woensdag, september 30, 2015
Wat sien ik als ik lees - p.s.
donderdag, september 24, 2015
Wat sien ik als ik lees - II en slot
woensdag, september 23, 2015
Wat sien ik als ik lees
dinsdag, september 15, 2015
Piets paradox
vrijdag, september 11, 2015
Meer witte motor
In mij rijst, mede door de bijdrage van Kuitenbrouwer aan de discussie, de vraag of er nu echt een probleem aan de orde is gesteld. De cijfers (zo veel van dit, veel minder van dat, wat meer van die) zijn geen probleem. Als in (pas op: vergelijkingen gaan altijd mank): ik zit nu lekker in de zon in m'n tuintje, op terras A, en zie dat daar maar 18 tegels van 40 x 60 liggen, en maar liefst 300 keitjes van 10 x 10. Die representeren respectievelijk 43.200 en 3.000.000 vierkante centimeter. Is dat een probleem? Schuilt daar een probleem achter of onder? Had ik meer grote tegels moeten gebruiken (ook op terras B, waar de verhouding even scheef, misschien zelfs schever is)?
Uit de cijfers van Stoffelsen en Franssen blijkt dat er naar verhouding veel minder allochtonen dan autochtonen debuteren in de Nederlandse literatuur. Stoffelsen zegt nu dat het hem 'logisch' lijkt dat er sociale en institutionele mechanismen werkzaam zijn waardoor er minder allochtone schrijvers worden uitgegeven dan er aankloppen bij de uitgeverijen:
(Logischer lijkt me [...] dat er [...] sociale en institutionele belemmeringen zijn die verklaren waarom het percentage schrijvers met Marokkaanse, Turkse, Surinaamse, Iraanse, etcetera wortels de helft is van het aantal Nederlanders met die wortels.)Het is zijn reactie op Kuitenbrouwers' vraag in de NRC: "Wat als 'allochtonen' gewoon minder belangstelling hebben voor de literaire wereld?" Met andere woorden: ze kunnen wel, maar ze willen niet; de toegang tot de literatuur is er, maar de behoefte om toe te treden niet. Zo'n hypothese, meer is het niet, kan niet adequaat gepareerd worden met een 'logisch' genoemde gedachte, maar zou getoetst moeten worden met een nieuw onderzoek, namelijk naar het verschil tussen a) manuscriptaanbod door en b) gerealiseerde uitgaven van de respectieve groepen auteurs (in spe). Kuitenbrouwer stelt zich op als columnist, en hoeft daarom wellicht niet(s) te toetsen; Stoffelsen en Franssen hoeven vast niet andermans hypothese te toetsen; mij lijkt het een hele klus; maar wie weet hebben de uitgeverijen (en agenten) een puike administratie. Of er popelen nu allemaal afgewezen aspirant-schrijvers om hun helaas-relaas te delen.
De opmerking(en) van Timo Koren (dank voor de link naar Trouw, Daan) begrijp ik niet helemaal, en ik mis, wederom, de cijfers. Hij stelt dat de literaire uitgeverij en kritiek een wit bolwerk vormen (waarom toch die oorlogsmetaforiek?). Ik wil zonder enig cijfer graag van hem aannemen dat de dames en heren in die branche vooral witte mensen zijn (sommigen ken ik van de gracht, de meesten van een fotootje in de krant en ja: allemaal wit). Maar impliceert dat dan dat hun literair handelen ook 'wit' is en (dus) nefast want kleur-uitsluitend?
Koren stelt:
Bij literaire romans zijn de selectiecriteria die uitgevers het belangrijkst achten vooral taalkundig en esthetisch: stijl, vorm, universaliteit, originaliteit en individualiteit. De politieke of sociaal-culturele waarde van een boek wordt als niet-literair gezien, en draagt dus niet bij aan de kwaliteit ervan.Ik neem dat maar aan, voor het gemak, en ik lees dat als volgt: bij de beslissing 'wel of niet uitgeven' maakt het niet uit welke politieke of sociaal-culturele waarden een manuscript uit wil dragen, maar wel of dat op een stilistisch etcetera 'goede' manier gebeurt. Ik lees dat zo, omdat ik bij tijd en wijle boeken voor mijn gevoelige oogjes krijg waarin mijns inziens tamelijk abjecte waarden geëtaleerd worden. Sommige Ferrons, het halve oeuvre van Houellebecq, het vreselijke en pedant choquerende Wij van Elvis Peeters, dat quasi-empathisch gedrocht van Hemmerechts over de vrouw van Dutroux. Dat soort werk. Shit, weer allemaal witte auteurs.
Ik kom er nog even niet uit. Raar 'probleem'. En dan: waarom pieker ik erover als ik het niet ronduit een probleem kan noemen? Ben ik gepikeerd doordat er iemand zachtjes, stiekem vier palen met touwen ertussen heeft neergezet en ik me opeens in een boksring blijk te bevinden (liever sport dan oorlog)? Lijd ik aan The White Gaze? Dènk ik als lid van de vakjury van de ANV-debutantenprijs alleen maar dat ik louter boeken beoordeel en niet (mede) de herkomst van de auteurs of van (één van) hun ouders?
Zal ik dan maar weer cobblestones gaan tellen?
Oh nee hè: toen ze een kwart eeuw geleden werden gelegd, hadden ze drie tinten, nu zijn ze alle even grijs. Maar ze functioneren alle nog goed, net als die tegels trouwens.
Het draait erom, dacht ik - een tijdje later - onder het strijken der overhemden, of de bejegening, de behandeling, de beoordeling van auteurs en hun werk juist en oprecht is. Als die onjuist is, zou dat de lage participatiecijfers kunnen verklaren. Maar andersom mag je niet redeneren. Mijn wiskundeleraar zei in de brugklas al: een koe is een beest, maar een beest hoeft nog geen koe te zijn. Nooit vergeten, mijnheer Koster (inderdaad: wit).
zaterdag, augustus 29, 2015
Wat zien we als we lezen?
Zijn judoclubje was hij geregeld blijven bezoeken. Zijn voeten vergroeiden ernaar, zij werden breed en zeer gespierd over de wreven, het leek of zij zuignappen aan het worden waren, hij stond er onverwrikbaar op als waren zij van lood.Kennelijk niet afkerig van een grapje, voegt de verteller toe: 'Normale schoenen kon hij niet meer dragen'.
Ik herinner me dat iemand - het is weekeinde, ik ga het nu echt niet opzoeken - dit aspect van belang acht voor de interpretatie van de roman: Osewoudt heeft iets Oedipus-achtigs; inderdaad: moeilijke voeten. En zijn moeder vermoordt zijn vader, en hij doet het zelf met zijn nicht, en zijn zelfbeeld is behoorlijk vertweededruppelswaterd. Allemaal Freudiaanse ellende. Past goed.
Maar: ik herinner me geen scène uit de roman waaruit blijkt - waarin m.a.w. ge-showed wordt - dat Henri daadwerkelijk last heeft van zijn voeten. Maar ja, ik heb geen e-versie van dit boek en kan het dus ook niet makkelijk nazoeken. En het weekeinde is nog lange niet ten einde.
Huiskamervraagje dus.
('(Much of what takes place in fiction is choreographic.)', zegt Mendelsund op p. 28 daarenboven (wat misschien ook wel wat zegt over het soort fictie dat hij leest, maar WFH's DoKa past daar wel bij))
P.S. d.d. 6-9-2014
Een e-ditie geleend bij de bieb (een e-bieb is open op zondag) en geconstateerd dat er wel voeten genoemd worden in De DoKa, maar na de eerste vermelding van die vergroeiing nog slechts drie keer met betrekking tot Osewoudts problematische stelten. Twee keer zegt hij dat hem geen gewoon schoeisel past wegens die wreven, maar dat lijkt van geen enkel psychologisch of plot-belang. En een derde maal lijkt het weer die kant op te gaan, namelijk als hij, verkleed als verpleegster, Marianne gaat opzoeken in het ziekenhuis, en hun kind. Dan staat er:
Hij had pijn aan zijn voeten, want de schoenen pasten hem eigenlijk niet goed, zij knelden over zijn dikke judowreven en hij kon de schoenen niet min of meer los dragen, doordat ze niet met veters gesloten werden, maar met een gesp. Maar hij zag in dat Dorbeck hem onmogelijk het maatwerk had kunnen leveren waar hij aan gewend was. Bovendien maakte hij kleinere stappen dan anders in deze knellende schoenen en dat zou, dacht hij, zijn gang nog meer op die van een vrouw doen lijken.Kortom, een gevalletje knullige Cruijff-logica. Zinloze plotcomplicatie.
