woensdag, augustus 08, 2012

Vakantiemonologen

Het was op een stralende 26ste juli anno 2012 te Anduze dat ik een kleine, mooie boekhandel tegenkwam en - ondanks de aanwezigheid van een e-lezer in de bagage - dacht: 'Een boek, een echt boek, een echt Frans boek, dat ontbreekt aan mijn geluk; maar niet al te moeilijk, want ik heb vakantie; dat dan weer wel. Dus maar weer een van ..., van die ..., die eehhh ..., die schrijver van eehh ... Quelques-uns des cent regrets ...' Kortom: de naam van de auteur kwam met geen mogelijkheid aan het daglicht van mijn vacante geest.

Uiteindelijk en uitgeput heb ik me aan de kennisbron der boekhandelaresse gepoogd te laven, maar zij, schande, wist het niet. Fi donc! Ik moedigde haar nog aan met de mededeling dat de goede man, want dat wist ik ook nog van de auteur, best wel een beetje een bekende auteur is, maar ook dat mocht niet baten. Alors, l'ordinateur aan het werk gezet, en en toen en na een tijdje en via nog maar weer een andere zoekweg (lag het aan de boekhandelarin, de Franse digitalisering post-Minitel, of aan de beroemdheid des auteurs?) dook de naam op: Philippe Claudel. Nooit meer vergeten.

Om me te helpen herinneren en omdat ze het genoemde boek niet op voorraad had, noteerde deze dienstdoende boekhandelaarster de titel ervan, plus de naam van de beroemde ('Ah, Philippe Claudel!!!') auteur en de naam van de uitgeverij in een alleraardigst notitieboekje, een Carnet de lectures, van haar Librairie La Porte des Mots, waarin ik nog zestien andere 'fugitives références des ouvrages dont on aura dit le besoin ou l'excellence' kan noteren om vervolgens tot aanschaf ervan over te kunnen gaan. Dat ik niet het genoemde boek, maar een ander van dezelfde auteur zocht, had ik met met vakantiefrans kennelijk niet duidelijk genoeg weten te maken.

Beschaamd door mijn eigen hulpbehoevendheid en de grenzeloze hulpvaardigheid van de librairiste heb ik alsnog op de C-plank gezocht en trof daar een handzaam boekje (85 bladzijdjes) van de nu reeds meermalen genoemde auteur, Le Paquet. De tekst is van 2010, en deze Le Livre de Poche-uitgave is van 2011. De ondertitel luidt: Pièce pour un homme seul (ah dat mooie Franse spel met de plaats van bijvoeglijke naamwoorden). 'La pièce a été créé en janvier 2010 au Petit Theâtre de Paris, dans une mise en scène de l'auteur', zoals er staat op de pagina met de rolverdeling. Die rolverdeling luidt: 'Personnage' en, na wat witregels, 'Homme'. Ja, dan ben ik al verkocht en is het boekje al gekocht.

Geen roman dus, maar een toneelmonoloog. Na een hoeveelheid toneelaanwijzingen die meer dan één pagina vullen, valt pas het eerste woord van het enige personage: 'Ouf...' (nog een aanschafargument achteraf). Aan het eind is zijn laatste woord: 'Seul.' Maar dan volgt nog bijna een bladzijde toneelaanwijzingen voordat er 'FIN' staat (weer een argument, want kom mij niet aan met subtiliteiten tijdens vakantie).

Gedurende de gehele lectuur van het stuk heb ik mij afgevraagd: waarom is dit een theatermonoloog, waarom is dit toneel, waarom heeft Claudel geen roman geschreven, en: waarom was Quelques-uns des cent regrets een roman, waarom heeft hij daar geen theatermonoloog van gemaakt? Gelukkig was het vakantie en hoefde ik mijn vragen niet te beantwoorden.

En nog steeds verkeer ik een beetje in vakantie maar nu lees ik Op de hoogte, het romandebuut van Christophe Van Gerrewey (De Bezige Bij Antwerpen, 2012, hardkaft met stofomslag, 188 bladzijden, boekverzorging Dooreman - en da's goed te zien). Ik heb het nog niet uit en mag dus nog niks zeggen over deze schier subliem gestileerde, aan oeverloze nonsens grenzende, maar onderhuids nogal wanhopige ik-vertelling van een man die geen relatie meer heeft maar zijn ex wel heel graag nog wil spreken en daarom maar een soort, geen echte brief aan haar schrijft waarvan hij weet dat die een roman wordt die niet alleen door haar maar ook door zijn en haar vrienden en vriendinnen gelezen kan worden en waarin hij ook in het recente verleden door haar geuite woorden uitgebreid aanhaalt.

Inderdaad: waarom is dit een roman geworden, waarom is dit geen toneelmonoloog?

Eén antwoord weet ik al: omdat deze roman zich afspeelt tijdens het schrijven ervan. En een toneelstuk over een man die zit te schrijven vergt wel erg veel inventiviteit van de regisseur om het boeiend te houden. Terwijl anderzijds de romanvorm leidt tot een merkwaardig moment van tijdeloosheid, van aan de tijd ontheven zijn, van vakantie dus. Op bladzijde 86, bijna op de helft, schrijft de man: 'Nooit hebben mijn vrienden geweten dat hun salontafel veel nieuwer is dan zij vermoeden, tot op dit moment althans, want de kans is groot dat zij dit zullen lezen - denk je niet?' Dat kan eigenlijk niet: 'dit moment' bestaat niet; het moment waarop de man dit schrijft valt niet samen met het moment waarop zijn voormalige vriendin, zijn vrienden of wie dan ook dit kunnen lezen (nog even los van de gedachte dat zelfs zijn ex dit moment niet eerder kan ervaren dan die vrienden, omdat zij de brief, die in wezen alleen aan haar gericht is, alleen als roman kan lezen, dus na productie en publicatie daarvan; en ook los van de overweging dat de man op moment van schrijven nog niet weet of de roman ooit gepubliceerd zal worden). Mooi.

woensdag, juli 18, 2012

Via de ene kunstenaar...

... kom je bij de andere terecht.

Aldus Patti Smith in een interview met Arjan Peters (Volkskrant 14 juli 2012, in het stapeltje oud nieuws, te huis aangetroffen na korte vakantie in Schotland).

Nu is de muziek van Smith niet van de soort die ik dagelijks beluister; ik heb één cd-tje van haar, dat ik alleen durf af te spelen als ik heel erg manisch ben. Maar ze is niet onopgemerkt gebleven. Dus las ik dat interview, en toen viel mijn oog op een citaat ernaast:

Ik heb koorden gespannen van kerktoren tot kerktoren; bloemslingers van raam tot raam; gouden kettingen van ster tot ster, en ik dans.
En bingo: die tekst kende ik. Maar dan wel in het Frans, en al na even memorierommelen kwam ze eruit:
J'ai tendu des cordes de clocher à clocher ; des guirlandes de fenêtre à fenêtre ; des chaînes d'or d'étoile à étoile et je danse.
Dat het een citaat van Rimbaud was, wist ik niet. Schande. Het is - maar iedereen weet dat - een van de 'Phrases' in de bundel Les illuminations, bijvoorbeeld te vinden in Oeuvres complètes, éd. Gallimard, 1972, p. 132, maar ook hier. Rimbaud, een dichter die onder anderen Smith - op haar zestiende - heeft geraakt en kennelijk nooit meer heeft losgelaten.

Het aardige is dat ik het citaat alleen maar kende uit een bron die een tikkeltje minder cultureel aanzien geniet: de intro van 'Le funambule' van Gérard Lenorman, op de dubbel-LP van een concert-opname in Olympia, 1975, twee vinylschijven die ik decennia geleden van zwart naar grijs heb gedraaid, maar die ik sinds lang niet meer heb gehoord. Op Youtube en Spotify staan alleen introloze en, wat zo mogelijk nog erger is, latere versies - die zijn al helemaal niet (meer) om aan te horen -, en op het stukje dat je via iTunes gratis kunt beluisteren van de '75 live-versie, ontbreekt de intro ook. Dommage.

De oorspronkelijke platen heb ik nog steeds; ik bezit een bijzonder exemplaar van deze dubbelaar: er ontbreekt een katern met foto's en een fors deel van de teksten, zelfs de nietjes waarmee het vast had moeten zitten, ontbreken (mijn vriendin had destijds een volledig exemplaar). Ik heb het geluid van deze analoge dragers niet gedigitaliseerd omdat ik veel te veel krassen en spetters, ruis en stof vrees te ontmoeten ('la poussière du passé', om het in woorden van de Franse bard te zeggen). Ik kan dus niet controleren dat Lenorman, in lyrisch opzicht vaak een vreselijke zijden sok, daadwerkelijk dat Rimbaudcitaat gebruikt. Maar dat de oorspronkelijke tekst, net als die van het chanson, vrijwel probleemloos in m'n knar opdook, zegt mij genoeg.

