zondag, augustus 11, 2013

Big Brother/Sister Is Reading Me!

Sakkerloot, laat me daar, middenin de zondagsrust, een strenge, belerende, vermanende en verwijtende e-mail ontvangen dat mijn oren klinken...En ik dacht nog wel dat alleen Amerikanen aan afluisteren deden.

Een mij wildvreemde schrijft me op m'n werk-e-mailadres:

Beste Fabian,

Gisteren ben ik gestart met het lezen op mijn e-reader van Stoner, aangeschaft via KOBO. Al snel werd ik geconfronteerd met notities van een andere lezer: Fabian Stolk. Dacht ik eerst van doen te hebben met een melige tiener, blijkt het hier om een leeftijdsgenoot te gaan. Komt wijsheid niet met de jaren? Wat te denken van een opmerking als: "Ze zal, mag je hopen, niet met haar sleutelbeenderen of haar knieschijven glimlachen." Intelligente opmerking! Of bedoeld als dijenkletser? Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat deze opmerking vanuit een wetenschappelijk kader is geplaatst.

Je laat overduidelijk graag van je horen, maar niet iedereen zit daar ongevraagd op te wachten. Een en ander is te vergelijken met een boek uit de bibliotheek waarin een ander allerlei opmerkingen in de marge heeft opgeschreven, doorgaans weinig relevant en daardoor hoogst irritant. Het negeren van de opmerkingen is nog best lastig; aan KOBO heb ik gevraagd hoe ik daarvan verschoond kan blijven. Ik vrees met grote vreze de andere boeken die ik heb gekocht maar nog moet lezen. Niet ondenkbaar dat je ook dáár je wijsheden tentoonspreidt.

Voor mij is lezen een privé aangelegenheid waarbij ik niet telkens wil worden afgeleid door veelal onzinnige notities van anderen die als losse flodders worden afgeschoten en die niets inhoudelijks toevoegen. Voor het kritisch beschouwen van literatuur zijn er meer geëigende kanalen.

Excuses dat de toon van dit mailtje niet zo aardig is, maar je hebt mijn leesplezier in het boek dan ook aardig doen afnemen. Eigenlijk wil ik je met dit mailtje enkel vragen stil te staan bij het effect dat jouw commentaar - ook letterlijk - via de zijlijn kan hebben op andere lezers. Opmerkingen plaatsen omwille van het plaatsen van opmerkingen: liever niet meer doen!

Vriendelijke groet,

[X]

Grappig. Zelfs hilarisch hier en daar. En vooral onthutsend.

Lezen is ook mij in eerste instantie een privé-aangelegenheid. En ik maak vrijwel altijd persoonlijk(e) aantekeningen bij het lezen, en wel zo, dat ik makkelijk over die notities kan beschikken. Ik marginaliseer dus met pen, maar meestal met potlood, in papieren boeken, en digitaal in digitale: ik kras met een stilus op m'n Sony en ik tik met m'n vingers of tap met een andere stilus op m'n i-Pad als het om een Koboboek gaat (excuses, die stomme merknamen zijn hier nodig).

In Stoner noteerde ik vaak iets vanwege de belabberde stijl (inhoudelijk is er trouwens ook niet veel aan te beleven, althans niet in de 56% die ik van het boek las). Na het eerste, notitieloos gelezen hoofdstuk kon ik me niet meer inhouden en markeerde een passage als: 'Hij begon zich eraan te storen dat [...].' En: 'Op een of andere manier had ik er [...] geen moment bij stilgestaan.' Dat roept toch om een notitie, zo'n ondoordachte flutformulering? Op hoeveel manieren kan je ergens niet bij stilstaan? Of: 'Hoewel hij achter in de vijftig was, zag hij er tien jaar ouder uit.' En als er dan ook nog staat 'Met haar lange verfijnde gezicht glimlachte ze' dan weet ik wel dat het geen echte fout is, maar dan denk ik, getergd door al het andere, toch: had ze dan met haar besproete sleutelbeenderen of heur knokige knieschijven moeten glimlachen?

Maar goed, ik hoef hier niet verantwoording af te leggen over mijn persoonlijke leesnotities. Niet ik, maar de heer of mevrouw, welaan: de firma Kobo zet al die persoonlijke aantekeningen van mij op zo'n manier in mijn boek, in mijn eigen, legaal, digitaal aangeschafte boek, dat vervolgens iedere andere lezer ze ook in zijn/haar 'exemplaar' van het boek kan lezen, als hij/zij ten minste de moeite neemt om op de icoontjes te klikken. Geen idee waar dat voor nodig is, het eerste noch het tweede. Wat gaat het een ander aan wat ik persoonlijk in mijn eigen boeken aanteken? Niets! Nou dan!! De vergelijking die de klagende mailschrijv/fster maakt met een volgekladderd bibliotheekboek, raakt kant noch wal. Ik heb mijn Stoner aan niemand uitgeleend (ik leen alleen goede boeken uit).

Maar die stakker (m/v), die zich aan mijn notities stoorde (kijk, ik kan het ook), denkt wel meteen te weten dat ik graag van mij laat horen (ad hominem); als dat al zo zou zijn, dan deed ik dat niet via die losse flodderannotaties natuurlijk; en: ik hoef helemaal niet gehoord te worden, ik wil bij tijd en wijle heel erg graag even een stukje schrijven; en dat doe ik dan op zo'n blog, dat trouwens eveneens niemand verplicht is te lezen, gelukkig; het is hier 1984 niet. En die zelfde mishandelde lezer/es schuift me digitaal nog meer in de figuurlijke schoenen (plek zat in geval van analogie, ik heb maat 45).

Mij wordt verweten het leesplezier bedorven te hebben doordat de verwijt(st)er las wat hij/zij helemaal niet hoefde te lezen en wat ook niet voor zijn/haar gevoelige oogjes bedoeld was. Dat noem ik nog eens ongewenste interactiviteit. Er zit iemand met zijn digitale tengels aan mijn digitale lurven. En vervolgens wordt me paradoxaal genoeg ook nog uitgelegd dat notities niet flauw behoren te zijn, maar dijen moeten doen kletsen (ik wil er niet aan denken wat ik daartoe zou moeten noteren). Mijn persoonlijke leesnotities zouden daarenboven 'vanuit een wetenschappelijk kader' geplaatst moeten worden; dat laatste misschien omdat ik even oud schijn te zijn als de verwijt(st)er, die wellicht denkt dat als je maar ouder wordt, je ook wijzer zou worden (persoonlijk ben ik daartoe onder meer naar school gegaan en heb ik boeken gelezen en voorzien van notities; dat kost, nog steeds, tijd, en gaat niet vanzelf).

Ik weet niet zeker of het de bedoeling is, maar er lijkt in het hierboven geciteerde mailbericht ook gesuggereerd te worden dat als losse flodders afgeschoten notities die niets inhoudelijks toevoegen (aan een roman) op één lijn gesteld kunnen worden met 'het kritisch beschouwen van literatuur'. Ay.

dinsdag, augustus 06, 2013

Mooi en mooi (of: moet er orde zijn?)

Na een eerste, halfzacht robbertje sportschool sinds de vakantie met Bowie's in het vakantieland aangeschafte The Next Day in m'n doppen  m o e s t  ik even - om redenen waar ik u niet mee zal lastigvallen - 'All You Ever Wanted' van The Black Keys horen; da's zo mooi.

Opgezocht via de lijst 'Nummers'. Mooi, inderdaad.

Komt daar opeens Roosbeef achteraan met 'Als Je Me Zoekt'. Onverwachts. Anders moois.

En toen klokgebeier... 'Altar Boy' van Waits. Weer een heel ander kopje thee.

Zo werd ik nog verder verward door achtereenvolgens 'Aluminium', 'The American', 'Amsterdam' en 'Angie' (The White Stripes, Nouvelle Vague, Cold Play, respectievelijk The Rolling Stones).

Toen was de maat wel vol. Ik ben namelijk nog grootgebracht met platen, die toen nog niet heel hip en onderscheidend 'vinyl' heetten, want ze waren er allemaal van gemaakt; standaard zwarte schijven, met als toppunt van mechanische dynamiek, naast de rotatie, de verticaliteit van de zo genoemde platenwisselaar: na afloop van de ene donderde dan de volgende plaat erop en zocht de pick-up-arm vanzelf (!) het begin van de groef van de dan bovenliggende plaat. Ik lees nog steeds m'n romans toch ook niet alfabetisch geordend op het eerste woord van hoofdstuk één?! (kan wel een leuk appreciatieonderzoeksopzetje zijn).

maandag, juli 29, 2013

Lezersbedrog

Het was een misselijke aanbieding: 'Buy one, get one half price'.
Dat zag er op het stickertje zo uit:

buy one
get one
H A L F
P R IC E
Leugenachtig, zoals we dat van reclame gewend (zouden kunnen) zijn: dat tweede boek voor de halve prijs krijg je niet, je moet het, net als dat andere boek, kopen. Ervoor betalen, met je eigen geld (en dan ook nog in ponden, die op euro's lijken en duurder zijn). Maar toch: een roman die je dacht dat je hem wel eens goed besproken had gezien in het zoete vaderland: kopen, voor vier in plaats van acht pond; het is de moeite van het proberen waard. Dat zou die moeite, dat geld, waard kunnen zijn, dat zou het dat hebben kunnen zijn geweest.

Zo begon ik aan The Girl You Left Behind van Jojo Moyes (Penguin Books: London 2012), dat op het kaft heet te zijn: 'The Top Ten Bestseller'. Laat mij, op vakantie in het perfide Albion ook eens een bestseller lezen (hoezo bestseller? Doordat het maar de helft kost?)

Eerste woord van het eerste hoofdstuk: 'I' (p. 3; vreemd overigens, dat paginanummer, want er gaan werkelijk veertien bladzijden aan vooraf, waarvan zeven met officiële 'Praise for Me Before You (Moyes' vorige jubelroman, die op het voorkaft en aan de binnenkant van het omslag met quotes en plaatjes onder de aandacht wordt geblurbd) en zes vol van zinsneden uit 'Reviews from online readers' van dat zelfde vorige boek.

Ik had beter op moeten letten. Want wtf zijn in vredesnaam online readers? Het zullen wel 'gewone' lezers zijn die via sociale media hun waardering vrijelijk en ongecontroleerd het internet in laten lopen, zoals ene Wicky, die - door Penguin geciteerd zonder bronvermelding - geschreven schijnt te hebben: 'Quite simple, this is one of the best books I have ever read'. Who cares, want: wie ben jij, Wicky? En hoeveel boeken las je? En welke vond je goed?

Verder het overtuigende commentaar van ene Hamster: 'Such a magnificent book that words fail me'. Nog altijd acht te veel, denk ik dan. Volgens Umberto Eco is dat aantal overigens genoeg voor de kortste roman, die, in het Engels vertaald, luidt: 'When he awoke, the dinosaur was still there.' (Augusto Monterroso's El Dinosaurio telt in de oorspronkelijke uitvoering slechts zeven woorden; zie The Times van 24 juli 2013, p. 16).