Nergens kwam ik,al e-zoekend, iets tegen over Osewoudt die in of juist uit de problemen geraakt door die moeilijke voeten. Als hij "Baby Sondaar, 4 april 1945" in het mortuarium gezien heeft, rent hij het ziekenhuis uit. Als hem buiten een vijandelijke D.K.W. inhaalt en als die vervolgens stilhoudt, blijft Osewoudt "gewoon doorlopen". Niks geen onhandig gestrompel met zijn bolle poten in dat gegespte verpleegstersschoeisel.
Ergo: dienen die voeten wel ergens toe, literair gezien? Hadden dat niet net zo goed gewone voeten kunnen zijn, die als doodnormale mussen onopvallend op het dak blijven zitten?
donderdag, augustus 27, 2015
Tzja, Tzum
vrijdag, augustus 21, 2015
De witte mootej
woensdag, augustus 19, 2015
De rol van de lezer
'Wow!', knalde het toen door mijn leesbrein. Dat is een pronte vergelijking. Niet zuinig.
Maar vervolgens bedacht ik me dat ik helemaal geen achttienjarige Zeeuwsen ken of heb gekend, ik ben me er althans niet van bewust of bewust geweest.
Bij herlezing van de roman dacht ik, toen ik weer aankwam op pagina 36 (van de digitale uitgave naar de eerste druk): 'Hoepla, daar zijn ze weer. Wat een struise vergelijking!'
(Ja, ja, ik weet het, zo seksistisch dat er binnenkort wel verontwaardigd over geschreven zal worden in een Amerikaans dagblad; maar als je alle woorden uit VSV haalt die niet dooreen puriteinse beugel kunnen, houd je alleen wat persoonlijke voornaamwoorden en de voorkant van het omslag over; wat een gezeur.)
Erger dan de eerste keer bekroop me het gevoel, dat ik - bij nader toezien - geen idee had van wat De Winter annex diens vertelinstantie er eigenlijk mee bedoelde. Ik ga er namelijk van uit dat niet alle achttienjarige Zeeuwsen dezelfde borsten hebben. Sterker - maar nu wordt het wel wat particulier: ik heb niet alleen nog nooit twee Zeeuwsen met dezelfde borsten gezien, ook geen vijftigplussters, ik heb nog nooit twee dezelfde borsten gezien. Dus die krachtige generalisatie waar de vergelijking gebruik van maakt, brengt me niets voor het geestesoog.
En de lezer maar lezen en maar herlezen. Terwijl dit toch het manco is van onder andere iedere goede vergelijking, namelijk dat ze appelleert aan iets waarvan we niet weten of het wel is wat de schrijver ermee bedoelde, laat staan dat we weten of andere lezers er hetzelfde in lezen, en we een week later toch met andere lezers in de leesclub over dat boek zogenaamd weloverwogen oordelen uitwisselen of er een recensie over schrijven of een opmerking op een weblog.
Over dit onderdeel van het lezen is een prachtig vorm- en uitgegeven essay geschreven en getekend en geïllustreerd en geredigeerd door Peter Mendelsund: What we see when we read. Een lust voor het typografische oog. Alleen maar zwarten, grijzen en witten, maar het boek oogt als een regenboog.
Mendelsund hijst de gatenvullende verbeelding van de actieve lezer hoog op het schild, overigens zonder de auteur de Barthesiaanse dood in te jagen. 'After all - if we posit the removal of the author - from whom would we be receiving imagery?' (224)
Het is echt een essay, of meer nog een goed geordende verzameling persoonlijke notities van een kennelijk zeer geverseerd lezer. Er is geen spoor van een wetenschappelijk verantwoorde onderbouwing. Hoeft ook niet. Ik kende de goede man nog niet, zijn werk ook niet. Ik zag alleen een kort stukje over dit boek in de Volkskrant en daarna een uitgebreidere tekst op het weblog van Huub Beurskens dank zij een notitie op Facebook en dacht: kopen. Nog geen seconde spijt van gehad.
Nieuwsgierig? Koop dan niet de digitale uitgave (als die er al is). Dit boek moet je in de hand hebben, voelen, zien. Deze aanbeveling is in zo verre invalide, dat ik het boek nog niet uit heb; maar dat duurt niet lang meer.
maandag, juli 20, 2015
Uit een vergeten map
Maar ik wilde iets noteren over een brief van een andere Guus, die ik trouwens nooit zo heb genoemd, want hij was m'n hoogleraar geweest en was daarna nog steeds hooggeleerd. Dat ging toen nog zo. En wat erbij hoorde, bij dat persoonlijke corresponderen over literaire zaken: de aangename materialiteit van het mooie papier in allerlei formaat, vaak met persoonlijke opdruk, soms met geestdriftige moeten van de typemachine waar het lint had gehaperd, en de zorgvuldig geselecteerde prentbriefkaarten, soms tot in de kartels van het postzegel volgeschreven; en de beschaafde, wellevende inhoud, en een zorgvuldig gekozen bewoording, ook al had men het zelfs toen al druk druk druk met zaken die belangrijker waren dan waar ik om vroeg als secretaris van de redactie van de Achterbergkroniek.
Deze formulering: 'Met de redenen voor deze trage / reactie zal ik je niet vermoeien.'
Zo mooi. Ik mag hem, vind ik, een enkele keer lenen (als ik ook eens totaal geen zin heb om een smoes te verzinnen, maar toch niet onzorgvuldig wil overkomen). Het lukt me helaas niet altijd om dat schitterende, pregnante enjambement erin te krijgen.
zondag, juli 12, 2015
ENCI-literatuurprijs
Het gejuich zou, dunkt mij, best wat gedempt kunnen worden, als men zich realiseert dat de jury van de ECI-literatuurprijs ook het laatste boekje van de zich schrijver en recensent noemende Arie S. heeft genomineerd. Arjan Peters zette in de Volkskrant, veel te ruimhartig nog, twee sterren bij zijn recensie, maar de feitelijke inhoud van zijn stuk laat zien dat hij dit armoedige flutwerk in ouwehoerstijl van S. geen sprankel van zelfs maar een enkele ster waard acht. Veel andere recensies zijn opmerkelijk welwillend. Men wijst soms wel op feilen maar zegt er dan bij dat S. overal mee weg komt. Doe er dan wat aan, denk ik. Het lezen van het stijlloze scharminkel was mij althans een literaire kwelling, maar de meeste recensenten vinden het boekje mooi, origineel, grappig en zo verder.
Een uitvoerige beschouwing is deze drek niet waard (bagger herken je al op voldoende afstand om er omheen te kunnen lopen). Ik beperk me tot het eerste hoofdstuk (ik citeer uit de e-editie - die was goedkoper dan de gedrukte - en noem daarom maar geen paginanummers).
en elke lift afzonderlijk bevond zich nu zwevend tussen of op een van de maar liefst zestien verdiepingen die het gebouw telde, maar geen ervan bevond zich op de begane grond.Dat maar slaat nergens op, de zin erna is redundant na de voorgaande (zo gemakkelijk is het).
Hij zag niet voor zich hoe hij op tijd de elfde verdieping, want daar moest hij zijn, kon bereiken.Een tangconstructie ten gevolge van een zinledige, redundante expliciterende bijzin.
