt.
Nergens!
E-boek gekocht, geen analoog boek.
Beste mensen, dit was een waar verhaal, want die amateur e-lezer, dat ben ik.
zondag, mei 18, 2014
Against e-reading again
maandag, maart 31, 2014
Zonnestraaltaal
Sinds kort is er ook een brasserie te vinden op het complex. Aangenaam, want het was een mooie dag. Ik kan niet klagen, maar dacht wel aan Hildebrand: Hoe warm het was en hoe ver. We kwamen er net na sluitingstijd, maar kregen toch nog een verfrissing, ook Bengel; die kreeg er zelfs wat brokken bij (Meta en ik niet).
Bij de ingang van het complex staat een set informatieve borden. Of: informatief bedoelde borden. Best moeilijk, dat schrijven over cultuur en techniek voor het grote publiek. Kiezen voor een (geciteerde) metafoor als: een wit 'schip op de hei', vind ik in die context moedig (het complex lijkt mijns inziens op vanalles, maar niet op een schip, maar dat maakt de metafoor misschien alleen maar meer intrigerend). Maar om De Zonnestraal aan te duiden als een 'sanitair gebouwencomplex'... dat lijkt me minstens een gallicisme, en doet me nabij Hilversum vooral denken aan een mega-urinoir. Wel gek, dat 'sanatorium' en 'sanitair' in zo heel verschillende domeinen zijn gaan functioneren.
Echt onbegrijpelijk wordt het als het gebouwencomplex 'geïmmatrialiseerd' blijkt te zijn, en dan nog niet even gewoontjes, maar zelfs volgens de 'kosmische wet der economie'. Duiker, de architect, kon kennelijk beter ontwerpen dan formuleren. Of de bordenmaker.
In andere bronnen, die klaarblijkelijk gebruikmaken van dezelfde Duiker-tekst, kom ik het woord 'geïmmaterialiseerd' tegen. Gebouwen waarvan je de materialiteit bijna niet meer ziet, zal bedoeld zijn. Daar kan ik me wel wat bij voorstellen, gezien het gebruik van dat 'moderne' beton, inclusief de 'verjongende' horizontale draagbalken, waar heel dunne vlakken mee geconstrueerd zijn, en die dunne sponningen, het vele glas, de witte verf, de ruime, lichte opzet van het complex. Dan zal 'economie' wel iets als 'zuinig gebruik' betekenen. Waar de kosmische orde vandaan komt... mij wondert. Toch eens iets meer van die Duiker lezen.
zaterdag, maart 22, 2014
Creatief met titels
Eenvoudige kleurstelling; de kleuren van de illustratie en de tekst worden leuk gecombineerd; een figuur erop, onherkenbaar en in een maffe poze. En: geen bes te bekennen natuurlijk in dat poolgebied. Prima: de lezer moet je niet de kans ontnemen zelf beelden te vormen van wat er in een roman staat.
De titel klinkt goed; is goed van ritme, met die ondertitel die iets terugneemt van de hoofdtitel. Grappig, dat anaforische woordspel van 'alle' tegenover 'alleen'. Wel jammer dat het contrastieve effect van 'alleen' te niet wordt gedaan door het 'sommige' dat erop volgt. Nochtans is meteen duidelijk wat de bedoeling, de bedoelde implicatie is: pas op, sommige bessen zijn dodelijk giftig.
Maar, het staat er niet. Er staat best wel een beetje onzin. Alle bessen, immers, kan of kun je maar één keer eten. Na het eten is iedere bes gegeten, weg, verdwenen, ontbest. Alleen in geval van een wat onappetijtelijke voedingscyclus, om niet te zeggen: voedingskortsluiting, van consumeren, vomeren en reconsumeren zouden we kunnen gaan denken aan bessen die je meer dan één keer kan of kunt eten. Maar dan moet het ook mogelijk zijn om álle (soorten) bessen meer dan één keer te eten. Lekker is anders, maar ook een dodelijk giftige bes kan of kun je na na het braken wederom tot je nemen, als je maar snel genoeg kotst; niet eerst die boel helemaal gaan verteren.
Ook in een andere belichting is de titel betrekkelijk onzinnig. In het echte leven is voor iedereen afzonderlijk de consumptie van één dodelijke bes slechts mogelijk. Als je die ene dodelijke bes gegeten hebt, en je sterft (en dat moet wel, anders was de bes niet dodelijk), kan je niet nóg een dodelijke bes eten; en eten impliceert dan echt volledig opeten, inslikken en verteren. Dat je ook nog sommige ándere bessen maar één keer zou kunnen eten, is dan dus irrelevant.
Van beide overwegingen is de slotsom: welke bes je ook kiest, je kan of kunt hem maar één keer eten. Het antwoord op de vraag hoeveel bessen je kunt of kan eten, is afhankelijk van het gegeven of je een giftige bes kiest, of niet. Waarmee maar weer eens blijkt dat het belang van grondige voedingswarenkennis groot kan zijn. Wie die niet heeft en toch zo veel mogelijk bessen wenst te eten, doet er goed aan dan maar zo veel bessen als mogelijk in één keer in zijn of haar waffel te proppen. Wat de kans op antiperistaltische contracties van het spijsverteringskanaal weer doet toenemen, waardoor de mogelijkheid om veel bessen meer dan eens te eten navenant stijgt.
Hoe grappig de titel lijkt, zo weinig pregnant en zo weinig zeggend is hij bij nader lezen. Gelukkig valt er wel wat over te zeggen, waarmee de belangen van uitgeverij en schrijfster weer gediend zijn.
Onderwerp voor de volgende keer: Er gebeurde o.a. niets.
zondag, maart 02, 2014
Against e-reading, again
Maar in feite besteed ik mijn tijd aan [...] en het lezen van te veel boeken in te weinig tijd. En wat daarbij geheel en al in de verdrukking komt is een prachtig boekwerk gemaakt door iemand die meestal boeken van anderen prachtig maakt.
Van het tijdschrift Terras mocht Melle Hammer helemaal (voor zich) zelf het boek LaLaLa maken, dat als ondertitel(s) heeft: Typografie, Centrifuge, (en) Grootboek.
Je moet het zelf zien, je moet het zelf voelen en je moet het zelf ruiken. Het is een uiterst materieel boek. Ingenaaid (met - als ik het zo mag noemen, zo'n open rug, zoals het verzamelwerk Nieuwe veters van Robert Anker heeft) met stofomslag, gedrukt op 50, 105 en - naar ik vermoed: vooral - 190 grams papier: je hebt wat in handen.>
En als je het opent heb je ook wat voor ogen. En als je - beter dan ik - leest, krijg je, denk ik, ook het nodige in je geest.
Eén boek een boekenfeest.
maandag, februari 10, 2014
Against e-reading
woensdag, februari 05, 2014
Wat ook erg is...
... de leentermijn van een bibliotheekboek voor de vierde keer verlengd hebben (dat kon, dus kennelijk had niet iemand anders het in de tussentijd gereserveerd), en dan na idem zo veel maanden constateren dat je er nog geen letter in gelezen hebt, terwijl het nog wel over poëzie gaat, The Modern Poetic Sequence, zodat je die epische draad ook weer eens stevig zou kunnen opvatten.