The Girl You Left Behind is dus een ik-vertelling, althans, tot en met pagina 65, waar ik nu ben [dat was ongeveer ergens in week 30 van dit jaar, en sedert dien ben ik niet gevorderd], en waarop Sophie, de uit een dorp afkomstige verkoopster van sjaaltjes in het grootste magazijn van Parijs anno 1912, al in ondergoed (dat dan weer wel, het is geen Lawrence, die Moyes) te poseren zit voor meneer de schilder, haar toekomstige echtgenoot.

Ze vertelt hoe ze de Moffen te slim af is, als die op zoek zijn naar illegaal gehouden vee: ze heeft een biggetje in huis. Als haar broertje in elkaar wordt geslagen opdat hij de schuilplaats bekend zal maken, verzint Sophie razendsnel en zonder enige bijstand een über-Kuifje-achtige list: ze rent het huis in, zoekt in wijlen papa zijn spullen, vindt wat ze zoekt ('I finally found what I was searching for', staat er op p. 5 raadselzaam), rent ermee naar de big, zegt: 'I'm so sorry, mon petit' en laat de 'vertelster' dan noteren: 'I brought down my hand.' (p. 6); vervolgens haalt ze Mimi op, het kind van haar zus met wie ze een hotel/restaurant/café drijft en samenwoont nu beider ega's zijn ter front geroepen of zo, en: Mimi 'glanced up at me holding her baby brother' (p. 6).

Dit blijkt after all een bravourestuk van jewelste te zijn, want Sophie staat, aldus uitgedost en toegerust, de Duitsers zo kranig te woord dat die afdruipen. En wat blijkt daarenboven: ze heeft, in doeken gewikkeld, niet het baby-broertje van Mimi, maar het met chloroform verdoofde biggetje heel de tijd in haar armen gehad. Uitleg volgt: 'I remembered Papa had a bottle in his study, from his butterfly-collecting days.' (p. 13)

Chloroform om vlinders mee te bezwijmen? Soit (ik ben niet zo deep into Nabokov). Maar daarvan dan een voorraad hebben die genoeg is om een heel mest-big een half uur lang onder zeil te houden? L'effet de réel heet dat zeker?

Mogelijk nog erger: waarom vertelt die ik-vertelster niet recht-toe-recht-aan wat ze daadwerkelijk deed? Waarom die vage omschrijvingen? De suggestie van de neerdalende hand (met een dolk)? Waarom opeens het perspectief van de kleine, makkelijk te belazeren Mimi overnemen? En wie is trouwens de 'you' die af en toe wordt aangesproken? Toch niet die naar het front vertrokken schilder, mag ik hopen... Die kan dan in zijn memoires vermelden: 'Jeloog tegenmij offik eenkind was!' Nee, dat zal niet, want aan hem hoeft ze niet - en zeker niet tweemaal op één bladzij - uit te leggen dat La Femme Marché 'Paris's greatest department store' was (p. 51), want hij woonde in Parijs toen hij haar in die winkel leerde kennen en verleidde.

Ik geloof dat ik met dit boek op het verkeerde feestje terecht ben gekomen... Ik geloof dat ik overstap op Julian Barnes's Levels of Life; dat is dunner. En zeker beter.

zaterdag, juli 06, 2013

Thomas Vaessens, Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur-III (slot)

Vandaag gaat alles (behalve het verduimnagelen van plaatjes in Blogger) goed. Varen op de Utrechtse Nieuwegracht en Drift, elektrisch voortgedreven; toch maar een benzinemotor gekocht overigens; en het is zomer. En ik heb Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur van Vaessens uit. Die hoeft dus niet mee naar het strand straks (metonymisch, dat, want ik ga niet naar het strand op vakantie).

Open vs. gesloten
Het hoofdstuk over het laatste denkraam, het postmodernistische, heb ik met plezier gelezen (het margepotlood dommelde in zijn etui). Het gaat over een positie tegenover de moderniteit die blijkt uit het soort boeken die ik niet allemaal met even veel plezier lees, maar waarover ik me graag laat informeren door mensen die - zoals Vaessens kennelijk - dat soort romans en gedichten wel waarderen. Toevallig had ik laatst Februari's De zonen van het uitzicht gelezen de roman waar Vaessens veel van zijn postmoderne venster mee weet te illustreren. Een verbijsterende roman, als het nog een roman mag heten, net zoals Februari's/Drenths dissertatie Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek, die ik toevallig ook las, zij het fragmentarisch, maar dat lijkt me wel opportuun met zo'n tekst, om niet te zeggen: adequaat, om al helemaal maar niet te zeggen: in lijn met de literatuuropvatting en wereldbeschouwing van de abstracte auteur. Typische postmodernistische teksten allebei (of -drie). Leg het zo genoemde denkvenster er maar bovenop, en werkelijk alle woorden lichten als het ware op. Maar mooi? Ook het oeuvre van Jongstra staat nogal goed vertegenwoordigd in mijn boekenkast. Gelezen en wel. Nog zo'n typische postmodern, die er trouwens ook voor zorgt dat Multatuli, wiens Max Havelaar als demonstratiemateriaal voor het romantische discours werd ingezet, ook in dit hoofdstuk aan de orde komt. Jammer dat Vaessens in dat kader niet refereert aan de latere druk van die debuutroman (zie DBNL) waarin Multatuli/Douwes Dekker een schier idiote hoeveelheid noten heeft toegevoegd (Aanteekeningen en ophelderingen by de uitgaaf van 1875 (herzien, gewyzigd en aangevuld in 1881))waardoor hij zijn zelfreflexieve, opengewerkte roman nog duidelijker van het romantische en het realistische naar het postmodernistische denkraam sleept, denk ik. Die latere voetnootfoeterende Multatuli is een vroege Jongstra.

Postmodernisme/Postmoderniteitteit
Aardig aan dit hoofdstuk is dat Vaessen erin twijfelt of het postmodernisme nog wel gerekend kan worden tot de kritische reacties op de moderniteit, zoals de vier eraan voorafgaande denkramen. Vaessens veronderstelt dat het niet ondenkbaar is dat we, gelet op de constellatie van de wereld waarin we inmiddels leven, tot een ander - welaan: vooruit met de geit - paradigma zijn overgegaan. Postmoderniteit als een nieuwe cultureel-filosofische constellatie na de moderniteit. Hij doet net of hij geen positie kiest, maar tussen al zijn woorden kiert toch echt het licht van die opvatting: na vier denkramen vol kritische reflectie op de moderniteit is de wereld die beschreven moet worden, zo veranderd dat ze niet meer modern te noemen is, maar postmodern. Het laatste hoofdstuk, 'Literatuur en diversiteit', gaat daar verder op in, zonder dat het een nieuw denkraam zegt te behandelen. Het zou dan ook niet meer om reflecties op moderniteit, maar op postmoderniteit handelen. Nog eens zegt hij niet te kiezen. Maar dat is niet waar.

Verantwoording
Volgt nog een verantwoording over literatuurgeschiedenis en literatuurwetenschap. Daarin geeft Vaessens te kennen dat zijn boek veel kennis vooronderstelt, namelijk literair-historische kennis, feitenkennis. Kennis die is op te doen in gewone literatuurgeschiedenishandboeken, waarvan hij veronderstelt, nee, waarvan hij vindt dat scholieren er minstens één moeten hebben doorgeploegd alvorens zij aan de universiteit komen om (de) moderne Nederlandse literatuur te (be)studeren, dat laatste dan aan de hand van bijvoorbeeld dit boek van Vaessens. Dat is een gloeiend mooie uitgangsposititie, maar ook een wat vrome wens, wat al te gemakzuchtig. Die schoolkinderen van tegenwoordig lezen nog maar twaalf boeken en wat hapsnapbladzijdjes Dautzenberg en vooral veel geïnternetteerde leesverslagen in plaats van echte boeken. In wezen pleit Vaessens voor een knalhard toelatingsexamen Moderne Letterkunde. Helemaal mee eens. Maar niet op deze aardkloot, lijkt mij, waar iedere verbetering van het onderwijs geen geld mag kosten, niemand uit mag sluiten en ook geen wezenlijke verandering mag brengen of vergen. Vaessens weet dat ook wel, want in het hoofdstuk 'Literatuur en diversiteit' schets hij, extrapolerend vanuit Reve's De avonden en Grunbergs Tirza in welke richting - van moderniteit naar postmoderniteit - en hoe ingrijpend de Nederlandse cultuur veranderd is.

Slot
Zoals reeds gezegd, zij het toen nog wat veronderstellend: deze Geschiedenis n'est pas une histoire. Dit is geen basisboek (vergeefs zocht ik bij voorbeeld in het register een opsomming van de werken van Februari die ter sprake worden gebracht), maar een reflecterend, een verdiepend boek. Er worden wel boeken in besproken, maar die besprekingen dienen vooral als illustratie bij het zich ontwikkelende essay, ze vormen niet de kern van het boek. Geen leerboek is het, maar een schets van vijf periodeconcepten. Een leuke schets, een begrijpbare schets, een voor specialisten aanvechtbare schets. Een essay, daarom. En daarom is de titel niet goed. Dat is jammer, want die leidt de aandacht niet goed. Dat is jammer, want dit boek is serieuze aandacht van vakgenoten van Vaessens en ook van liefhebbers van de (moderne) Nederlandse literatuur zeker waard. Dat het boek een schets is van vijf periodeconcepten, is een probleem omdat Vaessens voortdurend zijn best doet onderscheid te maken tussen de traditionele historische romantiek en het vernieuwende transhistorische romantische denkraam, het historische realisme en [...] het transhistorische postmodernistische denkraam. De zin van het onderscheid tussen periodeconcepten en de in de bekende chronologische volgorde besproken transhistorische denkramen komt mijns inziens niet goed uit de verf. En toch prikkelt het boek, als een dezer warme dagen zo gewenst glas gekoeld sodawater. Tonic, kan ook. Of bier.

p.s.

