zondag, januari 08, 2017

Moedwillige poging tot misverstand

Je klikt soms op een link omdat je denkt: 'Da's aardig, laat ik eens wat rondkijken.' En voor je het weet ben je via-via weer in de klem van de klantenbinding gestapt die onmiddellijk venijnig om je enkel dichtklapt. Al snel merk je, dat die bezochte site je niets te bieden heeft, niets bijvoorbeeld dan zogenaamd voordelige boeken die je zelfs in verzorgingsflat Villa Alzheim nog niet lezen zult.

Afmelden, dus. En kan krijg je dit voorgeschoteld:


De enthousiaste en kwieke uitschrijver denkt: 'Hé, dat gaat goed: onder de kop "Uitschrijven" staan precies die vervelende nieuwszeurbrieven aangevinkt waar ik me voor wil uitschrijven: versturen die handel!' Maar nee hoor, je moet de vakjes namelijk uitvinken. Let wel: uitvinken.

Hoe heet dat ook al weer: een neologisme. Zijn neologismen makkelijk te verwerken in het taalbrein? Nee toch? Nou dan! Bovendien is het contra-intuïtief als je iets niet moet markeren als je wilt dat er wel iets mee gebeurt.

Weer een goed voornemen erbij (mag dat nog?):

Word nooit lid van Elly's. Word sowieso nooit ergens lid van.

zaterdag, januari 07, 2017

Misericorde

Leuk, die sta-steuntjes aan de onderkant van de zetels in een kerkkoor (neem me deze lekenbeschrijving niet kwalijk). In de Oude Kerk van Amsterdam zag ik er laatst een stel, terwijl ik dwaalde tussen het werk van Marinus Boezem; telefoonfotootjes van enkele ervan gemaakt.

Thuis een nieuw fotobewerkingsapplicatietje uitproberend, kijk ik nog eens goed naar het schrijvertje dat, de klerk die ik meende gefotografeerd te hebben... (nooit zo maar wat kiekjes schieten, altijd aan een thema hangen).
Wat?
Een bril
En zo'n moderne bril
En geen habijt maar een colbert
En heeft-ie nou een soort dreadlocks op z'n hoofd?
Het lijkt, da's apart en bijzonder, warempel wel Stevie Wonder.

Een in deze materie thuis zijnde geleerde die ik goed ken, vertelde me dat dergelijke nieuwe onderdelen wel vaker aangebracht worden bij restauraties. En (inderdaad), in een beschrijving van de inrichting van het Hoge Koor zoals het was vóór de Reformatie (Herman Janse, De Oude Kerk te Amsterdam, Zwolle-Zeist 2004) herken ik veel laat-gotische misericorden, die ik ook gezien heb, maar deze ene staat er niet bij. Stevie Wonder zal het niet zijn; wellicht iemand die betrokken was bij een restauratie. Leuk, zo'n trompe-l'histoire, want hij staat heel quasi-middleeuws qua perspectief.

vrijdag, januari 06, 2017

Contre quoi-ou-qui

Jozef Waanders plaatste op 4 februari 2016 op De fusie een stuk over, of naar aanleiding van (de bespreking van) de vertaling van de roman Meursault, contre-enquête van Kamel Daoud (door Bas Heijne) (met dien verstande dat Heijne de oorspronkelijke roman las, Waanders de vertaling). Ik was daar wel nieuwsgierig naar, want ik had net zowel de roman als de recensie gelezen, beide tot mijn genoegen. Waanders’ stuk opent met de volgende alinea (misschien een lead, waar hij zelf niet voor verantwoordelijk is, maar toch, het is niet onopgemerkt gebleven):
Helden vallen zelden zachtjes. Misschien schreef Bas Heijne daarom over Meursault, contre-enquête, de debuutroman van de Algerijnse schrijver Kamel Daoud dat het lang geleden was ‘dat een roman mij zo’n schop heeft verkocht.’ Het boek, dat afgelopen jaar in het Nederlands verscheen als Moussa, of de dood van een Arabier, is namelijk niet alleen ‘doordrenkt van de geest van Camus’ (Heijne), maar laat zich naast hommage aan, ook gemakkelijk lezen als kritiek op de in Algerije geboren Franse schrijver als exponent van een imperialistisch wereldbeeld. Te gemakkelijk misschien, want bij zorgvuldige lezing van zowel Daoud als Camus blijkt de betekenis van Daouds novelle veel complexer en fijnzinniger dan veelal lijkt te worden gedacht. Of er wel sprake is van een ‘val’, blijft dan ook zeer de vraag. 
Het is niet veel, wat ik daarvan snap, om eerlijk te zijn. Om te beginnen snap ik het (redegevend) verband niet tussen de eerste en de tweede zin (‘Misschien […] daarom’). Hoe kan het langgeleden- zijn van een Heijne overrompelende leeservaring verklaard worden door het (veronderstelde) gegeven dat helden zelden zachtjes vallen (wat dat ook precies moge beduiden)?