[Naschrift d.d. 20-07-2012, nog steeds onder de titel: via de ene kunstenaar naar de andere:
Op pagina 313 van De hemelse kamer merkt de Madrileense taxichauffeur m.b.t. John McEnroe op: ‘Bovendien is hij getrouwd met de popzangeres Patty Smyth, met twee keer ypsilon, in hemelsnaam niet te verwarren met Patti Smith met twee keer i!’
En ik, halfwas, schreef in de eerste versie van deze post domweg 'Patty Smith'. Gelukkig zijn er heel oplettende romanciers in Nederland.]

zaterdag, juli 07, 2012

Iets met taal

[hersteld bericht van woensdag, januari 11, 2012]

Vraag me niet waarom ik het raadpleeg, maar in de Syllabus centraal examen 2012 NEDERLANDS VWO lees ik (hier) het volgende: Bijlage 1. Examenprogramma Nederlandse taal en literatuur havo/vwo [...] Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Leesvaardigheid Domein B Mondelinge taalvaardigheid Domein C Schrijfvaardigheid Domein D Argumentatieve vaardigheden Domein E Literatuur Domein F Oriëntatie op studie en beroep. Ik vraag me dan onmiddellijk af of lezen, spreken/luisteren en schrijven zo veel eenvoudiger zijn dan argumenteren dat de leerling, om te kunnen slagen voor het examen, wat betreft elk van die als eerste genoemde domeinen over een enkele vaardigheid moet beschikken, en betreffende dat laatstgenoemde over meerdere vaardigheden?

Butterfly Black

[hersteld bericht van donderdag, februari 09, 2012]

Butterfly Black 300 grams
Arctic Volume White 200 grams
Acroprint Milk 100 grams

Zelden een beter recept gelezen. Maar pas op: er zijn nog andere ingrediënten, en ook de kok doet ertoe.

Het Genootschap Gerrit Achterberg - waarvan ik inmiddels niet meer wist of er nog adem in zat - verrast zijn donateurs sinds mensenheugenis ieder jaar met een nieuwjaarsgeschenk (ervaringsdeskundigheid; ik was donateur, en ooit lid en voorzitter van het genootschapsbestuur; dit opdat de grond van mijn blikvernauwing maar beter vooraf bekend is). Tot voor kort waren die geschenkjes meer of minder eenvoudige, en steevast uiterst fraaie, met de hand uit lood gezette unica, verzorgd door de Avalon Pers te Woubrugge.

Dit jaar - nogal ruim na de jaarwisseling, dat wel - ligt er opeens op de deurmat een boek. Vierentachtig bladzijden groot. Onder de titel: Gestalten tegenover Achterberg. Het bevat acht interviews met mensen van allerlei slag, die de dichter gekend en gesproken hebben. Van Simon Vinkenoog tot en met Hans Keilson, Van Mies Bouhuys tot en met Rien van Holland, Andries Middeldorp en H.U. Jessurun d'Oliveira, A.L Sötemann en Harry Mulisch. Allen spraken met Edwin Lucas. Stuk voor stuk zijn het bijzondere gesprekken, vol waardering voor en ook verbazing over het dichterschap van Achterberg, en niet minder over de mens Gerrit Achterberg.

De gesprekken hebben in de loop der jaren allemaal een plek gevonden in (voorheen) het Jaarboek Gerrit Achterberg, waarvan Lucas een der redacteuren was. Ze nu bijeen te zien, is, ook al ken je ze, toch weer een ander, een bijzonder genoegen. Het is alleen een beetje wrang dat de meeste geïnterviewden de neiging hadden niet lang na het gesprek het tijdelijke voor het eeuwige in te ruilen. Maar daar is een andere verklaring voor dan de aan Achterberg vaak toegeschreven beïnvloeding van het toeval, namelijk de platte demografie, of: tijdverstrijk.

Over de inhoud van het boek zal ik hier niet uitweiden, om dezelfde reden die de huidige voorzitter van de Stichting Genootschap Gerrit Achterberg, Jaap Breunesse, in het voorwoord noemt: 'Precies de diversiteit en de eigen toon van de geïnterviewden maakt de reeks zo aantrekkelijk.' Of, om wijlen Anthonie Mertens te citeren: Lezen, man!

Daar komt nog iets moois bij: dit is het eerste boek waarvan ik denk dat een te uitgebreide bespreking een spoiler kan bevatten met betrekking tot het omslag. Voor de vormgeving van dit boek tekent: studio frederik de wal, te Schelluinen. Die vormt de andere helft van de uitgeverij, GEBR. DE WAL, te Utrecht. Het omslag is geniaal eenvoudig (maar niet letterlijk, dat laatste). Als met pudding: the proof is in the eating.

Prijs € 20,– (excl.€ 2,– verzendkosten)

Bestellen? Maak € 22,– over op ING 9321842 t.n.v. J. de Wal, Utrecht, onder vermelding van uw naam, adres en 'bestelling Achterberg'. Na betaling ontvangt u het boek per post.

Van zout één korrel: Sötemann maakte onderscheid tussen een trema en een Umlaut.

Praedigitale poëzie

[hersteld bericht van vrijdag, februari 17, 2012]

Gisteravond bezocht ik weer eens i-Poetry Live van het Poëziecircus, vooral, geef ik toe, omdat ik wist dat Ramsey Nasr zou komen en omdat ik weet dat ik diens poëzie waardeer en nog meer als hij zelf voordraagt. Twee vliegen, één klap.

Daar komt bij dat ik de huisband Phinx erg leuk vind. Drie vliegen. Een biertje er niet duur is. Vier (en ik al één keer de quizz gewonnen heb).

Maar gisteren werd ik onverwacht overdonderd door de voordracht door Marjolijn van Heemstra. Vijf.

Eerlijk is eerlijk: nooit eerder van gehoord. Maar: midden in de roos. Zo iemand met teksten waar je in één keer heel oplettend naar zit te luisteren. Ik, in ieder geval; en de rest van het publiek, geloof ik, niet minder. Ik was meteen van de wereld en in de tekst. Ze droeg gedichten voor uit de bundel Als Mozes had doorgevraagd (een titel die staat als een huis, met de deur wagenwijd open) en uit een roman in wording. Mooi, mooi, driewerf mooi.

Het idiote is, dat ik een tijdje ervoor had gedacht: die poëzie van Nasr, die pluk je in één keer overal tussen uit. Al wat hij voorlas, kwam op me af als een oude vriend, en toch weer volkomen intrigerend.

En daarna dacht ik: wat nu, als Nasr een gedicht van Van Heemstra voor zou dragen? Er is iets in de poëzie van Van Heemstra wat ik denk te herkennen en wat me buitengewoon goed bevalt.

Ik heb nog niet de tijd genomen om daar echt over door te piekeren (en, houd me ten goede, met invloed of schoolvorming heeft mijn associatie niets te maken) maar ik zag inmiddels wel dat onder veel anderen Nasr een gedicht van Van Heemstra voordraagt op een website die de verkoop van de echte, de papieren bundel moet stimuleren. Eén exemplaar gaat er binnenkort weer over de toonbank, want ik wil die bundel. Ik zal 'm lezen. En dan pas ga ik luisteren naar de voordracht van Nasr en doorpiekeren, luisteren vooral.

Nostalgie

[hersteld bericht van donderdag, maart 01, 2012]

Kijk nou toch hier: is het proefschrift van Redbad Fokkema, de grote Achterberg-vorser, m'n mentor en co-promotor, opgenomen in de DBNL, bijna veertig jaar na dato en twaalf jaar na zijn dood.

Het werd hoog tijd, wat mij betreft: mijn exemplaar van de eerste druk ligt al jaren grotendeels losbladig in z'n kaftjes. Alles nu makkelijk doorzoekbaar, inclusief de stellingen, dus ook die leuke laatste:

12. Het begrip ‘laatste stelling’ is onuitsprekelijk vermoeiend.

Laus Bibliothecae Praefectum

[hersteld bericht van donderdag, maart 15, 2012]

Er was weer eens een aanleiding om de afdeling Bijzondere Collecties van de UB Utrecht te bezoeken. Ook al werd deze dag steeds lentelijker en warmer en stralender, toen het bericht op de digitale deurmat plofte dat mijn reservering was gearriveerd, toog ik zonder verwijl naar De Uithof. Maar niet dan nadat ik me - met bijstand van de overbuurman, mijn eermalige paranimf - had voorzien van muntstukken van een halve, een hele en een dubbele euro (want ik vergeet steeds in welke locker je welk bedrag moet droppen).

De zacht ruisende lift bracht me in een oogwenk naar de zesde verdieping van de Zwarte Doos. En daar trof ik in het lockersteegje niets dan afgesloten, sleutelloze kluisjes. Bizar: men is hier doorgaans zo zuinig op de spullen; geen bezoeker mag of kan zich in verleiding brengen per ongeluk boeken of stukken mee te nemen, dus tassen en dergelijke zijn op de leeszaal niet gewenst. Een peripatherende medewerker verlichtte me nog voor ik hem ernaar vroeg: men was in een proces van vernieuwing; de kluisjes waren tijdelijk ontoegankelijk. Daar stond ik met mijn klinkende munten.

Maar de feitelijke baliemedewerker van de Bijzondere Collecties redde mij uit de bagagenood: plek genoeg achter de balie. En: of hij me verder van dienst kon zijn?

