zaterdag, juni 27, 2015

Plafondplant & Dakwortel

Voor hun eindverslag in de cursus Stilistiek onderzochten Esther van Diggelen en Suzanne Moeskops de stilistische variatie die spreekt uit de twee Nederlandse vertalingen van Seamus Heaney's bundel District and Circle; ze concentreerden zich op het titelgedicht.

Fascinerende materie, en dan heb ik het dus minder over de (kwaliteit van de) poëzie (want daarmee bemoei ik me niet als ik er stilitisch vorsend naar kijk), dan over die twee vertalingen, of beter: de drie versies die er nu van één en dezelfde tekst zijn overgeleverd. En ze bieden aanknopingspunten voor een kleine cursus nederigheid: ik ben namelijk niet in de wieg gelegd voor vertaler, geloof ik. Ik struikel al over één woord.

Duidelijk is, dat het gedicht een gebeurtenis beschrijft die plaatsvindt in een metro, een ondergronds transportsysteem. De vierde strofe begint aldus:

Stepping on to it* across the gap,
On to the carriage metal, I reached to grab

The stubby black roof-wort [...]

* Namelijk: the train, laatste woorden van de voorgaande strofe.

In de ene vertaling (Mirck) verschijnt mijn struikelwoord - nu geciteerd in een nog kleinere context - aldus:

de borstelige zwarte plafondplant

en in de de andere (Kosters en Van de Vegt) is dat:

de korte zwarte dakwortel

Nu woon ik heel mijn leven al niet in een stad met een metro, laat staan in een Groot-Britse metro, maar ik meen mij van een vakantie te herinneren dat er in de Londonse subway treinen rondrazen die lussen hebben om je aan vast te grijpen, maar ook treinen met van die zwarte, buigzame, stompe winterpeen-achtige objecten, knuppeltjes bijna, geschikt voor lichte charges door de oproerpolitie, als ze niet aan het dak van die treinen vast zouden zitten. Ik zocht een plaatje op het internet, maar dat leverde niet snel genoeg iets op. Bovendien weet ik niet of Heaney refereert aan een Londonse, een Dublinse of nog een andere metro, en zelfs weet ik niet of dat in die bundel wel van belang is, maar ik vraag me wel af op welke ervaring hij dat beeld gebaseerd zou hebben.

Mijn woordenboek zegt dat stubby in het Nederlands stomp betekent, als in: gedrongen, kort en dik, afgeleid van het zelfstandig naamwoord stub, oftewel stomp (en in mijn brein schiet dan onder andere een amputatierestant in beeld, zo'n vinger van een houthakker, maar dat zij ter zijde gezegd). Stubbly betekent stoppelig, maar er staat in dit gedicht stubby en niet stubbly. Dat borstelige is dus geen (vertaal)variatie maar een vertaalfout, of erger nog: een leesfout, begaan vóór het vertalen. En dan: wie in de metro zou er zijn houvast durven zoeken aan een borstelig handvat? Getsie.

Wort wordt voornamelijk in samenstellingen gebruikt, zegt mijn Van Dale, en beduidt kruid, als: een soort plant. Merriam-Webster zegt erover: 'Middle English, from Old English wyrt root, herb, plant — more at root / First Known Use: before 12th century'. En het WNT leidt je sub wortel naar verwantschap met het oud-Engelse wyrtwala.

Moest ik kiezen, dan duidelijk voor de tweede vertaling. Niet van wege de (stijl)variatie, maar omdat die correct is, voor zover je dat van een vertaling kan zeggen (hangt ook van de vertaaldoelstelling af; maar die eerste vertaling lijkt me hier ronduit fout; daarmee vergeleken is de tweede correct). Los daarvan is dakwortel een gek woord, maar dat is, denk ik, roof-wort voor een Engelstalige poëzielezer ook (ik heb deze intuïtie bevestigd gevonden in een veldonderzoek met N=1; dank je wel, Minnie). En dat is knap, vocabulaire verrassing vertalen.

P.S. d.d. 15-07-2015
Inmiddels vernam ik van Onno Kosters dat Heaney waarschijnlijk refereert aan de Londonse metro 'waar de jonge Heaney eind jaren 50/begin jaren 60 mee reisde / waar de aanslagen van 7/7/2007 plaatsvonden; Dublin heeft een DART, de Dublin Area Rapid Transport, maar da's een trein, geen metro.'

En nu is er ook visuele documentatie, ingezonden door Huub Beurskens: de dakwortels van de District Line.

zaterdag, juni 13, 2015

Vlees

Bij de slagerij in het gezellige winkelcentrum (contradictio in adiecto) in de buurt van mijn woonst bestelde ik - om vanavond een filmbezoek goed geprepareerd tegemoet te treden - vier kalfslapjes (nee, niet voor mij alleen). "Maar", zei ik erbij tegen het winkelmeisje, "ik weet niet wat voor soort precies..."

Ik had na een blik in de uitstalkast al gezien dat mijn beste Italiaanse kookboek-in-vertaling me een duister woud in had gestuurd met het eerste item van de ingrediëntenlijst: ik ken echt het verschil niet tussen mijn begeerde kalfslapjes en des slagers aangeboden dito oesters en idem schnitzels.

Hulpvaardig vroeg de jonge slagersdame: "Wat wilt u ermee maken?"

"Scaloppine al limone", glipte over het hekje mijner tanden alsof het een dagelijkse snack betrof. Zij kon natuurlijk ook niet weten dat ik in verband met de begeleiding van een genderkritisch bachelor eindwerkstuk Tommie Wieringa's Een mooie jonge vrouw aan het herlezen ben (p. 31).

Met een verschrikte blik van onwetendheid keerde zij zich af van mij en wendde zich tot de keurslager zelf, Harry van Schaik, bestendige aanwezigheid in het winkelpand, enigszins op de achtergrond, tussen de koelcel en de grote messen.

"Hoeveel mag het zijn?" vroeg hij, en straalde een en al vakbekwaamheid uit.

donderdag, mei 28, 2015

Nabetrachting: Huub Beurskens, Wachten op een vriend

Op een ander webplekje tikte ik mijn veronderstelling dat de twee delen van deze roman, die elk een eigen ik-verteller hebben, te beschouwen zijn als "pre-reflecterende of pro-visorische dan wel voor-onderstellende verslagen: ze lopen voortdurend vooruit op wat er zou kunnen of idealiter in hun optiek zou moeten plaatsvinden tijdens de ontmoeting. Of die ontmoeting daadwerkelijk plaats heeft gevonden, waag ik nog steeds te betwijfelen".

Vanuit een andere context, de cursus Stilistiek, piekerend over stijl en stijlvarianten en tekstvergelijkend stijlonderzoek, kwam de gedachte naar voren dat een vertaling ook opgevat kan worden als (een vorm van) stijlvariatie, ook al zal het des vertalers bedoeling zijn een identieke replica te leveren, met alleen een taalverschil.

Dat bracht me (niet echt via een heldere, rechte lijn) op de gedachte dat deze roman van Beurskens misschien het best in het Frans zou kunnen worden omgezet door overwegend of uitsluitend gebruik te maken van de subjonctif, de aanvoegende wijs die in het levend Nederlands bijna verdwenen is. Vreemd: dan zou de vertaling een eigenschap hebben die in het origineel ontbreekt.

En toen ik het met mezelf toch gezellig over vertalen had, dacht ik opeens: waarom heet dan de roman niet Wachtend op een vriend? Dat impliceert dat er wel gewacht wordt, maar dat er onderwijl iets anders gebeurt (namelijk dat pre-reflecteren), wat eigenlijk de inhoudelijke hoofdzaak is; niet het wachten staat centraal in de roman, maar de invulling van het wachten.

Dat zou ook in overeenstemming zijn met de titel van de genotekst waarnaar Beurskens verwijst in zijn 'Verantwoording' (p. [206]): En attendant Godot/Waiting for Godot (1952/1954).

Maar ja, daar staat tegenover dat dat werk in Nederland c.q. in het Nederlands bekend is onder de titel Wachten op Godot. Als je "Wachten op Godot" als zoekterm gebruikt in Picarta krijg je 28 resultaten, "Wachtend op Godot" geeft maar 1 resultaat. Voor Google zijn de resultaten 17.400 respectievelijk 2030, voor Google Books 2650 resp. 22, en voor Google Scholar 16 tegenover 5. Die Googlelui stellen zelfs steeds voor: "Bedoelde u: Wachten op Godot" als je "Wachtend op Godot" zoekt. Omdat ze veronderstellen dat je blind maar wat lukraak in de rondte toetsenbordt? Quod non in dit geval.

maandag, mei 25, 2015

Metabolus, of iets over retoriek of/en stijlfiguren

Een ab ovo vrolijk-imponerend en -overtuigend element van een stijlhandboekboek als The Sense of Style (New York 2014) van Steven Pinker vind ik de openingszin van de Prologue: 'I love style manuals.' (Pinker 2014: 9; dat paginanummer zegt niet zo heel veel, want ik gebruik de digitale uitgave). Het van meet af aan deprimerende aspect van een overzichtswerk als het Groot retorisch woordenboek van Paul Cleas en Eric Hulsens (Nijmegen 2015) lijkt me de gortdroge, dyssuasieve Inleiding, met idiote sprongen als de volgende (1):
Welbespraaktheid was in de oudheid een ijkpunt van kwaliteit. [...] Algauw groeide het besef dat taalvaardigheid niet alleen een talent was, maar ook een techniek.
(Claes & Hulsens 2015: 7)
Een dergelijk luchthartig tijdsbesef is niet het mijne.

En (2):

In de klassieke en de classicistische literatuur bijvoorbeeld zijn stijlfiguren vooral een middel om de boodschap zo efficiënt en effectief mogelijk over te brengen. In maniëristische en modernistische literatuur worden de stijlfiguren een doel op zich: ze overwoekeren de boodschap tot het hermetische toe.'
(Claes & Hulsens 2015: 8)
De sprong is duister doordat het betoog ieder argument of voorbeeld mist; de impliciete aanname - het afzetpunt voor de sprong - dat er helemaal niets aan de literatuuropvatting(en) is veranderd in een paar eeuwen, is volkomen van de ratten besnuffeld.