Vervolgens snap ik het (redengevende) verband (‘namelijk’) tussen de tweede en de derde zin niet. Dat het boek van Daoud volgens Heijne doordrenkt is van de geest van Camus en zich volgens  Waanders ‘gemakkelijk’ laat lezen als een hommage aan én als een kritiek op  Camus, zou verklaren waarom Heijne lang geleden voor het laatst een metaforische schop heeft gekregen van een roman?

Dan vraag ik me af hoe ik het me moet voorstellen dat een boek zich te gemakkelijk laat lezen als een hommage en kritiek, en hoe dat dan weer in tegenspraak is met de complexiteit en fijnzinnigheid die groter zouden zijn ‘dan veelal [wordt] gedacht’.

Ik weet niet wat ik het ergste vind aan de warboelerige schijn-redenering in deze  intro. Misschien wel Waanders’ binnen de toch niet enge grenzen van zijn internetstuk ongeadstrueerde opmerking dat veelal’ iets ‘[t]e gemakelijk’ op een bepaalde wijze lijkt te worden gedacht gelezen te kunnen worden. Een vager en ruiziger, met meer logische groene zeep ingesmeerd opstapje naar een bespreking, las ik zelden.

Zwijg ik er nog over dat de val waarmee Waanders begint, en die lijkt op een referentie aan een (nieuws)feit, aan het eind van de alinea door hem zelf in twijfel wordt getrokken. Maar het ís een allusie op een andere Camus-roman.

Een tikkeltje wantrouwend, maar niet wanhopend, zette ik me na deze valse start aan de lectuur van het stuk, want de roman van Daoud lijkt me zo goed, dat je wel van heel goeden huize moet komen, wil je daar niets zinnigs over te berde kunnen brengen, al schrok ik wel toen ik zag dat Waanders de verteller in de roman van Daoud ‘Haroen’ noemt; in de Franse versie heet deze ‘Arab’ gewoon ‘Haroun’ (maar dat kan aan de vertaling liggen, hoewel de auteur in de vertaling niet Daoed heet).

De samenvatting van de handeling is in orde, maar bij de interpretatie gaat het een beetje mis. Waanders noteert: ‘Haroen [sic] lijdt net als Meursault onder het absurde.’ Mijns inziens lijdt Haroun onder zijn familiegeschiedenis, meer in het bijzonder onder de afwezigheid van zijn vader, de gewelddadige dood van zijn broer en het ontroostbare lijden dien ten gevolge van zijn moeder, totdat hij tot het inzicht komt dat hij onderworpen is aan het absurde, een inzicht dat Meursault van meet af aan bezit en uitdraagt in zijn monologische vertelling. Maar dat is een nuance, daar leren we mee leven.

Voort. Waanders refereert aan een interpretatie van Camus’ roman door Saïd, en vraagt zich af of Daoud die deelt. Hij vraagt zich niet af waarom Daoud dat al dan niet zou moeten. Het is een vraag die dus nergens van uitgaat; en een antwoord kan dan ook nergens toe leiden, behalve tot de vaststelling dat Daoud al dan niet Saïds interpretatie deelt, wat niet boeiend is, omdat Saïd een lezer en Daoud de schrijver is van de roman waar het hier over gaat.

Desalniettemin: ja, zegt Waanders, ‘[h]et was ook mijn eerste gedachte tijdens de lezing van [Daouds] roman.’ Dan weten we dat ook weer: Waanders is zelf een ‘te gemakkelijke’ lezer, want: ‘[t]och wordt zowel hem [nl. Daoud] als Camus onrecht aan gedaan als niet voorbij die eerste reflex wordt gezien.’ Waanders maant ons niet net zo onzorgvuldig te lezen als hij in eerste instantie in een reflex deed. Het is dus niet, zoals hij in de inleiding stelt, dat iets ‘veelal lijkt te worden gedacht’, maar meer dat hij zelf bij het lezen überhaupt niet had nagedacht. Tsja, dat moet worden rechtgezet.

Meursault is geen kolonialistisch denker, want niet alleen de Arabier die hij vermoordt, maar ‘bijna iedereen’ in zijn leven geeft hij geen naam. Waanders noemt alleen Meursaults moeder die geen naam krijgt (zonder zich af te vragen of het anno 1942 niet heel erg uitzonderlijk zou zijn als een zeven- tot zevenentwintig-jarige Fransman zijn moeder wél bij de (voor)naam zou noemen). Daarmee, met die naam van die moeder die ontbreekt, is kennelijk meteen ‘bijna iedereen’ genoemd die voorkomt in de roman (die Waanders overigens een novelle noemt). Als er naast Meursault, de Arabier en Meursaults moeder nog één personage voorkomt, en als dat dan wel een naam krijgt, is de stand 50%-50%. Maar er is er, blijkens een klein tegen-onderzoek, niet één, er zijn, naast Céleste, ook nog Thomas Pérez, Marie Cardona, Emmanuel, Salamano, Raymond Sintès, Masson en mevrouw Masson, om alleen de naam-dragende personages te noemen uit deel I. Daar zit niet één Arabische naam bij. Noem dat maar eens geen westerse blinde vlek in een roman die zich afspeelt in mid-twintigste-eeuws Algerije.

Maar dan nog: als je niet nagaat hoeveel personages er in totaal zijn, en welke rol ze hebben in de vertelling, en hoe de naamgeving verdeeld is over kolonisten en gekoloniseerden, over Fransozen en Algerijnen (en dat laatste is ook nog wat anders dan Arabieren) dan is een generaliserende opmerking over ‘bijna iedereen’ een slag in de lucht waarmee niets gezegd is over de aan- of afwezigheid van Meursaults imperialistische superioriteitsgevoel. En dan is het nog een heel ander verhaal hoe dat zich weer verhoudt tot de denkbeelden van Camus, maar Waanders maakt dat onderscheid niet.

Nochtans rekent hij keihard af met een bitter misverstand: ‘om in De vreemdeling een imperialistisch of racistisch verhaal te willen lezen is een wel heel smalle hermeneutiek nodig. Voor de lezing van Moussa, of de dood van een Arabier als (alleen maar) een postkoloniale afrekening met Camus geldt precies hetzelfde.’ De vraag is echter, wie er de facto heeft getuigd van een dergelijk smalle hermeneutiek? Waar staan de windmolens van Waanders? Het enige wat hij daarover zegt is dat ‘Edward Said [sic] in De vreemdeling een kolonialistisch discours [meende] te ontdekken’. Je moet wel erg veel woestijnzand in je ogen hebben wil je dat discours niet in Camus’ roman kunnen onderkennen, lijkt me, zonder dat daarmee dan alles over de roman gezegd zou zijn.

Waanders heeft het over de ‘gretigheid [...] om in Camus een imperialist of zelfs racist te willen zien’ zonder daarbij ook maar één naam te noemen van wie dat zou willen, tenzij het weer Saïd moet zijn. Rocinante kan vooralsnog zonder zorgen en zadel op stal blijven staan.

maandag, januari 02, 2017

Spreekwoorden en zegswijzen e.t.q.

Sommige spreekwoorden of zegswijzen, die per definitie nogal versteende beelden bevatten, krijgen soms, in een bepaalde context gebruikt, opeens weer hun originele plasticiteit terug.

Als je tegen mijn moeder 'Hè?' zei als je haar niet verstaan had, kaatste ze met: 'Of je soep lust...', en dan wisten broertjes en ik (goede verstaanders, half woord volstond) weer dat we niet de omgangsvormen in acht hadden genomen: 'Wat zegt U?' (maar wat Tilly dan weer niet wist, is dat wij stiekem nog steeds stout waren, want we zeiden eigenlijk: 'Wat zegt u?'). Toen een van mijn kinderen, jong nog, een keer 'Hè?' zei tegen oma, kaatste zij met de oer-vorm van haar vaste repliek: 'Of je soep lust van een ijsbeer?' Schotels van ogen van verbazing in het blonde koppie van het betreffende kleinkind.

Ik schrok me vandaag een hoedje bij het lezen van de eerste krant van 2017 (zie fotootje). Maar gelukkig, het gevaar is al afgewend. Het zogenaamde Forum voor democratie (Hangplek voor plebiscitofielen?) doet niet mee aan de CBS-doorrekeningen. Gelukkig, driewerf gelukkig, ik hoef de vieze [...] van B. echt niet te zien.

(Iets later, dezelfde dag)
Bij het lezen van de eerste avondkrant van dit jaar, schrok ik me wederom een rotje. Daarin mag een zich noemende politiek socioloog van de universiteit van Peking (wat je ver haalt is lekker, zei mijn moeder, die er ook vreselijk naast kon zitten met haar in tegels gebeitelde wijsheden) die vergelijkend onderzoek doet naar nationalisme en democratie, iets schrijven. Alsof hij het kon weten, mocht hij schrijven dat het versplinterde rechts niet één pot nat zou zijn (nu we het toch over drek hebben). Beetje beroerd is dat deze politieke socioloog lid is van Forum voor democratie. Maar goed, dat kan.

En wat toetert hij? Dit: 'Na het gewonnen Oekraïnereferendum zei [Jan] Roos dat er geen nieuwe referenda zouden volgen.'

Een politiek socioloog die een referendum ziet als een pot voetbal of zo, een wedstrijdje dat je kunt winnen? Hoe triest moet het worden?

Domdat of Oordat?

Taal is voortdurend in ontwikkeling doordat mensen er gebruik van maken; de ontwikkeling gaat traag door soortgenoten. Ooit meen ik geleerd te hebben dat er een verschil is (of moet ik zeggen: was) tussen 'omdat' en 'doordat'; het eerste was een redengevend, het tweede een oorzakelijk voegwoord (en de precieze terminologie schenk ik u). Ooit leerde ik, en iets minder ooit doceerde ik aan leerlingen van het Gorinchemse gym, dat er een wezenlijk betekenisverschil is tussen de volgende zinnen:

(1) De weg is afgesloten omdat er een boom is omgewaaid.
(2) De weg is afgesloten doordat er een boom is omgewaaid.