Op De reactor verscheen een beschouwing van maar liefst 4985 woorden over Vaessens' boek, waarin onder andere wordt gerefereerd aan de belangstelling die Vaessens' boek weet te wekken; de vroolijke hermeneut, die er in totaal een schamele 3636 woorden aan wijdde, wordt daarin ook impliciet genoemd als deel van die Welle annex hausse. Daarna volgt de insinuatie: 'Wat heeft Vaessens toch misdaan?' Het vroolijke antwoord moet zijn en is: niets! Vaessens heeft een boek geschreven dat de interesse wekt van vakgenoten en anderen; daarmede heeft hij niets misdaan.

woensdag, juli 03, 2013

Thomas Vaessens, Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur-II

De kneep
De kneep van dit boek (ik ben nog maar tot pagina 330 gevorderd), zit erin dat Vaessens de chronologisch en historisch verhalende benaderingswijze van de moderniteit combineert met een conceptuele en transhistorische werkwijze waarmee hij literaire teksten bespreekt. Hij legt dit als volgt uit (p. 11):
Wij zeggen niet: 'Multatuli is een romanticus', maar bijvoorbeeld wel: 'Max Havelaar kan gelezen worden vanuit het romantische frame'. Een tekst (of een auteur) hoeft in onze optiek namelijk niet romantisch te zijn om romantisch gelezen te kunnen worden. En wanneer Max Havelaar inderdaad romantisch gelezen kan worden, dan sluit dat niet uit dat ook andere frames productieve leesstrategieën bieden. Multatuli's roman komt bijvoorbeeld in bijna alle hoofdstukken van deel II aan de orde. Kennelijk kan de tekst op verschillende manieren met de moderne wereld in verband gebracht worden, reden dat hij al zo lang springlevend is.
In werkelijkheid komt die roman, afgaand op het register, alleen voor in de hoofdstukken over het romantische, het realistische en het postmodernistische frame. Het eerste zal niemand verbazen. De plaats in het realismehoofdstuk heeft te maken met de paragraaf 'Literatuur en idealisme', waarin Max Havelaar vergeleken wordt met Cremers Fabriekskinderen, een paragraaf die niet misstaan zou hebben in dat eerdere hoofdstuk.

Vensters op Max Havelaar

Dat Multatuli een waarheidsclaim poneert met zijn roman, is overigens evident, juist door de interventie in de fictie die de auteur pleegt, zoals ook Cremer dat doet aan het eind van zijn roman. En mede door deze 'opengewerkte' structuur vindt Max Havelaar ook een plaats in het hoofdstuk over postmodernisme, en niet in de laatste plaats mede omdat een typische postmodernist als Jongstra aandacht heeft voor Multatuli. Fnuikend voor de claim van het exceptionele standpunt van deze Geschiedenis is evenwel dat Max Havelaar precies niet bekeken wordt door minder voor de hand liggende denkramen, namelijk het avant-gardistische en het modernistische.

Tags

Wat een dergelijke denkberaming zou hebben opgeleverd, is me niet duidelijk. Dat komt ook doordat de werkwijze van Vaessens ondanks de visuele schijn van helderheid in wezen wat duister is. En dat weer komt juist door het inzetten van de denkramen en meer in het bijzonder door het appel op intersubjectiviteit van de in teksten verscholen binaire, metaforische opposities die met behulp van een blik door een denkraam zouden oplichten. Die opposities noemt Vaessens overigens tags (p. 117), zonder dat hij (mij) duidelijk weet te maken waarom, tenzij omdat hij die term later weer gebruikt, namelijk wanneer het gaat om een explicatie van de inzet van woordwolken.

Woordwolken

Vaesens schotelt de lezer in vijf denkramen meer dan zeventig woordwolken voor, meestal in oppositionele tweetallen (menselijk-onmenselijk, de (jonge) dichter-de (verstandige) vriend, poëzie-wetenschap, en zo meer). In drie bladzijden legt hij het gebruik van dit hulpmiddel uit. Zo noteert hij op pagina 120 het volgende:
Woordwolken zijn weergaves in afwijkende typografie van uit hun context gehaalde woorden uit een bepaalde tekst. Ons gebruik van woordwolken is geïnspireerd op tag clouds: een visueel hulpmiddel dat weblogs en nieuwssites in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw op grote schaal gingen aanbieden. Een tag cloud visualiseert metadata van websites, waarbij de grootte- en/of kleur verschillen aangeven of de verschillende tags relatief weinig of veel voorkomen.
Doe-het-zelf
Waarom de typografie afwijkend is, blijft onduidelijk. Het is, denk ik, domweg een geintje van woordwolkgenererende programmaatjes, inmiddels een computationele conventie. Ik had er nog nooit mee gewerkt, maar toen ik de webtekst over deze Geschiedenis van de site van Vantilt plukte en door een wolkenmaker trok (www.wordle.net), schrok ik bijkans van de gratis bijgeleverde grafische mogelijkheden; het plaatje aan het begin van dit blog is maar één van de vele visualisaties die mogelijk zijn. Vaessens gebruikt overigens geen kleuren, maar (echt waar) een aantal tinten grijs tot en met zwart, die niet bijster distinctief zijn.

Ceci ne sont pas des tags

Het gebruik van woordwolken mag dan, zoals Vaessens zegt, 'geïnspireerd' zijn op tag clouds, zijn woordwolken zijn geen tag clouds, om de eenvoudige reden dat het geen verzamelingen zijn van metadata, en het zijn geen verzamelingen van metadata om de eenvoudige reden dat een platte literaire tekst van zichzelf geen metadata bevat, zeker niet van de soort die Vaessens zegt weer te geven. De woorden van een roman of gedicht zijn immers niet op een metaniveau voorzien van al dan niet transhistorische, denkraamgerelateerde tags. Het woord 'rood' in een gedicht van Hendrik Marsman 'heeft' niet de tag 'expressionisme' of 'vitalisme' of 'energie' of 'bloed', zo min als het in een gedicht van Henriette Roland Holst det tag 'liefde' of 'socialisme' of zelfs maar 'zachte kracht' heeft. Je hebt allereerst het oog en het verstand van de serieuze hermeneut nodig om die metadata in een tekst te 'zien' met inzet van interpretatie, duiding. Om het met Bourdieu te zeggen: tags zijn geen intrinsieke eigenschappen, maar waarden die door een veldspeler worden toegekend.

Sematische velden, lexemen, semen

Zeker, een hermeneut die een beetje overweg kan met iets als HTML, kan zijn uit de DBNL geleende teksten wel tagen om er vervolgens een wolkengenerator overheen te sturen. Dat zou een wolk opleveren die precies laat zien wat je met je tags eerst eigenhandig in die tekst hebt gestopt, namelijk je particuliere, zij het ook geschoolde opvatting over bijvoorbeeld de abstracte betekenismogelijkheden van die woorden. Dat haal je net zo veel de koekoek als die schijnbaar objectieve, aan de taalkunde ontleende betekeniskenmerken waar Fokkema en Ibsch Het Modernisme in de Europese letterkunde voor de uitvinding van het internet mee opvrolijkten: Marsmans 'rood' zou in hun optiek wellicht met [- onthechting] getagd kunnen zijn, net als dat van Roland Holst (maar deze dichters komen in dat boek niet voor). Met andere woorden: niet 'What you see is what you get' met die tag clouds, maar 'What you put into it is what you get to see'.

Beestelijk menselijk

Op pagina 120 verschijnen deze twee wolken, gegenereerd met materiaal uit Couperus' Noodlot:
En de uitleg erbij (p. 120-121)luidt:
We hebben hier een aantal concrete, letterlijk in Couperus' tekst voorkomende signaalwoorden gekoppeld aan overkoepelende, abstractere noties: menselijk en onmenselijk - de noties warvan we nog laten zien dat ze bepalend zijn voor de discursieve structuur van het realistische frame.
In de koppeling zit de subjectieve crux: die is aangelegd door de ene lezer. En er is nog wel wat uitleg nodig, denk ik, voordat een andere lezer begrijpt dat 'beestelijk' een signaalwoord is voor 'menselijk' of dat 'etiquette' een signaalwoord is voor 'onmenselijk'; ik althans dacht vooralsnog het tegenovergestelde.

The beholder

Een ander voorbeeld van de moeizame intersubjectiviteit van Vaessens biedt de wolk 'Palmen: roman' op pagina 329, zeker in combinatie met de introducerende tekst:
Wanneer Palmen schrijft over het literaire werk, de roman, dan gebruikt ze woorden die vooral de nadruk leggen op het geconstrueerde karakter ervan: de literaire tekst is een ingenieus in elkaar gezet mechaniek, waarin de verschillende onderdelen onderling met elkaar samenwerken
Als ik 'mijn' mechanische signaalwoorden eruit distilleer, krijg ik dit resultaat: ingenieus, in elkaar gezet, mechaniek, onderdelen. En wat staat er in de woordwolk: weefsel, lagen, tapijt, maakwerk, web, knoopwerk. Waar Vaessens de kille, technische machine-metafoor gebruikt, zie ik Palmen toch echt klassiek over een textuur schrijven, het handwerk van een vakvrouw. Dat lijkt me een ander kopje thee.

Register
Het boek bevat een namenregister, terwijl de auteur daar zelf weinig mee op heeft, zoals bleek uit het eerder aangehaalde interview, maar helaas ontbreekt een register op de tags die in margine van de tekst zijn aangebracht. Ik had graag de mogelijkheid gehad om de vindplaatsen van concepten als autonomie, Verlichting, oorspronkelijkheid, politiek en zo verder te traceren, te meer daar we mogen aannemen dat die concepten verspreid over alle vijf de denkraamhoofdstukken gebruikt zullen worden. Het is jammer, een gemis zelfs, dat het boek juist gesloten blijft op het terrein waar het de literatuurgeschiedschrijving wil openbreken.

Krankenschwesterplural

Een gezonde dosis subjectiviteit geeft doorgaans pit aan een tekst. Niets op tegen. 't Zet aan tot terugdenken en weerwoord. Des te beter. Maar Vaessens heeft er in dit boek voor gekozen gebruik te maken van wat hij noemt de pluralis modestiae (p. 12), wat wel te billijken zou zijn, als het dat ook daadwerkelijk was. Maar doorheen het hele boek zwikt hij heen en weer van enerzijds deze bescheidenheidsmodus van de welwillend docerende hoogleraar die met zijn leergierige studenten en lezers het spel speelt dat ze op voet van gelijkheid en gezamenlijk de uitgebreide materie verkennen, naar anderzijds wat de Germanen zo mooi de Krankenschwesterplural noemen, een in wezen neerbuigende, de toegesprokene kleinerende modus. Derderzijds kleeft er toch ook iets van een heel elitaire, uitsluitende houding aan deze spreekwijze, de trant van de pluralis majestatis: wij, geleerden onder elkaar, wij weten wel beter dan hoe men denkt dat het zit. Maar dit ter zijde slechts gezegd.
[volgende keer meer, maar wederom: eerst wat eindwerkstukken betweedelezeren]





dinsdag, juli 02, 2013

Thomas Vaessens, Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur

Uitgeverij Vantilt, Nijmegen 2013. Paperback met flappen. 472 bladzijden.