En (dat is 3) deze:

In het midden van de twintigste eeuw werd de retorica in Europa herontdekt [...]. Raymond Queneau schreef in 1947 zijn Excercises de style [...] - Rudy Kousbroek vertaalde het boekje in 1978 als Stijloefeningen.
(Claes & Hulsens 2015: 8-9)
Bij mij heet 1978 niet 'het midden van de twintigste eeuw' maar het laatste kwart ervan, en één melige maar leuke bundeling van kunststukjes noem ik geen herontdekking van de retorica, net zo min als ik een tussenpoos van dik dertig jaar tussen origineel en vertaling vind getuigen van een continentale herontdekking van een discipline. Ook een pas in 1994 uitgegeven onvoltooid werk waarin Daniël Robberechts 'zo veel mogelijk retorische figuren' verwerkte (Claes & Hulsens 2015: 9) zie ik niet als een eclatant argument in dezen.

Zo, al het goede komt in drieën, zei de dominee, terugziend op zijn antithese, en hij liet zijn argumentatie er verder maar bij, op hoop, natuurlijk - om niet te zeggen: bovennatuurlijk - van zegen. Behalve dat hij er nog aan toevoegde dat de Inleiding van Claes & Hulsens (2015) zucht en bezwijkt onder wat Pinker (2014, hoofdstuk 3) noemt: 'The Curse of Knowledge', een zeer publieksonvriendelijke denkfout.

Maar ook andere denkfouten doen zich voor. Inconsistentie is er een. Worden stijlfiguren in de eerste regel van de Inleiding nog omschreven als 'bijzondere vormen van taalgebruik' (Claes & Hulsens 2015: 7), in het hoofdstuk Overzicht heten zij 'transformaties' (Claes & Hulsens 2015: 13-14), een begrip dat in het betoog, laten we het zo noemen, is geslopen op pagina 10, waar het gaat over zeven structuralisten anno 1970 die de stijlfiguren herdopen tot 'metabolen', waarbij moet worden geweten dat '[a]lle metabolen [...] transformaties van een nulgraad [zijn], een uitdrukking zonder retorisch effect.' Maar daarbij bedenke men zich dat er 'geen taaluiting denkbaar [is] zonder connotatie' [mijn cursivering; DVH], waarbij onder 'connotatie' en 'retorisch effect' hetzelfde dient te worden verstaan.

Moeder laat vragen of het meegaat zo, of dat er een zakje omheen moet, want op pagina 14 blijkt dat onder de 'functies' en 'connotaties' van stijlfiguren hetzelfde wordt verstaan, zij het dat ze 'heel uiteenlopend [kunnen] zijn.'

En wie houdt de ogen droog bij het opslaan van pagina 45, waar, in de Alfabetische lijst doodleuk ook het 'beletselteken' als stijlfiguur is opgenomen... tussen 'belediging' en... 'belgicisme'. Je hoeft werkelijk helemaal niets zelf te verzinnen.

maandag, mei 18, 2015

Gezag?

In een definitieve versie van een BA eindwerkstuk tref ik het volgende citaat aan: "Helma van Nierop noemt 1985 […] als markering van het begin van de discussie over het verschil en de overeenkomsten tussen kinderboeken en boeken voor volwassenen".

Niets mis mee. De bronverwijzing is in orde. Het citaat past in het betoog. Het citaat is correct gemarkeerd, inclusief de (terechte) weglating.

Niets mis? Bijna niets. Kloek kras ik een verwijsteken door de "N", plaats een dito teken in de marge met erachter: "L".

Revisie. Alle correcties zijn correct aangebracht.

Alle? Bijna alle. Niet die "N" die een "L" zou moeten zijn. Dan is het tijd om een heteroniem van A. van Duin te citeren: "Nee, nou wordt-ie fraai!" Of, uit de reclame: "Ik ben toch niet gek?"

Dan weet je als dociele docent dat de tijd rijp is voor reflectie: als hoog en laag dooreen gaan lopen. De docent zoekt de geciteerde bron op. De docent leest in die bron, te aangehaalder plaatse (whoehw, weemoed, wanneer mag je dat nog zo schrijven): "Helma van Nierop noemt 1985 […] als markering van het begin van de discussie over het verschil en de overeenkomsten tussen kinderboeken en boeken voor volwassenen".

Niet over een nacht ijs gaande, werpt de toch lichtelijk in zijn eer aangetaste annex wiek geschoten docent een blik in het register van het aangehaalde boek. En vindt: "Nierop, Helma van 185, 300." (t.a.p. 315).

Ouderdom? Hersenfalen, - algemeen? Korsakov? Welnee. Op p. 185 staat klip en klaar: "En sinds september 1998 bekleedt Helma van Nierop als bijzonder hoogleraar jeugdliteratuur voor vijf jaar de nieuwe Leidse 'Annie M.G. Schmidtleerstoel'." En daarachter nootnummer 9, dat refereert aan de eindnoot op p. 300, waar het hierboven reeds gegeven en herhaalde citaat staat.

Dus... heeft de dociele docent het al jaren verkeerd gezien, gelezen, geschreven en gezocht? Ontdaan voert hij, toch nog van deze tijd, de volgende woordgroep als zoeksleutel in Google: "jeugdliteratuur Van Nierop". En het eerste relevante wat hem treft is de krantenkop: "'Dit is een begin van erkenning'; Helma van Nierop is de eerste hoogleraar jeugdliteratuur".

Dat het eigenlijke stuk anders begint, is niet onbelangrijk: "Neerlandica Helma van Lierop is de eerste hoogleraar jeugdliteratuur in Nederland, op de Annie M.G. Schmidtleerstoel in Leiden. Ze zal de onbezoldigde functie voor vijf jaar vervullen." Dit stond in de NRC van 17 juli 1998. Zo pijnlijk.

Zo zeer doet het ook als je als druk doende zijnde docent plots vergeefs blind lijkt te varen op wat je denkt al jaren goed te weten: Helma van Lierop, Helma van Lierop-Debrauer. Klopt, toch? Ja, joh, tuurlijk toch?! Soelaas te langen leste!

Voor de draad ermee: het was mijn docent, mijn collega, mijn co-promotor, Redbad Fokkema die zo mis kleunde in zijn overigens erg mooie studie Aan de mond van al die rivieren. Een geschiedenis van de Nederlandse poëzie sinds 1945 (Amsterdam-Antwerpen: De Arbeiderspers 1999).

Maar: hoe vertel ik het mijn studenten?

donderdag, mei 14, 2015

Trouvé - II

Een grappig onderdeel van Twitter vind ik de rubriek 'Meldingen', niet omdat daarin staat wie er op je berichten reageert, ook al is dat wel handig, maar meer omdat daarin de mensen opduiken die besloten hebben - althans, ik denk dat het zo gaat - om je te volgen. Vaak heb ik geen enkel idee waarom, waardoor en waartoe ze dat doen, afgaande op hun, hoe heet dat: profiel, maar: nu sijt wellecome, hoe meer zielen, hoe meer vreugd.

Gisteren was er weer zo iemand. Een Spaanstalig iemand, nota bene. Ik tweette tot op heden, ik tweet ook nu en ik zal ook in de toekomst niets tweeten in het Spaans, dus ik begrijp niet wat Felisa bezield heeft mij te volgen. Mijn eigen Spaans laat tot op deze dag veel te wensen over - en dat is een understatement - dus niets in mij jaagt mij aan gevolg te geven aan de uitnodiging die uitgaat van het 'knopje' van het linkje waarmee ik op mijn beurt Felisa zou kunnen volgen. Sorry, Felisa.

Maar wat Felisa op haar hoe heet dat, eh, homepage schrijft, kon ik dan weer wel lezen:

Es increible como alguien pue e rompzr tu corazon, y sin embargo sigues amandole con cada uno de los pedacitos.
Voor wie, zoals ik, dit denkt te begrijpen, maar toch twijfelt, hier de (oh, zegeningen van het internet) Google-translate-vertaling:
Het is verbazingwekkend hoe iemand PUE en rompzr je hart, maar je nog steeds van hem houdt met elk van de stukken.
Toegegeven, het is een beetje light verse, om niet te zeggen Candle light (nog twee understatements; als je met de correcte tekst een zoekopdracht het web op stuurt, word je misselijk van de zoete plaatjes die dat genereert), maar die suffe tik- of wat voor fouten het ook zijn en waar de vertaler lekker over struikelt, verbrokkelen de tekst juist zo, dat ze er net een fris scheutje betekenisbrandstof aan toevoegen. Vorm en inhoud zijn een, zei Kloos reeds in de negentiende eeuw. Ook al is het hier misschien onbedoeld, toch een kwestie van stijl.

dinsdag, mei 12, 2015

Meta is weta

Op Neder-L doet Marieke Winkler verslag van een literair-kritisch meta-onderzoek, waarbij ze gebruik heeft gemaakt van een intern onderzoek door de NRC. Het is dus een semi-literair-kritisch meta-meta-onderzoek. Des te boeiender in tijden waarin wederom een man door een man een prijs van een man uitgereikt kreeg met erbij bungelend een penning van een vrouw (dat dan weer wel).

"Het resultaat [d.w.z. de uitkomst, namelijk van hetNRC-zelfonderzoek naar de genderficatie van de literatuurkritiek] was onthutsend. Maar liefst 77% van de 703 recensies die NRC in 2014 plaatste, bleek door een man geschreven. Ter vergelijking: in de Volkskrant was dat 63% (op een totaal van 483) en in Trouw 55% (op een totaal van 400)."

Dat zet mijn alphabrein aan tot een me-me-meta-ta-ta-onderzoek, uitgaande van een mogelijke middeling van de drie belangrijkste kranten met recensentenaandacht voor literatuur.

Wat we, dank zij het stuk van Winkler, weten over de relatie tussen het aantal recensies (ar) en het percentage mannelijke recensenten (pmr) dat die schreef, of die die schreven, is dit:

ar : pmr
703 : 77%
483: 63%
400: 55%

Ik wil daar, alphabreinisch als ik ben, graag een graphiqueje bij, om het beter in te kunnen 'zien'. Dat wordt even knutselen (een modern gespelde Skandinavische methode van visualisatie van getalsmatige verhoudingen). Mij ontbreken daar de algebraïsche middelen toe.

Omdat het toch eindexamentijd is, en een 'hoogleraar Nederlands' (dixit weer die NRC) in een poging tot journalistiek-populair-wetenschappelijke kennisvalorisatie in de mond gelegd krijgt nog geen tien te kunnen halen voor een eindexamentoetsje tekstanalyse, volgt hier een letterwiskundige opgave.