Dra had ik het gevraagde en zette me aan een ruime werktafel met pc met internetverbinding waarmee ik mijn eigen vertrouwde virtuele bureaublad op het scherm kon oproepen, inclusief toegang naar al mijn mappen; handig, als je baas ook de baas van de UB is. Ik moest een tekst verwerken uit Den gulden winckel, het Geïllustreerd Maandschrift voor Boekenvrienden onder leiding van W.A. Kramers. Jaargang 32, die nog niet in de DBNL aanwezig is. Gelukkig maar, want ik vind het fascinerend om in oud materiaal te bladeren. En dat te meer omdat jaargang 32 die van 1933 is. Dat rampzalige jaar.

Ik moest de maart-aflevering inzien, en daar bleek niets van de omwenteling in het oosterbuurland. Maar een maand later zwichtte toch ook dit blad en kon het zijn neutraliteit of afzijdigheid niet bewaren en besprak Jan Greshoff de nieuwe geopolitieke situatie. Neutraal bleef het blad wel, in zoverre dat er ook ruim aandacht bleef voor de boekproductie in Duitsland. En Allart de Lange, boekhandelaar en uitgever van het blad, maakte bijvoorbeeld reclame voor zijn Nederlandse uitgaven van werken van Duitse literatoren.

Ter afsluiting van mijn bezigheden - waarover ik hier niet zal schrijven - legde ik mijn tijdelijke werkplek vast in 3.145.728 pixels; en een plaatje van de tekst waar het me om ging, kon er ook wel bij. Dacht ik.

Daar was de bibliothecaris - of zijn afgevaardigde. Dat zulks niet de bedoeling was. Dat zulks in principe wel mocht, maar dan onder bepaalde, welomschreven condities, en dan niet hier, maar aan de balie, onder zijn toeziend oog.

Waar hij en hoe snel vandaan kwam, ik weet het niet. Kaken roodbeschaamd stamelde ik mijn verontschuldigingen. Ik had immers best kunnen weten dat die Collecties daar niet voor niets Bijzonder zijn. Bijzonder kwetsbaar onder andere. Dus geen gedoe ermee. De goede man kon niet weten dat mijn telefoon niet eens flitsen kan, al zou ik het willen.

Waar kom je dat nog tegen: instellingsmedewerkers die stante pede en beleefd en terecht je erop wijzen hoe er gedaan en gelaten moet worden. In de leeszaal Bijzondere Collecties van de UB Utrecht.

E-lezer

[hersteld bericht van donderdag, april 05, 2012]

Het tij verandert, en ik heb maar eens een baken verzet. Het verlanglijstje, dat ik mocht indienen ter gelegenheid van mijn verjaardag, had dit jaar maar één onderwerp: een elektronische tekstdrager. Toch maar. Want het scherm van een telefoon is wel heel erg klein, hoe groot ook het geheugen mag zijn. Ik verkeerde in de tegen-theoretische veronderstelling dat het medium er niet toe doet, als de tekst maar goed is. Quod non, zou Sötemann in dat soort gevallen, meen ik, zeggen.

Volstrekt legaal heb ik een digitale dichtbundel aangeschaft, of eigenlijk niet een digitale dichtbundel maar de gedigitaliseerde versie van een dichtbundel, Underperformer (misschien, maar dan wel per ongeluk, een omineuze titel) van Erik Jan Harmens. Voorin - als je die spatiële metafoor nog kunt gebruiken met betrekking tot een elektronisch boek - staat netjes aangegeven: 'Deze digitale editie [bedoeld is: uitgave] is gemaakt naar de tweede druk, 2008.' Nog verder voorin staat, op wat dan waarschijnlijk de titelpagina is: 'Nijgh & Van Ditmar / Amsterdam 2009'. Dat is helder en volledig, dunkt me. Ik kan er nog aan toegooglen dat de bundel voor het eerst verscheen in 2005.

Maar hier zijn toch de problemen al begonnen. Het boek is in stemmige grijstinten, het gehele scala tussen zwart en wit, op mijn dragertje terechtgekomen. Prima, tenzij je het felrode origineel kent. En onderaan de pagina staat waar je bent. Zo staat onder het omslag: 'Pag. 1 van 16'. Nu was dit een aanbieding, maar € 9,95 voor zestien paginaatjes poëzie vind ik tamelijk kostbaar, en dan nog zonder kleur en leeslint en achterkaft met info en blurb.

Al lezende kwam ik evenwel in een andere tijdzone. Er blijken maar liefst vier pagina's te zijn met die mededeling. Was ik dan toch niet bekocht? Vier maal zestien is vierenzestig, en dat getal komt meer in de buurt van het aantal pagina's dat ik vermeld vond in beschrijvingen van de papieren uitgaven. Maar citeren met bronvermelding wordt een ramp. En citeren wil ik, want ik wil aangeven dat ik wat zenuwachtig werd toen ik dit las: 'VOOR N pa van de 24 7 mc j' op een van de vier eerste pagina's; was er toch enige programmeertaal in het bestand geslopen, of is dit de werkelijke opdracht?

Van een ingrijpender orde zijn de gevolgen van de mogelijkheid om de tekst aan te passen aan je eigen kippigheid: je kunt de lettergrootte variëren naar gelang je optische beperkingen, maar het scherm blijft van gelijke omvang. Ergo: de bladspiegel gaat faliekant naar de gallemiezen. En wat was nou nog net de laatste rots des dichters in alle genrevervagende ontwikkelingen? Juist: de dichter bepaalt hoe de regel, de strofen, de bladzijden eruit zien. Nou, mooi niet met zo'n e-tekstdrager. Daarmee kan de lezer de boel fors overhoop gooien.

En dan nog iets. Als lid van de vakjury van de Academica Literatuurprijs heb ik m'n eerste doosje met kandidaten weer ontvangen. Een ervan is Aan barrels van Harry Vaandrager. Ik heb nog geen letter gelezen in deze uitgave van het balanceer / Nijgh & van Ditmar, maar met of zonder varifocalia op mijn neus zie ik dat dit een prachtig boekwerk is waarvan ik me met geen mogelijkheid kan voorstellen dat de leeservaring ervan geëvenaard kan worden met een e-versie. Danny Gobbelaere heeft er iets schitterends van gemaakt; niet letterlijk, want het boek is zwart van buiten, matzwart, voor en achter en rondom (zwart op snee, dus), en dat gecombineerd met buitenop knalwitte schreeflozen en binnenin diepzwarte schreeflozen (URW Grotesk) op wit papier. Het formaat is niet doorsnee, en het boek is relatief zwaar; je voelt het in je handen wegen. Het is in z'n eentje nauwelijks groter, zelfs dunner, maar veel gewichtiger dan m'n e-tekstdrager waar 132 boeken in zijn opgeslagen.

Dat digitale gedoe, daar ga ik als lezer aan moeten wennen. Voor studie (alles bijeen, inclusief mogelijkheid tot zoeken en notities maken, snel eventjes iets opzoeken in het ingebouwde woordenboek of draadloos op 't internet) is zo'n digidingetje heel prettig. Vooralsnog blijf ik bij het papier, althans voor het leesplezier.

Trend

[hersteld bericht van zondag, april 29, 2012]

Een nieuwe trend tekent zich af in de Nederlandse literatuur: de niet-plotgebonden oeuvre-interne personageconnectiviteit. Verschijningsvormen hiervan zijn de laatste tijd exponentieel frequenter geworden. Het gaat, voor alle duidelijkheid, niet om het herhaald voorkomen van dezelfde personages met eventueel personagespecifieke gegevens in verschillende boeken die tot een serie of reeks behoren, zoals Martin Beck in de tien detectives van Maj Sjöwall en Per Wahlöö, en Arie Roos, Jan Prins en Bob Evers in de classics van Willy van der Heide. Het gaat ook niet om het opnieuw inzetten van een personage of meerdere personages in verschillende werken die binnen eenzelfde oeuvre in verschillende settings en plots een kernthematiek concretiseren, zoals Laarmans en Boorman in het oeuvre van Willem Elsschot.

Het gaat om het her-optreden van een personage uit het ene boek in het andere (vaak met verandering van status) zonder dat er sprake is van een seriewerk of van het verder uitbouwen van een brede thematiek over meerdere werken, zoals het geval is in De tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden, waarbij hele familie- en vriendenkringen boekenlang meegaan (en dan zwijg ik nog van Het bureau, terecht, want dat las ik niet).

Een eerste voorbeeld is de roman Oorlogskind (Meulenhoff 2009) die is geschreven door een zekere Loni Wolf, die daarin ook als vertelster optreedt. Achterop het boek staat dat zij geboren is in 1944 en woont in Ticino. Het copyright van het autobiografische boek berust bij Loni Lucatoni-Wolf te Monteforca, en J.M. Meulenhoff bv te Amsterdam. Maar het is inmiddels genoegzaam bekend dat het een roman van Huub Beurskens is. Meer kan ik er niet over zeggen, want het ligt nog steeds op de stapel ´graag te lezen werken´. Loni komt als personage, zij het slechts zijdelings, voor in de jongste roman van Huub Beurskens, De hemelse kamer (Wereldbibliotheek 2012); ze ontmoet daarin de hoofdpersoon Lino.

Een ander voorbeeld levert de recente publicatie van Pieter Boskma, Mensenhand (Prometheus, 2012), waarin Hera in optreedt, net als in De aardse komedie (Prometheus, 2002), met herinneringen aan het vliegtuigongeluk dat haar in dat gedicht uit overkwam; bovendien ontmoet ze in Mensenhand opnieuw Tosk, ook al wordt die hier expliciet omgedoopt tot Boske: 'en ze wist natuurlijk best wie hij was, / wat had ze vaak aan hem gedacht, / haar hele, lange, vorige / aardse komedie lang'.

Een laatste voorbeeld van deze overweldigende hausse dat ik wil noemen is Hoe staat het met de liefde? (Thomas Rap, 2012) van Bert Natter, waarin op bladzijde 219 opeens Damiaan Dembeck opduikt, als kinderboekenschrijfster, gehuwd nog steeds met tv-presentator Bikker en moeder van Didootje, genoemd naar haar ‘Veel te jong’ overleden zus, die we kennen als de spilfiguur van Natters debuut, Begeerte heeft ons aangeraakt (Thomas Rap, 2008).

Het leuke van deze niet-plotgebonden oeuvre-interne personageconnectiviteit is dat je het ene werk probleemloos kan lezen zonder kennis van het andere te hebben genomen, terwijl het het als bonus een prettig soort intimiteit oplevert als je wel kennis hebt van die andere verschijning; tevens genereert het een, merkwaardig genoeg, uiterst fictief effet de réel. Robert Anker werkt er ook mee, ook tussen proza en poëzie.

[overigens kom ik er nu, na het schrijven - pAnIeK - achter dat ik mijn zwaar van aantekeningen voorziene, want voor college gebruikte exemplaar van de eerste roman van Natter kwijt ben, nergens vinden kan, bibliothecair misplaatst heb, hopelijk dan maar uitgeleend heb, maar helemaal gerust ben ik er niet op]

Over plagiaat

[hersteld bericht van woensdag, mei 02, 2012

Tot op heden heb ik alleen nog over het probleem gelezen, in krant en op internet. Staande receptie (2012) van Jos Joosten heeft mijn boekhandel nog niet of al niet meer op de plank. Maar zijn onderzoek aangaande de geschiedenis van de Nederlandse literatuurkritiek ken ik bij benadering via zijn oratie en publicaties in vakbladen. Het gewraakte boekje van Etty, ABC van de literaire kritiek (2011) staat nog ongelezen op mijn bureau; en wel omdat in de verantwoording staat dat het boekje onder andere gebaseerd is op haar oratie uit 2005. Die ken ik al; dat is meer een literatuurkritisch credo dan een wetenschappelijke verhandeling over de Nederlandse literatuurkritiek; vandaar dat die oratie, een pleidooi van een critica die ertoe doet, al jaren stof is in mijn college over literatuurkritiek.

Over de materie van de discussie laat ik me vooralsnog niet uit. Maar misschien mag ik wel mijn verbazing delen over een deel van het kabaal. Etty verweerde zich tegen de beschuldiging van plagiaat aldus: zij 'noemt Joostens hoofdstuk over haar 'grote flauwekul' en 'een rancuneuze uithaal'. Zij benadrukt dat haar boek geen wetenschappelijke pretenties heeft.' (Volkskrant 26 april 2012) Mij wondert wat die rancune - if any - gaande gemaakt zou kunnen hebben. Rancune is volgens het WNT 'Stille haat, opgekropt haatgevoel, wraakgevoel'. Zonder nadere adstructie lijkt me dit verweer een populistische slag in het luchtledige. Mij verbaast het daarnaast dat Etty meent dat men in een niet-wetenschappelijke publicatie wel bronnen zonder vermelding zou mogen overschrijven en gegevens mag publiceren alsof het eigen (be)vindingen zijn; vreemd in een tijd waarin zelfs romanciers - toch algemeen erkende liegers der waarheid - hun bronnen bekendmaken. Mij verbijstert 't ten slotte dat Etty achterop haar ABC-tje glunderend prijkt met een baret op het fier geheven hoofd, en iets wat op een toga lijkt over haar schouderen; naar het mij voorkomt de uiterlijke kentekenen van haar bijzonder-professorale waardigheid.

Slightly overdressed?

Hoogmoed VI

[hersteld bericht van woensdag, juni 06, 2012]

Het is al weer enige tijd geleden dat ik hier iets postte. Welnu, dat is dan zo gelegen: ik moet relatief veel college geven en absoluut veel voorbereiden en nakijken. Moge dat een verklaring zijn. Ik dacht het wel allemaal te kunnen.

Het is een nog langere tijd terug dat ik aantekeningen maakte over de verhaspeling van de uitdrukking 'hoogmoed komt voor de val'. Men, niet alle, maar sommige men, lijkt niet te weten dat er (oorspronkelijk, zou ik haast toevoegen) sprake is van een temporeel verband (zie hier).

Een en een is twee.

Ik (her)las ter voorbereiding van aankomend nakijkwerk de roman Aan barrels van Harry Vaandrager (her-, want reeds gelezen als Academica Literatuurprijsjurylid). En daar staat er weer een in, op pagina 118, waar Peter aan het woord is:

Irene moet mijn kop uit geramd worden. Of ik kom voor de val.

Over de roman

[hersteld bericht van vrijdag, juni 22, 2012]

Eindelijk begonnen in Bas Heijne's essay Echt zien; literatuur in het mediatijdperk (Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 2011; nummer drie in de reeks Over de roman). Er wordt immers de laatste tijd nogal wat gepiekerd over die teloorgang, of anders minstens een ingrijpende verandering, van de roman, of zelfs van de literatuur. Heijne refereert ondermeer aan Baricco's Barbaren, Carrs Shallows en Vaessens' Revanche, dus ik weet waar het over gaat. Dat is ook wel eens prettig.

Het is trouwens een mooi boekje: 104 bladzijden, paperback met flappen, een omslag van Anneke Germers, het binnenwerk verzorgd door Hannie Pijnappels, een mooie letter (helaas ben ik slecht in determineren en kan ik hier geen naam noemen).

Ik ben nog niet ver, maar kwam al wel iets opmerkelijks tegen. Op pagina 15. Het lijkt me duidelijk dat de twitlitterende Heijne een literatuurliefhebber is en niet zal pleiten voor het opheffen van het genre. Hij zegt inderdaad dat hij 'altijd in het genre [is] blijven geloven', of beter: 'in de noodzaak van fictie om onze eigen ervaringen vorm te geven en te doorgronden.' Maar op diezelfde pagina 15 schrijft hij dat hij 'zelf al in geen jaren meer een roman [heeft] geschreven' én dat hij 'in de loop der jaren steeds minder romans [is] gaan lezen'.

Op z'n minst opmerkelijk, zelfs zorgelijk, dat een romangelover zowel productief als receptief het al jaren geheel respectievelijk in toenemende mate laat afweten. Ik lees nieuwsgierig verder.

Hoogmoed VII

[hersteld bericht van vrijdag, juni 22, 2012]

De volkskrant van 21 juni 2012 berichtte over het verschijnen van vier dikke, peperdure boeken met de verzamelde gravures en houtsneden van de voorbeeldige Hendrick Goltzius. Met een plaatje erbij, van die arme Icarus, die wel heel ongemakkelijk naar beneden klettert, met een in het Latijn gesteld randschrift, en voor de gewone lezer een onderschrift bij deze repro: 'Wie zich bij de goden waagt, wordt gestraft'. Leuke variant op de bekende zegswijze.

Helemaal los daarvan staat dat ik die neersuizende hemelbestormer van Goltzius in de Volksrant nog eens bekeek en dacht: die kop ken ik.

[in 2020 kijk je er toch weer anders naar...]

Over recensenten

[hersteld bericht d.d.vrijdag, maart 16, 2012]

Laatst las ik De hemelse kamer van Huub Beurskens. Een prikkelende roman die niet lijkt wat hij is en niet is wat hij lijkt. Ik heb 'm prompt verkeerd gelezen, geloof ik (zie hier). Ik wil het boek daarom herlezen. En ook omdat ik het proza van Beurskens alleen al stilistisch een verademing vind te midden van al het beroerde proza dat er ook in de Nederlandse literatuur te lezen is.

Er zit een knik in het boek. Het begint als een middelbareschool-romance die natuurlijk niet goed kan aflopen, maar zo'n clichéverhaal verwacht je niet van Beurskens; dat wringt. En dan, na bijna tweehonderd bladzijden, begint er van alles te kantelen en te draaien, en nog een keer en nog eens, totdat je aan het einde weer terug bent bij het begin dat dan niet meer hetzelfde is.

Ik was nieuwsgierig naar de ontvangst van deze roman. En deze week verscheen er een recensie in De groene Amsterdammer. Maar dat is vreemd: Kees 't Hart vindt het eerste deel van de roman, waar hij lang bij stilstaat en veel lof over tuit, hartverwarmend, indrukwekkend zelfs. Maar na de omslag vindt hij er weinig meer aan. Postmodern gedoe of zo. Beurskens, niet geheel en al geamuseerd, noteert het op zijn weblog.