Gevorderd
Nu ik dit noteer [01-07-2013], ben ik pas gevorderd tot bladzijde 309. Ik ben dus geen beginneling meer, maar gevorderde. Maar ik ben nog niet aan de meet. En zou er dus nog mijn toetsenbord over moeten houden. Totdat ik het uit heb. Want ik wil niet meedoen aan het dom krakeel der kranten. Maar ik wil wel wat terugroepen tegen dat hol gevat van de recensies, die niet van enige vakkennis getuigen, hooguit van eenvoudige lekenergernis. Ergernis die ik me wel kan voorstellen, want het boek is - denk ik, nu ik tot pagina 309 gevorderd ben - in ieder geval niet wat de titel doet denken dat het is. Het is geen overzicht van alle, om een of andere reden belangrijke, invloedrijke, goede en/of bijzondere literaire boeken van de afgelopen ruim tweehonderd jaar.

Ceci n'est pas une histoire
Thomas Vaessens' Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur is niet de Nederlandse parallel van bijvoorbeeld Maarten van Buurens en Els Jongeneels Moderne Franse literatuur; van 1850 tot heden (Groningen 1996), dat zich als volgt karakteriseert in de openingszin: 'In dit boek wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste stromingen in de moderne Franse literatuur.' Het is ook geen pendant van Ton Anbeeks Geschiedenis van de literatuur in Nederland, 1885-1985 (5e, herziene druk, Amsterdam-Antwerpen 1999). Het is geen vervanging van de laatste tachtig hoofdstukken van M.A. Schenkeveld-van der Dussens Nederlandse literatuur, een geschiedenis (Groningen 1993). Noch is het een concurrent van onder andere Hugo Brems' Altijd weer vogels die nesten beginnen; geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005 (Amsterdam 2006).

Wat er ook verschillend is aan al die andere werken, ze pretenderen allemaal, op de ene of op een andere manier, een betrekkelijk volledig, of een bewust onvolledig, overzicht te geven; ze proberen het, dan wel een verhaal te vertellen over de belangrijkste literaire ontwikkelingen, stromingen, bewegingen in de moderne Nederlandse literatuur door middel van het bespreken van de belangrijkste literaire werken. Vaessens wil misschien wel iets dergelijks met zijn Geschiedenis, maar zijn boek is, in weerwil van de titel, niet een dergelijk literair-historisch overzichtshandboek. De Knuvelderiaanse volledigheidscategorie 'andere auteurs' ontbreekt dan ook - gelukkig - bij Vaessens.

Omdat hij iets anders beoogt, is achteraf te begrijpen waarom de auteur in een interview met De groene Amsterdammer (19-06-2013) nogal epaterend pochte 'Ik heb niet gekeken naar het register toen het boek af was. Ik heb niet gecheckt wie er wel en niet in staan. Ik weet echt niet of Achterberg erin voorkomt bijvoorbeeld.' Het deert hem evenmin dat Mulisch er niet in voor zou komen. Wie geen overzicht pretendeert te geven, maalt daar niet om, en terecht (maar zou wel zijn boek een andere titel hebben kunnen geven, om de lezer te helpen van meet af aan een passend denkraam in te zetten).

Een voorstel voor een andere blik
Wat wil Vaessens wel? Ik denk nu, gevorderd tot pagina 309, dat hij vooral wil demonstreren dat er ook een andere kijk mogelijk is op de geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur dan een traditioneel, chronologisch geordend verhaal van elkaar min of meer beconcurrerende stromingen en bewegingen. Wat hij niet wil is nog een keer vertellen dat de Zestigers, verzameld in het literair tijdschrift gard sivik, in 1964 de Vijftigers zo niet dood, dan toch wel passé verklaarden, en dat ze dat bondig duidelijk maakten met het beroemde omslag (wat Vaessens er niet van weerhoudt toch ook weer dit verhaal te vertellen). Vadermoord is masculien en oude koek. Niet dat het niet waar is, net zo goed als dat de Tachtigers wel de dood verklaarden aan de dominee-dichters, maar het trekt niet de aandacht van Vaessens, niet in dit boek.

Meer dan een geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur is Vaessens' Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur een tomeloos dik uitgevallen essay over een andere kijk op de geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur.

Literatuur en moderniteit
Helemaal nieuw is die kijk overigens niet, want Frans Ruiter en Wilbert Smulders stelden zeventien jaar geleden de verhouding van de moderne Nederlandse literatuur ten opzichte van de moderniteit annex het moderniteitsconcept centraal in hun Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 (Amsterdam- Antwerpen 1996). Het eerste deel van Vaessens' nieuwe boek, getiteld 'Het verhaal: de moderniteit' vind ik evenwel zeventien keer zo toegankelijk als ik dat boek van Ruiter en Smulders destijds vond; misschien komt dat precies doordat Vaessens zich concentreert op de verhouding tussen die abstracta, en alle bergen van literair-historische details achterwege laat.

Paradigmawisseling
Vaessens zegt dat hij, naast het standaardmodel van de moderne (chronologisch geordende) literatuurgeschiedschrijving, een ander model plaatst. In dat model gebruikt hij zo genoemde transhistorische frames (waarbij 'frame' domweg vertaald mag worden met het Bommelse 'denkraam', en misschien zelfs wel met het nog oubolliger 'zoeklichttheorie'). Dat houdt bijvoorbeeld in dat hij 'niet de geschiedenis van het historische postmodernisme [reconstrueert], maar [dat hij bekijkt] hoe het postmodernistische frame betekenis geeft aan teksten, waarbij die teksten uit verschillende perioden van de moderne literatuurgeschiedenis afkomstig kunnen zijn.' (p. 106)

Pretentie
Dat laatste is helaas een pretentie die Vaessens, in ieder geval tot aan pagina 309, niet waar maakt. Hij loopt louter de literair-historische ontwikkeling na van romantiek, realisme, avant-gardisme, modernisme en postmodernisme. Niets nieuwers onder Vaessens' zon dan bijvoorbeeld al blikkerde onder de zeven jaar oudere zon van Van Boven en Kemperink, Literatuur van de moderne tijd; Nederlandse en Vlaamse letterkunde in de 19e en 20e eeuw (Bussum 2006). Verschil is alleen dat hij nauwelijks literair-historische feiten opdreunt. Dus wie er allemaal tot bijvoorbeeld het Nederlandse historische realisme te rekenen zijn, legt Vaessens niet uit. Maar hij legt evenmin uit wat er gebeurt wanneer je het (al dan niet historische) realisme beziet door het postmodernistische of avant-gardistische frame. Om maar iets te noemen.

Denkramen
Een frame is volgens Vaessens een denkraam (echt, ik prefereer dit Nederlandse woord), een cognitief kader of schema dat bepaalt hoe we de wereld zien (p. 111). Een bladzijde verder heet een denkraam ook 'een wereldbeeld, een stelsel van veronderstellingen'; en een diep denkraam heet: een cognitieve structuur die opgesloten ligt in het langetermijngeheugen (p. 112). Vaessens zoekt, behalve op amateuristische wijze bij Swaab, aansluiting bij de taalkundige Lakoff, die framing beschrijft als een taalhandeling. Daarom ook spreekt hij over denkramen 'aan de hand van taalsignalen' (p. 112), meer in het bijzonder metaforen en binaire opposities. Een denkraam is dus ook een taalconstructie. 'Om die reden noemen we concepten als romantiek of realisme discursieve frames, wat zoiets [!] betekent als "talige frames" of "frames in de taal".' (p. 112)

Nieuw?
Deze pleonastische descriptie brengt Vaessens op het concept 'discours', dat hij dan gaat uitleggen (met de groeten van Foucault, natuurlijk). En dan is het nog een kleine stap naar de observatie dat een discours niet alleen de werkelijkheid benoemt, maar er ook vorm aan geeft. Ergo: 'Begrippen als romantisch en realistisch duiden geen historische realiteiten aan' (p. 113), het zijn mentale constructies die ons helpen tastbare historische gebeurtenissen te interpreteren en verklaren. Dat wisten we een paar bladzijden eerder al, toen denkramen nog frames heetten, maar verwarrend is dan wel dat eerder werd gesteld dat traditionele periodeconcepten historisch zijn, wat wil zeggen dat ze wel 'verwijzen naar iets wat zich in de historische werkelijkheid heeft voorgedaan.' (p. 106) Maar daar zit ' m nou net nou de kneep.

[wordt vervolgd zodra ik verder heb gelezen, maar eerst moet ik nu BA-eindwerkstukken gaan beoordelen]

dinsdag, juni 25, 2013

Boek zonder prijs

Lijkt het erop, of is mijn blik vervormd: hoe goedkoper het boek, hoe minder het waard is.

Ik ken mijn Baricco, en verbaas me er dus niet meer over dat boeken door kranten of dergelijke gratis verspreid worden.

De NRC is een krant. Die krant doet zo veel aan cultuur (waartoe ook de literatuur behoort), dat ze er zelfs een speciale webwinkel voor heeft. Je kunt er boeken kopen, films, muziek, wijn, reizen en hoorcolleges, kunst en design en 'Eten & Koken'. Vergeet ik bijna 'Buiten & Binnen'.

De suggestie is dat die spullen goed zijn, want gerelateerd aan een krant die je leest omdat je die goed vindt. Een logica die ik niet volg, want in die krant schrijft ook een zelfbenoemde dwarsligger als Y. van 't H., maar als ik iets in de NRC mag aanwijzen wat het niet haalt bij het niveau van de rest van de krant, dan zijn het wel die blaaskaakstukjes.

Een andere suggestie is dat je voor die goede spullen relatief weinig geld kwijt bent, en/of dat die spullen bijna nergens anders te krijgen zijn. Er staat immers op de website dat het gaat om 'Unieke NRC producten'. En je kunt er profiteren 'van de voordelen' die het lidmaatschap van de vernieuwde (!) wijnclub biedt. Ben je al geabonneerd op de krant, moet ook nog wijnclublid worden, maar dan krijg je voordeel. Zoals een gratis NRC-rood kussentje voor op je 'Pastoe krukje' (ik neem de NRC schrijfwijze voor het identificerend gemak maar even over).

Stel nou dat je 'The Complete works' van Britten koopt ('van € 255,00 voor € 209,00'), dan krijg je er 'GRATIS' bij wijze van 'Zomerspecial 2013' een boekje bij, een zo geheten dwarsligger, en wel Zomerhuis met zwembad, de 'Genreoverschrijdende roman van Herman Koch'. Je zal er maar mee gezegend worden. En nou maar hopen dat er geen prijsvraag aan verbonden wordt: 'Welk genre overschrijdt Koch met deze roman?'

Hoewel de grootte van het lettertje het leek te willen verhinderen, struikelde ik via een asteriskje in de advertentie over een clausuletje bij deze aanbieding: 'Niet van toepassing op bestellingen van Nederlandstalige boeken'. Aanvankelijk dacht ik dat hier een heel mooie, ouderwets volksopvoedende doelstelling achter stak; zo van: alleen om het aantrekkelijk te maken voor mensen die uit zich zelf nog geen Nederlandstalige boeken lezen. Maar neen, op de website luidt de clausule anders: 'Omwille van de Wet op de Vaste Boekenprijs geldt deze actie niet voor boekbestellingen.' En de actie loopt maar tot en met 20 juni 2013. En slechts zo lang de voorraad strekt.