Gegeven:
groei ar van 400 tot 483 = 83, dan parallel groei van pmr 55 tot 63 = 8;
groei ar van 483 tot 703 = 220, dan parallel groei van pmr 63 tot 77 = 14.
Afgeleid:
groei ar van 0 tot 400 = 400, dan parallel groei pmr 0 tot 55 = 55.
Gevraagd:
a) hoeveel groei ar is nodig om groei pmr te laten uitkomen op 100?
b) hoeveel krimp ar is nodig om krimp pmr te laten uitkomen op 0, zijnde het punt waarop, bij implicatie, het percentage vrouwelijke recensenten (pvr) 100 is, aangenomen dat dit zich ergens op de lijn bevindt waar die nog niet het punt heeft bereikt waar ar = 0.

Antwoorden kunnen, binnen redelijke termijn, wel anoniem maar niet aseksueel, en hoe dan ook zonder spelfouten, worden ingediend bij de vroolijke hermeneut.

(evidente tikfouten worden niet als genderfouten gerekend, over de uitslag kan afhankelijk van de uitslag gecorrespondeerd worden)

maandag, mei 04, 2015

Trouvé

Ongeveer duizend jaar geleden, diep in het bittere einde der zeventiger jaren des vorigen eeuws - ik studeerde sinds kort zelf iets - toog ik naar Cambridge, waar mijn oudste broer veterinair promotie-onderzoek deed naar de pulmonaire bloedstromen in het paard. Ten tijde van het meest bloederige onderdeel ervan kwam ik langs (je wilt als pre-kandidaats student Nederlandse taal- en letterkunde niet weten hoe een aanstormend dieren-anesthesioloog longweefsel verzamelt) (ik weet het nu toch).

Cambridge had meer dan bloed en longweefsel. Boeken, om maar iets te noemen. En, gelukkig toeval voor de beursaal die ik was, ook boekjes. Ik kocht er voor 30 pence een handwerkje van 13 bij 7 cm. Handwerk is het, want het knoopje in het bindgaren zit binnen, niet op de rug. Sindsdien heb ik een zwak voor handdrukwerk en rode drukinkt. En voor heel heldere, korte, eenvoudige poëzie (niet van die haiku's; te vaag), naast een bijna nog groter zwak voor gruizige, breed uitgesponnen, uitermate wrongelachtige dichtwerken. Onder meer.

Sindsdien ook heb ik, bij alle maanstanden, die manie van sommige gedichten uit het hoofd te willen kunnen kennen. Dat ging bij dit mini-dingetje van de Schot Thomas A. Clark nog wel aardig. Van de dichter had ik nog nooit gehoord. En in de tijd tussen toen en nu heb ik niet méér van hem gehoord; internet vult die lacune inmiddels makkelijk in. Maar altijd zat, ook zonder dat, zijn zomerse tekst in mijn kop.

En soms steekt die vanzelf zijn pointillistische kopje weer op. Zoals wanneer ik op het intranet van de UU dit bericht lees:

Last Thursday I found a coffee card on the cycling lane along de Weg tot de Wetenschap.

Altijd onderweg.

maandag, april 27, 2015

Privéëtymologie

Lees ik in Das Magazin #13 (ja, ik weet het, ik heb een hopeloze leesachterstand) een verslagje van Franca Treur vanuit Iowa City, waar ze een schrijver ontmoette die afkomstig is van Fiji. Ze refereert aan "zijn workshops voor jonge rappers die het straatarme Fiji zijn ontvlucht".

En dan denk ik in eerste instantie heel ad rem: Begrijpelijk! Een straatarme omgeving is een slechte biotoop voor rappers, die zijn immers street wise, die wonen natuurlijk in rijkbestrate steden.

Pas daarna (heerlijke secundariteit, alleen hinderlijk met flipperen) kom ik erachter dat 'straatarm' niet een woord is uit dezelfde categorie als 'caloriearm', 'glutenvrij', 'risicoloos' of 'steenrijk', maar meer uit de groep 'stekeblind', 'retemoeilijk' en 'beresterk'.

Toch vind ik mijn concept 'straatarm' ook wel zinnig. Zuid-Afrika bijvoorbeeld is straatarm, als je bedenkt hoeveel ongerepte natuur daar is, de Sahara lijkt me ook straatarm, zelfs het Hollandse Groene Hart is betrekkelijk straatarm.

maandag, april 06, 2015

Zeldzaam zuiver zeugma

Sta ik op mijn gebruikelijke zaterdagochtendse strooptocht wat te wachten in de rij bij de onvolprezen bakkerij Verhoeff aan de Poortstraat (ach, de dames van bakkerij Verhoeff aan de Poortstraat die zich niet gek laten maken door een bakkerrij maar altijd vriendelijk en vlot je voorzien van de heerlijkste broden) en dwalen mijn ogen richting vrieskast en ontwaren daar letters, op een doos, een doos van banketbakkerij Van Strien, en ze lezen dit:

Onze soesjes zijn met liefde
en
zorgvuldig gekozen ingrediënten gemaakt.

Stijlfiguren zijn er om aandacht te trekken, aandacht voor de vorm, en via de verbazing over de vorm aandacht te trekken naar de inhoud. "Foregrounding" denk ik dan in vakjargon, ook al is het weekeind.

Soms ook zijn stijlfiguren handig voor de herinnering. Mijn moeder riep af en toe, ook al was ze reeds decennia geleden gestopt met roken: "Ha, heerlijk: Hunter!" (in mijn tijd was het merk al verdwenen, anders dan de Chief Whip en Full Speed waar mijn vader zijn dagen mee kortte).

Vaak gaat de ene stijlfiguurfunctie met de andere samen. Denk ik.

Soms probeert een handelaar de aandacht te trekken naar zijn waar met een stijlfiguur, maar bakt hij er in zijn enthousiasme een stijlfout van (banketbanketbakker, blijf bij je boter en bloem). En wat erger is in dit geval: ik ga me er iets bij voorstellen, bij wat er dan in deze soesjes zit...

dinsdag, maart 17, 2015

Wachten op een vriend

Soms loopt werkelijk niets zoals ik verwacht. Soms begin ik heel gestructureerd aan het schrijven van een postje voor dit blog; dan zoek ik braaf eerst een bijpassend plaatje, beetje blond op Google, en in 99,999999...% van de gevallen gaat dat feilloos; soms is het tijd voor 0,00000..1%; soms is vandaag. Ik zoek het voorplat van de jongste roman van Huub Beurskens, Wachten op een vriend, een paperback met flappen, omvattende 205 bladzijden (exclusief verantwoording en inhoudsopgave); een prachtige uitgave van uitgeverij Koppernik (onder andere zo mooi doordat de paginanummers er heel bescheiden in zijn afgedrukt, net zoals in de jongste roman van Wessel te Gussinklo, Zeer helder licht); soms echter krijg ik dus niet wat ik zocht maar: dit.

Nou ben ik niet heel erg een liefhebber van het type smaakventilator dat de hooggeleerde J.J. te N. doorgaans in het openbare domein wenst in te zetten als hem privé iets niet geheel en al welgevallig is, dus het muziekwerk van de even N.'se heer F.B. catagorisch afbranden is niet mijn stiel, maar dat het werk van hem dat ik googlerwijze als eerste hit (aan)trof niet bijster veel, om niet te zeggen: niks en niemendal te maken had met het werk dat ik juist gelezen had en dus evenmin met het leesverslag daarvan dat ik te illustreren wenste, kan en zal ik hier niet met opgeheven gelaat ontkennen.

Aan de roman van Wessel te Gussinklo was ik enthousiast begonnen, maar ik moest de spaghettilectuur ervan, of: de lectuur van de spaghettizinnen en -gedachten ervan onderbreken toen er een eerste lichting van kandidaten voor de ANV-debutantenprijs binnenkwam.
Toen ik die taak verricht had, was ik wel aan wat anders toe, en begon ik, om weer op mijn eigen spoor te geraken, aan een klassieker: de baksteendikke roman De walgvogel van Jan Wolkers, die ik niet lang na verschijnen medio jaren zeventig voriger eeuw meerdere malen gretig gelezen had, maar sindsdien niet meer... Ook, zo bleek me nu, autobiografisch, ook rauw-realistisch, ook in de ik-vorm, ook een picareske roman, met alle exuberantie van dien, maar dan wel een roman van een vakmens, een taalbeest, iemand die weet van formuleren, van niet te veel gelul, van feiten en van meningen, niet van alleen maar domme gedachtetjes, maar van variatie in zinnen, alles tussen korte platte spreektaal en weloverwogen gestileerde en lang uitgewerkte woedeuitbartsingen.

Maar toen ik per trein op weg ging naar het eerste juryberaad, had ik geen zin om die dikke pil mee te nemen, en stopte ik liever het zeer slanke The Figure in the Carpet van Henry James in mijn tas. Zo'n leuke gelegenheidsuitgave. En wat een taal, wat een stijl, wat geacheveerd dit geheel, zo zeer weloverwogen van taal. Dat slobber je niet zomaar even weg tussen Ut- en Dordrecht. Dat vergt aandacht. Dat moet je langzaam proeven. Drie keer zo traag als Wolkers.

En nog voor ik dat uit had (nog steeds niet, eerlijk gezegd, dat uitgelezen hebben), maar pas na dat ik een nieuwe toren van debuten, kandidaten voor de ANV-debutantenprijs, had gescoord, lag daar de recentste roman van Huub Beurskens op de stapel: 'te lezen'. Noblesse oblige, of hoe noem je dat vanaf de andere kant: wat dringend is, gaat voor. En dan schiet ik al meteen in de receptieve leeshouding van: kom maar op, vertel me.

Komt nu pas het pijnlijke. Komt nu de bekentenis. Ik heb tot op de dag van heden nog nooit iets van Beckett gelezen. Tenzij in Wikipedia. En tenzij via het werk van Robert Anker en via het werk van Huub Beurskens. Maar Beckett zelf... geen iota. Ik weet dus dat ik moet denken dat ik wat mis. Hij lijkt me de soort auteur over wie ik liever lees dan van wie ik iets zou willen lezen. Althans in eerste instantie. Maar die instantie duurt nu al wel erg lang qua Beckett. Dante deed ik inmiddels, Homeros, Milton, Ariosto en Manzoni, zelfs De Meun en De Lorris heb ik geprobeerd, Proust, en nog zo wat, zonder echt diepe dankbaarheid. Musil, ergens kwartwegs blijven steken.

Echter: Nabokov, bijvoorbeeld, daar heb ik wel al enige kennis van genomen. Door Beurskens. Dus Samuel weet wat wat hem te wachten staat. Want Wachten op een vriend, en zeker met dat omslag, met dat boompje, is evident geënt op En attendant Godot, en de roman zelf doet daar alles behalve geheimzinnig over. Gelukkig kan ik hier en nu zonder bezwaard gemoed verklappen dat Beurskens' roman bijzonder meeslepend is, ook voor wie geen weet van Godot heeft.

Wat de roman zo bijzonder maakt is - onder meer, en dit hier zeer voorlopig - dat het werk uitermate nauwkeurig geformuleerd is, welbewust, doordacht; niet alleen de structuur is weldoordacht, iedere zin is het, elk woord; Beurskens vocabulaire is zeer gevarieerd, en hij kiest zijn woorden scherp, bijvoorbeeld om hier en daar alliteraties in te kunnen vlechten. Ik las het boek voortdurend op verschillende niveaus, lijkt het: woorden en zinnen, de verhaallijn, de spiegelende structuur, dat laatste zowel intern (de twee vertellers in de twee delen) als extern (intertekstueel), want wat de roman nog meer aantrekkelijk maakt is dat ze opvallend - en wellicht nog meer: onopvallend - refereert aan en voortborduurt op onder veel andere die tekst van Beckett. En dat het een hyperbewust kunstwerk lijkt te zijn, terwijl het handelt over bewustzijnsprocessen waarvan de personages zich juist niet bewust zijn of zich pas na hun daden, post factum, bewust worden. Het boek staat in zekere zin strak van de spanning tussen extreme cerebraliteit en dito emotionele sensibiliteit. Het gaat over totale overgave, overgave aan een idee en veronderstelde herinneringen; en het gaat over verdringing van de onaangename werkelijkheid.

Wachten op een vriend is ook, denk ik, te lezen als een voortdurende, grote interpretatie van Becketts genotekst. Nog weer anders: zoals er romans zijn waar ik liever iets over lees, dan dat ik die dingen zelf zou moeten lezen, is dit een roman waarover ik liever niet iets lees, terwijl het zelf lezen ervan me bijzonder behaagt (ik kon het niet dan met tegenzin en door nood gedwongen tweemaal wegleggen), zonder dat ik meteen al het idee heb dat ik de tekst geheel doorgrond, begrepen heb. Zelden vond ik een flaptekst zo waar als deze: 'Wachten op een vriend is een roman om in één adem uit te lezen om dat meteen daarna nogmaals te kunnen doen.'

En dan te bedenken dat de auteur misschien zelf die flaptekt geknutseld heeft... Tekst, fenotekst, paratekst, intertekst, alles in één hand. Ik was me er voortdurend van bewust een meerlagige roman te lezen en toch werd ik er tegelijkertijd lekker door meegesleept. Nog zoiets: deze roman gaat op verhaalniveau eigenlijk over een gebeurtenis die niet plaatsvindt maar waarvan de twee hoofdfiguren zich voorstellen hoe het zou zijn als die zich, en daar hopen ze op, voor zou doen.

Nu weer een stapel debuten. En dan opnieuw: Wachten op een vriend.

zondag, maart 08, 2015

Dom dom dom

Net even dat stuk 'Lees nou eens goed' over de sneller en beter lezen-methode van Mark Tigchelaar in de Volkskrant gelezen (de lovende recensie van Sander Bax' De Mulisch mythe had ik gisteren al genoten); me verbaasd over een domme fout aan het begin; maar aan het eind de verlossende woorden: "heeft u de fout in de vierde alinea van dit artikel gezien?" Ja dus. Dan heb ik, schrijft Yoshi Tuk, "nu al weinig moeite met geconcentreerd lezen." Hoopte ik al.

Des niet tegenstaande heb ik onlangs een forse leesblunder gemaakt. Met eraan gekoppeld een miskoop. Struinend door Broese aan de Stadhuisgracht zie ik een boekje liggen dat mijn aandacht trekt door zijn vorm, nee, door zijn formaat, door de kleur, de kreet "international bestseller" pontificaal op het voorplat, en vooral de titel en de opmaak ervan: The Art of Thinking Clearly. En Thinking staat in rood ondersteboven tussen de andere woorden die in zwart zijn gedrukt. Mijn portemonnaie spartelt dan al van de pret, want duur is het dingetje niet. Een titel in de geest van Filosoferen is makkelijker als je denkt, een boek dat ik die dag helaas niet in de winkel zag liggen, maar ik was dan ook vergeten ernaar te zoeken.

Nou loop ik niet blind met alle bestsellers de winkel uit, maar kennelijk prikkelt zo'n marktkreet m'n nieuwsgierigheid wel. Gek genoeg had ik nog niets over dit boek gehoord of gelezen, nog niemand had het per krant, tweet, blog of wat ook aangeraden. En van de auteur, Rolf Dobelli, had ik nog nooit gehoord. Maakte niet uit: internationaal helder denken trok me wel aan.

Maar het boek gaat dus ook helemaal niet over The Art of Thinking Clearly, noch over Die Kunst des Klaren Denkens, zoals het oorspronkelijke werk uit 2012 heet. En pas nu zie ik de categorieën waarin de Library of Congress het heeft ondergebracht: Reasoning (Psychology), Errors - Psychological aspects, Decision making, en: Cognition.

Het boekje bevat 99 hoofdstukjes van maximaal drie bladzijden (wat ik soms wel aangenaam vind, zeker zo vlak voor het slapen), waarvan het eerste heet: 'Why You Should Visit Cemeteries: Survivorship Bias' en het laatste 'Why You Shouldn't Read the News: News Illusion'. Het is een betrekkelijk bloedeloze, met persoonlijke ervarinkjes uit het zakenleven gelardeerde opsomming van normaal-menselijke onachtzaamheden, conceptuele misvatttingen, cognitieve onzuiverheden. Maar het zijn er zo veel en ze worden met zo veel aplomb opgedist en anekdotisch afgeserveerd dat uiteindelijk het totale gehalte vormende inhoud van het boek dat der tegelwijsheden niet overstijgt: voor elke gelegenheid is er wel een te vinden, en ook een met een tegenovergestelde strekking.

Voor zover het gaat over het tegengaan van handelen op grond van de hierboven genoemde soorten miskleunen, heeft het boek wel iets te zeggen over nadenken, maar verder heeft het helemaal niets uitstaande met de schone kunst van het zuiver(e) denken. Denken is een activiteit; Dobelli grossiert in quasi wijze one liners, nou ja, het boekenequivalent ervan: three pagers. Ik had eerst hoofdstuk 4 moeten lezen: 'If Fifty Million People Say Something Foolish, It Is Still Foolish: Social Proof'. Veel dieper reikt het allemaal niet. Of ik had me, nog goedkoper, moeten herinneren wat mijn oudste broer zo'n veertig jaar geleden met dikke viltstift op het behang had geschreven: "Denkt aleer gij doende zijt, en doende, denkt dan nog / und wer nicht denkt, dem wird's geschenkt, er hat es ohne Sorgen" (een heerlijke contaminatie van Gezelle en een lichte bewerking van Goethe, maar dat wist ik toen nog niet). Had ik niet mijn shoppende, maar mijn professionele brein mijn vroolijke boekenbegeerte laten leiden, dan had ik eerst deze recensie gelezen in The Guardian: 'This column will change your life', en een paar euro's gespaard.

Nagekomen mededeling: een bijdrage van Carel Peeters aan Vrij Nederland heeft me daadwerkelijk een paar euro's doen sparen. Filosoferen is, net als denken, kennelijk toch niet zo makkelijk, als het behalve helder ook nog goed moet zijn.

dinsdag, maart 03, 2015

Coïncidentia

Vandaag liep ik anders dan gebruikelijk, namelijk door de voordeur, het Utrechts geesteswetenschappelijk onderwijsgebouw Drift 23 binnen. Dan kom je, na de deur, door voorheen de hal en daar hangen portretten van UU-prominenten aan de wand. Dat portaal is onbruik geraakt sinds de voordeur alleen nog nooduitgang is (nee, ik ga dit niet uit kunnen leggen). Dus: wie ziet die prominenten nog? En onder hen mijn good old leermeester prof. dr. A.L. Sötemann (1920-2002), auteur van De structuur van Max Havelaar; bijdrage tot het onderzoek naar de interpretatie en evaluatie van de roman (1966).

Vandaag las ik eindelijk 'Against Interpretation' (1964) van Susan Sontag (1933-2004), eigenlijk vooral als aanloopje naar 'On Style' (1965).

Vandaag zag ik dat de muur achter het portret van Sötemann een forse scheur vertoont.

maandag, februari 16, 2015

... van de bok

Loop ik al dagen, wat zeg ik: weken, vriend en vijand, familie en collega's (ho ho, nee, deze parallellie niet verkeerd interpreteren) lastig te vallen met mijn eigen verstrooidheid of wat het ook is.

Ik weet zeker dat ik een bundel, en nee, zelfs dat ik in één beweging de beschikking had verworven over twee bundels die mijn aandacht hadden getrokken. Van die epische dingen. De namen van de auteurs weet ik nog, de titels weet ik nog, globaal de inhoud, globaal mijn oordeel, en de kleur van de omslagen ook nog. Maar ik heb ze niet meer.

Eén van die twee heb ik nu dus gewoon keihard professioneel nodig. Dus kijk ik thuis in mijn studeerkamer op mijn plank epiek. Niks. Dan kijk ik maar tussen de 'gewone' poëzie, beneden: niks. En kijk ik bij de courante annex half vergeten leesbaarheden, op de salontafel: niks. Kijk ik op het plankje met dat-moet-nog-ergens-goed-opgeborgen-worden: multiwerf niks.

Dan zullen ze wel op het instituut liggen, ter vorsing. Mooi niet.
'Collega, heb ik jou wellicht die bundel van Estor geleend?'
'De oksels van de bok, bedoel je, die je toen gelijk met Mens, dier ding had, van Schaffer?'
"Ja, precies, die...'
'Nee, die heb ik niet.'
'Was ik al bang voor.'

Haa, wacht: een ezel, in 't gemeen, stoot zich niet tweemaal aan dezelfde steen: ik struin door mijn digitale boeken.
En vind het daar ook niet tussen.

Ten langen leste maar naar de bibliotheek. Had ik niet zo zeker geweten dat ik de boeken gekocht had, had ik me daar eerder toe gewend, tot dat boekenbaken. Boek aangevraagd. Prachtig fris exemplaar. Niet door potlood- of ergere strepen ontsierd. Zachtjes de lof zingend van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek (in de binnenstad) keer ik huiswaarts. De UBU heeft ongeveer AlLeS wat ik zoek!