Opmerkelijk vind ik dat 't Hart erbij noteert: 'Ik ben natuurlijk maar een gewone lezer. Wat kunnen mij de ontwikkelingen van literatuur, het literaire debat en het literaire circus schelen wanneer ik een roman als deze lees.' Dat lijkt me pertinente nonsens. De man is - onder veel literairs meer - romancier en criticus, en niet de eerste de beste (wat een rare uitdrukking is dat eigenlijk, als je niet goed oplet; ik bedoel: hij is (of: ik vind 'm) begaafd en respectabel in beide hoedanigheden). Dan kan je toch niet terugvallen op een zo simplistische achtergrond? Dan moet je je toch verdiepen in hoe die roman in elkaar steekt en wat ermee gezegd wil zijn? In een recensie kan je toch niet zeggen: nou doe mij alleen maar het eerste stuk van deze roman, de rest is niks aan. Alsof je alleen de lijnen van een Mondriaan mooi vindt en de kleurvlakken liever ongezien laat. Zet dan je stukjes op een blogje, waar je meer vrijheid hebt dan als officieel literair criticus in een algemeen en cultureel en ook literair serieus te nemen weekblad. Vind ik. Of beginnen de grenzen tussen deze media of genres te vervagen?

In hetzelfde nummer van de Groene staan twee recensies die op een andere, ietwat sympathiekere manier net niet diep genoeg doortasten. Lynn Berger weet niet precies wat te denken van de platitudes in de roman Of ik gek ben van Michiel Stroink: zijn het miskleunen of onderstrepen ze juist (en met opzet) de thematiek? Omdat het hier om een debuut gaat, is het niet zo vreemd dat de recensent een beetje blijft zweven.

Piet Gerbrandy schrijft aan het einde van zijn bespreking van het epos De oksels van de bok van Annemarie Estor: 'Is het een goed idee het beest in ons te associëren met ongewassen allochtonen? Ruim drie decennia geleden schreef Edward Said zijn befaamde Orientalism, sindsdien geldt het als doodzonde het exotische oosten met wellustige achterlijkheid te verbinden. Is het overdreven politiek correct Said nog steeds gelijk te geven? Of moet ik aannemen dat Estor het allemaal ironisch heeft bedoeld?'

Toch ook een respectabel criticus en dichter, die Gerbrandy. En hij weet de knoop niet door te hakken en legt zijn probleem duidelijk voor aan de lezer, die misschien geen kant en klaar oordeel gepresenteerd krijgt, maar wel nieuwsgierig wordt gemaakt.

Blunder

Door een stupiditeitje mijnerzijds (dat werd veroorzaakt door vakantiereikhalzing) zijn de vroolijke berichten van 2012 onnaspeurlijk verdwenen in, misschien zelfs wel uit, cyberspace.

Alleen deze weet ik nog uit het hoofd (niet waar: uit andere bron) op te duiken (het probleem met digitalia is juist dat er minder in mijn hoofd blijft zitten):

Taaltweet @FabianStolk

'Serena Williams [...] snoerde Victoria Azarenka met [...] 24 aces letterlijk de mond.' Volkskrant 6-7-2012, p. 35.

En daar zijn meer voorbeelden van. Maar die ga ik niet weer opzoeken. En er was een reactie van Marc van Oostendorp, dat het verschijnsel zich ook in het Engels voordoet, met een link, die nu dus ook pleite is. Excuses.

Er was ook een bericht over Hoogmoed nog, nummer VII in de reeks. Verdwenen. Een over recensenten. Gesuccombeerd.

En ze zeggen altijd dat wat er op internet geplaatst is, niet vergaat.

[iets later:] da's handig, zo'n verborgen geheugen: de oude meuk is inderdaad eenvoudig terug te vinden. Welaan: al die kostbare kleinodiën snel teruggezet. [aanvankelijk bedoeld als een adhortativus, maar inmiddels omgezet in een perfectum] [de vakantie begint neder te dalen]

zondag, november 27, 2011

Against e-reading

Misschien gaat de kop hierboven wat ver. En hij strookt niet met wat ik eerder elders opmerkte. Het is dus maar een retorische kreet. Maar met een kern van waarheid.

De laatste tijd pieker ik over de aanschaf van een e-reader (zullen we daar eens een lekker purisme voor verzinnen?) omdat het me wel handig lijkt om een boel teksten, prim- en secundair, bij elkaar te hebben in zo'n klein apparaatje. En dat je op vakantie niet meer hoeft te dubben over wat je wel en wat je niet meeneemt. Maar toen ik onlangs, aangemoedigd door het onderwerp van de eerstkomende leesclubbijeenkomst, Julian Barnes' The Sense of an Ending van onder een stapel tijdens de jongste zomervakantie aangeschafte boeken trok, knetterde het van mijn netvlies naar mijn brein: Zoiets gaat ze nooit en te nimmer lukken met een digitaal boek!

Dit is een zo mooi vormgegeven boek. Het is een klein boek en handzaam dus; en het is nog dun ook. Het is gebonden (of gebrocheerd, daar wil ik nu even niet moeilijk over doen; het zit wat stug in de rug, een minpuntje). Het zetwerk is volkomen onspectaculair, helder; niets wat je afleidt van wat Tony Webster je heeft te vertellen. Het papier is niet al te wit, maar licht-crème; de letters zijn haarscherp en diep-zwart; een heel gewone Bembo.

Tot zo ver niets bijzonders misschien. Maar wel dit: de bladzijden zijn niet goud, maar zwart op snee, matzwart. En van eenzelfde zwart zijn de schutbladen. Diep matzwart. En van eenzelfde zwart zijn de flappen van het stofomslag. En dat zwart kruipt als het ware langzaam de hoek om naar het voor- en het achterplat, waarover paardenbloempluizen zweven en waarop, aan de voorkant, auteursnaam en titel zijn afgedrukt in letters die klaarblijkelijk niet bestand zijn tegen de tijd.

(let even niet op de kwaliteit van de foto's: ik heb mijn 'echte' toestel momenteel uitgeleend).

Wie zal het verbazen dat aan de vertelling nogal wat melancholie ten grondslag ligt. Het is een verhaal, een levensrelaas waar je niet echt vrolijk van wordt, maar het is wondermooi genoteerd. Ik moet er nog over nadenken waar dat mooie allemaal in schuilt. Een negentiende-eeuwse recensent zou het wellicht hebben over Barnes' superieure beheersing van de taal; maar daarmee is nog niet veel gezegd. Ach: lees toch deze prachtige roman; het zijn slechts 150 bladzijden, maar het is stof voor 700. 'For this is an iceberg of a novel', zoals in New York Journal of Books staat. En hoewel vergelijken onzinnig is, deed het me toch enigszins denken aan Vercauterens Het graf van de voddenraper en ook aan Claudels Quelques-uns de cent regrets.

Het boek, een bezonnen ik-vertelling van klasse die wortelt in de jaren zestig van de vorige eeuw, gaat over regret, of: nee, daar gaat het niet over, maar over remorse. Over wroeging gaat het, meer dan over spijt. Wroeging, die aan het eind van Tony's leven komt, wanneer hij - aanvankelijk tevreden - terugkijkt. En daarover noteert Tony: 'Remorse, etymologically, is the action of biting again: that's what the feeling does to you.'

Nog even over dat omslag. Het is gemaakt door Suzanne Dean; en op de website van Barnes staat, behalve een verzameling links naar recensies, een filmpje (ook via Youtube te zien, en hieronder) met de eraan voorafgegane ontwerpen.

zaterdag, november 12, 2011

Aemulatio

Je moet er van houden, geloof ik, van de muziek van Tom Waits. De man maakt er veel lawaai bij. Is waar. En dat zijn jongste CD,
Bad as Me (2011) zijn beste is sinds Mule Variations (1999)
zoals wel gezegd wordt, is misschien ook wel waar, maar dan met dien verstande dat de Mule Variantions beter is. Dat gezegd zijnde, kan het geen kwaad te wijzen op de rijke verzameling metaforen in de titelsong, waarvan ik de tekst even jat van oldielyrics.com:

You're the head on the spear
You're the nail on the cross
You're the fly in my beer
You're the key that got lost
You're the letter from Jesus on the bathroom wall
You're mother superior in only a bra
You're the same kind of bad as me

I'm the hat on the bed
I'm the coffee instead
The fish or cut bait
I'm the detective up late
I'm the blood on the floor
The thunder and the roar
The boat that won't sink
I just won't sleep a wink
You're the same kind of bad as me

No good you say
Well that's good enough for me

You're the wreath that caught fire
You're the preach to the choir
You bite down on the sheet
But your teeth have been wired
You skid in the rain
You're trying to shift
You're grinding the gears
You're trying to shift
And you're the same kind of bad as me

They told me you were no good
I know you'll take care of all my needs
You're the same kind of bad as me

I'm the mattress in the back
I'm the old gunnysack
I'm the one with the gun
Most likely to run
I'm the car in the weeds
If you cut me I'll bleed
You're the same kind of bad as me
You're the same kind of bad as me

Maar het ging me om een andere song, een met een leuke vorm van intertekstualiteit, of beter nog: aemulatio: 'Satisfied'. Hoppa, nog een citaat van dezelfde site (zoek maar op; ik haal er nu alleen uit waar het om draait):

Now Mr. Jagger and Mr. Richards
I will scratch where I've been itching
Now Mr. Jagger and Mr. Richards
I will scratch where I've been itching

En dan te bedenken dat die ouwe Richards meespeelt op dat nummer.

vrijdag, oktober 28, 2011

W.F. Hermans, 'De blinde typograaf'

Dat is een onzintitel boven dit stukje. Maar misschien trekt ze de aandacht. Wat ik bedoel, is iets anders.