Nou snap ik niet hoe vast een boekenprijs is, als je een twee jaar oud boek gratis weggeeft, dat alles behalve uniek is (google maar eens 'dwarsligger koch zomerhuis') en dat € 12,50 kost.

Boek en prijs

Vraag: wat maakt het uit, of je een materieel of een digitaal boek koopt? Antwoord: dat ligt eraan, of het het ene boek is, of het andere.

Zo moet De 100-jarige man [etc.] wel een waardeloos papieren flutproduct zijn (over de inhoud zeg ik niets), want het is slechts 51 (eenenvijftig) cent duurder dan de immateriële versie. Met andere woorden: zo'n 4% reductie op de prijs voor wie kiest voor het e-boek.

Kies je voor De Wertheims van Sylvia Tennenbaum (prachtige etymologische namencombi) (maar ik heb nog nooit van haar gehoord) dan levert het e-boek een voordeel van 42,84%. Kijk, daar zou ik dan eerder m'n geld aan uitgeven, als ik het boek louter zou bezien via het economische frame dat me door de advertentie op de neus wordt gezet.

Maar de ware digitale waar voor je e-geld krijg je pas met Stoner, want dat boek is digitaal maar liefst 62,45% goedkoper dan de papieren versie. In mijn geval staat daar weer tegenover dat ik het boek voordat ik op de helft was, verveeld terzijde heb gelegd; dus mijn winst zou nul geweest zijn als ik het papieren boek wel uit zou hebben gelezen, maar dat laatste geloof ik niet.

Economie en lezen hebben dus niets met elkaar te maken.

Maar wat ik me des niet tegenstaande afvraag: wat is in des boekenhemels naam de ratio achter de verhouding tussen de papieren en de digitale prijs als die in één advertentie al uiteenloopt van 4 tot ruim 62%?

vrijdag, juni 07, 2013

Roosbeef

Ik stond gisteren op de crosstrainer met Roosbeef. Nou ja: ik stond te crosstrainen met de muziek van Roosbeef in m'n doppen. Omdat ik dat wil. Eerst hoorde ik 'Hersens'. Da's niet prettig in de sportschool, want daar moet je die grijze dingen juist op nul zetten. Niet denken. En dat doet Roosbeef in dat nummer precies niet; nooit. Haar kop (d.w.z. de kop van het lyrisch subject) staat nooit stil. 'Toe maak het leeg in mijn hoofd', luidt de wanhopige, maar rustig uitgesproken, zacht en kalm gezongen wens.

Meteen daarna komt 'Sneeuw', minder zacht, minder rustig, fors voortgestuwd door een eenvoudige, stevig pulserende drum. 'Ik hou van de sneeuw', heet het daarin. Alles raakt erdoor bedekt, denk ik, niets is terug te vinden onder die sneeuw. Ik kan het niet anders horen dan in relatie tot het voorgaande nummer. En 'Sneeuw' eindigt in een bijna hysterisch geschreeuwde herhaling van de uitroep: 'Sneeuw me in', net te vaak, net te hoog, net te schel om nog aangenaam te zijn. En daardoor zo effectief. Mij althans doet het huiveren.

Loop ik dus veel te veel op die muziek te letten, dan dat ik nog cross kan trainen. En het ritme spoorde niet met mijn ideale RPM. Daar gaat m'n conditie; daar gloorde des niet tegenstaande mijn humeur.

zondag, mei 26, 2013

Overbodig maar genoeglijk

In principe, beter: door omstandigheden gedwongen, koop ik geen papieren boeken meer. Ze passen er niet meer bij. Alle boekenplanken in huis zijn bezet en overbezet (sommige oeuvres staan voor de helft regulier op de plank; de andere helft staat erachter, op de tweede rij). En als ik er dan soms toch nog één koop, moet er een ander voor wijken. Weg. Verdwijn, met pijn in het hart. Het huis uit, via digitale tweedehandshandel of - oh gruwel, maar soms is het niet te vermijden - oudpapierbak.

Afgelopen zaterdag zag ik in de kelder van De Slegte opeens dat mooie witte boek staan, Nieuwe veters, Robert Ankers verzamelde gedichten uit de periode 1979-2006. Lastige dichter: er was al een bundel met die titel, en in die bundel staat een gedicht met ook die titel, waarvan de dichter eens gezegd heeft dat het niet het titelgedicht is, als in: het thema-aanduidende, belangrijkste gedicht. En waarom die 27 jaar? Ah, oh, nee: de dichter werd toen 60. Ik heb alle bundels van Anker al, in eerste druk; ook de bundels die na 2006 verschenen. Anker is een van de weinige dichters van wie ik alles hebben wil, van wie ik alles lees, en van wie ik alles meerdere malen al las. Dit boek is een (vrijwel ongewijzigde) heruitgave van al die bundels tot en met 2006. Niets nieuws. Voor mij volkomen overbodig.

Toch gekocht. Zo'n mooi boek. Voor maar een tientje. En moet je zien: het omslag onder het kaft is prachtig paarsachtig blauw, met de naam van de dichter en de titel in blinddruk.

En sla je het omslag open, dan blijkt het bindwerk heel apart te zijn, met bindgaren in hetzelfde blauw als dat omslag. In het midden van elk van de dertien katernen lacht je dat blauwe garen weer tegemoet. En: het boek heeft een leeslint, ook blauw. Het is - terzijde opgemerkt - eenzelfde blauw als van het - losse - leeslint in Staphorst van Koos Geerds.

Nu moeten dus wel die losse bundels uit de kast. Maar ik doe ze niet weg. Deed ik ook niet met de losse bundels van Jellema en Van Eyck. Ze gaan naar boven, naar zolder, bij of in de studeerkamer. Daar is weliswaar evenmin plaats maar dat is een probleem dat opgelost moet worden, dat zich misschien wel (van)zelf oplost. Goede manieren staat trouwens al boven, op de eliteplank, de plank met epische poëzie. Dat gaat nog een heel gevecht om ruimte worden hier boven. Planknijd, ik voel het nu al zinderen.

Inmiddels las ik Waar ik nog ben weer. Stille poëzie met veel wit en poëticale symboliek ('Het potlood geeft contour aan / wat de radar nog niet ziet'). Een olijk, maar niet typerend citaat, het envoi van het laatste gedicht van de deels nostalgische afdeling 'Hout':

Hemelse prins, uw laatste zuidwester
doorstonden we glansrijk in polyester.
PS [28-05-2013]
'k Lees inmiddels verder. Kijk:

maandag, mei 20, 2013

Old School: leesclub

Op 18 mei 2013 nam ik deel aan een leesclub, aan één van de dertig leesclubben van die avond, georganiseerd door Das Magazin. Voortreffelijk georganiseerd. Vijfentwintig mens, voornamelijk vrouw, trouwens (ik denk eenentwintig), die zich wilden bezighouden met Dit blijft tussen ons, de tweede roman van Daphne Huisden. Mijn persoonlijke belangstelling voor deze roman was gewekt door haar debuut, dat op de shortlist had gestaan van de Academica Literatuurprijs 2012. De vakjury had voor dit boek gekozen, en Erik Menkvelds historische roman Het grote zwijgen en Een gat in de lucht van Erik Nieuwenhuis. Het publiek koos voor de historische roman, niet ten onrechte, want alle drie de genomineerde teksten waren goed, zij het op grond van uiteenlopende criteria; ik had een relatieve voorkeur voor Alles is altijd fictie, omdat het een on-gewone roman is, een verkennende roman, een comming of age-roman over een persoon van wie je niet eens weet of het een jongeman of een vrouw is; een roman met een goede sfeer, nee: een goed opgeroepen maar bizarre sfeer, met weinig maar intrigerende personages in een gesuggereerde, meer dan een uitgebreid geschetste ruimte (groot,oud huis, afgezonderde zolder, nieuwbouwkaantoorachtig iets er tegenover, dreigende sloop van het woonhuis, meen ik).

Van Dit blijft tussen ons kregen de leesclubleden ter voorbereiding een ongeredigeerde drukproef toegezonden. Dat maakte het clublezen extra intiem: het boek zou pas na de clublezing verschijnen. De organisatie wees erop dat de clubleden dus extra ruimhartig moesten lezen: er moest nog worden gevijld aan de nodige feilen. Achteraf kan ik wel opmerken hoe verbazingwekkend veel er in zo'n late redactiefase nog recht wordt gezet, op het gebied van komma's, grammatica, en verwarringen van muggen met spinnen, om maar iets te noemen; leuk om een blik in dat productieproces te krijgen. En tijdens de bijeenkomst vertelde Huisden nog het nodige over het ontstaan van de roman, het moeizame ontstaan.

De samenstelling van de leesclub was zeer diffuus: Jantine en Alleman deden eraan mee, en vooral gewone lezers. Er zat, geloof ik, geen professionele lezer bij. Ik was wat dat betreft een vreemde eend in deze bijt, net als de moderator, Wim Brands, en twee afgevaardigden van de uitgeverij van Huisden. Er was trouwens ook maar één persoon die Nederlands had gestudeerd, een Hongaarse die nu werkt als vertaalster. Geen idee waar al die studenten Nederlands blijven als er een boek in zicht komt.

Op merkelijk vond ik dat de lezers vrijwel allemaal geïnteresseerd waren in de personages, de personages als mensen. Dat die zo sympathiek was, dat die andere bij nader inzien alles behalve leuk was, en meer van dat soort observaties. En ook de vraag wat Huisdens favoriete personage was, duidde mijns inziens op een hoog gehalte psychologisch realisme in de belangstelling. Daarnaast was er veel aandacht voor de persoonlijke achtergronden van de roman. Een van de leesclubleden vatte deze visie Huisdens tweede roman samen onder de alternatieve titel: Alles is altijd autobiografisch.

Ik vind dat opmerkelijk, omdat ik maar niet geboeid kon raken door de personages; het zijn er maar liefst zestien (een heet Gizmo, zoals de vage man op zolder in Huisdens debuut). In zekere zin lijkt Samuel Cohen, een wannabe schrijver, centraal te staan: hij krijgt als eerste de volle personale aandacht, het vertelperspectief en de focalisatie, van de vertelinstantie, en hij ontbreekt in de lijst van namen die, onder de noemer 'De buren' voorafgaat aan het eigenlijke verhaal, als betrof het een lijst van personages in een toneelstuk; er wordt ook een plattegrondje bij gegeven, van de verschillende woningen om het plein heen als een scèneaanduiding (het boek is ook verdeeld in vier bedrijven). De vijftien anderen zijn dus zijn buren. Oh, nee: in de drukproef ontbreekt Sam in die lijst, maar niet meer in het uiteindelijk gedrukte boek. Vreemd enerzijds.