In (1) heeft iemand (enkel- of meervoud), je mag aannemen een overheidsdienaar, de toegang tot, het doorgaan over de weg voor het verkeer tijdelijk afgesloten, met een hekwerk, rood-wit gekleurde linten, mobiele waarschuwingsmatrixborden, noem het maar op, aangezien de situatie ter plekke te gevaarlijk was. Een boom omgedonderd, troep van tak en blad, vogelnesten, eierstruif op het asfalt of de klinkers, slipgevaar, kastanjerapende jeugd zonder oog voor voorrangsregels en verzin zelf nog wat redenen om het verkeer ad hoc tijdelijk tegen te houden. Eenmaal de rommel opgeruimd, zou die iemand de weg weer vrij kunnen geven voor normaal gebruik.

In (2) is de boom, ten gevolge van storm of molm bijvoorbeeld of doordat een zware tankwagen er in de mist tegenaan was gereden, omgevallen, (grotendeels) dwars over de weg heen: niemand kan er nog langs/door/over. In deze situatie kan vervolgens ook die zoals beschreven bij (1) intreden, bijvoorbeeld omdat iemand besloten heeft dat dit een bloedlinke situatie is en men de de boomwegwerkers wil beveiligen tegen onoplettende verkeersdeelnemers die het verschil niet zien tussen een boom langs en een boom over de weg (iets wat ook wel voorkomt bij slagbomen op overwegen).

Net las ik op Wikipedia dit:

(3) Op 29 december 2016 raakte de stuw ernstig beschadigd omdat een tankschip in dichte mist tegen de stuw voer.


Een zin die – hoewel ik weet dat deze rampartij veel geld kost en er woonschuiten in het ongerede zijn geraakt doordat het waterpeil niet meer in de hand te houden is – mij vrolijk maakt.

Ik hoor dan al een rijkswaterstaatsmecanicien bezorgd aan de stuw vragen: 'Stuwtje toch, hoe komt het dat je zo beschadigd bent?' En dat die stuw dan vertelt van al dat water dat steeds maar langs haar of hem wil en maar drammen blijft terwijl het toch best weet dat er zowel links als rechts gewoon een sluis is aangelegd waar het door kan gaan, maar dat even wachten te veel gevraagd is voor water, en niet alleen tegenwoordig, hoor, maar al sinds 1929. Zo vermoeiend en zo teleurstellend, want de stuw doet gewoon zijn of haar best. En daarom voelt ze of hij zich ernstig beschadigd, aangetast in zijn of haar beroepseer, bestaansgrond zelfs. En dan ook nog zo'n tankschip in de mist, vlak na Kerst; net jonge sla, maar dan erger: druppel, emmer, emotie, sluizen open.

En omdat het met die stuw zo was gesteld, is er vervolgens een bedrijf ingehuurd om dat ding maar eens ernstig te beschadigen. Zo, dan heb je een reden om te janken, zeursluis!

Maar dat plezier wordt me ontnomen, als ik de ANS moet geloven:
In veel Nederlandse grammatica's wordt onderscheid gemaakt tussen voegwoorden van oorzaak en voegwoorden van reden, waarbij met name als regel wordt gegeven dat omdat voor redengevende en doordat voor oorzaakaanduidende bijzinnen gebruikt moet worden. De praktijk van het taalgebruik is echter anders. Allereerst zijn de categorieën 'oorzaak' en 'reden' niet altijd gemakkelijk uit elkaar te houden; meermalen is een bepaalde zin ook voor twee interpretaties vatbaar. Verder blijkt omdat door vrijwel alle taalgebruikers zowel redengevend als oorzaakaanduidend gebezigd te worden, terwijl doordat veel minder voorkomt dan omdat. In dit boek maken we daarom gebruik van de overkoepelende term 'voegwoorden van causaliteit'
Ik geloof de wijze ANS wel, maar ik ben er tegen om verschillen op een hoop te gooien louter omdat categorieën 'niet altijd gemakkelijk uit elkaar te houden' zouden zijn! Sinds wanneer slaat Wikipedia de maat?

Gemak dient de mens, zei mijn moeder – nee, zei heette niet Ans –, maar ook: Gebruik je verstand (en mijn moeder kon cursieven uitspreken). Ik ben voor onderscheid, voor differentiatie, voor discriminatie, voor nuance, voor nadenken over wat je zegt en nadenken over hoe je dat zegt.

woensdag, december 21, 2016

Jargon

In de Nieuwsbrief SO&O nr. 13 - december 2016 staat een bijdrage van mijn alter ego over een stukje jargon waar SO&O mee te maken krijgt en heeft (SO&O is de afdeling Studentzaken, Onderwijs en Onderzoek van de faculteit GW van de UU).

Werk je al langer in dezelfde omgeving dan vallen ze soms niet  eens meer op, het gevaar dreigt dat je ze zelf ook te pas en te onpas gebruikt. Maar er zijn woorden waarbij je als nieuwe (of ervaren) medewerker, als ze in een vergadering haast terloops worden gebruikt, een wenkbrauw optrekt. Dan is het goed om even stil te staan bij zo’n woord of term.
Waar komt het vandaan? Wie begon ermee? Wordt verondersteld dat je weet waar het over gaat en waarom eigenlijk? Is er een betere/mooiere/Nederlandse variant?

We vroegen neerlandicus Fabian Stolk ons iets te vertellen over de term interdisciplinaire hub.