Alle liften waren martelend langzaam met hun weg omhoog bezig – dat kon je zien aan de cijfers boven elke lift die aangaven op welke verdieping het dalende of stijgende hok zich bevond – maar een was nu toch begonnen aan de afdaling.Alle, maar één niet. Niet alle, dus. Niet gewoon, niet langzaam, maar 'martelend langzaam'. De valkuil van de debutant: de hyperbool. En waren die liften bezig 'met hun weg omhoog', of gingen ze omhoog? Zeg dat dan. En als ze daadwerkelijk omhoog gingen, waarom zouden die cijfers dan aangeven waar een 'dalende of stijgende' lift zich bevond? Van tweeën één. En niet zo fijn, die uitleg in die tussenzin. Zinloos. Maar mogelijk is de verteller, namens zijn scherp observerende, maar kennelijk al wat duizelige held, diep onder de indruk van het technisch vernuft van de liftbouwer. Enige pagina’s verder:
De lift begaf zich vervolgens op weg, niet naar boven, maar naar beneden, naar verdieping -1. Daar brandde het lampje al, ten teken dat de lift daar was aangekomen.Waarom zou je iets één keer zeggen...
Voor hoeveel geld stonden die lui hier op de loonlijst? En wat deden ze daarvoor, behalve op die posters staan? En waarom stond August niet op zo’n enorm reclamebiljet? Waar was het met hem misgegaan dat hij hier echt gewoon moest werken voor zijn geld (een hongerloontje) terwijl die twee als filmsterren werden behandeld?... als je het twee bladzijden verder nog eens kunt:
Elf verdiepingen omhoogklimmen – zou de literatuurcritica met het overdreven rode haar of de jeugdig denkende schrijver met het ouwelijke uiterlijk dat wel eens hebben gedaan? Zouden die doen wat híj hier deed: wérken voor je geld?
Maar al het vege komt in tweeën. Eerst dit:
Hij moest moeite doen om er in zijn brein een compleet plaatje van te makenen nog geen pagina verder dit:
dat was het plaatje dat zich zojuist in het brein van August had gevisualiseerdWat een gevisualiseerd, herstel: een zich visualiserend plaatje is, laat ik graag over aan onze held die zo goed is in creative writing.
August zat inmiddels met zijn Chinese studente aan een tafeltje in het universiteitscafé.Zes regels verder:
en op het volgende [moment] zit je met een studente in het universiteitscafé.Eén regel verder:
Ze zaten samen aan een donkerbruin tafeltje.Een halve pagina verder denkt de schrijver, criticus, docent literatuurkritiek en creative writing:
In fictie ging het om de details; niet zozeer om de veelzeggende details, dat was een bekend misverstand, dat het daarom zou gaan, nee, het ging om de levendige details, de geanimeerde details. In literaire fictie ging het om beweging.Practice what you preach, zou ik dan denken. Maar nee, een halve bladzij verder moet het nog eens gememoreerd:
terwijl ze met haar docent in het café van de universiteit zatDaarop volgt dan nog een uiterst filosofische overweging:
ze zou er nog beter uitzien dan ze er nu al uitzag, als dat mogelijk was, wat eigenlijk niet het geval was, want ze zag er al perfect uitNa een zijspoor over een dood konijn – S. wordt door critici geloofd wegens zijn onafgemaakte verhaaldraden – moet toch nog even herinnerd worden:
Hij herinnerde zich vooral de hectiek, de levenslust waarvan hij die ochtend was vervuld, en het tegenover Li zitten in het universiteitscafé.Ja, hij herinnerde zich later het zitten in het universiteitscafé dat mag nog eens een geanimeerd detail heten. Na weer wat uitweiding moet de losse draad opgepakt worden:
Hier zat hij met een jonge studenteerop vertrouwend dat de welingelichte lezer zich de precieze locatie nog weet te herinneren. En zodra de van zelfmedelijden druipende held van dit verhaal met een collega het pand verlaat, staat er, wie verbaast het nog:
Li was in het universiteitscafé achtergeblevenDaar zat ze immers dynamisch gedetailleerd te wezen.
Betreffende studente (bij haar introductie als mooi gestereotypeerd) draagt 'een hooggesloten zwarte trui', een trui dus die open en dicht kan, bij andere schrijvers beter bekend als: vest.
De stijl is niks. De inhoud is nog minder. De inhoud is stuitend. Het plot- en humorloze stuk Kindergartenplakwerk is niet veel meer dan een van gif doordrenkte, met inzet van al zijn persoonlijke rancune bijeengerochelde fluim in het gezicht van al te herkenbaar en volkomen fantasieloos geportretteerde bekenden en collega’s van S.
Ik zou het hatelijke gedrocht liever nomineren voor de ENCI-literatuurprijs, met als hoofdprijs: de hele oplage in Hollands kwaliteitscement gieten en dumpen buiten de territoriale wateren.
vrijdag, juli 03, 2015
Paradox
Kijkluister hier (oehw, hoe gedateerd, alleen al die synthesizer - bestaat dat instrument nog?):
Een heel mooie zit er ook in 'Sleepless' van Jessica Lee Mayfields tweede album, Tell me:
'Cause my mama said that no one could stop meHier te bezienluisteren. Hoe kras wil je wanhoop en onmacht verwoord zien?
My mama said that no one can stop me
My mama said that no one can stop me
I won't let you stand in my way
Niet helemaal zuiver een vorm-inhoud-geval, maar wel een mooie paradox hoorde ik in het refrein van 'New Haven' van Chadwick Stokes op het album The Horse Comanche:
I want to be with youDe driemaal herhaalde uitroep wordt volledig onderuit gehaald door wat erop volgt. Luister hier.
I want to be with you
I want to be with you
Yeah but I'm okay, I can let you go
I can let you go
Voor je het weet, ga je overal paradoxen in horen (gevalletje van paradigmatische pressie). Op hetzelfde albums staat een nummer met de titel 'I want you like a seatbelt'.
Maar de muziek van dat deuntje is zo vrolijk dat er geen greintje melancholie vrijkomt bij het luisteren. Zo eindigen we deze overdenking niet in mineur.
zaterdag, juni 27, 2015
Plafondplant & Dakwortel
Fascinerende materie, en dan heb ik het dus minder over de (kwaliteit van de) poëzie (want daarmee bemoei ik me niet als ik er stilitisch vorsend naar kijk), dan over die twee vertalingen, of beter: de drie versies die er nu van één en dezelfde tekst zijn overgeleverd. En ze bieden aanknopingspunten voor een kleine cursus nederigheid: ik ben namelijk niet in de wieg gelegd voor vertaler, geloof ik. Ik struikel al over één woord.
Duidelijk is, dat het gedicht een gebeurtenis beschrijft die plaatsvindt in een metro, een ondergronds transportsysteem. De vierde strofe begint aldus:
Stepping on to it* across the gap,* Namelijk: the train, laatste woorden van de voorgaande strofe.
On to the carriage metal, I reached to grab
The stubby black roof-wort [...]
In de ene vertaling (Mirck) verschijnt mijn struikelwoord - nu geciteerd in een nog kleinere context - aldus:
de borstelige zwarte plafondplant
en in de de andere (Kosters en Van de Vegt) is dat:
de korte zwarte dakwortel
Nu woon ik heel mijn leven al niet in een stad met een metro, laat staan in een Groot-Britse metro, maar ik meen mij van een vakantie te herinneren dat er in de Londonse subway treinen rondrazen die lussen hebben om je aan vast te grijpen, maar ook treinen met van die zwarte, buigzame, stompe winterpeen-achtige objecten, knuppeltjes bijna, geschikt voor lichte charges door de oproerpolitie, als ze niet aan het dak van die treinen vast zouden zitten. Ik zocht een plaatje op het internet, maar dat leverde niet snel genoeg iets op. Bovendien weet ik niet of Heaney refereert aan een Londonse, een Dublinse of nog een andere metro, en zelfs weet ik niet of dat in die bundel wel van belang is, maar ik vraag me wel af op welke ervaring hij dat beeld gebaseerd zou hebben.