Maar die correctie is wel terecht, anderzijds, want mijns inziens is er niet een centraal personage. Het boek is juist een smeltkroes van krioelende, elkaar bespiedende en beroddelende figuren die enigszins geïsoleerd rondom dat plein wonen, een onvrijwillge gemeenschap vormen (met een buurtkroeg en eenmaal per jaar de gezamenlijke verjaardagsviering) en die allemaal over en weer zich ideeën vormen over elkaar, maar steeds het naadje niet van de kous te weten komen. Daar gaat het hele boek over, lijkt me: over de abstractie die mensen ondanks alles voor elkaar blijven.

Jammer dat de personages zelf ook wat abstract blijven, wel allemaal een tikje van een molen hebben, maar niet goed als karakters uit de verf komen en des niet tegenstaande, en niet gehinderd door een krachtige vertelinstantie, tomeloos mogen ouwehoeren in mono- en dialogen en hele lappen erlebte Rede. 'Het was heerlijk op zijn balkon, heerlijk alleen. En het was prachtig weer; niet te warm, niet te koud, een tikkeltje bewolkt, hier en daar wat opklaringen, zo nu en dan kans op een bui; een gebalanceerd klimaat.'

Na de grondige en boeiende bespreking van het boek met al die enthousiaste lezers en een verheugde Huisden was er een after in De Melkweg, waar dan alle dertig leesclubs samenkwamen. Ik struinde voor het eerste van mijn leven die tent binnen, sloeg linksaf naar waar het levendig leek en kwam terecht in een oord waar mijn zolen aan de grond kleefden van wat niet alleen maar bier geweest kon zijn en waar het orchideeënkwekerijheet was, alleen de schrijver C.W. mismoedig op zijn mobiel starend tegen de toog houvast vond maar bovenal geen zinnig woord meer te wisselen was met welke andere lezer of schrijver dan ook. Men liet er muziek horen. Ik was in een disco beland.

Om kort te gaan: bij het verlaten van het pand ontmoette ik toch nog die ene student Nederlandse taal en cultuur. Uit Utrecht ook nog. Van mijn werkgroep Modern Tijd zelfs. En hij was naar de leesclub van Bonita Avenue geweest. Bingo.

zondag, mei 12, 2013

De kloof tussen proza en poëzie II

Op het stofomslag heet dit boek red doc> maar volgens de Franse en de gewone titel, en ook op de rug, heet het Red Doc>. Geeft niet. Het is een mooi, gebonden boek, gezet uit de Minion, ruim 170 alleen boven en onder afgesneden pagina's; dat uiterlijk geeft een aangenaam vakkundige indruk. Voorop staat onder de auteursnaam: 'author of autobiography of red. Dat je het maar weet. De 'Note about the author' achterin is erg leuk: 'Anne Carson was born in Canada and teaches ancient Greek / for a living'. Ik geef het maar weer zoals het er staat, als betrof het een stukje poëzie, want het levert een mooi, ironisch enjambement op. Dat antieke Grieks doceren is kennelijk niet het grootst plezier in Carsons leven; ermee spelen en met de antieke Griekse verhalen aan de haal gaan in haar hedendaagse taal, dat is de spil.

Personages in dit werk zijn G (die in Autobiography of Red, zoals dat boek op de achterflap van Red Doc> heet, nog Geryon heette) en Sad, voluit: Sad But Great, die in dat andere boek nog Herakles heette, maar nu een zwaar getraumatiseerde oorlogsveteraan is, en Ida, die het frontispice getekend schijnt te hebben. Verder zijn er nog 4NO en CMO en een man in een zilveren smoking, die Heres blijkt te kunnen zijn; ook Io krijgt een rol, en zij is niet zozeer de door Hera uit wraak tot een koe omgetoverde geliefde van Zeus als wel een van de muskusossen uit de kudde van G, de zorg waarvoor hij even aan Ida had overgedragen, die dat weer deed aan aan ene M'hek; en dat allemaal in een niet nader aangeduid vulkanisch en glaciaal gebied alwaar een psychiatrisch ziekenhuis te vinden is als je tenminste de weg weet in een gletsjer en niet bang bent voor een vlucht ijsvleermuizen zo groot als broodroosters.

Maar is plotjes navertellen toch al niet mijn grootste hobby, in dit geval zou het ook niet helpen, want Red Doc> is een postmoderne karnton vol verhalende en essayistische en poëtische en tragische bestanddelen, inclusief een soort rei van Wife (meervoud) of Brain: 'we enter we tell you / we are the Wife of Brain / at this point you have little grounds to complain we say / a red man unfolding his wings is how it begins [...]'.

Het boek heeft een motto dat is ontleend aan Becketts Worstward Ho: 'Try again. Fail again. Fail better.' Je hebt het er maar mee te doen. Het geheel is opgedragen aan 'the randomizer'. De willekeurder? Of 'a device (of een mens met een dergelijke functie) that transposes or inverts signals or otherwise encodes a message at the transmitter to make the message unintelligible at a receiver not equipped with an appropriately set descrambling device', aldus 't internet. Gek genoeg doet het woord, dank zij Carsons uitbundige spelen met woorden en haar veelvuldige etymologische parentheses, denken aan 'randonnizer', maar dat woord bestaat niet; jammer want er wordt veel rondgereisd in deze vertelling, en ook als vertelling zelf is het boek nogal dolend (en Carson had een broer die het gezin verliet, door Europa dwaalde en stierf).

Ik kan het niet uitleggen. Het is een irritant boek, nee: een boek van de soort die ik doorgaans bloedkokend irritant vind, maar dit exemplaar wilde ik snel en graag ten einde toe lezen, zelfs wetende dat het einde me weinig meer helderheid verschaffen zou dan het begin, als dat er al is, want in zekere zin begint dit boek al in Autobiography of Red, en dat begint weer met de fragmenten van Stesíchoros, en die had dat verhaal van Geryon ook niet zelf verzonnen.

Tijdens het lezen was ik me er voortdurend van bewust dat ik zat te lezen en niet precies wist wat ik aan het lezen was, qua genre en qua strekking; en die onzekerheid werd vrolijk gevoed door de zeer gedifferentieerde vormgeving. De teksten van de rei zijn gecentreerd gezet en zijn geheel interpunctieloos; andere teksten zijn opgebouwd uit blokjes van 38 mm breed en drie tot zes regels lang die dialogen bevatten wederom zonder enige interpunctie en ook zonder rolverdeling behalve dan een / tussen de clausen. En het merendeel van de tekst bestaat uit zowel links als rechts uitgevulde kolommen van 38 mm breed, midden op de pagina die plm. 155 mm breed is.

Geen ontkomen aan haast dat je aan auto-eye-tracking gaat doen. Fysiek, narratologisch en semantisch ben je domweg hard aan het werk met dit boek. Het vraagt al je aandacht. Daardoor is het ongewone literatuur; je raakt betrokken in de tekst. Of zoo, zou Gerrit Achterberg erachter schrijven.

dinsdag, mei 07, 2013

De kloof tussen poëzie en proza

Waarom en/of waardoor die er is, blijft me een raadsel. En wat die is, als ze er is. Ze is er. Poëzie doet het slechter in de winkel dan proza, maar wordt op begrafenissen en crematies vaker ingezet ter verwoording of leniging van verdriet en afscheid, en nooit leest een uitverkoren scholier tijdens de dodenherdenking een kort verhaal of een mininovelle voor, of een essaytje. Poëzie is moeilijk, vinden studenten tijdens een cursus literatuurgeschiedenis, waarin beide aan bod komen. Dan vergeten ze, denk ik, even dat hele lappen proza van Multatuli, Van Deyssel, Brakman, Krol, Jongstra misschien wel lollig lijken maar alles behalve 'makkelijk' zijn.

Mede door die kloof ben ik zo geïnteresseerd, nog steeds, in wat wel genoemd word epische of verhalende poëzie, en dan vooral dergelijke poëzie sinds eind negentiende eeuw. Toen immers, kan men met een gerust hart en slechts weinig overdrijving zeggen, ging de lyriek de poëzie overheersen. En uit veel uitspraken over poëzie sinds dien blijkt dat het onderliggend concept van poëzie is: formeel strak georganiseerd taalbouwsel met regels korter dan een bladzij breed is en met minder regels dan er op een 'gewone' bladzij passen (waarbij ik vrees dat proza de norm is); eventuele eisen met betrekking tot rijm en metrum zijn eenvoudig te pareren met praktische tegenvoorbeelden, zelfs waar het om sonnetten gaat. Blijft over iets als 'Marc groet 's morgens de dingen' als oerbeeld van een gedicht.

(ja, ik denk dat dit 'chargeren' heet, maar dat mag soms, pour besoin de la cause).

Lang geleden, op 17 januari 2003, kocht ik, om die kloof weer eens te verkennen, de Nederlandse vertaling, door Marijke Emeis, van Anne Carsons Autobiography of Red; het werk verscheen oorspronkelijk in 1998 bij Knopf, de vertaling in 2000 bij Meulenhoff. Carson is een Canadese dichteres. En op het achterplat van Autobiografie van rood staat: 'In haar eerste roman in verzen overbrugt Anne Carson de kloof tussen poëzie en proza door een meeslepende zielenreis te beschrijven van een gevleugeld monster dat Gerion heet.' (mij wondert tussen haakjes waarom Geryon in vertaling Gerion is geworden; Wikipedia en Van Dale doen dat ook niet). Jammer, ik zie niet hoe je die kloof kan overbruggen door een reis te beschrijven. Reizen verenigt, weet ik, maar niet dat het op proza en poëzie sloeg.

Al snel wordt duidelijk dat het geen eenvoudige, traditionele dichtbundel is. Op pagina [7] staat de inhoudsopgave. Daaruit blijkt al dat je niet bepaald direct die beschrijving van de zielenreis in wordt gesleept. Integendeel: eerst allerlei gedoe rondom Stesíchoros, van wie gezegd wordt: 'Hij kwam na Homeros en vóór Gertrude Stein, in een moeilijke tussentijd voor een dichter.' In geen van de drie perioden ben ik echt thuis. Vervolgens (quasi-?)vertalingen van diens overgeleverde fragmenten en appendices. Carson is classica en steekt dat onder stoel noch bank. Aan het eind een interview met Stesíchoros. Daarvoor dan, in 47 Romeins genummerde en van titel en korte scénebeschrijving voorziene hoofdstukken, 'Autobiografie van rood; een romance'. Daarin wordt van alles overhoop gehaald; niet alleen de mythische achtergrond van Geryon en Herakles, die tegelijkertijd wordt tegengesproken, doordat beiden als hedendaagse jongelieden worden neergezet, maar ook Emily Dickinson, fotografie, puberliefde, verlatenheid, verlangen, vulkanisme, Zuid-Amerika, Heidegger, Leibniz, noem maar op. En dat allemaal niet bepaald in een helder discursieve stijl.