Wij lezen vandaag pagina 21 van het Strategisch plan 2016-2020:

In 2020 te bereiken doelstellingen
Interdisciplinair onderzoek
In 2020 heeft elk strategisch thema een of meer interdisciplinaire ‘hubs’ ingericht. In deze hubs werken interdisciplinaire teams met nationale en internationale partners aan oplossingen voor grote maatschappelijke uitdagingen. Een aantal van deze hubs brengt partners uit overheid, bedrijfsleven, science-based startups, maatschappelijke organisaties en de kennissector bij elkaar op de campus in (tijdelijke) projectorganisaties. Daarin staat de integratie van wetenschappelijk onderzoek, innovatie en valorisatie centraal.

Sommige bestuurderlijke woorden of woordgroepen kunnen een mens vrolijk maken in de korter wordende dagen voor kerst. ‘Interdisciplinaire hub’ is er een van. Mijn eerste associatie, misschien wat vervormd door een latinistische vooropleiding, is er namelijk een met de Marsupilami, het wonderwezen van mijn lievelingsstripper, wijlen André Franquin (1924-1997), die mijn hart in eerste instantie al had veroverd met zijn Guust Flater (alias Gaston Lagaffe). Aan het standaardwerk over de Marsupilami, de aan het dier gewijde Wikipedia-pagina, ontleen ik deze fonetische gegevens:

De gebruikelijke ‘roep’ van de [mannelijke] Marsupilami is Hoeba hoeba, die van de [vrouwelijke] Marsupilamia: Hoebi hoebi en van de kleine Marsupilami’s: Bi bi bi. Marsupilami’s kunnen ook spreken, maar dan enkel door na te zeggen wat mensen uitspreken.

Het is onder oud-gymnasiasten niet ongebruikelijk de ‘u’ in wetenschappelijke, van het Latijn afgeleide woorden als oe uit te spreken. In het geval van het morfeem ‘hub’ in de context van de Marsupilami Franquini, zoals het dier officieel heet, loopt de associatie wat betreft de fonetische details voor velen in de academische gemeenschap wellicht helaas vooral via een stupide deuntje van Dennie Christian (voor wie het aandurft: hier is de video, met geluid).

In het Strategisch plan 2016-2020 is slechts driemaal sprake van een ‘hub’, en wel in de hierboven geciteerde passage, zo leert een snelle zoektocht met ‘ctrl-f’ in de gedigitaliseerde versie van dit geschrift. De eerste keer staat het nog netjes tussen aanhalingstekens, als om aan te geven dat het gaat om een ironisch gebruikt woord of een (mogelijk) onbekende term. Het serieuze karakter van de brontekst in acht nemend, houd ik het erop dat men bedoelde aan te geven dat het een onbekend veronderstelde en voor het eerst gebruikte term betreft.

Echter: het gaat hier om een stuk interne bedrijfs-communicatie, om niet te zeggen: corporate identificational gibberish. Daarom, mogen we aannemen, wordt de term wel eenmaal tussen aanhalingstekens geplaatst, maar vervolgens toch niet uitgelegd of vertaald (vergelijk ‘science-based startups’, dat kennelijk al zo veel burgerrechten heeft verworven in de UU-communicatie dat er geen aanhalingstekens meer omheen nodig zijn). Er vindt hier door middel van een ‘ en een ’ een subtiel spel van in- en uitsluiting plaats, zoals te doen gebruikelijk in (semi-) sacrale teksten, die eigenlijk alleen bestemd zijn voor de gevoelige ogen van ware ingewijden.

Laat ik u van dienst zijn en enige uitleg geven. Voor de betekenis van ‘hub’ moet de leek te rade gaan bij Franquin, stripbiologen, Dennie Christian noch een Latijn-Nederlands-woordenboek, maar wel bij Merriam-Webster. Het woord is – wellicht in het kader van de voortschrijdende anglo-saxificatie van de UU - aan het Engels ontleend en betekent:

1: the central part of a circular object (as a wheel or propeller)
2 a: a center of activity: focal point
   b: an airport or city through which an airline routes most of its traffic
   c: a central device that connects multiple computers on a single network
3: a steel punch from which a working die for a coin or medal is made.

We zouden ‘hub’, in de context waarin het woord hier gebruikt wordt, eenvoudig kunnen vertalen met ‘spil’, of beter nog met: ‘naaf’, of best met: ‘contactgaatje’. Ik verzin dit laatste natuurlijk niet zelf. Het staat, net als het strategisch plan, gewoon en voor iedereen toegankelijk op het internet.

In verband met de versterking van onze culturele en Nederlandstalige identiteit, en om van onze reeds ijzersterke positie in een steeds meer internationaal georiënteerde wetenschapsmarkt een roestvrijstalen positie te maken, en omdat ik aanneem dat er een wervende kracht van uitgaat, stel ik voor dat in het Strategisch plan 2020-2024 niet meer gesproken zal worden van ‘interdisciplinaire “hubs”’, maar van ‘interdisciplinaire contactgaatjes’.

dinsdag, december 06, 2016

Vertalen

Als het niet hoeft, lees ik geen vertalingen. Dante lees ik dus alleen maar in vertaling. Mijn Italiaans is nog niet eens toereikend om bij Roberto's een aardbeienijsje te bestellen. "Twee bolletjes, graag. Nee, dank u, zonder slagroom". En dan houd ik nog niet eens van aardbeienijs.