Mijn woordenboek zegt dat stubby in het Nederlands stomp betekent, als in: gedrongen, kort en dik, afgeleid van het zelfstandig naamwoord stub, oftewel stomp (en in mijn brein schiet dan onder andere een amputatierestant in beeld, zo'n vinger van een houthakker, maar dat zij ter zijde gezegd). Stubbly betekent stoppelig, maar er staat in dit gedicht stubby en niet stubbly. Dat borstelige is dus geen (vertaal)variatie maar een vertaalfout, of erger nog: een leesfout, begaan vóór het vertalen. En dan: wie in de metro zou er zijn houvast durven zoeken aan een borstelig handvat? Getsie.
Wort wordt voornamelijk in samenstellingen gebruikt, zegt mijn Van Dale, en beduidt kruid, als: een soort plant. Merriam-Webster zegt erover: 'Middle English, from Old English wyrt root, herb, plant — more at root / First Known Use: before 12th century'. En het WNT leidt je sub wortel naar verwantschap met het oud-Engelse wyrtwala.
Moest ik kiezen, dan duidelijk voor de tweede vertaling. Niet van wege de (stijl)variatie, maar omdat die correct is, voor zover je dat van een vertaling kan zeggen (hangt ook van de vertaaldoelstelling af; maar die eerste vertaling lijkt me hier ronduit fout; daarmee vergeleken is de tweede correct). Los daarvan is dakwortel een gek woord, maar dat is, denk ik, roof-wort voor een Engelstalige poëzielezer ook (ik heb deze intuïtie bevestigd gevonden in een veldonderzoek met N=1; dank je wel, Minnie). En dat is knap, vocabulaire verrassing vertalen.
P.S. d.d. 15-07-2015Inmiddels vernam ik van Onno Kosters dat Heaney waarschijnlijk refereert aan de Londonse metro 'waar de jonge Heaney eind jaren 50/begin jaren 60 mee reisde / waar de aanslagen van 7/7/2007 plaatsvonden; Dublin heeft een DART, de Dublin Area Rapid Transport, maar da's een trein, geen metro.'
En nu is er ook visuele documentatie, ingezonden door Huub Beurskens: de dakwortels van de District Line.
zaterdag, juni 13, 2015
Vlees
Ik had na een blik in de uitstalkast al gezien dat mijn beste Italiaanse kookboek-in-vertaling me een duister woud in had gestuurd met het eerste item van de ingrediëntenlijst: ik ken echt het verschil niet tussen mijn begeerde kalfslapjes en des slagers aangeboden dito oesters en idem schnitzels.
Hulpvaardig vroeg de jonge slagersdame: "Wat wilt u ermee maken?"
"Scaloppine al limone", glipte over het hekje mijner tanden alsof het een dagelijkse snack betrof. Zij kon natuurlijk ook niet weten dat ik in verband met de begeleiding van een genderkritisch bachelor eindwerkstuk Tommie Wieringa's Een mooie jonge vrouw aan het herlezen ben (p. 31).
Met een verschrikte blik van onwetendheid keerde zij zich af van mij en wendde zich tot de keurslager zelf, Harry van Schaik, bestendige aanwezigheid in het winkelpand, enigszins op de achtergrond, tussen de koelcel en de grote messen.
"Hoeveel mag het zijn?" vroeg hij, en straalde een en al vakbekwaamheid uit.
donderdag, mei 28, 2015
Nabetrachting: Huub Beurskens, Wachten op een vriend
Vanuit een andere context, de cursus Stilistiek, piekerend over stijl en stijlvarianten en tekstvergelijkend stijlonderzoek, kwam de gedachte naar voren dat een vertaling ook opgevat kan worden als (een vorm van) stijlvariatie, ook al zal het des vertalers bedoeling zijn een identieke replica te leveren, met alleen een taalverschil.
Dat bracht me (niet echt via een heldere, rechte lijn) op de gedachte dat deze roman van Beurskens misschien het best in het Frans zou kunnen worden omgezet door overwegend of uitsluitend gebruik te maken van de subjonctif, de aanvoegende wijs die in het levend Nederlands bijna verdwenen is. Vreemd: dan zou de vertaling een eigenschap hebben die in het origineel ontbreekt.
En toen ik het met mezelf toch gezellig over vertalen had, dacht ik opeens: waarom heet dan de roman niet Wachtend op een vriend? Dat impliceert dat er wel gewacht wordt, maar dat er onderwijl iets anders gebeurt (namelijk dat pre-reflecteren), wat eigenlijk de inhoudelijke hoofdzaak is; niet het wachten staat centraal in de roman, maar de invulling van het wachten.
Dat zou ook in overeenstemming zijn met de titel van de genotekst waarnaar Beurskens verwijst in zijn 'Verantwoording' (p. [206]): En attendant Godot/Waiting for Godot (1952/1954).
Maar ja, daar staat tegenover dat dat werk in Nederland c.q. in het Nederlands bekend is onder de titel Wachten op Godot. Als je "Wachten op Godot" als zoekterm gebruikt in Picarta krijg je 28 resultaten, "Wachtend op Godot" geeft maar 1 resultaat. Voor Google zijn de resultaten 17.400 respectievelijk 2030, voor Google Books 2650 resp. 22, en voor Google Scholar 16 tegenover 5. Die Googlelui stellen zelfs steeds voor: "Bedoelde u: Wachten op Godot" als je "Wachtend op Godot" zoekt. Omdat ze veronderstellen dat je blind maar wat lukraak in de rondte toetsenbordt? Quod non in dit geval.
maandag, mei 25, 2015
Metabolus, of iets over retoriek of/en stijlfiguren
Welbespraaktheid was in de oudheid een ijkpunt van kwaliteit. [...] Algauw groeide het besef dat taalvaardigheid niet alleen een talent was, maar ook een techniek.Een dergelijk luchthartig tijdsbesef is niet het mijne.
(Claes & Hulsens 2015: 7)
En (2):
In de klassieke en de classicistische literatuur bijvoorbeeld zijn stijlfiguren vooral een middel om de boodschap zo efficiënt en effectief mogelijk over te brengen. In maniëristische en modernistische literatuur worden de stijlfiguren een doel op zich: ze overwoekeren de boodschap tot het hermetische toe.'De sprong is duister doordat het betoog ieder argument of voorbeeld mist; de impliciete aanname - het afzetpunt voor de sprong - dat er helemaal niets aan de literatuuropvatting(en) is veranderd in een paar eeuwen, is volkomen van de ratten besnuffeld.
(Claes & Hulsens 2015: 8)
En (dat is 3) deze:
In het midden van de twintigste eeuw werd de retorica in Europa herontdekt [...]. Raymond Queneau schreef in 1947 zijn Excercises de style [...] - Rudy Kousbroek vertaalde het boekje in 1978 als Stijloefeningen.Bij mij heet 1978 niet 'het midden van de twintigste eeuw' maar het laatste kwart ervan, en één melige maar leuke bundeling van kunststukjes noem ik geen herontdekking van de retorica, net zo min als ik een tussenpoos van dik dertig jaar tussen origineel en vertaling vind getuigen van een continentale herontdekking van een discipline. Ook een pas in 1994 uitgegeven onvoltooid werk waarin Daniël Robberechts 'zo veel mogelijk retorische figuren' verwerkte (Claes & Hulsens 2015: 9) zie ik niet als een eclatant argument in dezen.
(Claes & Hulsens 2015: 8-9)
Zo, al het goede komt in drieën, zei de dominee, terugziend op zijn antithese, en hij liet zijn argumentatie er verder maar bij, op hoop, natuurlijk - om niet te zeggen: bovennatuurlijk - van zegen. Behalve dat hij er nog aan toevoegde dat de Inleiding van Claes & Hulsens (2015) zucht en bezwijkt onder wat Pinker (2014, hoofdstuk 3) noemt: 'The Curse of Knowledge', een zeer publieksonvriendelijke denkfout.