Wat bijzonder opvalt, daarnaast, is de zet- en bladspiegel. Wat die betreft, hangt deze tekst inderdaad tussen proza en poëzie in. De versregels zijn doorgaans veel langer dan dat ze voluit op één zetregel passen, terwijl tegelijkertijd de rechtermarge alles behalve dwingend lijkt te zijn geweest; en als je alles optelt en aftrekt zou je kunnen calculeren dat ieder gedicht is opgebouwd uit eenheden van één heel lange versregel; stichische poëzie kan dat dan heten, geloof ik, met dien verstande dat hier de versregels niet van gelijke omvang zijn. Anders gezegd: ik heb de indruk, enerzijds, dat die regellengte opzettelijk vormgegeven is, maar, anderzijds, dat er geen enkele maatvoering voor was. Het is een soort poëzie die mij niet uitnodigt lettergrepen te tellen of accentverhoudingen te verkennen en te scanderen. Da's lastig, omdat ik van lekker lopende kunstteksten houd, of het nou om Verweys Demeter of Miltons Paradise Lost gaat. Zulke teksten kunnen iets te weeg brengen wat het meeste vertellende proza niet kan: dat ik lees en meemompel, of zelfs hardop lezen ga, en vergeet waar het over gaat.

Bij het lezen van Autobiografie van rood raakte ik de inhoudelijke draad ook steeds kwijt, maar dat kwam veeleer, vrees ik, doordat de tekst betrekkelijk onoverzichtelijk, althans associatief geconstrueerd is. Nou ja, zo'n kop tussen titel en tekst als op pagina 50 laat weinig aan de verbeelding over. En als je weet dat Geryon hier in Lima op het dak van een huis overnacht, waar vele gasten zijn, valt er wel een verhalende lijn in te ontdekken, maar hoe hier bijvoorbeeld de verhouding precies is tussen de realiteit/het bewustzijn van Geryon, Herakles en diens Oma, durf ik niet te zeggen. Geryon heeft stevig geslapen, zijn ex-geliefde Herakles zegt dat zijn wereld heel langzaam gaat, en diens oma praat over de dood, tot er twee vlinders langsvliegen, uitmondend in een uitnodiging tot een bezoek aan de vulkaan, die al voorkomt in het gedicht van Dickinson dat als motto voorafgaat aan deze romance. Dit is voor mij misschien poëzie zoals studenten poëzie ervaren: er moet toch enig systeem in te vinden zijn, maar ik zie het nog niet. En dan ga ik me afvragen: waarom toch deze 'vorm'?

Vreemd, al lezende kwam ik erachter dat ik Autobiografie in rood pas nog gelezen had. Ik wist dat niet meer; gaande weg kwamen scènes me bekend voor. Leuke leeservaring. En: het betrof herinneringen aan scènes, fragmenten van gebeurtenissen. Van poëzie beklijven doorgaans beelden en verwoordingen. Hoe dan ook, nu pas mag ik Red Doc> gaan lezen, het dit jaar verschenen, prachtig uitgevoerde vervolg.

zondag, april 28, 2013

Maak plaats, maak plaats, maak plaats.

Het jongste nummer van Opzij is gewijd aan de literatuur, wegens de Opzij-literatuurprijs, toegekend aan Manon Uphoff voor haar novelle De ochtend valt (mooie titel). Verder aandacht, zoals ook de kranten die dezer dagen gul schenken, voor een een mij onbekende jonge vrouw Meijer die een boek heeft geschreven over zichzelf, haar vreetziekte en haar vader, die wel bekend en dood is. Een alles behalve Opzijerige vorm van literatuur en/of literatuursociologie, als je het mij vraagt (maar waarom zou je dat doen).

Wel interessant is het overzicht van vijfendertig schrijfsters, jonger dan vijfendertig jaar. Daar zitten heel wat bekende en veel belovende autrices tussen. Wat ook de strekking is van de portrettengalerij. Dat tableau sluit aan bij 'Lekker ding, kan schrijven', een pittig (ships, is dit wel het goede bijvoeglijk naamwoord?) artikel van Daphne van Paassen over het glazen plafond waaronder vrouwen in de Nederlandse literatuur gebukt gaan. Van Paassen heeft gedurende een half jaar recensies in drie belangrijke kranten geturfd, en komt tot de onthutsende constatering dat slechts 27 procent van de (grote) recensies gewijd was aan boeken van vrouwen. Ongeveer slechts de helft van wat zou moeten. Ook al is het ontbreken van gegevens over de productie, het aantal uitgaven van literatuur van vrouwen en mannen, een manco van het stuk, tegen de achtergrond van dat groepsportret van jong talent is die constatering, dat feit, nogmaals, onthutsend.

Eerder dit jaar verscheen een vergelijkbare, zij het minder met cijfers onderbouwde constatering op het weblog De witte kamer. Daarop schreef ik de volgende reactie, die ik hier eenvoudig herhaal omdat ze even goed aansluit op Opzij; zo snel gaan gewenste veranderingen van de werkelijkheid nu eenmaal niet.

'In dit licht is de longlist van de Academica Literatuurprijs 2013 zo gek nog niet: zes mannen, negen vrouwen. En als ik de namen goed heb geïnterpreteerd, hebben van de aangemelde auteurs 55 mannen en 32 vrouwen de longlist niet gehaald. De in totaal 102 mededingers zijn: 61 mannen en (maar) 41 vrouwen. Maar van die 41 vrouwen haalt dan wel een heel hoog percentage, 22%, de longlist terwijl nog geen 10% van de mannelijke mededingers op de longlist terecht [is] gekomen. Voor de volledigheid: de nominatiejury 2013 bestaat uit vier mannen en één vrouw.'

Inmiddels kan ik eraan toevoegen worden dat op de shortlist van de Academica Literatuurprijs 2013 terecht zijn gekomen: twee vrouwen en maar één man. Reken zelf de percentages uit: hutsend! De twee vrouwen, Hanneke Hendrix en Shira Keller, figureren op pagina 40 en 41 in de portrettengalerij '35 onder de 35'. En terecht.

vrijdag, april 19, 2013

In Ingliesh

Aan de Harvard aan de Krommerijn-universiteit zijn we helemaal tweetalig. Dat gaat soms alle kanten uit. We hebben bij Joemenneties een dien gehad die zelfs niet master zei maar mester, maar hij was een uitzonderling. We geven college aan de drift en op het joesie, met biemers en dingen, de ielo heet blekbort, een opleiding een skoel. En een gat in de muur waarin je bibliotheekboeken kunt leggen die je uit hebt of om een andere reden niet te vondeling legt maar terug wilt bezorgen, heet self-return machine. Je moet geen identiteitscrisisje hebben, vind ik, als je voor dat ding staat, of mijn Engels is niet toereikend.

zaterdag, april 13, 2013

Voorpret en uitstel

Onlangs, afdwalend na het Stedelijk door Amsterdam, kwam ik terecht in Het Martyrium en verbaasde me weer over het rijke assortiment dat daar ligt ten toon gespreid. Alleen al op de afdeling poëzie. Ik zag er een heel mooi boek, heel recent ook, van Anne Carson, Red Doc > heet het. Het is een vervolg op Autobiography of Red uit 1998, waarvan ik de Nederlandse vertaling (door Marijke Emeis) tien jaar geleden kocht.
Ik las het nog niet. Nu kocht ik dus dat nieuwe boek, naar aanleiding waarvan Carson op de site van Random House noteert: "Some years ago I wrote a book about a boy named Geryon who was red and had wings and fell in love with Herakles. Recently I began to wonder what happened to them in later life. Red Doc> continues their adventures in a very different style and with changed names. / To live past the end of your myth is a perilous thing." Ik moet nu eerst dat oude boek lezen, en popel naar het nieuwe, omdat het er vanbinnen reuzespannend uitziet met die benauwende kolommen.

donderdag, april 11, 2013

Stagebezoek

Altijd leuk om een student/e bezig te zien, in bedrijf. Vandaag even langs geweest bij Laurence de la Porte, master studente Literatuur en cultuurkritiek, stagiaire bij Opzij. Heeft het helemaal naar haar zin, en Opzij niet minder. En zie, meteen een nummer van het blad erbij met een bijdrage van Laurence. Een groot en een groter stuk zitten eraan te komen. Leerzaam: 1800 woorden is een groot stuk. En signalementen van boeken moeten soms in 100 woorden. Oh ja, binnenkort, 20 april, wordt de toekenning van de Opzij- literatuurprijs bekend gemaakt. Helaas, ik heb geen informatie los kunnen krijgen. No scoop.

zaterdag, april 06, 2013

NIEUW!

Eergisteren nog verbaasde collega en kamergenoot Laurens Ham, vanachter een stapel literatuurgeschiedkundige handboeken, zich erover dat veel periodespecialisten beweren dat er in hùn tijdvak toch echt voor het eerst een diepgaande verandering in het schrijverschap te zien is (iets met autonomisering). Alsof ze geen weet hebben of kennis nemen van elkanders werk.

Ik moest daardoor denken aan een reeks Utrechtse hoorcolleges over de moderne literatuurgeschiedenis, dat is: de geschiedenis van de moderne literatuur, van een aantal jaren geleden waarin een stapeltje andere collega's ieder opnieuw - alsof ze niet binnen één collegereeks predikten - met kracht en klem van argumentatieve voorbeelden aantoonden dat er in het specifieke tijdvak dat zij bespraken toch wel echt zulke wezenlijke veranderingen optraden in onder andere mechanisatie, technische innovatie, massaproductie, dat daardoor de literaire wereld fundamenteel werd veranderd en vernieuwd.

Vanmorgen las ik in de NRC van gisteren dat "Descartes' gevleugelde woorden cogito ergo sum uit 1637 [...] het moderne denken in[luidden]." Door Laurens' vrolijke verbazing denk ik daar nu toch bij: Echt waar? Precies dan en zo en daardoor? Of zijn er later nog meer of nog gevleugelder woorden, en wellicht ook eerder? Ik weet het niet, ik vraag het me even af, nog voor het ontbijt.

Inmiddels liggen de croissantjes in de oven en las ik het hele stuk van Ger Groot. Een prachtige recensie van vijf boeken die genomineerd zijn voor de Socratesbeker (wat een wrange prijs, overigens). Groot bespreekt de boeken zeer helder en wat meer is: brengt ze - hoe uiteenlopend ze ook zijn- met elkaar in verband. Vervolgens komt hij te denken over wat nu filosofie is en ten slotte knoopt hij daar een wel overwogen oordeel aan vast over welk boek die prijs dan verdient. Mooi werk. Dit wordt een goed weekeind.

maandag, april 01, 2013

Deze dag...

... leent zich bij uitstek voor een Tom Waits-citaatje, uit het nummer 'Come On Up To The House' van het misschien nog steeds niet geëvenaarde album Mule Variations (1999), het tweede couplet, recyclagepropaganda anno heden:

All your cryin don't do no good
Come on up to the house
Come down off the cross
We can use the wood
Come on up to the house.