Wil ik het boekje gaan lezen, sla ik het open, steekt er een oud leenbonnetje in. Op 25 maart 2014 stond het voor me klaar (omineus: tot 1 april mocht ik het afhalen). En zie, een blikje in mijn mailbox leert me dat ik het boek inderdaad opgehaald heb kort nadien.

Toen wist ik het: ik had een aanschafverzoek ingediend, en dat was ingewilligd, en Jan de Boer, vakspecialist voor o.m. Nederlandse letterkunde, had de boeken voor me klaargezet zodra ze er waren. Iklas ze En nu zijn ze er nog. Estor s.v. 18.11 87.tb esta.p*2012ov (bibliotheeks dieventaaltje).

dinsdag, februari 10, 2015

Stijl

Wat me dan toch verbaast: dat een tweetal, naar ik aanneem geleerde, meneren een boek schrijft over stilistiek en zelf niet heel erg lang stil gestaan blijkt te hebben bij zijn eigen stijl. In dat boek over stilistiek waarin ik nu lees, staan aan het begin van hoofdstukken, paragrafen en alinea's om de haverklap* heel slome zinnetjes van een vergelijkbare strekking waarmee de heren de onderdelen van hun betoog aaneen proberen te lijmen.

'In part, we have already considered (see section 1.1) [...]' (15)
'The last paragraph implies[...]' (16)
'We have established, then, [...]' (16)
'So far, we have discussed [...]' (17)
'Having established that there is, in principle [...]' (17)
'In discussing the choosing of data, we have already mentioned [...]' (19)
'We have already seen that [...]' (20)
'As we have described [...]' (21)
'As we saw in section 1.5 [...]' (21)
'As we have seen [...]' (24)
'In this introductionary chapter we have attempted to sketch out [...]' (27)
'We have emphasised in this chapter [...]' (27)

* Achter de meeste (TM) kwantitatieve aanduidingen in letterkundige studies (of in blogberichtjes als dit) zou, bij wijze van disclaimer, een keurmerk moeten worden geplaatst, iets in de geest van die TM hiernaast, betekenend: Trade Metaphor, beduidend: dit is maar een gevalletje van onbezonnen, vakverblinde beeldspraak, want werkelijk kwantitatieve gegevens ontbreken ten enen (TM) male als grondslag van deze bewering.

maandag, februari 09, 2015

De zetduivel schuilt in het detail

Een roemrucht artikel in de editiewetenschap, 'Schopenhauers vloek of het probleem van de herspelling' (Nederlandse letterkunde 4 (1999) 4: 385-390), van M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ontleent zijn titel aan een citaat van de filosoof Arthur Schopenhauer, een citaat dat als motto boven het stuk lijkt te zijn opgenomen, ten gevolge van de typografische conventie van de weergave van een lang citaat (ingesprongen, kleinere letter, witregels), maar het is gewoon een citaat als begin van het stuk.

Jaren lang heb ik dat artikel gebruikt in het college Lezen en laten lezen (dat nu niet meer bestaat). En vandaag, werkend aan de voorbereiding van een college Stilistiek dat ik met Henk Pander Maat voor het eerst ga geven aan het eind van dit academiejaar, valt me pas een kleinigheid eraan op. Het citaat luidt bij Schenkeveld als volgt:

Meinen Fluch über Jeden, der, bei künftigen Drucken meiner Werke, irgend etwas daran wissentlich ändert, sei es eine Periode, oder auch nur ein Wort, ene Silbe, ein Buchstabe, ein Interpunktionszeichen.
Pijnlijk, omdat Schopenhauer eigenlijk natuurlijk gewoon schreef en met redenen omkleed bedoelde:
Erfüllt mit Indignation über die schändliche Verstümmelung der deutschen Sprache, welche, durch die Hände mehrerer Tausende schlechter Schriftsteller und urteilsloser Menschen, seit einer Reihe von Jahren, mit eben so viel Eifer wie Unverstand, methodisch und con amore, betrieben wird, sehe ich mich zu folgender Erklärung genötigt: Meinen Fluch über Jeden, der, bei künftigen Drucken meiner Werke, irgend etwas daran wissentlich ändert, sei es eine Periode, oder auch nur ein Wort, eine Silbe, ein Buchstabe, ein Interpunktionszeichen.
Het zal je gezegd zijn. En dan toch ein Buchstabe over het hoofd zien.

Omdat het een citaat is van een filosoof boven een artikel van een neerlandica lijkt het redelijk het ontbreken van die ene letter te catalogiseren als een even stomme als irritante fout, hoe klein ook. Maar omdat het uiteindelijk om en over letterkunde gaat, is het best billijk om daarnaast een meer literaire leeshouding in te zetten bij de waardering van het citaat, en dan komt al snel de vrolijke acceptatie van de immer tartende ironie om de hoek kijken. Ha, die Schopenhauer, hoor hem toch zijn woedende vloek uitspreken, en juist in die uitspraak gebeurt wat hij vervloekt.

vrijdag, januari 09, 2015

Quelle posture

Achterop zijn nieuwe essaybundel De jacht op het sublieme, (beredeneerde essaybloemlezing, zou men ook kunnen zeggen) prijkt het ponum van de auteur Piet Gerbrandy; een foto, gemaakt door Thijs Gerbrandy, duidelijk niet door Paul Huf of Vincent Mentzel. Geen traditionele literaire kop, mijns inziens (al vraag ik me meteen af wat dat dan zou moeten zijn), eerder het conterfeitsel van een geëxcommuniceeerde Hells Angel-veteraan, chapter Oerend Hard.
Zal wel bewuste keuze zijn. Gerbrandy doet voortdurend zijn best niet al te doorsnee over te komen. Gelukkig. Of: zijn best doen? Het lijkt vanzelf te gaan. In het essay 'Evenwicht en verlossing', over de vrijheid van Horatius (gevonden voedsel voor mijn kamergenoot L.H.) noemt deze lyrische classicus zichzelf trouwens binnen één alinea achtereenvolgens 'romanticus', 'new critic' en 'post-modernist' (p. 230). Voor zover ik dat kan nagaan: geen woord van gelogen.

dinsdag, januari 06, 2015

Emendeert het niet dan deert het niet

Geen beter dagbegin dan een essay te lezen in: Piet Gerbrandy, De jacht op het sublieme. Zin, lust en poëzie (Amsterdam: De Bezige Bij, 2014).

Prachtige verkenningen van een scherp lezer met een enorme boekenkast binnen denkbereik.En schrijven dat hij kan... Staat er bijvoorbeeld opeens, halverwege een verhelderend essay over het werk van Ouwens, dat toch werkelijk nog niet in het brandpunt van mijn aandacht stond, een zinnetje dat - als je het in dat essay leest - volkomen helder is, maar misschien daarbuiten wat bizar lijkt: 'Gloort er toch licht aan het einde van het schroefgat?'

Wellicht al te welwillend las ik het met een kleine, dactylische correctie: 'Gloort er toch licht aan het eind van het schroefgat!'

zondag, januari 04, 2015

Kerstrecesleesmeter II

Rekenschapje II

Beauvoir: p. 16 (niet in opgeschoten)

Kosters: 146 blz. (= tweemaal uit; allerlei belletjes rinkelen, zowel in de bundel zelf als naar eerdere bundels, en natuurlijk naar allerlei andere intertekst; is goed, want heel erg gevarieerd naar vorm en inhoud, en toch steeds met hints naar samenhang en voortgang)

Ham: p. 378 blz. (uit, inclusief cursorisch literatuurlijst, summary, register; judicium suspendum, in mijn beste academische kerstlatijn, want hij is mijn collega en kamergenoot en was een oud-student; het inleidende hoofdstuk tweemaal gelezen; mooie beelden van vijf, chronologisch geordende, soms best ingewikkelde, subtiel samengestelde, paradoxale postures, inclusief die van evenzoveel zo genoemde tegenspelers)

Pinker: p. 168 (van 433; afgelopen dagen nul erbij)

Gadamer: p. 0 (solide positie)

Gerbrandy: p. 66 (wat kan die man helder schrijven; niet ieder stuk handelt heel erg expliciet over het sublieme, maar dat geeft niet: zijn stuk over de erotische transgressie bij Faverey bijvoorbeeld is fraai)

Boom & Rooseboom: 322 items (uit)

Brassinga: nog steeds niet gekocht, geleend of gekregen.

Zag die nieuwe roman van Te Gussinklo in de boekhandel...

Conclusie: het reces was weer eens te kort.

donderdag, december 25, 2014

Kerstrecesleesmeter

Beauvoir: p. 16 (schiet niet op; veel telling)

Kosters: p. 73 (= uit, eerste lezing pas; gauw nog een keer; allerlei belletjes rinkelen; is goed)

Ham: p. 160 (nog 145 te gaan, zonder literatuurlijst, summary, register; judicium suspendum, in mijn beste academische kerstlatijn, terwijl Hams proza heel toegankelijk is; straks verder met Van Deyssel)

Pinker: p. 168 (van 433; afgelopen dagen nul erbij)

Gadamer: p. 0 (solide positie)

Nieuw: Piet Gerbrandy, De jacht op het sublieme. Zin, lust en poëzie, p. 9 (da's nog niks dus, maar heel erg zin in)
Nieuw: Mattie Boom & Hans Rooseboom, Modern Times. Photography in the 20th Century, item 204 (van 322; mooie, bonkige paperback met flappen) (bezocht onlangs de tentoonstelling: mooi; nog tot 11 januari 2015. Gaan, met je Museumjaarkaart!)

Brassinga: nog niet gekocht, geleend of gekregen.

zaterdag, december 20, 2014

Kerstrecesstress, of: l'embarras du choix

Het is inmiddels zaterdag. Het was al een tijdje december. En het is al weer donker. Eergisterenavond (raar woord) het laatste college van 2014 gedaan (een werkcollege gééf je niet alleen, dat ontvang je ook, immers). Hoppa: relax.

Onlangs kocht ik Malentendu à Moscou van Simone de Beauvoir, als bouque électronique, natuurlijk. Ben ik erg nieuwsgierig naar. Het is al zoo lang geleden dat ik De tweede sekse las, nog voor m'n bijvak filosofie, maar al wel toen de tuinbroeken 'in' waren, om maar iets te noemen. Van dit recent verschenen boekje moet de thematiek van de ouderdom me inmiddels wel aanspreken...