Maar ook andere denkfouten doen zich voor. Inconsistentie is er een. Worden stijlfiguren in de eerste regel van de Inleiding nog omschreven als 'bijzondere vormen van taalgebruik' (Claes & Hulsens 2015: 7), in het hoofdstuk Overzicht heten zij 'transformaties' (Claes & Hulsens 2015: 13-14), een begrip dat in het betoog, laten we het zo noemen, is geslopen op pagina 10, waar het gaat over zeven structuralisten anno 1970 die de stijlfiguren herdopen tot 'metabolen', waarbij moet worden geweten dat '[a]lle metabolen [...] transformaties van een nulgraad [zijn], een uitdrukking zonder retorisch effect.' Maar daarbij bedenke men zich dat er 'geen taaluiting denkbaar [is] zonder connotatie' [mijn cursivering; DVH], waarbij onder 'connotatie' en 'retorisch effect' hetzelfde dient te worden verstaan.
Moeder laat vragen of het meegaat zo, of dat er een zakje omheen moet, want op pagina 14 blijkt dat onder de 'functies' en 'connotaties' van stijlfiguren hetzelfde wordt verstaan, zij het dat ze 'heel uiteenlopend [kunnen] zijn.'
En wie houdt de ogen droog bij het opslaan van pagina 45, waar, in de Alfabetische lijst doodleuk ook het 'beletselteken' als stijlfiguur is opgenomen... tussen 'belediging' en... 'belgicisme'. Je hoeft werkelijk helemaal niets zelf te verzinnen.
maandag, mei 18, 2015
Gezag?
Niets mis mee. De bronverwijzing is in orde. Het citaat past in het betoog. Het citaat is correct gemarkeerd, inclusief de (terechte) weglating.
Niets mis? Bijna niets. Kloek kras ik een verwijsteken door de "N", plaats een dito teken in de marge met erachter: "L".
Revisie. Alle correcties zijn correct aangebracht.
Alle? Bijna alle. Niet die "N" die een "L" zou moeten zijn. Dan is het tijd om een heteroniem van A. van Duin te citeren: "Nee, nou wordt-ie fraai!" Of, uit de reclame: "Ik ben toch niet gek?"
Dan weet je als dociele docent dat de tijd rijp is voor reflectie: als hoog en laag dooreen gaan lopen. De docent zoekt de geciteerde bron op. De docent leest in die bron, te aangehaalder plaatse (whoehw, weemoed, wanneer mag je dat nog zo schrijven): "Helma van Nierop noemt 1985 […] als markering van het begin van de discussie over het verschil en de overeenkomsten tussen kinderboeken en boeken voor volwassenen".
Niet over een nacht ijs gaande, werpt de toch lichtelijk in zijn eer aangetaste annex wiek geschoten docent een blik in het register van het aangehaalde boek. En vindt: "Nierop, Helma van 185, 300." (t.a.p. 315).
Ouderdom? Hersenfalen, - algemeen? Korsakov? Welnee. Op p. 185 staat klip en klaar: "En sinds september 1998 bekleedt Helma van Nierop als bijzonder hoogleraar jeugdliteratuur voor vijf jaar de nieuwe Leidse 'Annie M.G. Schmidtleerstoel'." En daarachter nootnummer 9, dat refereert aan de eindnoot op p. 300, waar het hierboven reeds gegeven en herhaalde citaat staat.
Dus... heeft de dociele docent het al jaren verkeerd gezien, gelezen, geschreven en gezocht? Ontdaan voert hij, toch nog van deze tijd, de volgende woordgroep als zoeksleutel in Google: "jeugdliteratuur Van Nierop". En het eerste relevante wat hem treft is de krantenkop: "'Dit is een begin van erkenning'; Helma van Nierop is de eerste hoogleraar jeugdliteratuur".
Dat het eigenlijke stuk anders begint, is niet onbelangrijk: "Neerlandica Helma van Lierop is de eerste hoogleraar jeugdliteratuur in Nederland, op de Annie M.G. Schmidtleerstoel in Leiden. Ze zal de onbezoldigde functie voor vijf jaar vervullen." Dit stond in de NRC van 17 juli 1998. Zo pijnlijk.
Zo zeer doet het ook als je als druk doende zijnde docent plots vergeefs blind lijkt te varen op wat je denkt al jaren goed te weten: Helma van Lierop, Helma van Lierop-Debrauer. Klopt, toch? Ja, joh, tuurlijk toch?! Soelaas te langen leste!
Voor de draad ermee: het was mijn docent, mijn collega, mijn co-promotor, Redbad Fokkema die zo mis kleunde in zijn overigens erg mooie studie Aan de mond van al die rivieren. Een geschiedenis van de Nederlandse poëzie sinds 1945 (Amsterdam-Antwerpen: De Arbeiderspers 1999).
Maar: hoe vertel ik het mijn studenten?
donderdag, mei 14, 2015
Trouvé - II
Gisteren was er weer zo iemand. Een Spaanstalig iemand, nota bene. Ik tweette tot op heden, ik tweet ook nu en ik zal ook in de toekomst niets tweeten in het Spaans, dus ik begrijp niet wat Felisa bezield heeft mij te volgen. Mijn eigen Spaans laat tot op deze dag veel te wensen over - en dat is een understatement - dus niets in mij jaagt mij aan gevolg te geven aan de uitnodiging die uitgaat van het 'knopje' van het linkje waarmee ik op mijn beurt Felisa zou kunnen volgen. Sorry, Felisa.
Maar wat Felisa op haar hoe heet dat, eh, homepage schrijft, kon ik dan weer wel lezen:
Es increible como alguien pue e rompzr tu corazon, y sin embargo sigues amandole con cada uno de los pedacitos.Voor wie, zoals ik, dit denkt te begrijpen, maar toch twijfelt, hier de (oh, zegeningen van het internet) Google-translate-vertaling:
Het is verbazingwekkend hoe iemand PUE en rompzr je hart, maar je nog steeds van hem houdt met elk van de stukken.Toegegeven, het is een beetje light verse, om niet te zeggen Candle light (nog twee understatements; als je met de correcte tekst een zoekopdracht het web op stuurt, word je misselijk van de zoete plaatjes die dat genereert), maar die suffe tik- of wat voor fouten het ook zijn en waar de vertaler lekker over struikelt, verbrokkelen de tekst juist zo, dat ze er net een fris scheutje betekenisbrandstof aan toevoegen. Vorm en inhoud zijn een, zei Kloos reeds in de negentiende eeuw. Ook al is het hier misschien onbedoeld, toch een kwestie van stijl.
dinsdag, mei 12, 2015
Meta is weta
"Het resultaat [d.w.z. de uitkomst, namelijk van hetNRC-zelfonderzoek naar de genderficatie van de literatuurkritiek] was onthutsend. Maar liefst 77% van de 703 recensies die NRC in 2014 plaatste, bleek door een man geschreven. Ter vergelijking: in de Volkskrant was dat 63% (op een totaal van 483) en in Trouw 55% (op een totaal van 400)."
Dat zet mijn alphabrein aan tot een me-me-meta-ta-ta-onderzoek, uitgaande van een mogelijke middeling van de drie belangrijkste kranten met recensentenaandacht voor literatuur.
Wat we, dank zij het stuk van Winkler, weten over de relatie tussen het aantal recensies (ar) en het percentage mannelijke recensenten (pmr) dat die schreef, of die die schreven, is dit:
ar : pmr
703 : 77%
483: 63%
400: 55%
Ik wil daar, alphabreinisch als ik ben, graag een graphiqueje bij, om het beter in te kunnen 'zien'. Dat wordt even knutselen (een modern gespelde Skandinavische methode van visualisatie van getalsmatige verhoudingen). Mij ontbreken daar de algebraïsche middelen toe.
Omdat het toch eindexamentijd is, en een 'hoogleraar Nederlands' (dixit weer die NRC) in een poging tot journalistiek-populair-wetenschappelijke kennisvalorisatie in de mond gelegd krijgt nog geen tien te kunnen halen voor een eindexamentoetsje tekstanalyse, volgt hier een letterwiskundige opgave.