... idem voor een ander boek van dezelfde bibliotheek, maar dan wat hipper, een waarover mensen wier oordeel ertoe kan doen, heel hoog opgeven, iets van ene Mettes of zo iets.
... de nieuwste bundel van Piet Gerbrandy, Vlinderslag, die je al tweemaal ademloos hebt gelezen, en waar nog geen fatsoenlijke recensie van lijkt te zijn verschenen, voor de derde keer willen lezen, en er dan achter komen dat je het boek hebt uitgeleend (maar gelukkig weet je dat die lener er ook veel moois in leest).
... een goede reden hebben om eindelijk Hermans' 'Een ontvoogding' uit Moedwil en misverstand voor het eerst te lezen, en er dan achter komen dat je deel 7 van de volledige werken hebt uitgeleend (aan diezelfde lener die de ten onrechte niet gerecenseerde, prachtige bundel Vleugelslag van Piet Gerbrandy leest en herleest).
... dat je geen tijd hebt om die geleende boeken terug te vragen, maar dat dat niet erg is omdat je toch geen tijd hebt om die boeken te lezen, omdat je nog een bespreking van een heel ander boek moet zien terug te brengen van dik 3000 naar max 1500 woorden.
... dat je kennelijk wel vroolijk de tijd weet te vinden om dat allemaal te noteren. Dat is ook erg
relatief.
zaterdag, februari 01, 2014
Lof van de maatval door toeval
De stiltes waren even lang als de gesproken zinnen. Het waren de dalingen van een jambisch metrum,Een prozaïst heeft niet alles onder controle, maar hier - op de grens van pagina 78 en 79 van haar debuut Pels (De arbeiderspers, Utrecht-Antwerpen 2013) - wist Naomi Rebekka Boekwijt het typografisch toeval mooi tot een enjambement te verleiden, of dwingen.
kommetjes waar het zeer in drupte.
maandag, januari 20, 2014
Quootje
Nee, geen lof was dat, en niet als aanprijzing bedoeld. Ik stemde met haar in, hoewel me niet bewust zijnde ooit wat van Kortooms gelezen te hebben (er stond bij mijn ouders een omnibus van hem in de kast; dichterbij ben ik niet gekomen). Wat een oeverloos voortemmerende, zichzelf steeds maar weer opnieuw herhalende, negaties ontkennende, verdubbelende en herinnerende, aan het theater van de tragische lach gelieerde, burleske Brabantse dorpsnovelle is dit, af en toe tentatief opgeleukt met neo-studentikoze dikdoenerij als 'Door de inchocolade gedrenkte kus was Priapus weer vaardig over me geworden.'
Een personage zegt, dus, nou die zegt nog, Koos dus, hij zegt:
Ik zeg: “Tien, hou je mond. Vertel het me straks. Heel rustig.” Dat doet ze, een halfuur later. “Koos, ik moet je iets akeligs vertellen.” “Ja, meisje, ik weet het.” “Ik ben niet onvruchtbaar.” “Daar had je me mooi te pakken, schat. Geweldig nieuws toch.” “Er is ook slecht nieuws. Jouw zaad is steriel.” De klap die je dan krijgt. Man, man.Zo ratelt het maar door. Wel onvruchtbaar, niet onvruchtbaar, de ontkenning van wel en de ontkenning van niet, de herinnering aan de ontkenning van niet, het verslag van een gesprek over de herinnering aan de kopie van een brief met de bevestiging van de ontkenning van wel.
De doodsreutel van stervend zaad. Goed opgeschreven, hoor, zonder stijl-, spelfouten, kant of wal. Maar op pagina 193 van de 299 (dan wel 124 van de 194, afhankelijk van de positie waarin ik de tekstdrager houd) deed het bovenstaande citaat mij de leesdeur dicht, with a bang.
Maar wat ik wilde zeggen, over wat het hermeneutenhartje vroolijk bonken deed, twee dingen. Eerstens wederom lof voor het digitale lezen (sorry, Gina, driewerf sorry) want toen ik met een eenvoudig gebaar (even met een vinger priemen en wat vegen) bovenstaand citaat uit de tekst tilde en op mijn schrijfblok plakte, verscheen er automtisch bij:
Uittreksel van: A.F.Th. van der Heijden. 'De helleveeg.' De Bezige Bij, 2013-05-27. iBooks. Er zijn mogelijk auteursrechten op dit materiaal van toepassing.Van typefoutverontreiniging van een citaat (daar ben ik werkelijk sterk in) en van per ongeluk citeren (daarin dan weer niet) kan zo geen sprake meer zijn in ons hedendaagse post-Peter Nijkamptijdperk, zelfs niet van per ongeluk de bron vergeten; in tegendeel: ik heb moeite moeten doen om die waarschuwing te verwijderen annex te verplaatsen.
En tweedens: ik raakte de draad steeds kwijt in dit boek, of nee, de draad niet, want die is zo lang, die ziet geen lezer die naam waardig over het hoofd, maar wel de parafernalia. Kom je echter in zo'n digiboek een minder prominent personage tegen of een of andere verloren naam en weet je niet meer wie of wat het was, dan priem je even en klikt 'zoek' en hoppa: alle relevante passages netjes op een rij (en inderdaad, ook die mevrouw van de viswinkel vind je eenvoudig, inclusief de context waaruit klip blijkt en klaar dat zij niets van doen heeft met de 'zaakjes boven de viswinkel').
donderdag, januari 02, 2014
Carpe fructum
Maar wat las mijn lodderig oog op de deksels: zit de ene pot 'Boordevol fruit' (wat niet waar is, want slechts de helft van de 450 gram smurrie is van vruchten gemaakt), de andere toept daar overheen met een eveneens wervend bedoeld randschrift: 'Boordevol vers gerijpt fruit'.
Dat men zoiets vermeldt, roept bij mij de gedachte wakker dat de mogelijkheid bestaat dat zulks in andere potten niet het geval is. Zitten die wellicht net zo min als deze boordevol feitelijk fruit, en bestaat de helft die geen toegevoegde suiker is dan ook nog eens uit belegen sap en half rot fruitvruchtvlees?
Eerst het paardenvleesschandaal, nu dit weer. En 2014 is nog geen twee dagen oud: een jaar boordevol beloftes.
woensdag, januari 01, 2014
Topisch
Op dat landgoed, dat onder veel meer een waterwingebied omvat, bevind zich een grondwatermeter: een roestvrijstalen object van zeker tweeënhalve meter hoog. Die reële omvang in combinatie met de naamgeving 'grondwatermeter' roept bij de vuurwerkverdoofd kuierende neerlandicus meteen vragen op. Niet alleen: hoe lang is een grondwatermeter, maar vooral: wat - als het geen contradictio in terminis is - is grondwater, ?