Milton lees ik liever in vertaling. Niet omdat ik in het Engels geen ijsje kan bestellen, maar omdat Miltons Engels, in het bijzonder zijn zinsconstructies en zijn vocabulaire, van dien aard is dat ik Het paradijs verloren sneller en veel beter begrijp wanneer mogelijke hindernissen voor me zijn geslecht terwijl ik ze in een goede vertaling toch in een staat kan lezen die zo goed mogelijk equivalent aan het origineel is. Gemak dient de mens, zou mijn moeder zeggen.

En dan, zoals in het geval van Dante of Milton, vaar ik absoluut blind op de vertaling; ik neem er niet eens het origineel bij. En, ja, ik kijk dan wel even naar wie de vertaling heeft gemaakt. En dan lees ik 'm alsnog. Frans? Ongeveer eenzelfde pak van een vergelijkbaar laken soms. Flauberts Bovary bleek te hoog gegrepen met al die minutieuze, realistische beschrijvingen, maar Modiano, Claudel en Camus gaan er origineel in als koek. Korte zinnen, helder vocabulaire.

Als het niet echt nodig is, of lijkt te zijn, dan lees ik dus liever het origineel. Nou geniet ik - achteraf!, laat dat duidelijk zijn - van een best wel brede opleiding, al was het maar doordat mijn moeder bang was dat ik geen kei zou zijn in wiskunde. Resultaat van deze ouderlijke voorwaartse vlucht was de gedachte: hoe meer taal, hoe beter de (hoop op de) kans op enig succes. En verdomd, alsof het darten-voor-slechtzienden was: Nederlands, Duits, Engels, Frans, Latijn en Grieks, dat zat allemaal in mijn post-babyboom-pakket, maar (Gott was kennelijk toch nog niet dood, wel barmhartig) Duits mocht ik na twee jaar al laten vallen; en ook dat kwam, wellicht, mede door mijn moeder, want als er iemand een grenzeloze teringhekel had gekregen aan Duitsers en aan alles wat maar in de verte op iets Duits' en Duitstaligs leek, dan wel die achttienjarige schone die haar bloedeigen stad (Rotterdam, of all places) had moeten ontvluchten anno 1940, de stad waar haar lief woonde en aanvankelijk bleef (totdat hij in de bossen onderdook voor de Arbeitseinsatz).

Nu ja, het kwam nog goed. Het is niet gelukt me een hekel te laten krijgen aan Duitsers of Duitse taal en cultuur. Sorry, Mutti. Dus lees ik nu Juli Zehs Spieltrieb. Een overdonderend mooi boek, weet ik nu al, net over de helft. Hoewel het speelt in en handelt over de nabije actualiteit - de wereld van 2004 en al haar problemen zijn nog lang niet verdwenen immers - zijn de hoofdpersonages tegelijk zo vergroot, dat ik steeds op twee sporen lees, dat van het meegesleept worden en het me verbazen over dat meeslepende (en als ik het uit heb, wil ik nu al Robert Ankers Oorlogshond herlezen). En de taal, de taal van Zeh is fenomenaal. Razendlange zinnen weet ze feilloos te construeren zonder aan zeggingskracht in te boeten, en steeds ook weer gooit ze er korte brokken tussendoor, zodat het geheel een weergaloos ritme krijgt.

Maar: argwanend jegens de ware effectiviteit van het kortdurend onderricht dat ik genoot van de heer Wachter op 's Rijks Scholengemeenschap Schoonoord te Zeist, heb ik naast m'n prachtige papieren pocketuitgave uit 2011 toch ook een digitale Nederlandse uitvoering aangeschaft. Voor de zekerheid; om geen dingetjes te missen wanneer ik daarover zorgen heb althans; ik gebruik, met andere woorden, de e-boek-vertaling heel oneerbiedig en oneigenlijk als een ad hoc-woordenboek.

Dusdoende stuitte ik op de volgende, mijns inziens niet volledig goed geslaagde vertaling van een passage uit een vrij cruciaal hoofdstuk vlak na het midden van het boek.
Kurz nach Schulschluss, genau in der Sekunde, da ein einzelner Sonnenstrahl aus dem leeren Himmel schoss und am Dachfirst von Ernst-Bloch [zo heet de school] die doppelseitige Klinge wetzte, ging Höfi [de geschiedenisleraar] in die Knie und drückte sich mit beiden Beinen ab.
In de vertaling is dat:
Kort na het einde van de lessen, precies op het ogenblik dat één enkele zonnestraal uit de lege hemel schoot en de scherpe kanten van de nok van het Ernst Bloch aan beide zijden deed glanzen, zakte Höfi door zijn knieën en zette zich met beide benen af.
Zonder dat ik het beter kan vertalen, vraag ik me toch af waarom een seconde tot een ogenblik geworden is, waarom een tot één moest worden, maar vooral waarom dat hele beeld van het tweesnijdend zwaard dat aan de nok wordt gewet, aan gort is gegaan. Dat glanzen slaat als een drol op een sluisdeur in deze context. Höfi jaagt zichzelf, welbewust, maar daartoe door uiterste wanhoop gedwongen, over de kling. Wat, in des hemels naam, zijn hier de scherpe kanten van de nok die ook nog eens aan beide zijden in het zonnetje liggen te glanzen? De binnen- en de buitenzijde van de linker- en de rechterkant? Er wordt helemaal niet geglansd hier. Er wordt gewet. Het helse zwaard, de hemelse kling is plots getrokken en wordt gescherpt voor het eindoordeel, dat in een flits wordt geveld.

donderdag, november 24, 2016

De handschoen van Carlo Strijk

Vandaag schrijft Carlo Strijk in de NRC dat we, om de Zwarte Pieten-discussie op te lossen, terug moeten naar de Nederlandse taal, want: 'Alles wat zwart is, heeft een negatieve connotatie in de taal die wij - van klusjesman tot premier - gebruiken zonder erg in te hebben.'

Ik denk dat er inderdaad een indrukwekkende lijst is samen te stellen van het gebruik van het woord 'zwart' en samenstellingen met 'zwart' die een negatieve connotatie hebben. Strijk geeft enige voorbeelden, van 'iemand zwart maken' tot en met 'een zwarte bladzijde in het boek der geschiedenis'. Ik voeg er, uit Frankrijk geïmporteerd - 'zwarte zaterdag' aan toe, en verder 'op zwart zaad zitten'.

Maar ik zou zeggen: niet alles, wel veel van wat we zwart noemen, noemen we zo vanwege die specifieke negatieve connotatie, die we daarmee dan ook bedoelen over te brengen; dat is dan niet helemaal zonder dat we er erg in hebben. Je kunt een waardeloze klotedag nou eenmaal niet zonder misverstand een heldergele dag noemen. Dat ligt niet aan het woord 'zwart'. Dat kan er niks aan doen. Het ligt aan wat wij ermee doen, dacht ik.

Er is immers ook wel wat zwarts te noemen wat niets met negativiteit te maken heeft. Zoals mijn favoriete potlood, dat gitzwart is, en mijn agenda (iedereen weet nu van welk merk die is). Zoals ook het lampenzwart in mijn schilderskist, naast het loodwit en het Van Dijck-bruin. Of de ELO waarmee ik werk, Blackboard; dat is heel wat anders - niet slechter, en ook niet beter - dan het whiteboard dat ook in veel collegezalen aanwezig is.

Het lijkt me ook niet verstandig (en evenmin mogelijk) om 'rood' te herijken omdat het heel vaak met bloed, verwonding, verminking, slachting en dood in verband wordt gebracht. Ik heb althans die associaties nooit als ik voor het verkeerslicht sta te wachten tot het op groen springt (mijn vader, die kleurenblind was, ook niet; het zit in de familie, dat niet-associëren). Ook denk ik dan niet aan liefde. Althans niet door dat bovenste licht. Ook niet in de Hardebollenstraat (of op de Wallen, voor niet-Utrechters).

Wat me wel verstandig lijkt, is om - als je even niet zonder het onderscheid kunt en het dus wilt benoemen - iemand 'gekleurd' te noemen, in plaats van botweg 'zwart' nu eenmaal duidelijk is geworden dat erheen veel mensen zijn die niet 'zwart' genoemd wensen te worden. Het is trouwens maar zelden dat ik iemand zie die echt zwart is (serieus, de krantenman van de afgelopen maanden, die is echt bijna zwart, maar dat boeit niet: hij bezorgt de krant, met zijn brommer, niet met zijn huidskleur). Dus die aanduiding klopt niet, als het al van belang is om iemands huidskleur te vermelden. En noem iemand zoals ik dan ook niet wit, want dat ben ik niet, en ik ben ook niet blank, letterlijk noch figuurlijk, ik ben grotendeels vooral een soort van licht-rose, waarschijnlijk, maar niet ongekleurd. Ik zou me trouwens - denk ik - rot schrikken als ik opeens zou worden aangeduid als 'een blanke neerlandicus'. 

Het belastende van woorden ligt denk ik niet aan de woorden zelf, maar aan de manier waarop en de intentie waarmee ze gebruikt worden (ik, naïeve suikermuil, heb werkelijk nooit aan iets anders dan dunne chocolade en een mond vol onbenoembaar zoet, wit schuim gedacht bij het woord 'negerzoen'; inmiddels weet ik wel beter, maar nu snoep ik niet meer). Lang geleden, toen mijn kinderen klein waren en ze nog niet mochten vloeken en ook geen schuttingtaal of namen van ernstige kwalen mochten gebruiken als ze boos waren (nu mogen ze het wel, maar doen ze het niet), krulde het behang thuis van de muren als er weer eens eentje woedend op de ander  vanuit zijn of haar tenen riep: 'JIJ bent ZELF een SSSCHCHCHRROEVENDRAAIER!' 'Ach joh, DOPPENDOOS! ZADELRUIKER!! SLEEPDEKEN!!!' was dan de repliek. Wat een intonatie en modulatie kwam daar bij kijken, geweldig, en lichaamstaal ook.