Ongeveer even onlangs kreeg ik, na bestelling bij Perdu, na de presentatie ervan, een door Melle Hammer vormgegeven fysiek exemplaar van de nieuwste bundel van departementale collega Onno Kosters, Vangst, toegezonden (lelijk woord). Ben ik heel nieuwsgierig naar, al was het maar omdat de dichter me olijk dwong net als de rest van de zaal mee te zingen met het refrein van zijn 'Schlagerzang'...

Heel recent heb ik m'n kamergenoot en departementale èn opleidingscollega, de promovendus Laurens Ham een exemplaar van zijn volgende maand te verdedigen proefschrift ontfutseld, Door Prometheus geboeid. De autonomie en autoriteit van de moderne Nederlandse auteur. Een boek dat ik al vier jaar lang wil lezen en nu al helemaal om dat glorieuze academische uur ten volle mee te kunnen maken...

Al langer heb ik op mijn bureau liggen, en ik ben er daadwerkelijk al ver in gevorderd, niet omdat het moet, maar omdat het een bijzonder sterk geschreven, vakkundig boek is, maar ik heb het nog steeds niet uit, The Sense of Style van Steven Pinker, in verband met de voorbereiding van het college Stilistiek dat ik in blok 4 ga geven met opleidings- en departementale collega Henk Pander Maat.

Ik heb nog steeds liggen dat dikke boek van Gadamer, een klassieker, waar ik al zo veel teksten over heb gelezen en gehoord, begrippen uit gepresenteerd heb gekregen, en doorgegeven zelfs...

En ik moet me toch ook maar eens in Brassinga verdiepen. Hoe lang duurt zo"n reces eigenlijk? Nou ja, aan een top-tien kom ik toch niet toe.

vrijdag, december 05, 2014

Boek en babbel

Sommige introducties van interviews met literatuurschrijvende medemensen begrijp ik niet, of niet goed, of niet geheel, of geheel niet. Deze bijvoorbeeld: "Als vrouw mag ik veilig zeggen dat A[...] M[...] een hele mooie vrouw is, zonder dat ik daarmee misschien afbreuk doe aan haar kwaliteiten. Want die heeft ze ook: [...]."

Primo: als je toch correct probeert te doen, doe het dan goed. Zeg dat je A.M. "een heel mooie vrouw" vindt. Of de lezer het daarmee eens is, doet er "misschien" niet toe. En in het interview is die geroemde fysieke schoonheid geen onderwerp van gesprek. Dus waarom moet het gezegd?

Nog minder doet het ertoe dat de interviewster dit vindt, want de geïnterviewde is een schrijfster, een beroepsgroep die het vooral moet hebben van iets anders dan een aantrekkelijk uiterlijk. Al was A.M. zo lelijk als een pokdalige winternacht; als ze maar goed / mooi / interessant / intrigerend / vernieuwend of god weet wat is als schrijfster; als haar schrijven, dat wat ze schrijft maar zo te omschrijven is. Dat doet ertoe. Dat zijn resultaten van kwaliteiten die ertoe doen, in eerste instantie en niet pas in tweede ("Want die heeft ze ook").

Dan: waarom mag een vrouw wèl zeggen een schrijfster een "hele mooie vrouw" te vinden, en, bij implicatie, een man niet? Wat voor soort denkstroop zit daaronder als flodderfundament? Omdat een vrouw daar verder niks mee bedoelt en / of niets buiten-literairs mee wil bereiken (héél kort door de bocht, en geïnspireerd door het preutse woord "veilig": seks)? Sinds wanneer willen alle mannelijke interviewers seks met geïnterviewde vrouwelijke schrijvers en vrouwelijke interviewers niet, en andersom? Zijn, met weer andere woorden, alle interviewers rechtlijnige, begeerteloze heteroseksuelen?

Dan: hoe kan je "misschien" afbreuk doen aan iemands (professionele en artistieke) kwaliteiten als je iets positiefs zegt over een (toevallige, aangeboren, gecultiveerde of verworven) eigenschap?

Jan Siebelink heeft twee schitterende honden als huisdier; als ik dat opschrijf, doe ik "misschien" wel afbreuk aan zijn kwaliteiten. Waarmee ik impliceer dat hij die heeft, schitterende honden en/of schrijverskwaliteiten (en ja, ik weet het: honden hebben is geen eigenschap, maar het hoort ook niet tot de kern van het schrijverschap)

Gezegd moet worden dat de auctoriale samenvattingen die de hier aangehaalde  interviewster geeft van delen van het gesprek, net zo larmoyant zijn als de opening. Een voorbeeld: "Soms is schrijven gewoon heel moeilijk en lukt het niet. Dat kan ontzettend frustrerend zijn, maar A[...] is een doorzetter." Deze Joop ter Heul-stijl kan een pastiche zijn van die van de geïnterviewde; die spreekt immers, alsof het doodnormaal is, over "de liefde en trouwheid die mijn vader had". Wie weet had hij ook verdrietigheid en krachtigheid?

In een biootje roemt de interviewster, of de reactie van haar medium, haar "vlijmscherpe pen". Iemand moest het opmerken. In de recensie van het boek van de geïnterviewde spreekt de interviewster namelijk van een "exemplarisch voorbeeld", en ze oordeelt: "Het werkt, maar is misschien wat te overduidelijk". Verder noteert ze iets als: "De twijfel waar die de ochtend erna mee gepaard gaat" en "Ze durft het niet tegen zeggen". Zo is het maar net. Maar als je zover bent gevorderd, ben je wellicht "het voorval al snel weer aardig vergeten". Immers: "het boek wisselt af tussen het heden en verleden".

Vlijmscherp. C'est le beton qui fait la musique!

Maar ik moet niet zeuren want ik behoor niet tot de doelgroep van de auteur van het interview en de recensie. Wat doe ik dan ook, rond te lezen op een "elitair platform met opinie en debat voor intelligente jongeren"? Ik ben geen jongere, bijvoorbeeld.

donderdag, november 27, 2014

Stijl in de vroege morgen

De laatste tijd hoor ik, dankzij het onvolprezen medium der radiorondstraling, tijdens het ontwaken een wervende boodschap van een bedrijf waarvan ik nog steeds niet de naam heb onthouden. De boodschap doet me, voor de bedrijfsnaam tot me doordringt, denken aan een onderzoekje dat studenten in de cursus Schrijven en Presenteren moesten uitvoeren, onderzoek naar de hoeveelheid Engels in reclameboodschappen, en of die toeneemt, en ook op welke manieren dat Engels zich nestelt in Nederlandstalige commercials, zal ik maar zeggen.

De inderdaad vrijwel geheel Nederlandstalige auditieve advertentie bevat de slogan, om het zo maar aan te duiden: "People matter, results count". Die slagzin wordt steeds door een andere (zich als) werknemer (voordoende hoorspelacteur) uitgesproken, want het bedrijf wil niet alleen een indruk van internationale zakelijke activiteit wekken, maar ook het imago oproepen van lieve-menselijkheid.

En daar word ik dan wakker van. Niet van de boodschap, maar van de vorm, want de meeste van die werknemers zeggen iets als: "Piebel medder rezults kauwnd". "Who cares," vraagt mijn ontwakend brein zich op zijn beurt af, "als het zó belabberd wordt uitgesproken?"

Sinds die gedachte goed post heeft gevat, wijdt mijn matineuze denken zich aan de boodschap. Wat mag deze behelzen? Wat is het verband tussen deze twee zinnen of deelzinnen. Ik hoor er punt, komma noch puntkomma tussen, en een degelijke connector is er in het geheel niet, dus ik moet aan de interpreterende slag. Anders dan veel slagzinnen in de etherreclame is deze stilistisch niet om over naar huis te schrijven. Vandaar dit berichtje hier.

Eens kijken of er een patroon in zit. Een beetje tekstboek stijlfiguren bevat voorbeelden uit de reclame. "Ha, heerlijk: Hunter", allitereerde mijn moeder vroeger de draadomroep na, zelfs toen ze al gestopt was met roken.

people matter
results count

Onderwerp + persoonsvorm, en dat tweemaal. Dat is de enige parallellie, het enige patroon waaruit blijkt dat er iemand geweest kan zijn die over deze kreet heeft nagedacht. Niet indrukwekkend.

"People" heeft een trocheïsche, "results" een jambische maat; die vloeken met elkaar. "Matter" heeft twee lettergrepen, "count" kent maar één syllabe. Dat botst dus ook al; er komt geen (fraai of dwingend) metrum tot stand. Geen coherentie, geen synergie. Ik noem maar wat. Eind- of ander rijm is er niet. Niets wat de zinnen verbindt.

Dan zit het effect vast tussen de twee zinnen. Vormen ze een climax wellicht? Zou ik er een spreektalig 'dus' tussen kunnen zetten? Neen. Het kan eigenlijk alleen maar - aansluitend op de ontbrekende stilistische bindmiddelen - een soort antithese zijn: "people matter, but results count". Vertaald: mensen doen er wel wat toe, maar het zijn alleen de bedrijfsresultaten die echt meetellen.

Vandaar dat die werknemers niet warm lopen voor een heldere uitspraak. Onbewuste insubordinatie.

woensdag, november 19, 2014

Poëtische paradox en/of aporie

Een beetje moeizaam voort lezend in een boek waar ik enthousiaster aan was begonnen, blijft mijn lezend oog opeens overdrachtelijk hangen aan dit ophaaltje:
Veel mensen lezen weinig poëzie.
Grappig, want mijn lezend brein ziet achter deze open deur onmiddellijk een parallel universum:
Weinig mensen lezen veel poëzie.
Schiet je ook geen meter mee op. Wel met die mensen, maar niet met de mededeling, die een meting veronderstelt. Maar hoeveel is weinig en hoe weinig is veel (dan wel: hoe veel is weinig en hoeweinig is veel)? Oooh, als alfa's aan het tellen gaan... (vertel mij wat).

Maar de tekst gaat verder:

Dat zouden ze beter meer kunnen doen, [...].
Zouden die vele mensen die weinig poëzie lezen dan maar beter méér weinig poëzie kunnen lezen? Meer korte stukjes poëzie, of 'meer' als in: vaker? Of zouden diezelfde vele mensen eenvoudigweg meer poëzie moeten lezen? Komt misschien op hetzelfde neer?

Maar (ik ben als ontregelde poëzielezer soms wat te zeer ingesteld op regelachtige eenheden, een alexandrijn kan ik nèt aan qua behapbare taalbrok) de tekst gaat verder:

al is het maar vanwege de vernieuwing van taal en denken die het teweegbrengt.