Een boek lees je nooit zonder de ervaringen van de boeken die je ervoor las. Dat kan goed uitpakken. Vanochtend viel me dat op. Ik begon, na in de dagen ervoor weer de nodige bagger gelezen te hebben, aan de tweede herlezing van Bonita Avenue, de Academica Literatuurpijswinnende debuutroman van Peter Buwalda. Wat is dat boek goed geschreven. Tot in leuke details, zoals al heel vroeg in de roman gestrooide kleine opmerkingen: '"Pap, ik háát jazz," zei Janis dan, of Joni, of allebei.' Dat is wanneer nog niet bekend is dat die meiden niet de echte, biologische dochters van Siem Sigerius zijn, maar wat impliciet al duidelijk wordt via hun aan popmuzikale zangeressen ontleende voornamen; niets voor een aan jazz verslingerde vader, zulke namen. Of een gedachte van Aaron die, eveneens heel vroeg in de roman, overweegt of hij in een volle trein tegenover Tineke Sigerius, jaren na het debacle, uit de school zal klappen over zijn misère; dat zou resulteren in: 'Razende paniek alsof het semtex in zijn bovenkamer was geëxplodeerd.' En dan moet dat hele gebeuren in Enschede nog komen.

Maar ook dat bedoel ik niet. Een tijdje terug las ik een andere debuutroman, The House of Leaves (2000), van Mark Z. Danielewski. Daar is veel over te zeggen, en waar het me nu even om gaat, is de weelde aan typografische eigenzinnigheden en spektakels die in die roman verwerkt zijn, die met de thematiek van die roman verweven zijn, want ze maken daadwerkelijk deel uit van wat de roman te vertellen heeft. Het leidt tot voor een roman curieuze voorstellingen. Slechts twee voorbeelden van de meer dan zevenhonderd pagina's:

Nu is dat niet nodig voor een doorsneeroman, maar gisteren las ik er een waaraan de typograaf wel heel erg weinig energie gespendeerd heeft. Als je nu de eerste regel van een hoofdstuk markeert door die in een grotere, vette letter weer te geven, zou je er dan ook niet voor moeten zorgen dat die gehele regel er fatsoenlijk uitziet, en bijvoorbeeld niet nu eens eindigt met het eerste woord van een volgende zin, dan weer met een komma, dan weer met een punt, en moet je er niet zeker voor zorgen dat zo'n regel niet eindigt met een afbreekstreepje, zoals in de volgende vijf van de in totaal twaalf gevallen (het boek telt in totaal eenenvijftig hoofdstukken):

en dan zwijg ik nog over hoofdstukken die op een linkerpagina beginnen, want zo ouderwets wil ook weer niet overkomen. Ik vond het al geen lolletje om het boek te lezen, en als het er dan ook nog zo onverzorgd uitziet, wordt mijn volhoudingsvermogen wel erg op de proef gesteld. Vergeefs.

maandag, oktober 17, 2011

MAS | Antwerpen

Op de roltrap in het MAS tijdens dat zonovergoten weekeind midden oktober; nog nooit zo snel mijn toestel uit de tas gehaald. Aangezet. Snap. Shot. En thuis pas gezien dat het - inderdaad - goed was. Meer info over dit ene werk hier.

Ga naar het MAS. Het is mooi. En heel veelzijdig.

donderdag, september 22, 2011

Begrijpelijke taal

Onlangs, om precies te zijn op vrijdag 9 september 2011 tussen 16.15 en 17.00 uur des namiddags, sprak Leo Lentz in de aula van de Universiteit Utrecht zijn oratie uit bij het aanvaarden van de leeropdracht Tekstontwerp en Communicatie. Die rede ging over zijn onderzoek naar Begrijpelijkheid als norm in de wet, zoals de ondertitel van de gedrukte versie luidt. En natuurlijk had professor Lentz het ook over wat dat wettelijk geregel n i e t oplevert aan begrijpelijke teksten. Dat is een mooi aspect van de taalbeheersing: dat je kan werken met dat zowel droef als hilarisch stemmende materiaal. Eerder genoot ik daar al van bij de oratie van Ted Sanders waarin onder andere onherstelbaar verbeterde vmbo-schoolboekteksten onder de loep kwamen te liggen. Dat de wereld nog steeds de goede kant op draait, mag wel een wonder heten, als je ziet wat er allemaal aan idiote taal geuit wordt (en dan zwijg ik nog van de waanzin die heden Algemene Beschouwingen heet).

Lentz wijst er in het begin van zijn openbare lezing op dat deze 'een waarschuwing [bevat], zoals we die in allerlei teksten vaak gemarkeerd zin met Pas op! Dat is een signaal aan de lezer dat er een of ander gevaar dreigt. Dit gevaar kan vermeden worden als de lezer de instructies nauwgezet opvolgt', en tevreden kon hij constateren dat de velen, aanwezig in de aula, de waarschuwing monter in de wind hadden geslagen, zoals lezers 'wel vaker in handleidingen die eerste bladzijden over[slaan]'. (Lentz 2011: 5)

In de buurt van mijn woonst hangt in de openbare ruimte een onbegrijpelijke tekst, met letterlijk de waarschuwing erboven die Lentz, inclusief uitroepteken, in zijn oratie noemt: Pas op! Het is een waarschuwing die ik tot op heden zonder kleerscheuren of ander malheur heb genegeerd, zoals ik ook aan de lopende band voorbijga aan de waarschuwing dat iets (en dat is tegenwoordig vrijwel: alles) gevaarlijk is voor kinderen onder de drie of zo, omdat het kleine onderdelen kan bevatten, of gemaakt is in een fabriek waar ook pinda's worden verwerkt, of gluten.

De hoofdtitel van Lentz' oratie luidt: Let op: Begrip verplicht! 'Let op' beduidt hetzelfde als 'Pas op'. Het deel van de hoofdtitel dat tussen de waarschuwing en het uitroepteken staat, kan ik wat moeilijker kwijt bij dat bordje in mijn werkelijkheid: Begrip verplicht. Of: het kan wel verplicht zijn, maar ik begrijp niet wat de bordjesschrijver bedoelt met het pleonastisch intrappen van wat volgens mij een open deur is.


Waar heb je nou machines voor? Wat is daar handig aan? En dan nog: er staat een volkomen Bokito-proof hek om die machine heen; je kunt er niet bij in de buurt komen als je het al zou willen.

zaterdag, september 17, 2011

Taalvondst

In zijn recensie van de debuutbundel van Ellen Deckwitz, De steen vreest mij, betoont Guus Middag zich blij-verrast door een taalvondst in deze regels:

Hij knikt, gelooft niet
dat er in mijn ballpoint
ook een kogel zit.

De kop boven de recensie luidt dan ook: 'De balpen als schietwapen', maar verder vindt Middag de bundel vooral vaag, zoals blijkt uit de ondertitel van zijn stuk: 'De dichterlijke geheimspraak van Ellen Deckwitz'. Wel maakt één gedicht hem nieuwsgierig naar de volgende bundel van deze dichteres die tot nu toe vooral bekend is van poëziepodia, voordrachtspoëzie, slams; aanstaande zaterdag treedt ze op tijdens de Nacht van de Poëzie.

Naar aanleiding van de hier geciteerde regels zegt Middag onder andere: 'Iedereen weet, of kan weten, dat er voorin een balpen een heel klein, in inkt ronddraaiend balletje zit'. Inderdaad. 'Daarom heet de balpen (of ballpoint) ook balpen (of ballpoint). Inderdaad. En, voegt Middag eraan toe: 'Het is een geweldige vondst voor een schrijver om bij dat balletje aan een kogel te denken.' (NRC Boeken 16 september 2011, p. 10)

Maar, dacht ik, als die Deckwitz nou eens Duitse wortels heeft (haar familienaam zou erop kunnen duiden), zou ze dan niet het woord 'Kugelschreiber' in haar woordenschat hebben gevonden? En, dacht ik, heette de balpen ook in het Nederlands niet kogelpen?

Een blik in het digitale WNT sub 'balpen' bleek een schot in de roos, en dan vooral het volgen van de link naar het etymologisch woordenboek waarin staat opgetekend: 'De leenvertaling kogelpen [1960; M.H.] (< Duits Kugelschreiber) is een tijdlang gepropageerd als de juiste Nederlandse term, maar wordt vrijwel uitsluitend in België gebruikt.'

Leuk is dat: wat voor de één niet meer is dan het oppoetsen van een in onbruik geraakt synoniem voor een alledaags woord (of het opdelven van een in onbruik geraakt neerlandisme, herstel: purisme), is voor de ander een dichterlijke taalvondst. Ik denk namelijk dat Middag bedoelt dat Deckwitz een neologisme heeft gedicht (hij ziet in haar bundel 'een duidelijke voorliefde voor zelfgemaakte rare woorden', zoals 'bladerpilaar' en 'letselsterfte'), terwijl ik denk dat ze iets gevonden heeft wat in de taal klaar lag, verscholen lag, erin verstopt is geraakt door onbruik.