Hoppa, leuk filmpje erbij, en let ook even op die mondharmonica die er na twee minuten, vlak na mijn favoriete Thomas Hobbes-citaat, scheurend bij komt (maar na een seconde of twintig al weer pleite gaat).

donderdag, maart 28, 2013

Taalmisbaar (exit diminutiva)

Heden las ik, via Twitter doorgestuurd, dit: het is het eerste van wat beloofd wordt als een lijst van 'een vijftal [dikdoend Nederlands voor: vijf] alternatieve redenen [...] die wellicht ten grondslag liggen aan de zich zo langzaam ontwikkelende ebookmarkt'.

Lees dit, voor een goed of zelfs beter begrip, vooral nog eens rustig na, des gewenst in de oorspronkelijke context: de webstek van Eburon, academic publishers, want het gaat hier maar liefst om: redenen die ten grondslag liggen aan de ebookmarkt.

"1. Het boek is helemaal niet kapot
‘If it ain’t broke, don’t fix it’, luidt het gezegde. Als je er over nadenkt zijn boeken best ideale gegevensdragers. Als je er één koopt kun je het meteen inzien. De opmaak is precies zoals de vormgever het bedoeld had. De accu kan niet leegraken tijdens het lezen, en als je een boek op de grond laat vallen gaat het niet kapot. Je kunt een uitgelezen boek probleemloos weggeven of doorverkopen. Er is een ongelofelijk groot aanbod van goedkope tweedehands boeken en je treft bovendien heel veel ‘gratis’ boeken aan in de bibliotheek. Kortom: het boek werkt gewoon nog te goed en er is helemaal geen behoefte aan een nieuwe technologie, die bovendien nog best wel veel beperkingen kent (zoals matige standaardisatie, onhandige drm, gebrekkige opmaak)."

Eerst de schil, dan de peul.

1.a. Als iets niet kapot is, kan er toch een alternatieve, misschien wel een - afhankelijk van de wensen van de gebruiker - betere versie van bestaan of ontwikkeld worden.

1.b. Als ik erover nadenk, zijn boeken ideaal om sommige gegevens te dragen, niet noodzakelijk alle, zelfs niet noodzakelijk alle literaire 'gegevens'.

1.c. Als je één e-boek koopt, is de implicatie van het namens Eburon opgestelde bericht, kun je het niet meteen inzien. Mijn boekhandel doet evenwel een p-boek in een kunstig gevouwen papier, zo dat de binnenkant vrolijk contrasteert met de buiten-dito, en dat geheel gaat in een papieren of plastieken zak dan wel tas, waarmee ik het een en ander naar huis transporteer, alwaar ik het plakband er weer van losmaak, het papier eromheen weer openvouw, het boek erin er weer uitneem, het papier wederom toevouw en in die toestand in de oud-papierdooos leg, terugloop naar het boek, dat van de tafel opneem, meeneem naar een bank of fauteuil, des gewenst een leeslicht aanknip, en het boek aldaar en alzo eindelijk inzie. Een e-boek koop en open ik in vijf digitale stapjes zonder mijn huis of werkplaats of vakantiewoning of lijfkroeg te verlaten.

1.d. Een goed, echt, werkelijk als zodanig ontworpen e-versie van een boek verschijnt op mijn e-lezer (al dan niet in de tabletrekenaar geïntegreerd) precies zo als de digi-vaardige vormgever, niet angstig aan één enkel lettertypje zich ophangend, het bedoelde.

1.d. Mijn armspieren kunnen niet oververmoeid raken bij het tijdens de halfslaap vasthouden van weer zo'n te dikke autobiografisch geïnspireerde roman, indien ik die lees in e-versie.

1.e. Ik heb per ongeluk wel eens band 'J-R' van de Van Dale uit m'n handen laten vallen, en trouwens ook eens 'gaasje - harspleister' van het WNT: aan gort, naar de Philistijnen, kaduuk, stuk, in de rug geknakt, uit de band gescheurd, niet meer te plakken.

1. f. Over het doorschuiven van e-boeken durf ik niet ver uit te wijden, maar toen ik mijn e-lezer had gekocht, zei mijn schoonzus enthousiast en gratis: 'Oh, dan heb ik nog wel wat boeken voor je', en ze gaf me een USB mee met meer e-quivalenten van analoge boeken dan ik ooit op zeven houten planken had kunnen herbergen.

1.g. Ik kan meer gratis e-boeken downloaden dan me lief is via tal van digitale boekaanbieders en zeker veel meer dan ik analoge boeken gratis kan krijgen die de moeite waard zijn. Sakkernondeju.

1.h. Mijn uitleenbibliotheek, zowel de professionele als de gemeente-versie, biedt even 'gratis' papieren als digitale boeken aan.

Kortom: wat een volkomen ondoordacht, oever- en eindeloos gezweefzwatel plettert W. de J. op de webstek van Eburon. Moet ik de overige vier 'alternatieve redenen' ook nog lezen? Dacht het niet. Lust je nog peultjes? Idem.

woensdag, maart 27, 2013

Taalmisbaartjes

1.
‘De opbouw van de beide verhalen kent naast de achteraf vertelde bekentenis nog een overeenkomst: in beide verhalen is aan het slot sprake van een dramatische gebeurtenis die het verhaal een andere wending geeft.’

Geen idee waaraan ik dit ontleen. Ik noteerde het citaat dan ook als een symptoom, niet als een uniek verschijnsel.

Nooit wordt in zo’n essay met zo'n opmerking verteld wat de eerste wendig is, of de voorafgaande zelfde wending. Zo die er al zou zijn. Maar die is er niet. Bijna nooit. Bedoeld wordt, denk ik: een onverwachte wending, of kortweg: een wending, terwijl je verondersteld wordt te verwachten dat het verhaal als door een industrieel afvoerkanaaltje rustig aan ten einde zou kabbelen. Knap toch, dat veel schrijvers die illusie steeds weer weten op te bouwen: u weet zelf wel, lieve lezer, hoe het verder gaat, maakt niet uit, ik schrijf nog wel even door, hoor, babbeldebabbel... en dan, opeens, stilte, heldere hemel: een andere wending.

2.
De slotzin van een recensie van Rosenbooms De rode loper in een groot landelijk en ochtendlijk dagblad: ‘Hoe onderhoudend De rode loper ook is, de roman laat vooral zien dat deze schrijver niet aan zichzelf kan ontsnappen.’

Misschien ben ik een onwelwillende lezer - terwijl ik echt mijn ongeloof (‘Noteert iemand dat serieus?!?’) aan alle Voordorpse polderwilgen probeer te suspenderen - maar ik vraag me toch af: verwachtte de recensent werkelijk dat Roosenboom opeens als Amatmoekrim ging schrijven? Bij wijze van andere wending in thematiek en stijl of zo?

’t Klinkt sowieso als een gevalletje Faint Praise. De passage na de komma is de ontkrachting van de mogelijke waarheid van de passage ervoor. Deze recensent zegt van wel, maar vindt de roman kennelijk alles behalve onderhoudend, want die Roosenboom, die blijft maar door roosenbomen; erger: wat zijn jongste roman vooral laat zien, is de onveranderlijkheid van Roosenboom.

vrijdag, maart 08, 2013

E-reading

Ik ben, geloof en vrees ik, een volkomen e-reading fool. Een jaar geleden kreeg ik een elektronische tekstdrager met van die digitale 'inkt'. Bladert uiterst tot tergend traag, maar er past knoertveel tekst in en het leest echt heerlijk. En het apparaat is licht en klein; het past in een jaszak en reist dan ook mee in bus en trein. Het heeft internetverbindingsmogelijkheid, maar de browser is a fucking hell; dat grijze, want verder kleurloze scherm is met z'n piepkleine pestlettertjes schier onleesbaar en de informatie van de i-pagina's past er niet op. 'k Heb gisteren geprobeerd een boek neer te laden van de DBNL. Dat was dus DBN-hel. Niet gelukt. Ligt dus niet aan de DBNL, maar aan dat lezerbladeraartje.

Sinds kort heb ik een tabletrekenaar met ingebouwde leesmogelijkheden. Maar omdat ik van nature braaf instructies volg van aanbieders, lees ik nu de Volkskrant in een kiosk, terwijl de NRC in een andere applicatie opduikt. De groene Amsterdammer zei dat-ie in Tablisto wilde, dus dat heb ik ook maar genomen (gratis als het is); inmiddels heet dat ding Bruna Tablisto, en ziet er anders uit dan eerst. Sommige boeken komen terecht in een appje dat, heel toepasselijk, 'boeken' heet, maar waar gek genoeg ook een krant in zit. Overal zit ook al de nodige gratis literatuur in. Buitenlandse vooral. Ons bin zuunig, of zo. Maar mooi dat ik de hele Dickinson nu heb.

PDF-jes lees en/of bewerk ik met Evernote en iAnnotate, zonder dat ik nog een systeem heb van wat ik waar bewaar. Daarmee houd ik mijn analoge geheugen in stand.

En heden kwam ik via een twiet een aanbieding tegen van Stoner van John Williams, dat me al van diverse kanten werd aangeraden. Dus hup, niet zeuren, een mooi boek voor vijf euren. Hotscha, en wéér een nieuwe e-lezerapplicatie erbij, nu een getooid met de idiote naam Kobo, en met wéér een andere gebruikersnaam en wéér een ander cryptisch wachtwoord. En allemaal willen ze dat ik gezellig meedoe met babbelgroepjes en consumentenpannels, nieuwsbrieven, updates... Mij duizelt.

Gisteren, trouwens, heb ik dat boek, dat ik eerder al probeerde, De stille kracht van Louis Couperus, via m'n tablet gratis binnen gehaald; dat was ongelogen binnen een halve minuut geregeld: zoeken, vinden, binnenhalen en openslaan. Wonderbaarlijk. Nu hoop ik dat ik het straks terug weet te vinden.


Dagje later. Ook dat nog. Om boeken uit de universiteitsbibliotheek te kunnen neerladen, heb ik nu ook de Bluefire Reader moeten installeren. Dat wil zeggen dat ik nu meer digitale dan houten boekenkasten heb, maar een omgekeerde verhouding qua boeken. Wanneer komt dat in evenwicht?


Later diezelfde dag: het is wel prettig dat je zo makkelijk aantekeningen kan maken in een digiboek (die je er ook weer zonder gommen uit kunt halen, en allemaal kunt verzamelen), en dat je woordbetekenissen kunt opzoeken op 't internet, en dat je ook kunt zien waar en hoe frequent een woord in het boek voorkomt. Ik weet nu dat het woord(deel) 'artist' zesentwintig keer voorkomt in De stille kracht, en als je even wacht zoek ik ook nog op of dat vooral in een context met mevrouw Eva Eldersma is.