donderdag, januari 15, 2026

De mislukking

Of het verstandig is, weet ik niet, maar op 13 januari 2026 kocht ik deel I van de biografie van Willem Frederik Hermans, Willem Otterspeers De mislukkingskunstenaar (De Bezige Bij 2013), over de jaren 1921-1952.

In de kasten met tweedehands boeken op de eerste verdieping van boekhandel Het colofon hier in Arnhem was ik op zoek naar iets anders, een willekeurige roman van Dola de Jong. Mirjam van Hengels schitterende biografie Dola (De Bezige Bij 2022) had ik net uit en een plek gegeven op de biografieënplank van mijn huisbieb, vlak naast haar Ganzentijd (De bezige Bij 2025) al is dat niet echt een biografie en zeker geen schrijversbiografie. Haar Campert-bio, Een knipperend ogenblik (De Bezige Bij 2018) las ik, zij het niet helemaal, digitaal, dus die laat zich niet op een echte plank zetten, hoewel een plek op de figuurlijke zeer verdiend zou zijn, ware het niet dat ik slechts op één plank ruimte voor bio’s heb gereserveerd. Die plank is bomvol, onder meer doordat daar al jaren het dikke maar ongelezen deel II van de Hermans-biografie staat, De zanger van de wrok (De Bezige Bij 2015), over de jaren 1953-1995. Ik ga toch zeker niet het tweede deel van een biografie lezen zonder het eerste ervan te kennen.

Andersom lukt wel: na het eerste deel van de biografie van Van Deyssel, Harry Pricks In de zekerheid van eigen heerlijkheid (Querido 1997, 1080 bladzijden), was ik echt niet meer in staat het tweede zelfs maar te lenen of aan te schaffen, laat staan open te slaan en te lezen. De twee delen van de Van Eeden-biografie van Jan Fontijn las ik wel (Tweespalt en Trots verbrijzeld, Querido 1990 resp. 1996, samen een schamele 1265 bladzijden) en in de juiste volgorde (steeds gekker).

Het tweede deel van het WFH-biodiptiek had ik ooit in een opwelling voor een appel gekocht, en zie: nu heb ik eindelijk het eerste deel erbij, voor een ei. Het geheel is formeel zoals dat heet: tweedehands, maar in feite spiksplinternieuw en ongelezen; de leeslinten lagen bij aanschaf nog in haastige boekbindersplooien vanuit het midden van de rug tussen omslag en schutblad gefrommeld. En daar zat ik dan, met (862+1150=) 2012 bladzijden biografie van een notoire brompot, geschreven door iemand van wie ik nou niet direct denk dat-i er een veel opgewekter humeur op nahoudt. Maar ja, Hermans, hè, een van De-Grote-Drie, hè... zeggen de tot in hun literair-historische typeringen diep-christelijke literatuurders. Van geen van de andere drie à vier Grote-Drieërs – Claus, Mulisch, Reve, Wolkers – las ik de biografie, trouwens. Dus: exit die smoes-motivatie voor het lezen van dat soort studies; er is waarschijnlijk wel sprake van een zekere vorm van professional peer pressure. Misschien overheerst in dit geval een milde vorm van sensatiezucht. WFH was immers een raspolemist en beroepsschoffeerder. Wat voor een karakter kan daaraan ten grondslag hebben gelegen?

Opmerkelijk aan deel I is dat de pagina’s 785 tot en met 836 vol staan met noten, met 1137 noten, wat neerkomt op 1,4 noot per pagina van slechts een half levensverhaal dat 31 jaar beslaat. In de bio van Dola de Jong plaatst Van Hengel in minder dan 280 bladzijden tekst geen enkele noot, het andere uiterste; wel staat achterin een algemene verantwoording van de bronnen van het gehele levensverhaal. Een getalsmatige vergelijking van de hele bio van Hermans, die 75 jaar werd, met die van Dola, die all in 304 bladzijden telt, en over maar liefst 92 levensjaren handelt, leert dat WFH gemiddeld ruim 27 pagina’s beschrijving per geleefd jaar krijgt en Dola maar 3,3 bladzij.

Het verschil in biografische aanpak tussen beide werken moge onder meer blijken uit de enige referentie aan Dola de Jong die er in De mislukkingskunstenaar te vinden is (pagina 591):

Hermans bracht ook bezoeken aan Leo Vroman en de schrijfster Dola de Jong. Beide waren niet echt een succes, het eerste omdat hij het echtpaar Vroman onnavoelbaar excentriek vond, het tweede omdat de vertaling van het verhaal ‘Paranoia’ die De Jong hem in het vooruitzicht had gesteld niet doorging. En toen zat zijn bezoek aan New York er alweer op [...].