Die laatste vraag leek te worden beantwoord in een begeleidend, in kunststof gevat, monumentaal schrijven, opgesteld door een klassiek, beter: basaal geschoolde klerk. Hoewel, basaal? Middelbaar, want Wikipedia herinnerert me aan deze redelijk recente fase van de nationale intellectuele ontwikkeling:
In Nederland is in de jaren zeventig binnen het vak taalbeheersing het begrip "topische vragen" ingevoerd als een kenmerkende eigenschap van de schrijfprocedure door Willem Drop in het boek Taalbeheersing: handboek voor taalhantering uit 1974.Inderdaad, uit 'Drop' heb ook ik het aangeleerd gekregen op het gym, nog vóór ik college kreeg van deze professor te Utrecht (slechte boektitel, trouwens; waarom niet Taalhantering: handboek voor taalbeheersing? Even onhandig).
Niet moeilijk is het dus om teleurgesteld te raken bij het lezen van de toeristisch instruerende tekst over de grondwatermeter, die zo monter begint... Zeven eenvoudige (weliswaar enkele samengestelde) zinnen. En niet één die antwoord geeft op de inleidende vraag! En dan zwijg ik nog over de fouten die deze tekst tot een monstrum van redundantie maken. En nu we het toch over stijl hebben: 'Dat komt omdat [...].' Wanneer komen op het gebruik van die vercontamineerde constructie eens forse schrijfstraffen te staan?
woensdag, december 25, 2013
Academica LiteratuurPrijs
Niet dat die tijdslimiet een officiële was, wel een praktische, met het oog op het eerstvolgende juryberaad anno 2014, zeer binnenkort. Gelukt, gehaald, geslaagd.
Pas bij de laatste, finale administratieve handelingen vanavond, het afvinken van de leeslijst, zag ik dat de prijs inmiddels ook getooid is met een heuse afko: ALP. Ik geloof niet dat die openbaar wordt ingezet; 't is maar een handigheidje voor intern gebruik. En te gebruiken als metafoor voor de stapel kandidaten: alpineus.Studeerkamerbelagend is die toren inmiddels. Tijd voor beraad inderdaad. En dan slechten die berg, reduceren tot topniveau. Exit laagland. Topsport ver boven de boomgrens is dat. Zonder sherpa's (nee, dat is niet waar: DordtLiterair sherpaat heel wat). Waar de lucht ijl wordt. Spannend en eervol.
Ik hoop dat er opnieuw een Buwalda tussen zit, een Menkveld, of een Keller, om me tot de laatste jaren te beperken, een Hendrix, Van Gerrewey, een Huisden, Nieuwenhuis, een Hondius, Lievers, Pefko of Vercauteren.
Dat is maar retoriek, natuurlijk. Ik weet dat al wel wat betreft die dertig die ik las. Maar: dat ga ik hier en nu nog niet verklappen. Al was het maar omdat Casper, Anna, Arjan en Kees nog tientallen andere debuten lazen. Ik laat me graag verrassen.
zondag, december 08, 2013
Fixie
Na dit indrukwekkende gezicht, dat toch geen indruk nalaat omdat het te beweeglijk is, verliest de rest van zijn lijf snel contour in de beslagen spiegel en wrijven met een handdoek helpt nauwelijks. Toen hij brullend klaargekomen was zag hij een geamuseerd lachje over haar lippen trekken en dat bleef daar zitten toen hij haar omrolde zodat hij boven lag.
We zagen elkaar te weinig. Wiesjes vader mindert vaart tot ze stilstaan. Gids ja, ik was hem steeds gevolgd en had niet op de route gelet. Hoe wil je dat ik je noem, vroeg ik hem. Voor wie verder gaat of er vandaan komt is er nog Nadorp, een migrantenstadje volgepakt met stijf aaneengesloten woningpartijen. 'Verder nog iets van uw dienst.'
Heen en weer gekaatst. Je mocht er spitten in de tuin en bomen rooien. Nieuwe boeken lees ik niet, ik herlees alleen maar.
'En geef me nu eens een hand,' merkte ik op. Verbeeld je! Daar ben ik op eens aangewezen als de erfgenaam van een kolossaal vermogen. Er waren grote centrale punten. Zij bleef bij haar patroon, alleen sprak zij tegen hem geen woord meer.
Op dit punt werd mijn vermoeden zekerheid: iemand heeft enorm huisgehouden in mijn boekenkast - wellicht ik zelf, al dacht ik dat ik meer eerbied had voor het alfabet. Tot hier heb ik de eerste romans en verhalenbundels uit de kast genomen, alfabetisch op auteursachternaam en binnen elk oeuvre chronologisch op het jaar van de eerste druk. Van het eerste boek nam ik de eerste zin over, van het tweede de tweede, en zo verder. Niets aangepast, alleen soms een nieuwe alinea begonnen. Maar toen pas zag ik in de kast nog Bakker staan, en Boon, terwijl ik al bij Bordewijk was.
Een mooi idioot eindpunt voor een idioot experiment. Tevens een goed startpunt voor een tweede proefwerk: een gedicht op deze wijze verzamelen (kijken of dat wat beters oplevert dan het jongstleden sinterklaasgerijm).
Het zanduur van de dood
Van mijne blinde vensterruit -
Verliefde feestgenooten!
Een zacht getrappel op den doffen grond.
Ik wou dat 'k groote vleugels vond
hij trekt zich voren over de veren
Moedertijd luidt wijd en zijd.
de tafel vol kaarten en dadels,
die het niets
waar muziek over gaat: er is andere muziek, nu nog ver weg,
zo zonder kleren aan zijn wij te jong
naast, kijk, dit lieve hertje van kristal.
werd vanbinnen het raam omhooggeschoven
Liever een kamer met uitzicht, op graven desnoods.
En daarmee, lieve lezer, zijn de veertien regels van het composietsonnet gevuld. Ik heb alleen losse bundels gebruikt, met dien verstande dat ik van auteurs wier werk verzameld is in één band, de losse werken opgedoekt of opgezolderd heb. Dat verklaart wellicht de hiaten.
vrijdag, november 22, 2013
Hyper de hype hoera! De overtreffende trap van Stoner
woensdag, november 20, 2013
Meer meuk!
Enigszins geraakt, niet gekrenkt - nee, zo gaan wij echt niet met elkaar om - dacht ik terug aan de titel die ik ooit aan een lezing gaf: Meer meuk!
Vanwaar toch dat literatuurvorserlijk standaarddedain jegens literatuur die een breed publiek lijkt te bereiken? Ik lees bij wijle een (men leze hier nadrukkelijk: één) Heleen van Rooyen, een Kluun, een Koch, een Grunberg zelfs. Al was het maar bij wijze van averechtse verkenning. En je moet toch je vooroordeel af en toe proberen om te buigen naar een gefundeerd oordeel, zelfs zonder meteen een vakkundige belangstelling voor tegen- of volkscultuur te vijnzen? Ik las zelfs poëzie van Enquist vroeger, en deel één van die Potterdiarrhea, twee bladzijden Mak, de dikste roman van Siebelink, en drie hoofdstukken Voskuil. Wie verre reizen maakt, kan veel vertellen, wie veel verschillends leest, kan verder door zijn oordelen reizen. Hoop ik.