Het meer weinig poëzie lezen brengt dus vernieuwing van taal en denken teweeg? Zou het? En dat is niet een conclusie, maar een vooronderstelling, zoals het hier staat, in dat boek waarvan ik auteur noch titel nog genoemd heb.

Ik ben neuroloog noch linguïst maar toch heb ik er zo mijn twijfels bij dat 'taal' (überhaupt, niet beperkt door een voorafgaand 'hun', 'onze' of 'de Nederlandse') en denken (evenmin geclausuleerd) vernieuwing ondergaan ten gevolge van het meer weinig poëzie lezen. Enigszins geïndoctrineerd door The Shallows van Nicholas Carr hel ik meer over naar de overtuiging dat het lezen van meer veel poëzie je misschien een tikkeltje die kant op kan helpen. Dus frequenter langere lappen poëzie lezen. Of goed proza. Goed voorbeeld doet goed volgen.

Leest meer epen, het verdiept uw brein.

donderdag, september 11, 2014

Opdrachtje stijlanalyse

"Als vervanger van de verbaal begaafde Timmermans schijnt nu in de gauwigheid Bert Koenders te worden teruggehaald uit Mali. Een man die erom bekend staat met zoveel meel in de mond te praten dat de halve Toeareg-populatie er pannenkoeken van kon bakken." WelStijl in VN (https://twitter.com/vrij_nederland/status/510097442759802880)

vrijdag, september 05, 2014

In Dubio Senseo

Toen mijn eermalige collega-docent, leidinggevende en promotor Wiljan van den Akker (1954) begon te tellen, niet op een Montessoritelraam, maar beroepsmatig, toen hij, in andere woorden, begon te kwantificeren – zichtbaar sedert het eerste nummer van Nederlandse letterkunde (Van den Akker 1996) – kon je, strictly speaking for my self (Erick Parker 2013), op je provinciale klompen voelen aankomen dat hij zich, dwaas of niet, los ging zingen van wat toen nog heette de afdeling Moderne Nederlandse Letterkunde. Hij zou, vóór alle anderen, de mede door zijn – en, als ik zo vrij mag zijn: deels ook mijn – leermeester A.L. Sötemann gebaande paden der poëtica, editietechniek en poëzie-interpretatie gaan verlaten.

Hard core neerlandici telden – althans in de, niet geheel van een Utrechtse, Emmalaanse cylinder bevrijde optiek – als ze al konden tellen, hooguit lettergrepen: bij grotere eenheden verloren ze, en verliezen ze nog steeds, de greep op de letteren. Maar we weten inmiddels: niemand kan van nature zijn hartstocht onderbreken (Nijhoff 1925). En wie landelijk en internationaal wil meetellen, doet mee met tellen. Laat mij nu in zijn spoor proberen te treden.

Het heeft me vaak en ook lang verbaasd – en misschien doet het me dat nog steeds – dat Nijhoffs roemruchte en in meerdere, alle even lastig te interpreteren, versies overgeleverde gedicht ‘Impasse’ zo’n hoge vlucht heeft kunnen nemen in de neerlandistische aandacht. Het gedicht is (eigenlijk, maar dat is een methodisch niet hoog gewaardeerd concept onder de vakbroeders en traditioneel ondermaats vertegenwoordigde –zusters) een niet onduidelijk verhaaltje op rijm. Een kletsverhaal (Van den Akker 1992), ware het niet dat de naam van Nijhoff er als een keurmerk van ambiguïteit boven of onder prijkt. Ook professor doctor W.J. van den Akker, wiens vertrek als decaan van de faculteit der geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht wij op de dag waarop dit schrijven openbaar wordt, betreuren, heeft zich er lang en aanhoudend mee bezig gehouden, blijkens ‘De schrijver in een impasse’ (Van den Akker 1987) en ‘De impasse van de schrijver’ (Van den Akker 1989) in De nieuwe taalgids, en zijn boek Dichter in het grensgebied (Van den Akker 1994).

Hij priemde steeds met zijn acribisch lancet in het gedicht, vol aandacht voor de subtiele en impliciete verwoording van zowel een manifeste als een latente dan wel verborgen thematiek, niet minder op het gebied van de poëtica dan respectievelijk dat van de intermenselijke relaties, en meer in het bijzonder het huwelijk. Zijn colleges wist hij dan ook steeds uitstekend te verlevendigen met uiteenzettingen over de vele verschillende versies van het gedicht. Tijdens de Culturele Zondag van 2002 sprak hij er opnieuw (om niet te zeggen: alweer) over en wees bij die gelegenheid onder meer op de ‘tijdloosheid’ ervan. Pour besoin de la causerie vergat hij dat de specifieke techniek van het koffiezetten door langzaamaan / druppelend water op de koffie te gieten (Nijhoff 1990: 216), bepaald niet meer van deze tijd is, noch van de destijds laat-twintigste-, noch van de thans vroeg-eenentwintigste-eeuw, een era waarin Beertender, Kenwood, Magimix, Senseo en andere troosteloze machines het tempo in de keuken dicteren, de maat van het huishoudelijk bedrijf slaan. ‘Impasse’ dateert zelfs evident van lang voor de snelfiltermaling; van het door Nijhoff beschreven met de hand gedruppelde type ken ik alleen nog maar het straffe bakkie troost van mijn schoonmoeder – anno 1926 – (mijn schoonmoeder, bedoel ik, niet het bakkie); maar dit terzij.

Zijn klassieke status heeft ‘Impasse’ misschien te danken aan zijn ‘schijnbare eenvoud’ (Van Bork en Verkruijsse 2000). In de door Van den Akker met zijn collega proximus annex proxissimus Gillis J. Dorleijn bezorgde editie van Nijhoffs Verzamelde gedichten telt het gedicht op de kop af 100 woorden: 29 in elk kwatrijn, 21 in ieder terzet; de ‘Acht sonnetten’ van Nieuwe gedichten bevatten gemiddeld 104,375 woorden. Dat u het maar weet.

Opmerkelijker nog is dat ‘Impasse’ slechts 69 verschillende woorden bevat. Nijhoff gebruikt er daarvan 55 één maal; de overige 14 hebben een hogere verschijningsfrequentie, uiteenlopend van 2 - in 7 gevallen - tot 8, en daarbij gaat het om het eerste persoonlijk voornaamwoord der enkelvoud, ik. Hierbij dient aangetekend te worden dat het laatste ik gebezigd wordt door de tegenspeelster van de (naar iedereen traditioneel-neerlandistisch klakkeloos aanneemt mannelijke) ik-figuur: morfologie en semantiek correleren dus niet in deze lexicale isotopie.

De schat waaruit Nijhoff zijn woorden heeft gekozen, blijkt, bij nadere beschouwing, weinig minder dan armoedig. Van de 100 woorden zijn er 18 persoonlijke of bezittelijke voornaamwoorden, die verwijzen naar het schamele tweetal personages van dit verhaaltje (wij, zij, ik, mijn, haar, je, in uiteenlopende frequenties). Dan zijn er 6 tijdsaanduidingen van geringe reikwijdte (dagen, vandaag, nu, juist, dan en terwijl). Voorts 9 lidwoorden (de, het en een; in dit domein graait Nijhoff alles bijeen wat er maar te vinden is). Verder tel ik (nader onderzoek zal voor deze observatie nog steun moeten verzamelen) 6 woorden die worden gebruikt in twee verwante vormen of met verwante betekenissen (vraag, als werkwoord en als zelfstandig naamwoord, vroeg, bezig en bedrijf; wachtte en onbewaakte; hebbend en hebben; fluitketel en fluiten; antwoorden en antwoordde). Met andere woorden: 27% van de woorden herhaalt 8% van de woorden. Van het totaal aantal woorden heeft 35% dus een forse graad van redundantie. Een nogal hoge score, in aanmerking genomen dat Nijhoff slechts één sonnet met jambische vijfvoeters tot zijn beschikking had.

Het is duidelijk dat ‘Impasse’ handelt over een spaak gelopen relatie. Wie zich dat realiseert, bemerkt, zij het wellicht pas bij herhaalde lezing, dat het thema al in de eerste regel breed wordt uitgemeten: Wij stonden in de keuken, zij en ik. De – niet dan schijnbare – zinledigheid, overbodigheid in ieder geval, van de uitleg zij en ik bij het beginwoord Wij is bij nader toezien ronduit huiveringwekkend: ze bevat nauwelijks nieuwe, zinnige, aanvullende informatie; ze is meer van hetzelfde, biedt in andere woorden van hetzelfde laken een vrijwel identiek pak. Gegeven de datering van het gedicht, ‘vóór 12 augustus 1935’ (Nijhoff 1990: 438), is het echter nauwelijks verrassend dat het niet een man en een man betreft, of twee vrouwen. Dat was toen nog niet toegestaan (zo zien we maar weer dat poëzie doorgaans nogal wereldvreemd is).

De semantische redundantie van het gedicht is dus nog groter dan al uit telling van de woorden blijkt. Bij nader toezien is de genoemde explicatie in de eerste regel een, om het met Sötemanniaanse nadruk te zeggen, pregnante uit-een-legging: de eenheid die Wij kan aanduiden, wordt gesplitst in losse elementen. Na Wij is er van een twee-eenheid geen sprake meer in het gedicht. De categorie van de slechts eenmaal gebruikte woorden in ‘Impasse’ is bepaald niet klein, maar toch is het omgekeerd evenredig significant dat Wij ertoe behoort. Bovendien lijkt het me – intuïtief – opmerkelijk dat het gedicht met Wij begint, en dat het er niet mee eindigt! Wie in één van de overgeleverde versies (Nijhoff 1947) alle redundante woorden schrapt om het gedicht op Nijhoviaanse op te knappen, houdt deze kernachtige zelfdeconstruerende genotekst over: Wij […] niet.

Alleen een empirisch onderzoek geeft antwoord op de vraag of inderdaad weinig gedichten met Wij beginnen. Ik ben dus gaan tellen en turven, zij het slechts in een experimentele uitsnede van de moderne Nederlandse letterkunde. Mijn selectie van bij het onderzoek betrokken oeuvres is gebaseerd op het sociaal-economisch vertekende toeval van mijn boekenkast, en dan alleen nog die in de woonkamer; de beperking tot veertien oeuvres is afgeleid van c.q. semantisch gebaseerd op het aantal regels van de generische aanleiding: het (traditionele) sonnet. Alleen verzamelbundels zijn verwerkt, en dan nog slechts die met een register op beginregels (vandaar dat Kloos jammerlijk ontbreekt in het overzicht, dat – steunend op de hypothese dat dit afscheid er ooit een keer zat aan te komen – reeds is opgesteld ruim voor het verschijnen van een dergelijke editie en ook, zonder evenwel de indruk te willen wekken dat dit reeds eerder werd verwacht of gehoopt, ruim voor het daadwerkelijke afscheid van Van den Akker als decaan.