Het moet gezegd dat de bio van Dola niet voorzien is van een personenregister en die van Hermans wel (p. 839-875; Aya Zikken en Andreas Burnier, zo blijkt daaruit, heeft Hermans voor 1953 niet ontmoet). Het moet ook gezegd dat ik een register bij het lezen van Dola geen seconde gemist heb; dat boek positioneert zich dan ook een beetje excentrisch in het genre. Maar zodra er een ander persoon in ter sprake komt, krijgt die doorgaans wel enige context. Otterspeer schrijft over Dola de Jong niets anders dan dat zij een schrijfster zou zijn en voornemens was een verhaal van Hermans te vertalen. Dat zij inmiddels Amerikaans staatsburger was, een deels het Nederlands-, deels Engelstalig oeuvre op haar naam had, en dat zij allerlei activiteiten ontplooide om de literaire uitwisseling tussen Amerika en Nederland na de oorlog aan te zwengelen dan wel gaande te houden, geen woord erover van Otterspeer. Hermans had in New York net zo goed bij ene Richard Simmillion op bezoek kunnen zijn gegaan.

Een of ander neemt niet weg dat ook Otterspeer, met al zijn noten en het personenregister en de verantwoording en de inleiding over de (of deze) biografie onmiskenbaar een persoonlijke visie op het leven en karakter van Hermans neerzet, niet alleen een feitelijk relaas. Heel het boek is erop (in)gericht om aan te tonen dat Otterspeer gelijk heeft met zijn typering van de schrijver als een mislukkingskunstenaar; de biograaf noemt zijn biografie dan ook terecht zelf ‘een monomaan boek’.

Dat een schrijversbiograaf het literaire oeuvre van de betreffende auteur niet kan negeren, lijkt me op z’n zachtst gezegd evident. Maar de wijze van omgaan met dat werk staat naar mijn inzien nog wel ter discussie. Otterspeer springt heel erg luchthartig om met Hermans’ werk als materiaal voor zijn biografie:

Pa Hermans moet menigmaal met fierheid verhaald hebben van het geschiedenisonderwijs dat hij van [Joh. H.] Been genoot. Althans, de vader van Richard Simmillion deed dat [...].

Richard Simmillion, voor alle duidelijkheid zeg ik het er nu even bij, is de verteller en hoofdpersoon van Hermans’ naar hem genoemde, postuum uitgegeven onvoltooide autobiografische roman (2005), van een werk van fictie dus. Simmillions vader was inderdaad niet de bedoelde Johan Hermans. Van enig ‘moeten’ kan hier dus geen sprake zijn. Toch is dat een werkwoord dat Otterspeer hier maar ook elders inzet om een veronderstelling om te buigen naar een feitelijk gegeven, ook als er geen bron voor lijkt te zijn: 

Zij [Johan Hermans’ aanstaande vrouw, Rika Eggelte] moet hem bij die gelegenheid [hun verloving in 1911] een zilveren houder voor luciferdoosjes geschonken hebben, uitgevoerd in de stijl van de Wiener Secession waarop haar zoon later zo dol zou zijn.

Zo staat het er, met weer een dwingende ‘moet’, op pagina 45. De lezer heeft nog zo’n 740 bladzijden en 41 jaar van Hermans’ leven de ruimte om uit te zien naar de tijd waarin de zoon metterdaad dol blijkt te zijn op deze zilveren houder voor luciferdoosjes, uitgevoerd in de stijl van de Wiener Secession; er is geen zakenregister aanwezig. Het zilveren ding blijkt genoemd te worden ‘in een mooi melancholisch verhaal’ (wellicht een knipoog naar de welgeïnformeerde Hermans-kenner).

Gegevens over de moeder van de schrijver, en over haar naaimachine, ontleent de biograaf, zo blijkt uit noot 46, botweg aan de verhalenbundel De laatste roker. Netjes, die noot, met daarin de drie paginanummers waar de betreffende citaten te vinden zijn. Maar zou, vergelijkenderwijs, Wim Hazeu als biograaf van Gerrit Achterberg aan het gedicht ‘Beau lieu’ in Spel van de wilde jacht ontleend mogen hebben dat het witte kasteel van de baron Van Lynden van Sandenburg een balkon en regenpijpen had, of moest hij daarvoor toch echt even een reëel ommetje maken naar het landgoed aan de Langbroekerwetering waar de dichter in 1905 in de koetsierswoning achter de oranjerie geboren werd?

We zien hier bovendien hoe diep Otterspeer in de familiaire buidel tast in een bizarre poging om het leven van de schrijver te beschrijven, beuzelachtige veronderstelde feitjes over diens fictieve vader en reële moeder daarbij niet uit de weg gaand, gegevens van vergelijkbaar biografisch belang als het loze onderhoud dat Hermans in New York had met de Vromannetjes en met De Jong anno 1948.