Toch weer een illustratie van het belang van de lezer bij het tot stand komen van poëzie. Als duizend lezers dezelfde bundel lezen, lezen ze misschien alle duizend toch een andere bundel.

zondag, september 11, 2011

Poëzie in de openbare ruimte


Altijd al gedacht dat je geen poëzie kan lezen als het hard waait, maar bij een gedicht van Robert Anker is het echt onmogelijk. Info hier.

zaterdag, september 10, 2011

Weinig letters, veel geschiedenis

Eindelijk eens diep gegaan met de Open Monumenten Dag. Een paar meter onder het hedendaagse maaiveld gekeken naar dat van de Romeinen een twintigtal eeuwen terug hier ter stede.


Onder andere. En hoe mooi is het dan om, na eerst naar omlaag te hebben gekeken, vervolgens de blik omhoog te richten langs een bouwwerk van eeuwen later, dat er eeuwen later nog steeds staat, waar ik bijna dagelijks langs fiets, alsof het er niet toe doet.

Dat - en zo kwetsbaar - is cultureel erfgoed (zie ook de NRC van vandaag, katern Wetenschap, over het doolhof van het digitale erfgoed).

dinsdag, augustus 16, 2011

Motto

Een staartje vakantie gedaan in The Cotswolds: wandelen, wandelen en nog eens over allerlei public footpaths en bridleways , over lanes en drives en soms ook tarmac roads, dwars door fields en over fences via stiles, zonder nadere overpeinzingen bramen plukkend bij de vleet en met felrealistisch gevaar ook voor eigen leven.

Maar één dag, terwijl autochtonen hun eigen hoofdstad met een flinke vlek op het blazoen wisten te verrijken, hebben we doorgebracht in Oxford, samen met duizenden Belgen, Duitsers, Fransen, Italianen, Japanners et tout le monde onder een vrolijk zonnetje.

In een donkere doorgang in één van de gebouwen van de Bodleian Library zag ik het wapen met motto van de universiteit van Oxford staan: Dominus illuminatio mea. De tekst is de aanhef van Psalm 27. Is het nou universitair chauvinisme dat ik Sol iustitiae illustra nos mooier vind, vooral dat nos, vergeleken met mea?


Yes, we zijn weer thuis, het nieuwe seizoen is geopend, de verlichting gaat weer aan.

zondag, juli 31, 2011

Vakantielectuur

Weer geen poëzie meegenomen op vakantie dit jaar, maar toch in de dichtkunst terechtgekomen. We hadden, na een weekje Gardameer, de tenten opgezet in Montegrotto Terme om vandaaruit Venetië te kunnen bezoeken. Wat we gedaan hebben ook. Dom, want dat laatste doen er meer in de zomervakantie.

Venetië is, behalve van mensen, vol van kunst en dus ook van (referenties aan) poëzie.
Pax tibi Marce Evangelista meus,
de heer bekeek Carpaccio's leeuw,
zoals die grommend met geheven vleugels
de rust in de lagune gebiedt. Of hij
de barken van de dood ook ziet?

Dat schreef Huub Beurskens in 'Charme' in 1988 (opgenomen in Bange natuur en alle andere gedichten tot 1998. Meulenhoff, Amsterdam 1997, citaat op p. 162). Zijn ik-figuur zit er op een ochtend 'in hemdsmouwen bij' op een terras: 'De cameriere loopt te geeuwen,/ cinzanorood staan zijn parasollen/ op de dag geschreven'.

Andere tijden; nergens rust nu aan de lagune; we konden over de koppen lopen op het San Marcoplein en in alle andere straten en stegen. Wel zag ik, vanuit een volgeperste waterbus, een spandoek met 'On first looking into Chapman's Homer.' Wat dat doek, en eventueel Keats in andere tijden, daar deed, moet ik nog uitpluizen.

Een blik op de kaart leerde dat Arquà Petrarca in de buurt van de camping lag; dus kon ik treden in de voetsporen van C.O. Jellema. Leuk, want in zijn gedicht dat de naam draagt van die vlek, lijkt het of Jacques Perk en Mathilde Thomas toch getrouwd zijn.
Arquà Petrarca

Gelezen van hem niets. Zijn sarcofaag bekeken.
Laura alleen op school, omdat Mathilde Perk.

Voor de toerist, als elk dorp, lijkt ook dit tevreden,
herkent geen groten, het verdient aan een.

Mozart was, las ik, hier. Maar om de dichter
of om het ritje vanuit Padua? Als kind.

Pelde een perzik in de zin, beet gretig
zag op de grond de omgekrulde schil.

Drie dingen: dat hij, oud, in deze stilte bouwde,
omdat de heuvel leek op zijn geboortestreek;

de kat zich om zijn koude voeten had gevouwen,
toen hij gevonden werd alsof hij sliep;

zijn laatste briefje aan Boccaccio luidde
- wat Rilke noemen zou: de eigen dood -

'schrijven en kijken naar het leven is mijn leven';
drie dingen die ik nu voorgoed onthoud.

C.O. Jellema, De schaar van het vergeten. Querido, Amsterdam 1981, p. 26.

Van Petrarca heb ik ook niets gelezen, of vrijwel niets, geloof ik; het mag in ieder geval geen naam hebben. Zijn sarcofaag heb ik nu ook gezien, maar dat was geen genoegen; wat een lillik ding.


Dat ze aan deze grote geest proberen te verdienen, is duidelijk. Alle wegen leiden, lijkt het, naar dat huis, en zelfs het restaurant heet dan maar De Laura.


Petrarca's huis kan bezocht worden, maar dat kost wel een euro of wat. En zonder die poen mag je er niet eens foto's van maken als je eenmaal door de eerste poort getreden bent. Ik heb mijn geld bewaard voor een heerlijke gelato.

Topografisch onbenul als ik ben, werd ik op de terugweg door Duitsland tussen Garmisch-Partenkirchen en München verrast door de aanwezigheid van de Starnberger See, en heb me vervolgens suf zitten piekeren hoe het begin van The Waste Land ook weer ging.

Ah, nu ik het opzoek, weet ik het weer: 'Summer surprised us, coming over the Starnbergersee / With a shower of rain.' Maar eenmaal in München was het, afgelopen vrijdag, toch werkelijk een ongeëvenaarde, schier eschatologische stortbui, inclusief hagelstenen. Niet geloven dus, die poëzie. Klopt niet.

donderdag, juli 14, 2011

Woordenverklontering

Zit ik te lezen in goed geschreven debuutroman, Verloren vader van Sayadin Hersi, afkomstig uit Ogaden, het grensgebied tussen Somalië en Ethiopië, die sinds 1992 in Nederland woont en momenteel werkzaam is als schoolarts bij de Amsterdamse GGD (met dank aan de flaptekst), struikel ik, met mijn etymologisch getroebleerd ogenpaar opeens over een volgens de Woordenlijst volkomen correcte woordafbreking op pagina 38: tever-
geefs
. Waarom is dat niet te vergeefs, of zelfs alleen maar: vergeefs?

Op bladzij 67 staat, alweer correct volgens de Woordenlijst: hoelang.

Vreemd dat dat gewoon is. Hoegroot bestaat niet. Wel hoegrootheid. Serieus. Hoelaat bestaat ook niet. Wat is het verschil tussen hoelang en hoelaat of hoe laat en hoe lang? Net als allang, dat vind ik ook zo'n maffe woordenverklontering. En zolang. Waarom niet ook zogroot?

dinsdag, juni 28, 2011

Gort voor de domme kippen

Of je nog peulen lust? Wat lees ik daar nou weer in de NRC annex op NRC.nl? Nou dit:
“Blijft mijn buurt wel mijn buurt als er weer een kerk gesloten wordt en er een moskee wordt gebouwd? Waarom passen de nieuwkomers zich niet aan ons aan? Ze pikken toch niet de baan van mijn zoon in?”

Op deze manier verwoordt Verhagen de vrees die volgens hem breed wordt gedeeld in het land. Ten onrechte zouden dit soort huiveringen volgens Verhagen “ook door mijn eigen CDA” lang beschouwd zijn als foutieve reactie op “de snelle veranderingen in de wereld.” Volgens hem moet het CDA hierop inspringen:

“We moeten die zorgen niet afdoen als onfatsoenlijk of stellen dat je dat niet mag vinden. Het onbehagen moet ook het onbehagen zijn van een volkspartij als het CDA”.
En dat is dan vicepremier van Nederland. Die zich geen seconde afvraagt of er wel ene moer klopt van dat soort mijn- en dijnerige angsthazerij. Die er geen fractie van een seconde over nadenkt of die wereldangst ook maar enig fundamentum in re heeft.

Hoeveel kerken stonden er dan oorspronkelijk in 'mijn' buurt? Vijf, tien, twintig? En allemaal van die lelijk Cuyperiaanse kastelen? Of stond er bij nader inzien misschien al heel lang nog maar één enkele kerk, en dan niet eens in 'mijn' buurt, maar hooguit in de buurt van 'mijn' buurt, en is zelfs die ene al lang geleden omgetoverd tot shopping center of luxe appartementencomplex met goddelijke uitstraling?

En hoeveel moskeeën staan er wel in de buurt van 'mijn' buurt? In heel Nederland stonden er in 2010 453. En dat op een totaal van 418 gemeenten. Zijn dat één procent moskeeën per buurt, als u me de rekenkundige gok voor het gemak van mijn betoog even toestaat?