Gegeven:
groei ar van 400 tot 483 = 83, dan parallel groei van pmr 55 tot 63 = 8;
groei ar van 483 tot 703 = 220, dan parallel groei van pmr 63 tot 77 = 14.
Afgeleid:
groei ar van 0 tot 400 = 400, dan parallel groei pmr 0 tot 55 = 55.
Gevraagd:
a) hoeveel groei ar is nodig om groei pmr te laten uitkomen op 100?
b) hoeveel krimp ar is nodig om krimp pmr te laten uitkomen op 0, zijnde het punt waarop, bij implicatie, het percentage vrouwelijke recensenten (pvr) 100 is, aangenomen dat dit zich ergens op de lijn bevindt waar die nog niet het punt heeft bereikt waar ar = 0.
Antwoorden kunnen, binnen redelijke termijn, wel anoniem maar niet aseksueel, en hoe dan ook zonder spelfouten, worden ingediend bij de vroolijke hermeneut.
(evidente tikfouten worden niet als genderfouten gerekend, over de uitslag kan afhankelijk van de uitslag gecorrespondeerd worden)
maandag, mei 04, 2015
Trouvé
Cambridge had meer dan bloed en longweefsel. Boeken, om maar iets te noemen. En, gelukkig toeval voor de beursaal die ik was, ook boekjes. Ik kocht er voor 30 pence een handwerkje van 13 bij 7 cm. Handwerk is het, want het knoopje in het bindgaren zit binnen, niet op de rug. Sindsdien heb ik een zwak voor handdrukwerk en rode drukinkt. En voor heel heldere, korte, eenvoudige poëzie (niet van die haiku's; te vaag), naast een bijna nog groter zwak voor gruizige, breed uitgesponnen, uitermate wrongelachtige dichtwerken. Onder meer.
Sindsdien ook heb ik, bij alle maanstanden, die manie van sommige gedichten uit het hoofd te willen kunnen kennen. Dat ging bij dit mini-dingetje van de Schot Thomas A. Clark nog wel aardig. Van de dichter had ik nog nooit gehoord. En in de tijd tussen toen en nu heb ik niet méér van hem gehoord; internet vult die lacune inmiddels makkelijk in. Maar altijd zat, ook zonder dat, zijn zomerse tekst in mijn kop.
En soms steekt die vanzelf zijn pointillistische kopje weer op. Zoals wanneer ik op het intranet van de UU dit bericht lees:
Last Thursday I found a coffee card on the cycling lane along de Weg tot de Wetenschap.
Altijd onderweg.
maandag, april 27, 2015
Privéëtymologie
En dan denk ik in eerste instantie heel ad rem: Begrijpelijk! Een straatarme omgeving is een slechte biotoop voor rappers, die zijn immers street wise, die wonen natuurlijk in rijkbestrate steden.
Pas daarna (heerlijke secundariteit, alleen hinderlijk met flipperen) kom ik erachter dat 'straatarm' niet een woord is uit dezelfde categorie als 'caloriearm', 'glutenvrij', 'risicoloos' of 'steenrijk', maar meer uit de groep 'stekeblind', 'retemoeilijk' en 'beresterk'.
Toch vind ik mijn concept 'straatarm' ook wel zinnig. Zuid-Afrika bijvoorbeeld is straatarm, als je bedenkt hoeveel ongerepte natuur daar is, de Sahara lijkt me ook straatarm, zelfs het Hollandse Groene Hart is betrekkelijk straatarm.
maandag, april 06, 2015
Zeldzaam zuiver zeugma
Onze soesjes zijn met liefde
en
zorgvuldig gekozen ingrediënten gemaakt.
Stijlfiguren zijn er om aandacht te trekken, aandacht voor de vorm, en via de verbazing over de vorm aandacht te trekken naar de inhoud. "Foregrounding" denk ik dan in vakjargon, ook al is het weekeind.
Soms ook zijn stijlfiguren handig voor de herinnering. Mijn moeder riep af en toe, ook al was ze reeds decennia geleden gestopt met roken: "Ha, heerlijk: Hunter!" (in mijn tijd was het merk al verdwenen, anders dan de Chief Whip en Full Speed waar mijn vader zijn dagen mee kortte).
Vaak gaat de ene stijlfiguurfunctie met de andere samen. Denk ik.
Soms probeert een handelaar de aandacht te trekken naar zijn waar met een stijlfiguur, maar bakt hij er in zijn enthousiasme een stijlfout van (banketbanketbakker, blijf bij je boter en bloem). En wat erger is in dit geval: ik ga me er iets bij voorstellen, bij wat er dan in deze soesjes zit...
dinsdag, maart 17, 2015
Wachten op een vriend
Nou ben ik niet heel erg een liefhebber van het type smaakventilator dat de hooggeleerde J.J. te N. doorgaans in het openbare domein wenst in te zetten als hem privé iets niet geheel en al welgevallig is, dus het muziekwerk van de even N.'se heer F.B. catagorisch afbranden is niet mijn stiel, maar dat het werk van hem dat ik googlerwijze als eerste hit (aan)trof niet bijster veel, om niet te zeggen: niks en niemendal te maken had met het werk dat ik juist gelezen had en dus evenmin met het leesverslag daarvan dat ik te illustreren wenste, kan en zal ik hier niet met opgeheven gelaat ontkennen.
Aan de roman van Wessel te Gussinklo was ik enthousiast begonnen, maar ik moest de spaghettilectuur ervan, of: de lectuur van de spaghettizinnen en -gedachten ervan onderbreken toen er een eerste lichting van kandidaten voor de ANV-debutantenprijs binnenkwam. Toen ik die taak verricht had, was ik wel aan wat anders toe, en begon ik, om weer op mijn eigen spoor te geraken, aan een klassieker: de baksteendikke roman De walgvogel van Jan Wolkers, die ik niet lang na verschijnen medio jaren zeventig voriger eeuw meerdere malen gretig gelezen had, maar sindsdien niet meer... Ook, zo bleek me nu, autobiografisch, ook rauw-realistisch, ook in de ik-vorm, ook een picareske roman, met alle exuberantie van dien, maar dan wel een roman van een vakmens, een taalbeest, iemand die weet van formuleren, van niet te veel gelul, van feiten en van meningen, niet van alleen maar domme gedachtetjes, maar van variatie in zinnen, alles tussen korte platte spreektaal en weloverwogen gestileerde en lang uitgewerkte woedeuitbartsingen.Maar toen ik per trein op weg ging naar het eerste juryberaad, had ik geen zin om die dikke pil mee te nemen, en stopte ik liever het zeer slanke The Figure in the Carpet van Henry James in mijn tas. Zo'n leuke gelegenheidsuitgave. En wat een taal, wat een stijl, wat geacheveerd dit geheel, zo zeer weloverwogen van taal. Dat slobber je niet zomaar even weg tussen Ut- en Dordrecht. Dat vergt aandacht. Dat moet je langzaam proeven. Drie keer zo traag als Wolkers.
En nog voor ik dat uit had (nog steeds niet, eerlijk gezegd, dat uitgelezen hebben), maar pas na dat ik een nieuwe toren van debuten, kandidaten voor de ANV-debutantenprijs, had gescoord, lag daar de recentste roman van Huub Beurskens op de stapel: 'te lezen'. Noblesse oblige, of hoe noem je dat vanaf de andere kant: wat dringend is, gaat voor. En dan schiet ik al meteen in de receptieve leeshouding van: kom maar op, vertel me.
Komt nu pas het pijnlijke. Komt nu de bekentenis. Ik heb tot op de dag van heden nog nooit iets van Beckett gelezen. Tenzij in Wikipedia. En tenzij via het werk van Robert Anker en via het werk van Huub Beurskens. Maar Beckett zelf... geen iota. Ik weet dus dat ik moet denken dat ik wat mis. Hij lijkt me de soort auteur over wie ik liever lees dan van wie ik iets zou willen lezen. Althans in eerste instantie. Maar die instantie duurt nu al wel erg lang qua Beckett. Dante deed ik inmiddels, Homeros, Milton, Ariosto en Manzoni, zelfs De Meun en De Lorris heb ik geprobeerd, Proust, en nog zo wat, zonder echt diepe dankbaarheid. Musil, ergens kwartwegs blijven steken.
Echter: Nabokov, bijvoorbeeld, daar heb ik wel al enige kennis van genomen. Door Beurskens. Dus Samuel weet wat wat hem te wachten staat. Want Wachten op een vriend, en zeker met dat omslag, met dat boompje, is evident geënt op En attendant Godot, en de roman zelf doet daar alles behalve geheimzinnig over. Gelukkig kan ik hier en nu zonder bezwaard gemoed verklappen dat Beurskens' roman bijzonder meeslepend is, ook voor wie geen weet van Godot heeft.
Wat de roman zo bijzonder maakt is - onder meer, en dit hier zeer voorlopig - dat het werk uitermate nauwkeurig geformuleerd is, welbewust, doordacht; niet alleen de structuur is weldoordacht, iedere zin is het, elk woord; Beurskens vocabulaire is zeer gevarieerd, en hij kiest zijn woorden scherp, bijvoorbeeld om hier en daar alliteraties in te kunnen vlechten. Ik las het boek voortdurend op verschillende niveaus, lijkt het: woorden en zinnen, de verhaallijn, de spiegelende structuur, dat laatste zowel intern (de twee vertellers in de twee delen) als extern (intertekstueel), want wat de roman nog meer aantrekkelijk maakt is dat ze opvallend - en wellicht nog meer: onopvallend - refereert aan en voortborduurt op onder veel andere die tekst van Beckett. En dat het een hyperbewust kunstwerk lijkt te zijn, terwijl het handelt over bewustzijnsprocessen waarvan de personages zich juist niet bewust zijn of zich pas na hun daden, post factum, bewust worden. Het boek staat in zekere zin strak van de spanning tussen extreme cerebraliteit en dito emotionele sensibiliteit. Het gaat over totale overgave, overgave aan een idee en veronderstelde herinneringen; en het gaat over verdringing van de onaangename werkelijkheid.
Wachten op een vriend is ook, denk ik, te lezen als een voortdurende, grote interpretatie van Becketts genotekst. Nog weer anders: zoals er romans zijn waar ik liever iets over lees, dan dat ik die dingen zelf zou moeten lezen, is dit een roman waarover ik liever niet iets lees, terwijl het zelf lezen ervan me bijzonder behaagt (ik kon het niet dan met tegenzin en door nood gedwongen tweemaal wegleggen), zonder dat ik meteen al het idee heb dat ik de tekst geheel doorgrond, begrepen heb. Zelden vond ik een flaptekst zo waar als deze: 'Wachten op een vriend is een roman om in één adem uit te lezen om dat meteen daarna nogmaals te kunnen doen.'
En dan te bedenken dat de auteur misschien zelf die flaptekt geknutseld heeft... Tekst, fenotekst, paratekst, intertekst, alles in één hand. Ik was me er voortdurend van bewust een meerlagige roman te lezen en toch werd ik er tegelijkertijd lekker door meegesleept. Nog zoiets: deze roman gaat op verhaalniveau eigenlijk over een gebeurtenis die niet plaatsvindt maar waarvan de twee hoofdfiguren zich voorstellen hoe het zou zijn als die zich, en daar hopen ze op, voor zou doen.
Nu weer een stapel debuten. En dan opnieuw: Wachten op een vriend.
zondag, maart 08, 2015
Dom dom dom
Des niet tegenstaande heb ik onlangs een forse leesblunder gemaakt. Met eraan gekoppeld een miskoop. Struinend door Broese aan de Stadhuisgracht zie ik een boekje liggen dat mijn aandacht trekt door zijn vorm, nee, door zijn formaat, door de kleur, de kreet "international bestseller" pontificaal op het voorplat, en vooral de titel en de opmaak ervan: The Art of Thinking Clearly. En Thinking staat in rood ondersteboven tussen de andere woorden die in zwart zijn gedrukt. Mijn portemonnaie spartelt dan al van de pret, want duur is het dingetje niet. Een titel in de geest van Filosoferen is makkelijker als je denkt, een boek dat ik die dag helaas niet in de winkel zag liggen, maar ik was dan ook vergeten ernaar te zoeken.
Nou loop ik niet blind met alle bestsellers de winkel uit, maar kennelijk prikkelt zo'n marktkreet m'n nieuwsgierigheid wel. Gek genoeg had ik nog niets over dit boek gehoord of gelezen, nog niemand had het per krant, tweet, blog of wat ook aangeraden. En van de auteur, Rolf Dobelli, had ik nog nooit gehoord. Maakte niet uit: internationaal helder denken trok me wel aan.
Maar het boek gaat dus ook helemaal niet over The Art of Thinking Clearly, noch over Die Kunst des Klaren Denkens, zoals het oorspronkelijke werk uit 2012 heet. En pas nu zie ik de categorieën waarin de Library of Congress het heeft ondergebracht: Reasoning (Psychology), Errors - Psychological aspects, Decision making, en: Cognition.
Het boekje bevat 99 hoofdstukjes van maximaal drie bladzijden (wat ik soms wel aangenaam vind, zeker zo vlak voor het slapen), waarvan het eerste heet: 'Why You Should Visit Cemeteries: Survivorship Bias' en het laatste 'Why You Shouldn't Read the News: News Illusion'. Het is een betrekkelijk bloedeloze, met persoonlijke ervarinkjes uit het zakenleven gelardeerde opsomming van normaal-menselijke onachtzaamheden, conceptuele misvatttingen, cognitieve onzuiverheden. Maar het zijn er zo veel en ze worden met zo veel aplomb opgedist en anekdotisch afgeserveerd dat uiteindelijk het totale gehalte vormende inhoud van het boek dat der tegelwijsheden niet overstijgt: voor elke gelegenheid is er wel een te vinden, en ook een met een tegenovergestelde strekking.
Voor zover het gaat over het tegengaan van handelen op grond van de hierboven genoemde soorten miskleunen, heeft het boek wel iets te zeggen over nadenken, maar verder heeft het helemaal niets uitstaande met de schone kunst van het zuiver(e) denken. Denken is een activiteit; Dobelli grossiert in quasi wijze one liners, nou ja, het boekenequivalent ervan: three pagers. Ik had eerst hoofdstuk 4 moeten lezen: 'If Fifty Million People Say Something Foolish, It Is Still Foolish: Social Proof'. Veel dieper reikt het allemaal niet. Of ik had me, nog goedkoper, moeten herinneren wat mijn oudste broer zo'n veertig jaar geleden met dikke viltstift op het behang had geschreven: "Denkt aleer gij doende zijt, en doende, denkt dan nog / und wer nicht denkt, dem wird's geschenkt, er hat es ohne Sorgen" (een heerlijke contaminatie van Gezelle en een lichte bewerking van Goethe, maar dat wist ik toen nog niet). Had ik niet mijn shoppende, maar mijn professionele brein mijn vroolijke boekenbegeerte laten leiden, dan had ik eerst deze recensie gelezen in The Guardian: 'This column will change your life', en een paar euro's gespaard.
Nagekomen mededeling: een bijdrage van Carel Peeters aan Vrij Nederland heeft me daadwerkelijk een paar euro's doen sparen. Filosoferen is, net als denken, kennelijk toch niet zo makkelijk, als het behalve helder ook nog goed moet zijn.
dinsdag, maart 03, 2015
Coïncidentia
Vandaag las ik eindelijk 'Against Interpretation' (1964) van Susan Sontag (1933-2004), eigenlijk vooral als aanloopje naar 'On Style' (1965).
Vandaag zag ik dat de muur achter het portret van Sötemann een forse scheur vertoont.
maandag, februari 16, 2015
... van de bok
Ik weet zeker dat ik een bundel, en nee, zelfs dat ik in één beweging de beschikking had verworven over twee bundels die mijn aandacht hadden getrokken. Van die epische dingen. De namen van de auteurs weet ik nog, de titels weet ik nog, globaal de inhoud, globaal mijn oordeel, en de kleur van de omslagen ook nog. Maar ik heb ze niet meer.
Eén van die twee heb ik nu dus gewoon keihard professioneel nodig. Dus kijk ik thuis in mijn studeerkamer op mijn plank epiek. Niks. Dan kijk ik maar tussen de 'gewone' poëzie, beneden: niks. En kijk ik bij de courante annex half vergeten leesbaarheden, op de salontafel: niks. Kijk ik op het plankje met dat-moet-nog-ergens-goed-opgeborgen-worden: multiwerf niks.
Dan zullen ze wel op het instituut liggen, ter vorsing. Mooi niet.
'Collega, heb ik jou wellicht die bundel van Estor geleend?'
'De oksels van de bok, bedoel je, die je toen gelijk met Mens, dier ding had, van Schaffer?'
"Ja, precies, die...'
'Nee, die heb ik niet.'
'Was ik al bang voor.'
Haa, wacht: een ezel, in 't gemeen, stoot zich niet tweemaal aan dezelfde steen: ik struin door mijn digitale boeken.
En vind het daar ook niet tussen.
Ten langen leste maar naar de bibliotheek. Had ik niet zo zeker geweten dat ik de boeken gekocht had, had ik me daar eerder toe gewend, tot dat boekenbaken. Boek aangevraagd. Prachtig fris exemplaar. Niet door potlood- of ergere strepen ontsierd. Zachtjes de lof zingend van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek (in de binnenstad) keer ik huiswaarts. De UBU heeft ongeveer AlLeS wat ik zoek!
Wil ik het boekje gaan lezen, sla ik het open, steekt er een oud leenbonnetje in. Op 25 maart 2014 stond het voor me klaar (omineus: tot 1 april mocht ik het afhalen). En zie, een blikje in mijn mailbox leert me dat ik het boek inderdaad opgehaald heb kort nadien.
Toen wist ik het: ik had een aanschafverzoek ingediend, en dat was ingewilligd, en Jan de Boer, vakspecialist voor o.m. Nederlandse letterkunde, had de boeken voor me klaargezet zodra ze er waren. Iklas ze En nu zijn ze er nog. Estor s.v. 18.11 87.tb esta.p*2012ov (bibliotheeks dieventaaltje).dinsdag, februari 10, 2015
Stijl
'In part, we have already considered (see section 1.1) [...]' (15)
'The last paragraph implies[...]' (16)
'We have established, then, [...]' (16)
'So far, we have discussed [...]' (17)
'Having established that there is, in principle [...]' (17)
'In discussing the choosing of data, we have already mentioned [...]' (19)
'We have already seen that [...]' (20)
'As we have described [...]' (21)
'As we saw in section 1.5 [...]' (21)
'As we have seen [...]' (24)
'In this introductionary chapter we have attempted to sketch out [...]' (27)
'We have emphasised in this chapter [...]' (27)
* Achter de meeste (TM) kwantitatieve aanduidingen in letterkundige studies (of in blogberichtjes als dit) zou, bij wijze van disclaimer, een keurmerk moeten worden geplaatst, iets in de geest van die TM hiernaast, betekenend: Trade Metaphor, beduidend: dit is maar een gevalletje van onbezonnen, vakverblinde beeldspraak, want werkelijk kwantitatieve gegevens ontbreken ten enen (TM) male als grondslag van deze bewering.
maandag, februari 09, 2015
De zetduivel schuilt in het detail
Jaren lang heb ik dat artikel gebruikt in het college Lezen en laten lezen (dat nu niet meer bestaat). En vandaag, werkend aan de voorbereiding van een college Stilistiek dat ik met Henk Pander Maat voor het eerst ga geven aan het eind van dit academiejaar, valt me pas een kleinigheid eraan op. Het citaat luidt bij Schenkeveld als volgt:
Meinen Fluch über Jeden, der, bei künftigen Drucken meiner Werke, irgend etwas daran wissentlich ändert, sei es eine Periode, oder auch nur ein Wort, ene Silbe, ein Buchstabe, ein Interpunktionszeichen.Pijnlijk, omdat Schopenhauer eigenlijk natuurlijk gewoon schreef en met redenen omkleed bedoelde:
Erfüllt mit Indignation über die schändliche Verstümmelung der deutschen Sprache, welche, durch die Hände mehrerer Tausende schlechter Schriftsteller und urteilsloser Menschen, seit einer Reihe von Jahren, mit eben so viel Eifer wie Unverstand, methodisch und con amore, betrieben wird, sehe ich mich zu folgender Erklärung genötigt: Meinen Fluch über Jeden, der, bei künftigen Drucken meiner Werke, irgend etwas daran wissentlich ändert, sei es eine Periode, oder auch nur ein Wort, eine Silbe, ein Buchstabe, ein Interpunktionszeichen.Het zal je gezegd zijn. En dan toch ein Buchstabe over het hoofd zien.
Omdat het een citaat is van een filosoof boven een artikel van een neerlandica lijkt het redelijk het ontbreken van die ene letter te catalogiseren als een even stomme als irritante fout, hoe klein ook. Maar omdat het uiteindelijk om en over letterkunde gaat, is het best billijk om daarnaast een meer literaire leeshouding in te zetten bij de waardering van het citaat, en dan komt al snel de vrolijke acceptatie van de immer tartende ironie om de hoek kijken. Ha, die Schopenhauer, hoor hem toch zijn woedende vloek uitspreken, en juist in die uitspraak gebeurt wat hij vervloekt.
vrijdag, januari 09, 2015
Quelle posture
dinsdag, januari 06, 2015
Emendeert het niet dan deert het niet
Prachtige verkenningen van een scherp lezer met een enorme boekenkast binnen denkbereik.En schrijven dat hij kan... Staat er bijvoorbeeld opeens, halverwege een verhelderend essay over het werk van Ouwens, dat toch werkelijk nog niet in het brandpunt van mijn aandacht stond, een zinnetje dat - als je het in dat essay leest - volkomen helder is, maar misschien daarbuiten wat bizar lijkt: 'Gloort er toch licht aan het einde van het schroefgat?'
Wellicht al te welwillend las ik het met een kleine, dactylische correctie: 'Gloort er toch licht aan het eind van het schroefgat!'
zondag, januari 04, 2015
Kerstrecesleesmeter II
Beauvoir: p. 16 (niet in opgeschoten)
Kosters: 146 blz. (= tweemaal uit; allerlei belletjes rinkelen, zowel in de bundel zelf als naar eerdere bundels, en natuurlijk naar allerlei andere intertekst; is goed, want heel erg gevarieerd naar vorm en inhoud, en toch steeds met hints naar samenhang en voortgang)
Ham: p. 378 blz. (uit, inclusief cursorisch literatuurlijst, summary, register; judicium suspendum, in mijn beste academische kerstlatijn, want hij is mijn collega en kamergenoot en was een oud-student; het inleidende hoofdstuk tweemaal gelezen; mooie beelden van vijf, chronologisch geordende, soms best ingewikkelde, subtiel samengestelde, paradoxale postures, inclusief die van evenzoveel zo genoemde tegenspelers)
Pinker: p. 168 (van 433; afgelopen dagen nul erbij)
Gadamer: p. 0 (solide positie)
Gerbrandy: p. 66 (wat kan die man helder schrijven; niet ieder stuk handelt heel erg expliciet over het sublieme, maar dat geeft niet: zijn stuk over de erotische transgressie bij Faverey bijvoorbeeld is fraai)
Boom & Rooseboom: 322 items (uit)
Brassinga: nog steeds niet gekocht, geleend of gekregen.
Zag die nieuwe roman van Te Gussinklo in de boekhandel...
Conclusie: het reces was weer eens te kort.

















.jpg)
.jpg)
.jpg)
