Ik lees overigens geen druk van Er ist wieder da, maar een e-versie (handig, want met een geïntegreerd woordenboek en dito encyclopedie). Vooralsnog niet tot mijn verdriet.
maandag, november 11, 2013
Kabaaltaal
Voor hun nieuwste cd ging niets Jack Barnetts fantasie te boven: een havik werd gehuurd om zijn gefladder op te nemen.Uit de typografisch goed aangezette context (leuk, hoeveel je meer leest in een krant dan je alleen maar echt leest) blijkt in een oogwenk dat het gaat om het optreden van de Britse band These New Puritans o.l.v. genoemde Barnett op het Crossing Border-festival. Dus dat 'hun' geen referent heeft in die tussenkop, dat los je als krantenlezer wel op. Toch bleef die maffe kop in m'n kop hangen.
En anders dan gewoonlijk wel het geval pleegt te zijn, is het geen malheur dat veroorzaakt is door de koppenwrijver (tot mijn stomme verbazing vind ik dit woord niet terug in Van Dale; bestaat het dan niet buiten mijn brein?) De brontekst, van de doorgaans goed formulerende Hester Carvallo, luidt:
Voor de negen nummers van hun nieuwste cd Fields Of Reeds (2013), ging niets Jack Barnetts fantasie te boven: een havik werd gehuurd om zijn gefladder op te nemen;Dat is nog eens een scherp gesneden excerpt! Wat dat betreft een toptussenkop! Toch bleef die maffe kop in m'n kop hangen.
Nee, ik bedoel niet dat je eraan kunt denken dat die havik werd gehuurd om Jack Barnetts gefladder op te nemen, hoewel ik dat een hilarische en daarom alleen al de beste interpretatiemogelijkheid vind. En dat een havik, anders dan de arend, niet een gereputeerde hoogvlieger is, doet daar weinig aan af.
Nee, het is ook niet de geïmpliceerde onzin dat een creatief concept je eigen kunstenaarsfantasie te boven zou kunnen gaan. Ein musikalisches Opfer des Baron Von Münchhausen oder so etwas? why not?!
Of toch: alles bij elkaar, en dan de echte kop er bovenop:
Wat ik bedenk kan ik zelf niet spelen.Blödsinn? Wellicht, want andersom net zo goed waar. Maar nu nog even terug naar het begin: hoe afgestompt moet je muzikale fantasie niet zijn om een havik te huren om het geluid van het gefladder van een havik op te nemen? Die kop bevat geen lof, maar haalt de bewonderde Barnett geheel onderuit. Tijd dat ik die cd eens ga beluisteren.
zondag, november 10, 2013
Afstand
Deze zwijgende film, die met zijn fraai verfilmde dromen een kassucces werd, had de educatieve inzet het volk te laten kennismaken met de zegeningen van de psychoanalyse. Twee gerenommeerde Berlijnse psychoanalytici, Karl Abraham [1877-1925] en Hans Sachs [1881–1947], tekenden voor de wetenschappelijke onderbouwing.Dat schoot evenwel de Weense psychoanalytici in het verkeerde keelgat: dachten die Berliner werkelijk 'dat ze met een platvloers filmverhaaltje het gecompliceerde proces van een waarachtige psychoanalyse konden demonstreren?' Welaan, oordeel zelf, het kan dank zij Youtube.
Wat ik niet snap: een roman als Eva van Carry van Bruggen verscheen net een jaartje na die film. Toevallig heb ik de roman net weer fragmentarisch herlezen in verband met het college Moderne Tijd. Misschien is ze niet echt meer van deze tijd (figuurlijk, bedoel ik dat nu), maar er is niet veel voor nodig op het vlak van de welwillende suspensie van ongeloof, om toch van deze Bildungsroman te kunnen genieten. Oordeel zelf, het kan dank zij de DBNL.
Maar die film van Pabst... Dat die uit ongeveer dezelfde tijd stamt?! Wat een gekneuter en gestuntel. En naar mate het verhaaltje meer in de buurt van de feitelijke psychoanalyse komt, inclusief de kennelijk onvermijdelijke ligbank, des te armzaliger blijkt het medium van de zwijgende film. Psychoanalyse gaat immers met woorden, met gesproken tekst.
Hoe overbrug je als 21ste-eeuwse kijker en lezer, die digitaal met een handomdraai films en romans van bijna een eeuw oud in huis haalt, een dergelijke historische afstand? En zou Van Bruggen de film hebben gezien? En wat vond zij er toen van?
donderdag, november 07, 2013
Tweede handsje-II Jonge most-appendix
Tijdschriften
De vrije bladen: 17 (zowel het tijdschrift als de cahiers)
Forum: 15
Helikon: 6
Het getij: 4
Groot Nederland: 1
De gemeenschap: 1
De Hollandsche revue: 1
Uitgeverijen
Van Dishoeck: 14
Stols: 11
De gemeenschap: 8
Querido: 6
Boosten & Stols: 5
Folemprise: 5
Palladium: 5
Hijman, Stenfert Kroese en v. d. Zande: 4
Van Munster's Uitgevers Maatschappij: 3
De gulden ster: 2
De spieghel: 2
Ploegsma: 2
Strengholt: 2
C.M.B. Dixon & Co: 1
De Waelburgh: 1
Eben Haëzer: 1
Enschede: 1
Nijgh en Van Ditmar: 1
P.N. van Kampen: 1
Men zou vervolgens ook nog moeten kijken naar welke uitgeverij welk(e) tijdschrift(en) uitgeeft (De gemeenschap geeft De gemeenschap uit, Stols Helikon, en zo verder), maar niet alle tijdschriften zijn daar duidelijk in (noch bibliotheekcatalogi), noch blijven alle gedurende de betreffende twee decennia bij dezelfde uitgeverij, zo min als de dichters dat deden en doen.
Van Dishoeck en Stols springen er met 14 en 11 gedichten bovenuit; Stols nog meer als de gedichten uit bundels van Boosten en Stols en die uit Helikon erbij worden geteld; die komt dan op 22.
Mij heugt een artikel in het eerste nummer van Nederlandse letterkunde (1996, p. 2-29) waarin Wiljan van den Akker en Gillis Dorleijn schrijven 'Over de geschiedschrijving van de moderne Nederlandse poëzie' tussen 1901 en 1940 en waarin ze meer in het bijzonder 'problemen, getallen en suggesties' aandragen. De nummers 1 en 2 van de top 26 van meest poëzie publicerende uitgeverijen (minimaal zestien bundels tussen 1901 en 1940) zijn C.A.J. van Dishoeck en A.A.M. Stols (met 175 respectievelijk meer dan 126 bundels). Ze zitten er wel eens verder naast, die literatuurhistorici.
woensdag, november 06, 2013
Tweede handsje-II Jonge most
Jonge most is een dikkerd, een dubbelnummer: 58-59. Achterop staat aangegeven dat het niet slechts drie of viel vel druks bevat, zoals de meeste andere, maar acht. De prijs ervan was dan ook niet slechts 40 à 60, maar liefst 90 cent (guldencent, dat is, en volgens de omrekenaar op de site van het IISG zou die prijs nu ruim € 8,50 bedragen). Komt trouwens nooit meer voor, tegenwoordig: het aangeven van de omvang van een boek in het aantal vellen. In dit geval wisten ze 120 bladzijden op acht vellen te drukken (de katernen, behalve het eerste, zijn op de eerste pagina links onderaan genummerd). En inderdaad: dat klopt niet; het laatste katern beslaat slechts acht bladzijden, een half vel. De oplichters!