Dat Otterspeer in deel een van zijn verhaal een dikke duizend keer naar een bron verwijst, maakt wat mij betreft zijn betoog niet betrouwbaarder, zeker niet waar hij verwijst naar materiaal uit het Hermans-archief, want dat is voor de gewone mens vooralsnog onbereikbaar opgeslagen in het Literatuurmuseum. En dan nog, we mogen er toch op vertrouwen dat een biograaf correct citeert? Het probleem zit niet in de citaten, maar in de wijze waarop de biograaf ze inzet. 

Otterspeer gaat met zijn feiten en Hermans’ teksten om als waren het gedresseerde zeehondjes. Twee bladzijden na de passage over de vertaling van ‘Paranoia’ die niet gemaakt werd door Dola de Jong, noteert hij (en ik schenk de lezer even de precieze context):

‘Hundertwasser’ is geen Simmillion-verhaal, het is niet autobiografisch. En zelfs met autobiografie moet een biograaf op zijn hoede zijn. Toch moet er iets dergelijks gebeurd zijn.

Met ‘toch’ denkt de biograaf het gat tussen een en ander, tussen feit en fictie te lappen. Het ‘moet’ volgens hem zo zijn. En na nog een zin begint hij de erop volgende alinea doodleuk met: ‘Hoe het ook zij, [...].’ Wie es eigentlich gewesen, dat te achterhalen, is toch precies een belangrijk deel van de opdracht van de biograaf? De stoplap, ontleend aan de spreektaal, wordt hier ingezet als een amateur-postmodern anything goes dat een biograaf mijns inziens niet voegt. ‘Mijn moeder heeft al haar kasten op slot’, citeert de biograaf op pagina 66 schijnbaar de auteur, maar de dienstdoende noot verwijst naar een (personage in een) roman als bron, Ik heb altijd gelijk. Ja, ja.

‘Als alles wat hij in ‘‘Elektrotherapie’’ schrijft teruggaat op geleefde werkelijkheid, bouwde hij [...] een ultrakortegolfzender’, noteert de biograaf op pagina 71 over de tienjarige WFH, om vervolgens een anekdote op te dissen over ene Ronald, inclusief een verwijzing naar het notenapparaat naar een bron, namelijk het verhaal ‘Elektrotherapie’. Kennelijk is aan de voorwaarde die genoemd werd in de bijzin zonder meer voldaan, zonder er een woord aan vuil te maken dat een literair verhaal van Hermans wel iets anders is dan het leven van Wim. Verder lijkt de biograaf Hermans ook op zijn woord te geloven wanneer hij later, in zijn volwassen leven van gevierd schrijver herinneringen ophaalt aan zijn jeugd in interviews en memoireachtige geschriften. Zo, zo.

Aldus ontstaat, met alle dank aan de beschrevene zelf, het aandoenlijke beeld van een geïsoleerd en geniaal kind dat door de wereld om hem heen niet begrepen werd maar omgekeerd de wereld van de grote mensen om zich heen ook niet begreep (intelligent maar niet verstandig, meen ik dat de biograaf hem ergens typeert). Op zich niets bijzonders, lijkt mij. De vraag blijft onbeantwoord hoe het kon zijn dat zo’n jeugd in dit geval tot een volgens velen groot schrijverschap heeft geleid. De biograaf had er wellicht goed aan gedaan wat rond te lezen in Het drama van het begaafde kind van Alice Miller, een boek waar Van Hengel aan refereert in Dola; Otterspeer komt op eigen houtje niet verder dan Hermans’ amateur-psychologische privé-ideeën en z’n eigen inzichten in de menselijke geest, die blijkens een olijk ‘Er is weinig psychologisch inzicht voor nodig om [...]’ (p. 50) niet al te diep steken.

Ik maak even kortsluiting en meld dat er in mijn achterhoofd iets bleef zeuren over gedoe met de Hermansbiografie (vandaar ook mijn referentie aan het veronderstelde humeur van de biograaf en aan mijn twijfel of de aanschaf van De mislukkingskunstenaar een goede zet was, zeker gelet op mijn jarenlange onwilligheid om om in het tweede deel van de biografie een blik te werpen). Mijn geheugen werd danig opgefrist toen ik, aanbeland op pagina 72, toch maar eens wat recensies ging zoeken. Een volstond. Deze. Blijkt dat ik intuïtief een goede titel boven dit bericht had geplaatst.

Of ik de lezer hierna nog lastig val met mijn aantekeningen bij mijn verdere lectuur, staat nog te bezien, net zoals mijn verdere lectuur.


Geen opmerkingen: