dinsdag, februari 14, 2017

Lezen na de Nacht

Terwijl collega Kila van der Starre van talkshow naar dagblad rent om haar website straatpoëzie te promoten die ze heeft ontwikkeld in het kader van haar onderzoek naar Poëzie buiten het boek, trek ik me een keer per week terug in het Literatuurhuis om met vijftien andere belangstellenden binnenskamers, bij wat thee of koffie en koekjes, dichtbundels te lezen. Iedere week een bundel, steeds de laatste bundel van een dichter die optrad op de afgelopen Nacht van de Poëzie. We gaan dus eigenlijk juist van buiten naar binnen het boek.

Gisteren stond Ontsnappingen van Eva Gerlach op het programma. En per week wordt de dichter/es jonger, tot we aan zijn gekomen bij Marieke Rijneveld. Als het doorgaat zoals het begon, zitten we gebeiteld, want de bespreking van het tweede deel van Gerlachs drieluik Labyrint (na een uitgebreide kennismaking met ieder en ieders favoriete bundel en gedicht de week ervoor) was mijns inziens erg geslaagd.

Dat kan heel goed met een zeer gevarieerde groep gretige lezers, van zeer ervaren tot schuchter maar  nieuwsgierig. Er werden opmerkingen, vragen, inzichten, problemen, associaties, voorstellen aangedragen uit allerlei windrichtingen, en - misschien ging dat extra goed door de structuur van Ontsnappingen - die lieten zich wonderwel construeren tot een steeds helderder licht op dit deel van de dwaaltuin. Reuzeleuk, temeer daar we vertrokken waren vanuit een ietwat depreciërend gemompelde kwalificatie 'cryptogram' (nu ik dit tik, denk ik: dat is misschien juist een mooi talig equivalent van labyrint).

We hebben ook de Nacht-voordracht door Gerlach erbij betrokken; bij de Nacht is het immers begonnen. En terwijl wij ons braaf beperkten tot wat er in het boek staat, op de bladzijde, alsof het ergocentristisch close readen nog in volle wasdom is, begon me daar de dichteres via de beamer toch een autobiografische toelichting te geven bij (het ontstaan van) het gedicht 'Tape'... Dat zou ontstaan zijn uit een vlaag van blinde woede. Luister maar, bij minuut 3.44:


Het gedicht doet het volgens ons echter prima zonder die verklaring. Je zou zelfs (maar nu praat ik alleen namens mijzelf) kunnen zeggen: van die blinde woede is in het gedicht eigenlijk niets (meer) te merken. Tussen aanleiding en resultaat is dan wel wat gebeurd. En dat geldt zowel voor het resultaat op papier als dat in de voordracht. Misschien was het ook nooit de bedoeling die woede te uiten, wel om er 'iets' mee te doen. Noem het sublimeren.

Gerlachs voordracht viel me om nog een andere reden op. Die voordracht is zeer onderkoeld, misschien zelfs vlak. Soms dacht ik dat ze haar eigen gedichten niet altijd recht doet. Op neutrale toon leest ze bijvoorbeeld 'Kippen' voor, het tweede gedicht uit de reeks 'Rina'. Het gaat over het slachten, meer nog over het handmatig, hardhandig wurgen van kippen. Alles heel onderkoeld (weer) beschreven. En na die bloederige handleiding klinkt het droog, om niet te zeggen komisch: 'Plukken kan ze ook heel goed.' (de laatste strofe, vanaf minuut 1:47). Maar het komieke - en daarmee de opluchting - zet ze niet aan, maakt ze niet theatraal, bijvoorbeeld met een vette pauze. En de zaal durft, zo te horen, haast niet te reageren. Laat staan te lachen.

Interessanter nog (naast de variant 'bewaard' voor 'behoed' in regel 4 en naast de vraag hoe je een cursivering als in de slotregel realiseert in een voordracht) dat Gerlach haar poëzie leest als was het proza. Regel- en soms ook strofe-eindes verdwijnen in de almaar voortgaande woordenrij van de zin. En in 'Tape' gaat dat ten koste van een enjambement dat op papier naar mijn idee juist een mooi, betekenisverschuivend effect heeft. Zie het begin van de derde strofe, luister vanaf minuut 4:25.

Het gedicht draait om de discussie of vergevorderd sterfelijk leven wel of niet 'genezen' moet worden, of gelapt, om eens een ouderwets woord te reanimeren. In die discussie is de uiting 'Wat stuk is, koester het' een wezenlijk andere dan 'Wat stuk is, koester het niet langer dan het vraagt.' Het enjambement laat zien hoe dicht de standpunten bijeen liggen, in een en dezelfde zin zelfs, maar ook hoe groot de afstand ertussen is.

Overigens kwamen we erachter dat een boek ook maar een boek is. Van het gedicht 'Pas' had iemand een veel kortere versie dan alle anderen. In de derde druk van de bundel. Een dichter zit nooit stil. Ook dat droeg ertoe bij dat we nog lang niet uitgelezen waren toen de avond voorbij was.


maandag, februari 06, 2017

Als Twitter vraagt: Wat houdt je bezig?

(en dat is wat Twitter vraagt), dan wil ik soms antwoorden: onbegrijpelijke, dan wel onnavolgbare zinnen in beschouwingen van literatuur, die houden mij bezig. Zoals deze voltreffer, die ik omwille van de depersonificatie een beetje aanpaste:

'Op bijzonder invoelende wijze volgt [X] het spoor dat de mens nalaat om te komen tot waar hij wil bestaan.'

Maar ik krijg zoiets nooit van mijn leven in 140 'posities' gewrongen. Zeker niet als ik 't wil uitleggen. Dan maar hier, dus.

1 De bepaling 'invoelend', op zichzelf bezien mijns inziens al een beladen kwalificatie in besprekingen van literatuur, want: hoe kan je weten of de dichter iets voelt? En hoe of de dichter iets invoelt? Wie heeft ooit bedacht dat er naast voelen ook invoelen zou nodig zijn? Maar toch is de contaminatieve bepaling 'invoelend' kennelijk niet genoeg. Ze wordt hier opgepompt met: 'bijzonder'. Dus als ik denk dat het niet voldoet om te zeggen: 'Op schrompse wijze', maak ik daarvan: 'Op bijzonder schrompse wijze'. Dat zet de domme recensielezer mooi op zijn of haar plek.

Men zou ook kunnen zeggen: 'Goed', of, als dat te zwak zou zijn: 'Bijzonder goed.' Dus: 'Bijzonder goed volgt [X] het spoor dat de mens nalaat om te komen tot waar hij wil bestaan.'
Even daargelaten dat er geen echte sporen zijn, maar dat [X] slechts de sporen volgt die hij/zij zelf had uitgezet in dezelfde fictie als waarin zij/hij ze volgt.

Om kort te gaan: op normaal-(in)voelende wijze gevolgde nagelaten sporen zijn er kennelijk al genoeg, en die kunnen, naar het zich laat aanzien, niet dienen tot loftuiting van de besproken poëet.

2 Hoe gaat dat eigenlijk, dat (al dan niet bijzonder) (in)voelend een spoor volgen? Of: hoe gaat daaraan tegengesteld het (al dan niet bijzonder) klakkeloos of (idem) veronachtzamend een spoor volgen in zijn werk?

3.a We struikelen, al invoelendtaalspoorvolgend, niet over de - sinds de beroemde roman van Marcellus Emants bijzonder struikelwaardige - ambiguïteit van het woord 'nalaten', want dat zou te gemakkelijk zijn als kritiekpuntje. 'Nalaten' is hier niet 'niet-achterlaten', of 'verzuimen (achter te laten)', maar: 'achterlaten'.

3.b We zeuren er ook niet over dat je met sporen normaliter maar twee dingen kunt doen: achterlaten, of (eerst achterlaten en dan) uitwissen (en in het laatste geval zijn het eo ipso geen sporen meer).

4 Welk mens heeft er ooit een spoor achtergelaten (zie 3.a) om, dat wil zeggen: om wille van, met het doel om, tot iets te komen? Heeft ooit een kat zijn kleine stempelkussentjes achtergelaten met het doel tot de melk, ooit een Pink Panther zijn grotere dito's, om tot de diamanten te komen? Neen. Dat spoor was een onwelkome bijkomstigheid in het licht van het beoogde doel. Een beetje kat, zelfs een amateur-Panther, weet dat je naar iets toe moet gaan om er te komen, als het niet naar jou toe komt, maar dat je, als je het stiekem wilt doen, juist geen spoor moet 'nalaten'; je moet dan juist nalaten een spoor na te laten, namelijk om niet ontdekt te worden en om vervolgens vrijuit te gaan.

5 Wat, in godes, of wat daarop lijkt z'n naam, moeten we verstaan onder: de plaats 'waar [de mens] wil bestaan'?

Uitslag van een onderzoek van het CBS: 75% van de Amsterdammers wil liever niet in Almere bestaan?

dinsdag, januari 24, 2017

Niet blij

Gisteren was het al uitverkocht bij boekhandel Bijleveld. Vandaag kon ik er een exemplaar kopen. Nu heb ik zijn oeuvre compleet. Op In de wereld na heb ik alles gelezen. Alles. En veel gedichten, bundels, romans, verhalen en essays meermalen. En nog steeds.

Studenten kunnen ervan meepraten. Tweemaal was Robert Anker de uiterst vriendelijke hoofdgast aan het eind van een college of collegereeks. Meermaals was zijn werk onderwerp van een scriptie (ja, voor de invoering van de bachelor-master-structuur, vrees ik).

Trouwens, ere wie ere toekomt: het was Redbad Fokkema die me op Anker wees. Nooit met hem erover gesproken eigenlijk. Hoefde kennelijk niet. Geen idee waardoor dit werk nou precies aansloeg, aanslaat. Misschien mede doordat Anker ongeveer zo oud is als mijn oudste broer: hij refereert aan een deels bekende wereld, die toch net wel heel ver weg staat van de mijne, maar er een brug naar slaat.

Wat een oeuvre, wat een variatie, wat een energie, wat een stijl. In één van de colleges stond Nieuwe veters centraal; studenten die zich daarover bogen, spraken op een gegeven moment alleen nog maar in bijzinnen.

Wat heb ik veel geleerd van deze dichter en schrijver en essayist, alleen al door zijn werk te lezen (en dat 'veel' is overigens niet te kwantificeren). Bijna iedere dichtbundel, iedere roman, iedere verhalenverzameling was weer anders, afwijkend, nieuw, zeker van vorm, en toch honderd procent inhoudelijk Anker.

'Hier m'n hoofd, daar de wereld', schreef hij ooit. En nu, juist nu: In de wereld.

zondag, januari 22, 2017

Eufemismionisme als nieuwe taalziekte?

Dagelijks gaan er in mijn optiek nieuws- en andere berichten naar de gallemiezen aan de gevolgen van eufemismionisme, een vorm van taalgebruiks-obesitas die vroeger bekend stond onder de gewichtige naam causalitis gravis:
  • Hij stierf in een ziekenhuis in de hoofdstad Teheran aan de gevolgen van een hartaanval.
  • Jaarlijks sterven in totaal naar schatting 600.000 niet-rokers aan de gevolgen van passief roken.
  • Een 21-jarige man uit Putten is overleden aan de gevolgen van een ongeluk in zijn woonplaats, donderdagmiddag.
  • Kan ik sterven aan de gevolgen van MRSA?
  • De helft van de rokers overlijdt aan de gevolgen van roken.
  • Er sterven jaarlijks wereldwijd bijna 6 miljoen mensen aan de gevolgen van roken.
Onder invloed van eufemismionisme laten verslaggevers hun medemensen niet meer sterven aan een ziekte, een stoornis of een van buiten intredend onheil, maar alleen nog aan de meestal niet nader aangeduide, en mogelijk ook nergens in de werkelijkheid terug te vinden, gevolgen van een ziekte, stoornis of van buiten intredend onheil. Alsof de dood niet een gevolg zou zijn van een hartaanval, al dan niet passief roken of een ongeluk of MRSA.

Nee, opa kreeg een hartaanval, daardoor stopte zijn hart een tijdje met kloppen, waardoor er geen zuurstof meer in zijn bloed kwam waardoor zijn hart niet meer kon kloppen en daar pas door ging hij dood. Niet door de hartaanval.

Zo heb ik laatst mijn hoofd gestoten aan de gevolgen van het opstaan in de kruipruimte onder de betonnen vloer van mijn huis.

Annex, waaruit eens te meer blijkt dat er in de berichtgeving niets is met leuke gevolgen:
  • Hij stierf in zijn huis aan de gevolgen van kanker, bevestigt een woordvoerder tegenover People.
  • Kan je overlijden aan de gevolgen van coeliakie?
  • Dagelijks overlijden er 13 mensen aan de gevolgen van darmkanker.
  • Iedere 9 minuten overlijdt een vrouw onnodig aan de gevolgen van een illegale en onveilige abortus.
  • Het Britse popicoon David Bowie is zondag op 69-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van kanker.
  • Kunsthandelaren en -schilders gingen failliet aan de gevolgen van een heftige crisis.
  • Elke maand sterft er in Nederland een kind of volwassene aan de gevolgen van huiselijk geweld.
  • Ieder jaar sterven in Nederland ongeveer 2500 mensen aan de gevolgen van een kapotte lever door alcohol
  • Ja, je kunt zeker overlijden aan de gevolgen van teveel stress.
  • Man (54) overleden aan de gevolgen van val van dak gymzaal.
  • En er overlijden ook mensen aan de gevolgen van diabetes.
  • George Michael overleden aan de gevolgen van hartfalen.
  • De helft van de kinderen sterft voor het veertiende levensjaar aan de gevolgen van de ziekte.
  • Veel vrienden stierven in die tijd aan de gevolgen van aids.

zondag, januari 08, 2017

Moedwillige poging tot misverstand

Je klikt soms op een link omdat je denkt: 'Da's aardig, laat ik eens wat rondkijken.' En voor je het weet ben je via-via weer in de klem van de klantenbinding gestapt die onmiddellijk venijnig om je enkel dichtklapt. Al snel merk je, dat die bezochte site je niets te bieden heeft, niets bijvoorbeeld dan zogenaamd voordelige boeken die je zelfs in verzorgingsflat Villa Alzheim nog niet lezen zult.

Afmelden, dus. En kan krijg je dit voorgeschoteld:


De enthousiaste en kwieke uitschrijver denkt: 'Hé, dat gaat goed: onder de kop "Uitschrijven" staan precies die vervelende nieuwszeurbrieven aangevinkt waar ik me voor wil uitschrijven: versturen die handel!' Maar nee hoor, je moet de vakjes namelijk uitvinken. Let wel: uitvinken.

Hoe heet dat ook al weer: een neologisme. Zijn neologismen makkelijk te verwerken in het taalbrein? Nee toch? Nou dan! Bovendien is het contra-intuïtief als je iets niet moet markeren als je wilt dat er wel iets mee gebeurt.

Weer een goed voornemen erbij (mag dat nog?):

Word nooit lid van Elly's. Word sowieso nooit ergens lid van.

zaterdag, januari 07, 2017

Misericorde

Leuk, die sta-steuntjes aan de onderkant van de zetels in een kerkkoor (neem me deze lekenbeschrijving niet kwalijk). In de Oude Kerk van Amsterdam zag ik er laatst een stel, terwijl ik dwaalde tussen het werk van Marinus Boezem; telefoonfotootjes van enkele ervan gemaakt.

Thuis een nieuw fotobewerkingsapplicatietje uitproberend, kijk ik nog eens goed naar het schrijvertje dat, de klerk die ik meende gefotografeerd te hebben... (nooit zo maar wat kiekjes schieten, altijd aan een thema hangen).
Wat?
Een bril
En zo'n moderne bril
En geen habijt maar een colbert
En heeft-ie nou een soort dreadlocks op z'n hoofd?
Het lijkt, da's apart en bijzonder, warempel wel Stevie Wonder.

Een in deze materie thuis zijnde geleerde die ik goed ken, vertelde me dat dergelijke nieuwe onderdelen wel vaker aangebracht worden bij restauraties. En (inderdaad), in een beschrijving van de inrichting van het Hoge Koor zoals het was vóór de Reformatie (Herman Janse, De Oude Kerk te Amsterdam, Zwolle-Zeist 2004) herken ik veel laat-gotische misericorden, die ik ook gezien heb, maar deze ene staat er niet bij. Stevie Wonder zal het niet zijn; wellicht iemand die betrokken was bij een restauratie. Leuk, zo'n trompe-l'histoire, want hij staat heel quasi-middleeuws qua perspectief.

vrijdag, januari 06, 2017

Contre quoi-ou-qui

Jozef Waanders plaatste op 4 februari 2016 op De fusie een stuk over, of naar aanleiding van (de bespreking van) de vertaling van de roman Meursault, contre-enquête van Kamel Daoud (door Bas Heijne) (met dien verstande dat Heijne de oorspronkelijke roman las, Waanders de vertaling). Ik was daar wel nieuwsgierig naar, want ik had net zowel de roman als de recensie gelezen, beide tot mijn genoegen. Waanders’ stuk opent met de volgende alinea (misschien een lead, waar hij zelf niet voor verantwoordelijk is, maar toch, het is niet onopgemerkt gebleven):
Helden vallen zelden zachtjes. Misschien schreef Bas Heijne daarom over Meursault, contre-enquête, de debuutroman van de Algerijnse schrijver Kamel Daoud dat het lang geleden was ‘dat een roman mij zo’n schop heeft verkocht.’ Het boek, dat afgelopen jaar in het Nederlands verscheen als Moussa, of de dood van een Arabier, is namelijk niet alleen ‘doordrenkt van de geest van Camus’ (Heijne), maar laat zich naast hommage aan, ook gemakkelijk lezen als kritiek op de in Algerije geboren Franse schrijver als exponent van een imperialistisch wereldbeeld. Te gemakkelijk misschien, want bij zorgvuldige lezing van zowel Daoud als Camus blijkt de betekenis van Daouds novelle veel complexer en fijnzinniger dan veelal lijkt te worden gedacht. Of er wel sprake is van een ‘val’, blijft dan ook zeer de vraag. 
Het is niet veel, wat ik daarvan snap, om eerlijk te zijn. Om te beginnen snap ik het (redegevend) verband niet tussen de eerste en de tweede zin (‘Misschien […] daarom’). Hoe kan het langgeleden- zijn van een Heijne overrompelende leeservaring verklaard worden door het (veronderstelde) gegeven dat helden zelden zachtjes vallen (wat dat ook precies moge beduiden)?

Vervolgens snap ik het (redengevende) verband (‘namelijk’) tussen de tweede en de derde zin niet. Dat het boek van Daoud volgens Heijne doordrenkt is van de geest van Camus en zich volgens  Waanders ‘gemakkelijk’ laat lezen als een hommage aan én als een kritiek op  Camus, zou verklaren waarom Heijne lang geleden voor het laatst een metaforische schop heeft gekregen van een roman?

Dan vraag ik me af hoe ik het me moet voorstellen dat een boek zich te gemakkelijk laat lezen als een hommage en kritiek, en hoe dat dan weer in tegenspraak is met de complexiteit en fijnzinnigheid die groter zouden zijn ‘dan veelal [wordt] gedacht’.

Ik weet niet wat ik het ergste vind aan de warboelerige schijn-redenering in deze  intro. Misschien wel Waanders’ binnen de toch niet enge grenzen van zijn internetstuk ongeadstrueerde opmerking dat veelal’ iets ‘[t]e gemakelijk’ op een bepaalde wijze lijkt te worden gedacht gelezen te kunnen worden. Een vager en ruiziger, met meer logische groene zeep ingesmeerd opstapje naar een bespreking, las ik zelden.

Zwijg ik er nog over dat de val waarmee Waanders begint, en die lijkt op een referentie aan een (nieuws)feit, aan het eind van de alinea door hem zelf in twijfel wordt getrokken. Maar het ís een allusie op een andere Camus-roman.

Een tikkeltje wantrouwend, maar niet wanhopend, zette ik me na deze valse start aan de lectuur van het stuk, want de roman van Daoud lijkt me zo goed, dat je wel van heel goeden huize moet komen, wil je daar niets zinnigs over te berde kunnen brengen, al schrok ik wel toen ik zag dat Waanders de verteller in de roman van Daoud ‘Haroen’ noemt; in de Franse versie heet deze ‘Arab’ gewoon ‘Haroun’ (maar dat kan aan de vertaling liggen, hoewel de auteur in de vertaling niet Daoed heet).

De samenvatting van de handeling is in orde, maar bij de interpretatie gaat het een beetje mis. Waanders noteert: ‘Haroen [sic] lijdt net als Meursault onder het absurde.’ Mijns inziens lijdt Haroun onder zijn familiegeschiedenis, meer in het bijzonder onder de afwezigheid van zijn vader, de gewelddadige dood van zijn broer en het ontroostbare lijden dien ten gevolge van zijn moeder, totdat hij tot het inzicht komt dat hij onderworpen is aan het absurde, een inzicht dat Meursault van meet af aan bezit en uitdraagt in zijn monologische vertelling. Maar dat is een nuance, daar leren we mee leven.

Voort. Waanders refereert aan een interpretatie van Camus’ roman door Saïd, en vraagt zich af of Daoud die deelt. Hij vraagt zich niet af waarom Daoud dat al dan niet zou moeten. Het is een vraag die dus nergens van uitgaat; en een antwoord kan dan ook nergens toe leiden, behalve tot de vaststelling dat Daoud al dan niet Saïds interpretatie deelt, wat niet boeiend is, omdat Saïd een lezer en Daoud de schrijver is van de roman waar het hier over gaat.

Desalniettemin: ja, zegt Waanders, ‘[h]et was ook mijn eerste gedachte tijdens de lezing van [Daouds] roman.’ Dan weten we dat ook weer: Waanders is zelf een ‘te gemakkelijke’ lezer, want: ‘[t]och wordt zowel hem [nl. Daoud] als Camus onrecht aan gedaan als niet voorbij die eerste reflex wordt gezien.’ Waanders maant ons niet net zo onzorgvuldig te lezen als hij in eerste instantie in een reflex deed. Het is dus niet, zoals hij in de inleiding stelt, dat iets ‘veelal lijkt te worden gedacht’, maar meer dat hij zelf bij het lezen überhaupt niet had nagedacht. Tsja, dat moet worden rechtgezet.

Meursault is geen kolonialistisch denker, want niet alleen de Arabier die hij vermoordt, maar ‘bijna iedereen’ in zijn leven geeft hij geen naam. Waanders noemt alleen Meursaults moeder die geen naam krijgt (zonder zich af te vragen of het anno 1942 niet heel erg uitzonderlijk zou zijn als een zeven- tot zevenentwintig-jarige Fransman zijn moeder wél bij de (voor)naam zou noemen). Daarmee, met die naam van die moeder die ontbreekt, is kennelijk meteen ‘bijna iedereen’ genoemd die voorkomt in de roman (die Waanders overigens een novelle noemt). Als er naast Meursault, de Arabier en Meursaults moeder nog één personage voorkomt, en als dat dan wel een naam krijgt, is de stand 50%-50%. Maar er is er, blijkens een klein tegen-onderzoek, niet één, er zijn, naast Céleste, ook nog Thomas Pérez, Marie Cardona, Emmanuel, Salamano, Raymond Sintès, Masson en mevrouw Masson, om alleen de naam-dragende personages te noemen uit deel I. Daar zit niet één Arabische naam bij. Noem dat maar eens geen westerse blinde vlek in een roman die zich afspeelt in mid-twintigste-eeuws Algerije.

Maar dan nog: als je niet nagaat hoeveel personages er in totaal zijn, en welke rol ze hebben in de vertelling, en hoe de naamgeving verdeeld is over kolonisten en gekoloniseerden, over Fransozen en Algerijnen (en dat laatste is ook nog wat anders dan Arabieren) dan is een generaliserende opmerking over ‘bijna iedereen’ een slag in de lucht waarmee niets gezegd is over de aan- of afwezigheid van Meursaults imperialistische superioriteitsgevoel. En dan is het nog een heel ander verhaal hoe dat zich weer verhoudt tot de denkbeelden van Camus, maar Waanders maakt dat onderscheid niet.

Nochtans rekent hij keihard af met een bitter misverstand: ‘om in De vreemdeling een imperialistisch of racistisch verhaal te willen lezen is een wel heel smalle hermeneutiek nodig. Voor de lezing van Moussa, of de dood van een Arabier als (alleen maar) een postkoloniale afrekening met Camus geldt precies hetzelfde.’ De vraag is echter, wie er de facto heeft getuigd van een dergelijk smalle hermeneutiek? Waar staan de windmolens van Waanders? Het enige wat hij daarover zegt is dat ‘Edward Said [sic] in De vreemdeling een kolonialistisch discours [meende] te ontdekken’. Je moet wel erg veel woestijnzand in je ogen hebben wil je dat discours niet in Camus’ roman kunnen onderkennen, lijkt me, zonder dat daarmee dan alles over de roman gezegd zou zijn.

Waanders heeft het over de ‘gretigheid [...] om in Camus een imperialist of zelfs racist te willen zien’ zonder daarbij ook maar één naam te noemen van wie dat zou willen, tenzij het weer Saïd moet zijn. Rocinante kan vooralsnog zonder zorgen en zadel op stal blijven staan.