Alleen de niet-vertaalde gedichten zijn meegeteld. Alleen gedichten met Wij en We, en – in de controlegroep – Ik, op de allereerste plaats zijn geteld; de variant ’k onttrekt zich aan de registers, gelukkig maar want het zouden het mijns inziens maar rare gedichten zijn die daarmee beginnen. Bij Eybers heb ik natuurlijk op Ons en Ek gezocht. In het register van Jellema’s Gedichten, oden, sonnetten zijn alleen beginregels geregistreerd van teksten zonder titel; van hem kan het aantal gedichten in deze telling dus te laag zijn. De gedichten van Gezelle, tot slot, zijn in de geraadpleegde editie gestapeld, en uit een uitermate minuscuul lettertje gezet: het toch al imposante aantal bladzijden herbergt een relatief groot aantal gedichten, zodat de percentages bij hem wat laag zijn.

De percentages van gedichten beginnend met Wij en Ik zijn gerelateerd aan het totaal aantal bladzijden met gedichten (inhoudsopgaven, verantwoordingen en dergelijke niet meegeteld, dus), omdat het echte tellen van gedichten stukloopt, niet alleen bij Leopold of Adriaan Roland Holst, op het onderscheid tussen gedichten, samengestelde gedichten, cycli en reeksen. De resultaten van het turven volgen hieronder.

Het idioot hoge Wij-percentage bij Komrij (wiens oeuvre wel vaker tegen mijn intuïtie in gaat) vraagt om nader onderzoek, net als het gegeven dat Nijhoff met Wij net boven, en met Ik ruim onder het gemiddelde zit.

Kijken we, ondanks de opzet van deze steekproef, maar indachtig de opzet van Van den Akkers proefschrift (Van den Akker 1985), toch nog even naar Kloos:

Wie had dat gedacht: Kloos en Lodeizen op eenzelfde Ik-golflengte? Bien étonnés de se trouver ensemble. Maar inderdaad: Kloos en Nijhoff hebben, in lijn met Van den Akkers bevindingen op een ander vlak, ook op dit gebied weinig met elkaar gemeen. En hoe langer je telt, hoe minder overeenkomsten je vindt. Kloos’ beroemde sonnet ‘Sonnet’ ('Ik ben een god...') handelt wel over een moeilijke relatie, maar er vloeit geen druppel koffiewater in (anders dan dat van de door hem zo bewonderde Multatuli bevat Kloos’ oeuvre sowieso byzonder weinig koffie).

Het sonnet bestaat uit 114 woorden, waarvan 56 verschillende (49,12%) eenmaal voorkomen, en de resterende 58 (50,88%) in een frequentie van 2 tot maar liefst 10. De 10 verschillende woorden van de eerste regel worden letterlijk herhaald in de achtste regel. Zo bont maakt Nijhoff het niet, nergens. Hoogst-frequent is en, maar al die voegwoorden dienen vooral om de verschillende componenten van de ik-figuur bijeen te houden, niet om de ik- aan de gij-figuur te koppelen.

Frappant in dit licht is ook het voegwoordbeeld van ‘Impasse’: en heeft een frequentie van 3. Weinig nevenschikking, weinig voortgang, weinig actie, als en wordt opgevat als een lyrische samentrekking van het epische en toen. Ook het tegenstellend verband is niet hoogfrequent: Maar komt maar 2 maal voor; opmerkelijk is dat deze 2 op elkaar inhaken: de ik wil iets doen, maar durft dat niet en verzint daarom een voorwaarde waar moeilijk aan te voldoen is; maar nu zich toch de ideale situatie voordoet, doet hij nog niet wat hij wil. Kloos daarentegen wil een scherp contrast neerzetten tussen de fundamentele capaciteiten van de ik ener- en diens momentane onmacht onder invloed van de gij anderzijds, en doet dat door middel van En tóch.

Utrecht, Departement TLC, 5 september 2014

[Om de bijdrage feestelijk te houden, heeft de redactie de summary, de inleiding, de vraagstelling, het theoretisch kader, de conclusie, de discussie, de noten, de literatuurlijsten en de bijlagen gesupprimeerd.]

dinsdag, augustus 19, 2014

About e-reading maar weer eens een keer

Het platte blauwe vogeltje tjilpte een bericht over een bericht in The Guardian met deze titel: "Readers absorb less on Kindles than on paper, study finds". Achossie, weer een onderzoek dat onderschrijft wat Nicholas Carr vier jaar geleden 275 bladzijden lang al duidelijk maakte in The Shallows. Maar de ondertitel van het verslag in The Guardian luidt: "Research suggests that recall of plot after using an e-reader is poorer than with traditional books".

Het gaat hier om het weggemoffelde onderscheid tussen "Kindles" en "an e-reader" en tussen "paper" en "traditional books". Nou goed, dat laatste onderscheid lijkt te verwaarlozen, ware het niet dat in het bijschrift onder de foto die onmiddellijk onder de ondertitel staat, staat: "a print pocket book". Hebben we hier nu al drie termen voor een en het zelfde begrip, of mogen onder die verschillende begrippen toch echt onderscheiden concepten uit de werkelijkheid worden verstaan? Mijn bibliotheek nochtans bestaat vooralsnog vooral uit "print pocket book"s, en helaas maar weinig gebonden boeken, en die gebonden boeken zijn boeken met een voor mij bijzondere waarde en boeken met een bijzondere inhoud; ze zijn misschien zakelijk-informatief te vergelijken met hun geplakte tegenvoeters uit een andere oplage, maar niet zonder meer vergelijkbaar. Voor een gebonden boek ga ik zitten om het te lezen, een geplakte pocket pak ik er even bij als ik doende ben met iets anders.

In de eerste zin van het artikel gaat het over het onderscheid tussen "readers using a Kindle" en "paperback readers". Hoppatee, nog een boekensoort erbij. Komisch is dat het in de tweede zin gaat over "The study, presented in Italy at a conference last month and set to be published as a paper", waarbij ik me dan onmiddellijk afvraag: wat voor soort "paper": een "pocket", een "paperback" of een "traditional book", of toch nog iets anders. De tijd van opmerkingen over die rijke taal van de Inuits is voorbij: zij raken niet uitgesproken over sneeuw in tig tinten, wij niet over papier!

Het onderzoek stoelde op eerder onderzoek en op veronderstellingen op basis van dat onderzoek, maar dat eerdere onderzoek had betrekking op "comparing reading an upsetting short story on paper and on iPad." Eerst een "Kindle", dan een "e-reader" en nu weer een "iPad". Alleen al de terminologie lijkt uit te nodigen tot een veelvoud aan onderzoeken, niet alleen aangaande de verschillen tussen - laat ik het kortweg aanduiden als - het lezen van analoge en digitale teksten, maar ook aangaande de verschillen tussen het lezen van proza op een Kindle, een ander merk e-reader en een iPad.

Ik struikel over die mogelijkheden, omdat ik zelf een Sony PRS-T1 heb en gebruik. Prima ding, als je er eenmaal je boeken op hebt weten te zetten. Leest als een tierelier. Afgezien dan van het 'omslaan' van de bladzijden; dat gaat - zoals alles wat dat apparaat voor je doet - bijzonderlijk onaangenaam traag. Je kunt er ook het internet mee op, maar dan moet je wel een dagje vrij nemen. En een heel goede leesbril. En stalen zenuwen. Maar lezen kan je ermee, overal, als-ie opgeladen is, en zuinig is-ie ook. Met een iPad kan je de gekste dingen doen vanuit je tekst (volkomen afhankelijk van welke app je gebruikt om ermee te lezen: iBooks, Bluefire, Tablisto, Kobo, Play Books en wat er niet meer is; om hoorndol van te worden; ik heb minstens vijf verschillende boekenkasten in dat ding, die niet met elkaar communiceren, en geen van alle wil ook maar iets uit m'n Sony oppakken).

Vervolgens wordt er ook gerefereerd aan een onderzoek van lezertjes die "texts to read [kregen] in print, or in PDF on a computer screen". Dat lijkt me weer een ander kopje thee. Een PDF op een pc-scherm lezen... dat heeft geen snars te maken met languit op de bank een e-pub-tekst lezen op een e-reader met digitale inkt en een hypersensitieve internetbrowser en dingen. Gooi maar in mijn hoed en zoek het uit.

maandag, augustus 11, 2014

Maar nu even dit

Krant en internet staan ook in Nederland vol met berichten over de weinig verheffende strubbelingen van webwinkel Amazon en uitgeverij Hachette, maar intussen duikt er op Twitter met enige regelmaat een beschaafd verzoek om belangstelling en hulp op. Nota bene.
Dat moet toch niet al te moeilijk zijn, om die hulp te bieden? Aan zo'n beschaafde prijs met een vriendelijke publieksjury en een dito vakjury die netjes achter schermen in stilte het eerste kaf scheidend van het koren haar vuige hatchet jobs beschaafd verricht?

Klik hier voor nadere informatie en draag bij aan het in stand houden van de al bijna twee decennia oude, maar nog steeds sprankelende en stimulerende prijs voor literaire prozadebuten, toegekend aan onder anderen Shira Keller, Erik Menkveld(†), Peter Buwalda, Marieke van der Pol, Anna Enquist, Gerbrand Bakker, Erwin Mortier en Joyce Roodnat.

dinsdag, augustus 05, 2014

Interpretatie

Over het interpreteren van 'verkeers'borden, in dit geval die bij de toegang tot een semi- dan wel neo- of anders toch post-vulkanisch meer in de Auvergne.

Bij nader inzien niet al te moeilijk:

1. Je mag niet in het meer zwemmen;
2. Je mag niet op het meer met een bootje peddelen annex kanoën (ook niet als je niet weet hoe je de peddels, riemen of wrikstokken moet vasthouden);
3. Je mag het meer niet in de fik steken.

Simple comme 'Bonjour', zou mijn moeder zeggen (die geen rijbewijs had, en dus ook niet wist dat alle drie de borden eigenlijk het einde van een verbod beduiden).