De 'Inleiding' is gedateerd op 'April 1936'; in dat jaar zal het boekje ook wel uitgegeven zijn (de catalogus van de KB denkt dat ook). Het papieren kaft van het boekje is gevlekt en gescheurd op de rug, waarvan het bovendien begint los te laten. Een ander exemplaar was iets mooier en iets duurder; een derde exemplaar was er slechter aan toe dan dit maar kostte eveneens slechts € 2,-. Er blijkt ook nog een gebonden uitgave van het werk te zijn; een afbeelding staat in de Nederlandse Poëzie Encyclopedie, de enige treffer toen ik 'jonge most' googlede. Nogal wiedus: ooit wel eens van oude most gehoord?
De ondertitel is saaier, maar iets beter en interessant: bloemlezing uit de gedichten van medewerkers aan Het getij, De vrije bladen en Forum. Een rijtje tijdschriften dat anno heden in literair-historische overzichten nog steeds als rijtje wordt opgevoerd, blijkt reeds in zijn eigen tijd ook al een 'officieel' of gecanoniseerd rijtje te zijn geweest. Ze zitten er wel eens verder naast, die literatuurhistorici.
De inleiding weerspreekt wat ik dacht te kunnen afleiden uit de tekst op het achterplat. 's-Gravesande begint namelijk met deze mededeling:
Bij het samenstellen van een bloemlezing voor de school is men verplicht ook andere dan uitsluitend aesthetische eisen voorop te stellen bij de keuze. Wat uit een aesthetisch oogpunt volkomen te verantwoorden is kan soms voor leerlingen ongeschikt zijn.Dit betekent, geloof ik, dat er rommel in opgenomen is, maar dat dat dan is gedaan om wille van het onderwijskundige doel. Moeilijk om dan nog vol te houden dat het onderwijs vroeger beter was.
Een tweede beperking van des bloemlezers vrije keuze is het volgende:
De bloemlezing moest samengesteld worden uit de tijdschriften Het Getij (1916-1924), De Vrije Bladen (1924-1931) en Forum (1932-1935) en de dichters, die zich om die maandbladen hadden gegroepeerd.Van wie dat moest, zegt 's-Gravesande er niet bij. Wel legt hij uit dat sommige dichters die hij in deze bloemlezing zou hebben kunnen opnemen, er niet in heeft opgenomen, omdat ze al waren opgenomen in andere deeltjes van de reeks. En met dichters als J.C. Bloem, A. Roland Holst en M. Nijhoff 'was het weer een ander geval'. Lekker vaag; welk geval, zegt hij er niet bij; de genoemde drie dichters zijn wel in deze bloemlezing vertegenwoordigd.
Ik kocht het boekje omdat ik er twee gedichten van Achterberg in aantrof en omdat ik toen nog dacht dat het geen schoolbloemlezing was. Schoolbloemlezingen zijn in zoverre vreemde dingen, dat bloemlezers er maar van alles in kunnen gooien en dat auteurs daar lang niet altijd bemoeienis mee kunnen hebben. Echte bloemlezingen bevatten als het goed is alleen geautoriseerde tekstversies en voor opname van gedichten moet de bloemgeleesde auteur door de bloemlezer of diens uitgever dan ook betaald worden. Ik kende Jonge most niet, ook niet als een van de bronnen van R.L.K. Fokkema's Varianten bij Achterberg (Amsterdam 1973) en de historisch-kritische editie van Achterbergs Gedichten, bezorgd door P.G. de Bruijn (Den Haag 2000), twee rotsen in de variantenbranding. Dat klopt dus, want daarin zijn alleen geautoriseerde versies verwerkt.
Van Achterberg zijn in Jonge most de gedichten 'Moordballade' en 'De slag' opgenomen. De jeugd moest dus verkwikt worden met regels als 'O gij die ik had omgebracht' en 'uwen lach vond / den dood in mijnen lach' en 'mijn handen, waar uw bloed afdroop' zoals ze in De vrije bladen hadden gestaan (augustus-september 1930). Maar 's-Gravesande citeert Achterberg niet uit De vrije bladen, hij citeert Achterberg uit diens officiële debuutbundel Afvaart, waarin 'Moordballade' in dezelfde versie is opgenomen. Die bundel verscheen in 1931 bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum. Daaruit citeert 's-Gravesande ook 'De slag', dat evenwel niet in De vrije bladen voorgepubliceerd werd, noch in Het getij noch in Forum, maar in Opwaartsche wegen (1 februari 1930).
Het lijkt erop dat 's-Gravesande hier een kleine inlijfpoging onderneemt: hij trekt Achterberg het 'neutrale' kamp in. Hij heeft, zo zegt hij in de inleiding, sommige dichters, die hij in deze bloemlezing zouden hebben kunnen opnemen, er niet in heeft opgenomen, omdat ze al zijn opgenomen in andere deeltjes van de reeks. Twee van die andere deeltjes zijn samengesteld door J. van Ham en omvatten Protestantse poëzie na '80 (deeltjes 54 en 55 van drie respectievelijk vier vel druks voor een bedrag van 40 respectievelijk 50 cent; wanneer ze verschenen, weet ik niet, mogelijk ook in 1936; ik heb ze nog niet gevonden en ingezien).
Opwaartsche wegen was wat je noemt een blad voor en vol van protestantsche literatuur, en het was ook niet ongebruikelijk om Achterberg daartoe te rekenen. Het is niet zonder reden dat hij vertegenwoordigd is in Spectrum, een bloemlezing uit de poëzie van jong-protestantsche dichters, samengesteld door Bert Bakker, Barend de Goede en G. Kamphuis, die later datzelfde jaar 1936 verscheen bij uitgeverij Kok te Kampen. In datzelfde jaar neemt Jan H. Eekhout drie gedichten van Achterberg op in Werk; het boek der Jong-Protestantsche letterkunde (Den Haag, uitgeverij Daamen; zie het Schrijvers prentenboek 21 over Achterberg (Amsterdam-Den Haag 1981). Om maar iets te noemen.
Of de jonge dichter zelf zo welbewust voor een bepaald letterkundig en levenbeschouwelijk kader koos, kan met een gerust hart betwijfeld worden. Van de 51 gedichten die Achterbergs officiële debuutbundel Afvaart rijk is, zijn er 35 in tijdschriften voorgepubliceerd; opgesomd (op basis van de registratie in de historisch-kritische editie Gedichten, aan welk boek ik ook de [nummering] ontleen:
7 stuks [61, 62, 63, 64, 65, 66, 67] in Opwaartsche wegen,
5 [40, 46, 48, 50, 90] in Elsevier's geïllustreerd maandschrift,
6 [49, 55, 60, 86, 102, 103] in De gids,
2 [57, 101] in De gemeenschap,
7 [99, 100, 110, 112, 119, 120, 121] in De vrije bladen,
2 [115, 116] in Balans,
6 [71, 91, 93, 94, 95, 98] in Groot Nederland, en slechts
16 [87, 88, 104, 105, 106, 107, 108, 109, 117, 118, 122, 123, 124, 127, 128, 129] niet.
Als het maar gedrukt wordt, lijkt de strategie; zelfs de katholieken werden niet gemeden. In een brief van 11 april 1929 aan zijn mentor Roel Houwink spreekt Achterberg zelfs van 'een campagne' tegen de tijdschriften. Gedichten die hij van het ene tijdschrift terugkreeg, bood hij domweg ter publicatie aan in (weer) een ander. Hij had haast. Zo jong was zijn most niet meer. De boel was al aardig aan het gisten. Van 'Moordballade', zo leer ik uit Gedichten (deel 3a), heeft Achterberg op 20 november 1928 al een versie aan Houwink gestuurd, terwijl hij al een nog oudere versie aan De gids had gestuurd. Na publicatie van het gedicht in De vrije bladen en in Afvaart, heeft hij er (weer) wijzigingen in aangebracht. Tweede gisting.
vrijdag, oktober 25, 2013
Tweedehandsje
Bij een Haags antiquariaat zag ik dat een gewoon exemplaar met enkele scheurtjes van luttele millimeters aan de randen van het stofomslag € 95,- moet doen. Hier is de beschadiging wat ingrijpender, helaas. Er zijn bandvarianten bekend in licht en donker roodbruin linnen, en in zwart linnen, maar dit lijkt me een uniek geval. Wat een toeval, drie dagen voor het eerste deel van Otterspeers grote Hermans-biografie De mislukkingskunstenaar verschijnt.
woensdag, oktober 23, 2013
Dickinson on Line
to do -
A Sphere of simple Green -
With only Butterflies to
brood
And Bees to entertain -
De manuscripten van Emily Dickinson staan on line op het Emily Dickinson Archive. En wel op een zeer toegankelijke wijze, denk ik, na een heel erg korte verkenning. En dat vind ik knap, een zo toegankelijke webstek voor werk van één dichteres, toegankelijk dan als in: 'open-access', zowel als in: makkelijk raadpleegbaar. Jammer dat ze geen mooi handschrift had.
En behalve manuscripten en afschriften (met metadata) bekijken, kan je ook 'Browse alphabetically through more than 9,000 words in Dickinson’s poetry, as defined in her dictionary, Webster's 1844 American Dictionary of the English Language.'
Leuk, want ik heb niet zo lang geleden een editie van haar gedichten gekocht, maar nog nauwelijks gelezen. Kan ik nu mooi gaan vergelijken: wat zij schreef (op een gegeven moment wil je dat toch weten: hoe het 'eigenlijk' op papier heeft gestaan, ooit) en wat men er postuum editerend van maakte.
Jammer, heb nu geen tijd om er verder in te bladeren; ben even bezet(en) door colleges Nederlandse letteren, Van Bilderdijk tot Bouazza en daarnaast Marsman.
woensdag, oktober 16, 2013
Bij vlagen hilarisch-II
Vele varkens, om eens uit een ander metaforenvat te tappen, maken de spoeling dun, en dat kan betekenen dat je als selecteur, want dat ben je ook, als lid van de vakjury ('vak' is de sterk geëlideerde vorm van 'varken'), probeert de varkentjes in een vroeg stadium te wassen (waar las ik laatst deze: 'When you fight with a pig you both get dirty - but the pig likes it'? Slaat nergens op in dit verband, trouwens). Het snel verkennen van het omslag, voor- en achterplat, is een vlotte eerste selectie-methode. Niet dat daarmee het pleit al beslecht is, maar je kan op basis van die gegevens al denken: 'Ah, leeslint, dat lijkt me wel wat!' maar ook: 'Oh, prullenbak, nee toch?'
Kom ik me nu een voorkant tegen met een plaatje van een waslijn, waaraan een rode peper naast een bikinitopje is geknijperd. Daarbij zakt mij de spreekwoordelijke broek al af. En blijkens de achterplattekst heb ik, houd u vast, 'een tragikomische en [jawel, daar is-ie weer:] bij vlagen hilarische roman' in handen. Ik sla - maar dit gelooft niemand, zo erg is het - het boek op een willekeurige plek open en lees: '"Hm," fluistert Danny terug glurend in mijn decolleté.' Oehlala, de schalk! En had-ie nou maar eens 'Hm' geroepen...
Achterop een ander debuut lees ik over een vrouw die 'de liefde voor haar man en twee zonen [deelt] met de liefde voor haar minnaar,van wie ze een ongeboren kind draagt.' Wow, denk ik dan: vertel me ook over die andere zwangerschappen! Hoe gingen die dan? En: is gedeelde liefde dubbele liefde? Of wordt er hier een andere uitdrukking naar de gallemiezen geholpen?
Maar serieus nu: ik zal deze boeken zo veel als me gegeven is met open oog (letterlijk, maar dat spreekt voor zich, en vooral figuurlijk) en een ontvankelijk gemoed lezen, maar ik zou des niet tegenstaande de jongens en meisjes van de uitgeverijen willen vragen om te proberen met hun wervende teksten dat gemoed van de lezer ietsjes meer te bespelen in het voordeel van de schrijver. We hebben het hier immers over een vorm van captatio benevolentiae.
dinsdag, oktober 15, 2013
Meerenkelvoud
maandag, oktober 07, 2013
Klaas Knot kloont Kloos
- cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/kloos/ween.html
vrijdag, oktober 04, 2013
woensdag, september 25, 2013
De tekst en ‘de’ lezer in de modern-letterkundige neerlandistiek. Een steekproef
Kijk, zo kan het ook. Voelt een beetje lui: een link hierin plakken en klaar is de blogpost. Maar die schijn bedriegt. En het is geen gewone blogpost. Veel te lang. Bloedserieus. Meta-neerlandistiek. Meer iets voor een digitaal vakblad. Neder-L dus. Het materiaal is uit 2010; de congresbijdrage waar het uit voortkomt stamt uit 2012, en nu is 2013 al aan z'n laatste adem toe, de bomen dorren althans al weer een beetje in het laat seizoen.
dinsdag, september 03, 2013
Nut, gezag, autoriteit, invloed, belang, status en waarde (vrij naar Shaffy)
In het Boeken-katern van de Volkskrant van 31 augustus werd het nieuwe literaire seizoen geopend met een als ‘Beschouwing’ aangekondigd artikel van Wilma de Rek over ‘Literatuurkritiek’. Meer in het bijzonder zou het stuk, volgens de inleidende tekst, handelen over ‘Het nut van de recensie’. Dit alles onder de kop: ‘Vroeger, toen had de recensent nog gezag!’ Die titel heeft trekken van spreektaal, maar is toch geen citaat (volgens de krantenconventie zou de uitspraak dan immers tussen aanhalingstekens hebben gestaan). Kennelijk wordt hier een algemeen gevoelen verwoord. In de lead wordt dat gevoelen wat breder uitgemeten: ‘De invloed van boekrecensies is afgenomen, die van televisie en sociale media is toegenomen. Heeft literatuurkritiek in kwaliteitsmedia nog toekomst?’
Ik keek ervan op dat een dergelijk stuk niet door de baas van de boekenhoek van de Volkskrant is geschreven, de bekende criticus Arjan Peters. Hoewel die best in staat is om zijn ideeën helder te formuleren, zoals laatst weer bleek uit zijn boekje Kreten uit een urn, en hoewel hij er als Volkskrants literatuurchef ook de aangewezen persoon voor lijkt te zijn om de visie van die krant op literaire kritiek uiteen te zetten, heeft hij er kennelijk voor gekozen deze klus uit handen te geven, en dan niet aan een van de andere Volkskrant-recensenten, maar aan Wilma de Rek, wier status niet toegelicht wordt in de paratekst op pagina V2 en V3 (op LinkedIn presenteert zij zich als ‘Verslaggever bij de Volkskrant / Vorig / Chef het Vervolg bij de Volkskrant / chef Media bij de Volkskrant / Verslaggever bij Volkskrant Magazine’, niet als gespecialiseerd literair journaliste of literair recensente).
Na eerste lezing rezen een aantal vragen in mij. De eerste is: is dit stuk, waarin allerlei lieden aan het woord komen, wel een 'beschouwing' te noemen? Er wordt namelijk niet één coherente visie op literatuurkritiek in uitgerold, maar een lappendeken van de opinie van De Rek zelf en die van een directeur/uitgever en een voormalig directeur/uitgever en nu editor at large, en nog een uitgever en een hoogleraar Nederlandse letterkunde, plus een definitie van ‘recensenten’ uit een boekje van een voormalig dichter en criticus, en een citaatje uit het hiervoor genoemde Kreten uit een urn aangaande de taakopvatting van Peters, en een citaat uit een stuk van een Vrij Nederland-criticus. Soit: een multifocale beschouwing.
De tweede vraag is: waar gaat het stuk over? Achtereenvolgens komen de volgende onderwerpen in beeld of aan bod of ter sprake (of moet ik zeggen: ze komen voorbij): 1. ‘Het nut van de recensie’; 2. ‘De invloed van boekrecensies in kranten op de boekverkoop’; 3. De ‘toekomst’ van ‘literatuurkritiek in kwaliteitsmedia’; 4. het onderkennen van ‘grote namen’; 5. het presenteren van ‘het literaire neusje van de zalm’; 6. ‘De toenemende onbelangrijkheid’ dan wel het belang van literatuurkritiek; 7. het genereren van advertentieën in het boekenkatern van een (Amerikaanse) krant; 8. het gezag of de status van de recensent. Ik weet niet zeker of deze verzameling de gehele inhoud van het stuk dekt, zo versplinterd is de structuur ervan. Misschien is een deel van deze mengelmoes nog terug te voeren op een enthousiaste poging tot variatie in woordkeus, maar een aantal begrippen zijn in mijn optiek toch echt moeilijk met elkaar te verbinden.
Dat de CPNB, de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, op Manuscripta andere auteurs als publiekstrekkers noemt dan die aan het werk waarvan De Rek veronderstelt dat recensenten van kwaliteitskranten lovende besprekingen wijden, is als het vergelijken van het aanbod op Marktplaats.nl met het voormalige wagenpark van Bram Moskowicz, of wel van appels met peren. Het Nederlandse boek valt niet samen met de als kwalitatief hoogstaand beoordeelde literatuur. Collectieve propaganda is wat anders dan fijnzinnig kwaliteit ontdekken en aanprijzen.
Dat recensies invloed moeten hebben op de verkoop van een boek, lijkt me vooral de zorg van de uitgevers, de boekhandelaren en de auteurs, die immers van dat product moeten leven en voor wie geldt: hoe meer, hoe meer (boek respectievelijk poen, en dat is ze van harte gegund). En waar de boekverkoop als economisch gegeven in het geding is, daar kunnen dan indirect de advertentieaantrekkende kwaliteiten van een recensie in zicht komen, waarmee weer het belang van de kranten in de beschouwing worden betrokken, hoewel daar verder in het stuk in het geheel niet op wordt doorgedacht.
Opmerkelijk genoeg zegt uitgever Pröpper niet dat een goede recensie goed is voor de verkoop van een boek en dus voor de winst van de uitgeverij, maar dat zijn auteurs ‘er enorm aan [hechten] dat hun werk gezien wordt, gesignaleerd is.’ Het lijkt erop dat hij het hier vooral heeft over de journalistieke functie van de recensent: het overweldigende, voor de leek onoverzichtelijke collectieve boekenaanbod in aanmerking genomen, alsmede het wellicht ver onder de maat blijvende advertentiebeleid van de uitgeverijen, is een schrijver ermee in zijn of haar nopjes als een nieuw boek ten minste genoemd wordt: ‘Ook al is een recensie negatief, het [boek] is in elk geval opgemerkt.’ Over het gezag van de recensent. Dank u wel, uitgever.
Vic van de Reijt gaat het wel alleen om de verkoopcijfers: ‘Televisie bepaalt nu of een boek een bestseller wordt.’ Grappig lijkt me dat er een vaak kwalitatief verschil wordt gemaakt tussen wat in groten getale over de toonbank vliegt (en waarmee de CPNB loopt te leuren in het begin van het stuk) en werken van werkelijk literair belang die de recensenten proberen op te sporen in de boekenproductierijstebrijberg. In dit licht komt het citaat van Vullings van pas, dat in het stuk van De Rek zomaar ergens in de laatste kolom gekeild is. Vullings zegt niet zozeer expliciet iets over literatuurkritiek – wat wel het onderwerp van het stuk van De Rek is – maar over wat in zijn optiek goede literatuur is, namelijk: ‘een moeilijk genot’. Impliciet: echte literatuur is niet voor de horde geschikt, en zelfs de elite heeft er wel wat duiding bij nodig. En zie: daar is impliciet de recensent die, in de geest van Van Deels citaat, gekwalificeerd is om over een bijzonder domein van de boekenproductie duidende uitspraken te doen, of, zoals Peters zegt: die laat zien hoe je over literatuur kunt oordelen.
Grappig is ook dat Van de Reijts collega Van Gelderen het zowel met hem eens is: ‘Vroeger [...] liep de promotie van een boek voor een deel via de recensenten van de boekenkaternen’, als niet met hem eens is: ‘en natuurlijk via Adriaan van Dis.’ Inderdaad: vroeger had je ook al massamedia zoals televisie. En, ook in de optiek van Van Gelderen, is de massa alleen maar groter geworden, en zijn de media navenant gegroeid: ‘Nu kun je naar DWDD, naar Pauw en Witteman, naar Umberto Tan.’ Maar zo natuurlijk is het onderscheid toch niet: het gezag van Van Dis was geaccepteerd in literaire kringen (wie daar precies deel van uitmaken lijkt me overigens vooralsnog een groot definitieprobleem); de Van Nieuwkerken, Pauwen, Wittemannen en Tannen hebben geen literair gezag, ze hebben invloed op de verkoopcijfers. Die twee, zodanig invloed hebben op de verkoopcijfers dat er bestsellers (van allerlei gradatie) ontstaan en literair gezag, zijn onvergelijkbare grootheden.