En klopt vicepremier Verhagens suggestie wel dat voor iedere kerk die er in 'mijn' buurt gesloten wordt er een moskee in ruil bijgebouwd wordt? Loop toch gauw een eind heen naar de buurtpomp. De Nederlandse aannemerij zou God, zo u wilt Allah, op zijn blote knietjes danken voor zo veel opdrachten. Heel die bouwfraude in een keer van de aardbodem gewist.

En als je, Maxime, dat zo verreselijk erg vindt voor 'jouw' buurt: ga dan massaal met 'jouw' CDA-ers weer als een haas aan het ware gristelijke geloof en laat die klokken weer beieren, stamp die banken vol, knijp de kat in het donker van de consistorie en loof en prijs de HEERE dat het een aard heeft en laat de heidenen een heilige poep ruiken.

Maar als je toch zo druk bezig bent, Maxi, blijf, alsjeblieft, uit mijn buurt.

Lust je nog...

Peultjes. Inderdaad. 200 gram, klasse 1, uit Kenia. Albert Heijn.
Achterop het zakje:
Bereiden: puntjes en eventuele draden verwijderen en wassen. Koken: in een bodempje water met een snufje zout in circa 5 minuten beetgaar koken.
Nou, werkelijk: die beetgare puntjes en eventuele draden zijn niet te eten. En zonde om dan al die peulen weg te gooien.

woensdag, juni 22, 2011

Recht zo die gaat | Zeeman Marsman

Gejat van: http://www.kb.nl/nieuws/2011/werkman.htmlIk ben niet zo van de ingezonden brieven; die zijn soms zo frikkerig; maar vandaag begonnen de vingers van de schrijfhand toch te jeuken. Ik las, terwijl de koffie langzaam druppelend uit de automaat mijn mok in droop en de damp geur werd, het volgende in de Volkskrant:
KB verwerft 'druksels' Marsman en Werkman
BOB WITMAN − 22/06/11, 00:00
AMSTERDAM - Een drukwerk uit 1942, gemaakt in een oplage van twaalf exemplaren, met een gedicht van Hendrik Marsman en vormgegeven door de Groningse typograaf en kunstenaar Hendrik Werkman (1882-1945), is aangekocht door de Koninklijke Bibliotheek (KB). Het geldt als een zeer zeldzaam en kostbaar werk. De bibliotheek doet geen mededelingen over de verwervingskosten.
Dat was het nieuws waar ik van opkeek. Maar waar ik van grimmelde was de volgende alinea, en daarvan vooral, nee: alleen de tweede zin, en ook wel de alinea (of: zin) erna:
De KB noemt de aankoop een 'prachtige aanvulling' op de reeds bestaande collectie van Werkman en Marsman. De dichter / zeeman Marsman verdronk in 1940, vier jaar na publicatie van zijn belangrijkste gedicht Herinnering aan Holland.

De Zee is een van zijn laatste werken.
Sinds wanneer staat Hendrik Marsman bekend als dichter/zeeman? Is dit een cynische verwarring van onkunde en half verwerkte biografische gegevens, of zijn er echt zo veel zeemansgedichten van Marsman die ik steeds maar over het hoofd heb gezien?

Toch maar de inhoudsopgave van het Verzameld werk erbij gepakt (4e druk van de dundrukeditie, Amsterdam 1979). Op pagina 75 eindelijk beet: 'Zinkend schip'. Louter beeldspraak: 'De avond daalt; / een zinkend schip.'

Vier bladzijden verder ligt een lyrisch 'ik' onder de titel 'Twee meeuwen' 'beneden / aan den voet der duinen'; een landman, dus.

Dan moet dertig bladzijden verder het antwoord te vinden zijn in 'Lezend in mijn boot', maar helaas: 'ik was / in mijn roeiboot de plas / opgegaan en liet mij drijven'. Een zoetwaterrecreatiematroos die 'het verhaal van den Vliegenden Hollander las.'

Dan maar 'De boot van Dionysos', het tweede onderdeel van Tempel en kruis? Nou, dat is meer zoiets als wat Adriaan Roland Holst over zijn Wilde kim zei: er zit meer wijn dan zeewater in. En dan nog: daar gaat het over 'het blauw verschiet der blinkende rivieren', over 'het glinstrend water' en 'de schoeiing van basalt'. Een Hollands rivierenlandschap. Geen zee te bekennen, tenzij een overdrachtelijke.

Blijft over het laatste onderdeel van diezelfde bundel (of: van datzelfde lange gedicht), 'De zee', dat geen zelfstandig gedicht is, maar een onderdeel van Tempel en kruis, een onderdeel dat er eigenlijk niet uit losgemaakt kan worden omdat het de verwoording is van de conclusie die de hoofdfiguur van dat gedicht trekt uit een zeer uitgebreide reeks overwegingen en overdenkingen in de eraan voorafgaande vijftig gedichten. Maar dan nog: die zee daar heeft niets te maken met Marsmans zogenaamde zeemanschap, maar alles met de metafoor van de Middellandse zee als bron van de West-Europese beschaving, die Marsman anno 1939 naar de gallemiezen zag gaan maar die hij voor alles en ondanks alles wilde behouden en behoeden.

Nieuw ook was me het gegeven dat 'Herinnering aan Holland' het 'belangrijkste' gedicht van deze dichter zou zijn. Zijn bekendste wellicht, en tevens het gedicht dat veelal ten onrechte 'Denkend aan Holland' wordt genoemd, bovendien het meest op T-shirts, kussenslopen, servetten en plinten gereproduceerde gedicht. Maar 'belangrijk' als in: van literair-historisch belang, dat waren toch veeleer gedichten uit zijn eerste bundel, Verzen, gedichten als 'Verhevene', 'Vlam', 'Heerscher', 'Fort' of vooruit, er komt een boot in voor, 'Hiddensoe':

Bronzen boot

de sprong
uwer flanken
stoot
een mes
in den nacht

zilvren dood

maan
die de dolk
van den boeg
aan den muur
van den nacht
tot scherven
sloeg

schuim

flarden bloed

maandag, juni 06, 2011

Nieuwe media mix | Gadget | Must have


Hoge resolutie tekstscanner (dpi quite sufficient), geïntegreerd met krachtige, megaMB™ tekstverwerker en ondersteund met mail- en SMS-diensten, draadloos blauwtand appliceerbaar op Mac en Pc, mits voorzien van autonoom verbeeldding.

zaterdag, mei 14, 2011

Ter gelegenheid

van de verjaardag van Albert Verwey (15 mei 1865 - 8 maart 1937) en om de goede voortgang te vieren van het project Correspondentie Albert Verwey 1880-1895 heeft Annemarie Kets afgelopen vrijdagmiddag een partijtje georganiseerd in het Allard Pierson Museum en de Bibliotheek Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam aan de Oude Turfmarkt. Een leuk initiatief, omdat al degenen die op welke wijze dan ook medewerk(t)en aan dat project en/of gebruik maken van de resultaten (onder anderen Madelon de Keizer, die een nieuwe biografie van Verwey schrijft), in principe veelal in barre eenzaamheid van achter zijn/haar eigen computer met de brieven van en aan Verwey werkt in het digitale tekstlaboratorium e-Laborate; nu kon iedereen al die anderen (weer) eens in het echt zien en spreken en gedachten en inzichten in vivo uitwisselen.

Bart Slijper vertelde over zijn Kloosbiografie (in-wording), met bijzondere aandacht voor de relatie tussen Kloos en Verwey. Vervolgens leidde Klaas van der Hoek, conservator handschriften van de Universiteitsbibliotheek, de gasten rond door de koele bibliotheekmagazijnen en liet tal van originele documenten en boeken met opdrachten van Verwey zien en twee van zijn copyboeken, plus (weer eens iets anders dan de fez van Perk en de sigarenpeuk van Kloos in het Letterkundig Museum) een bureaulamp en een vulpen van Verwey.

Zoals past bij een verjaardagsfeestje was er ook aandacht voor vloeibare parafernalia en minder verheven kout.

zondag, mei 08, 2011

Dat zet geen zoden aan de dijk


(jongstleden zaterdag, Selexyz, Utrecht)

Eventjes een Nederlandse song text (?) uit 1989 lichtelijk adapteren:

juffrouw van de [boeken]winkel
denk nou niet - alweer zo'n kinkel
die hier in uw bak komt zitten grutten
en op een kruk gaat zitten dutten
met zo'n grote [leesbril] op
en iets kopen? njente - nop!
juffrouw u weet toch dat ik niet zo ben
u wilt toch niet beweren dat u mij niet herkent

dat ben ik - in de uitverkoop
dat ben ik - op de grote hoop
profiteer - bijna gratis
niemand weet wat dat voor [boek] is [ay, jammer van dat oorspronkelijke dubbelrijm]
mijn hele ziel en zaligheid
aan de straatstenen niet kwijt
dat ben ik - op de grote hoop
rijp voor de sloop
in de uitverkoop

en zo voort en zo verder. Van De Dijk, 'uitverkoop' op Niemand in de stad.

Dat boek van en over Perk is al weet ik hoe lang 'in prijs opgeheven', zoals dat geloof ik heet en het staat in vol ornaat op DBNL. Dan is het toch weer verrassend nog een stapeltje tegen te komen.