Pröpper stelt, subtiel nuancerend, enerzijds dat ‘Recensies [...] nog altijd belangrijk’ zijn en anderzijds dat ‘de waarde van de recensie als zodanig [...] wel duidelijk minder [is] geworden.’ Belang is iets anders dan waarde. Die verandering van waarde zit volgens Pröpper hierin: critici met een eigen stem, een eigen standpunt, die ‘een autoriteit waren op hun specifieke gebied’ en als zodanig herkenbaar waren, zijn er niet meer, althans: die herken je niet meer, doordat ‘de recensies korter zijn en omdat ze een andere functie hebben’: werken worden niet meer in de geschiedenis geplaatst, de eruditie is uit de recensies verdwenen.
Vreemd genoeg stelt Joosten daar tegenover: ‘Als je kijkt wat er is veranderd, zijn het niet eens zozeer de kritieken zelf [...].’ Dat moet hij dan maar eens aan Pröpper gaan uitleggen, zeker als erachteraan komt: ‘nu hoor je Mathijs van Nieuwkerk ongeveer hetzelfde zeggen als de recensent in de krant, en je leest het nog eens in duizendvoud op Twitter.’ Het is toch genoegzaam bekend dat een nieuwsitem bij Van Nieuwkerk de omvang van 140 tekens nauwelijks te boven gaat en dat een gemiddelde recensie van de oude autoriteiten als Kees Fens, Michaël Zeeman en Carel Peeters wel wat meer volume en daadwerkelijke inhoud had. Dan kan je niet volhouden dat ‘de kritieken zelf’ niet eens zozeer veranderd zijn. En als iemand dat zegt, mag je er als journalist wel een vraagje over stellen.
Nu ja, dit duurt al veel te lang voor een blog; iedere alinea van De Reks beschouwing biedt zeer veel stof tot overpeinzing, zo veel zelfs dat het stuk meer stof lijkt te doen opwaaien dan dat het zelfs maar het begin van duidelijkheid biedt. En nee, ik denk niet dat mij dat wel gaat lukken. De literatuur en de literatuurkritiek zijn twee onderwerpen waarover voortdurend gedacht, gesproken en geschreven zal blijven worden, steeds weer met de verwachting de stand van zaken te kunnen beschrijven, en met de illusie het verleden te kunnen verheerlijken en de toekomst donker in te zien.
Want: wat is gezag nog in dit land, of wat was het? Iets wat je maar moeilijk kunt afdwingen (zoals iedere beginnende docent bij aanvang van het schooljaar in een brugklas weer ervaart, bijvoorbeeld), maar iets wat je toebedeeld krijgt. Op grond van welke verdienste(n)? En door wie? Moge ik een terrein schetsen dat ik kan overzien. Ik heb gezag. Ik heb gezag bij één van mijn mede-sportscholieren, aan wie ik vertel over de boeken die ik las. Daarvan leest hij er sommige dan ook en hij vindt ze vaak ook goed. Daarna vraagt hij mij of ik nog wat andere goede boeken kan noemen (en vooral omdat ze goed zijn, maar mede omdat hij in de geestelijke gezondheidszorg werkzaam is, heb ik hem heel de shortlist van de Academica Literatuurprijs 2013 omstandig aangeraden). Mijn gezag is mede gebaseerd op het gegeven dat ik Nederlands heb gestudeerd, dus verondersteld wordt veel te lezen, college geef over literatuur en in enkele jury's heb gezeten (wat je al niet uitwisselt op de cross-trainer).
Iets dergelijks, maar dan anders, want zwaar opgeschaald en met een factor van enige tien-, liefst honderdduizenden vergroot, schetst, zo stel ik mij voor, het gezag en de daaraan gekoppelde (potentiële) invloed van een recensent, een gezag en een invloed die overigens nog sterker gefundeerd zijn doordat een recensent niets anders doet dan recenseren, er dus bedreven in is geraakt, en veel leeservaring en specifieke kennis heeft opgedaan, dus een rijk referentiekader heeft voor zijn/haar oordelen, en op zijn/haar beurt een rijke bron van actuele informatie kan zijn doordat hij/zij ook journalist/e is en daardoor aan belangrijke fora en jury’s deelneemt.
Dan over nut. Mijn mede-sportscholier heeft een drukke baan, en een brede belangstelling, reist veel; echt tijd om uit te dokteren wat nou interessante literatuur is, heeft (of neemt) hij niet. Het nut van de recensent is dan de efficiëntie van des lezers keuzemechanisme.
Dan: hadden Fens, Zeeman en Peeters werkelijk zo veel gezag buiten de sportschool, en hoe is dat gezag van ze dan te meten, of waren er ‘vroeger’ minder Kezen, Michaëls en Carels? En minder media ook? Kon een lezer zich toen slechts wenden tot een paar kranten? Was dat gezag misschien gebaseerd op de armoe aan meningen en/of de armoe aan media, de armoe aan toegankelijke media, toen, in de dagen van olim en enkel papier? In het hedendaagse heden kan iedere boerenpummel met een modem zijn mening over - laten we het hiertoe beperkt houden - de laatste roman, de jongste dichtbundel die zij of hij las minimaal landelijk kwijt.
Werd het gezag van de enkeling kleiner terwijl de vraag van de massa naar meningen omgekeerd evenredig groter is geworden? Gaat het met andere woorden beter met de literatuur en alleen maar minder met de aandacht voor geconsacreerde enkelingen? Ik zou daar wel eens een onderzoeksverslagje over willen lezen.
Opmerkelijk, trouwens, dat er in het stuk van De Rek alleen maar mannen geciteerd worden, alleen maar mannelijke recensenten genoemd worden en getoond worden in de erbij gepubliceerde illustratie van Peter Lipton.
P.S.
Arjen Fortuin schreef een leuke column in de NRC van 6 september jongstleden naar aanleiding van De Reks stuk.
maandag, augustus 19, 2013
Against e-reading, niet lukraak, doch merkspecifiek
Vanuit der handelaren optiek bezien is enig verzet tegen e-lezen wel begrijpelijk. Waarom je dan alleen niet met een Kindle zou mogen lezen, vat ik echter niet. Of is 'Kindle' in deze contreien al via antonomasia tot soortnaam geworden? Lijkt me een mooie opdracht voor een reclamebureau om daar dan namens een concurrent tegenin te proberen te gaan; maar dat terzijde.
Ter zijde van wat? Hoe dat ook zij: wegens het gegeven dat de boeken thuis het uitzicht door de ramen dreigen te gaan belemmeren (dit is een hyperbool, by the way) heb ik in Haye niet één boek gekocht, zelfs niet dat schattige miniatuuruitgaafje van Miltons Paradise Lost.











