Strijk stelt voor om aan de basis van de taal te schaven. Dat lijkt me net zo efficiënt als proberen het fileprobleem op te lossen door meer wegen aan te leggen: niet de wegen zijn het probleem, maar de weggebruikers. Het zou wel eens beter, en realistischer, kunnen zijn om aan de taalgebruikers te schaven. Ik noem dat: beschaven. En met een beetje goede wil gebeurt dat al, en nog wel met behulp van die oude, niet bijgeschaafde, rijke, gevariëerde Nederlandse taal, namelijk door middel van dialogen, zoals de huidige sinterklaas-z'n-mederwerkers-discussie; uitwisseling van - en respect voor - ideeën, gedachten, gevoelens, gevoeligheden, en inzichten, over elkaars blinde vlekken bijvoorbeeld (ik heb de mijne vast weer over het hoofd gezien).

Vreemde framing?

Achterop de nieuwe dichtbundel van Dichter der Nederlanden Joke van Leeuwen, Het moet nog ergens liggen (Querido 2016), staat als eerste alinea de volgende tekst, die ook op de webstek van de uitgever te vinden is en natuurlijk braaf door allerlei andere 'nieuws'pagina's over wordt genomen:
'Ik zit op een bank en de stad komt voorbij / en de drukte heeft doelen en tassen', zo begint de serie 'Visioenen', met gedichten die aan Hadewych doen denken en die een boven jezelf uitstijgende ervaring verbeelden.
Een voorbeeld van getrouwe navolging biedt deze bespreking op Klecks, een webstek met de wat ambigue ondertitel maakt plaats voor literaire kritiek: 'De vierde afdeling draagt [...] de titel ‘Visioenen’, in een (met behulp van de achterflap) expliciete verwijzing naar de visioenen van de dertiende-eeuwse mystica Hadewijch.

Ook Arie van den Berg, in de NRC op de valreep van het afgelopen jaar, schrijft, na een citaat uit een gedicht van van Leeuwen zonder al te veel reflectie: 'Zo had Hadewych het acht eeuwen eerder kunnen schrijven.'*

De afdeling 'Visioenen' bestaat uit twaalf niet getitelde gedichten van elk vierentwintig versregels die de indruk wekken ongeveer evenlang te zijn (maar dat niet zijn) en die de indruk wekken metrisch geordend te zijn, en dat inderdaad zijn, maar op een vreemde manier. Vooralsnog kom ik niet verder dan dat, als je het regeleinde volledig negeert, er een amfibrachische maat in te ontdekken is: thesis arsis thesis, oftewel: zonder met zonder klemtoon:
ik zit op / een bank en / de stad komt / voor bij en / de druk te / heeft doe len / en tas sen.
Maar als je het regeleinde respecteert, schiet de maat heen en weder tussen amfibrachi (en dactylus) en anapest:
ik zit op / een bank en / de stad komt / voor bij
en de druk / te heeft doe / len en tas / sen.
In het laatste geval let ik meer op de inhoud, in het eerste gaat die door de dreun aan me voorbij. Paradox.

Ieder gedicht begint met 'Ik' + handelingswerkwoord (zit, sta, loop, sta, loop, sta, zit, sta, loop, zit, sta, loop) + voorzetsel (op, in, door, voor, op, in, in, bij, door, in, tussen, op) + lidwoord (een, de, een, een, een, een, een, een, een, een, [ø], een) + zelfstandig naamwoord (bank, zee, bos, deur, helling, kamer, zaal, meer, landschap, wachtkamer, mensen, plein).

We hebben kortom te maken met weloverwogen gevormde gedichten, of meer nog: gedichten waarin de vorm de overhand heeft, als je erop gaat letten. Vorm en inhoud zitten elkaar in de weg, lijkt het, vechten om de aandacht. Anderzijds is het taalgebruik weinig opvallend, erg parlando, een beetje vlak zelfs met al die onbepaalde lidwoorden. Alsof het niet uitmaakt. Het enige bepaalde lidwoord in de beginregels staat voor 'zee'; dat komt vast doordat iets anders wat vreemd zou klinken: 'Ik sta in een zee'; kan alleen een reuzin zeggen die achteloos over de continenten banjert, en probeer daar maar eens boven uit te stijgen.

Ik ken de visioenen van Hadewijch niet goed (understatement), maar ik kom er in deze zogenaamde 'Visioenen' van Van Leeuwen vooralsnog geen sporen van tegen: niks extase, niks mystieks, laat staan een heilige bruidegom. En ik snap de uitgeverstekst ook niet. Ik weet niet wat bedoeld is met 'een boven jezelf uitstijgende ervaring' die deze gedichten zouden verbeelden. Misschien: deze gedichten verbeelden de ervaring dat je boven jezelf uitstijgt? Maar zou het dan niet moeten zijn: deze gedichten verbeelden de ervaringen van de ik-figuur waarbij zij boven zichzelf uitstijgt, haar extases? Maar dan snap ik weer niet dat deze gedichten aan Hadwijch doen denken en die ervaring verbeelden, alsof die twee gescheiden zijn. Ik dacht namelijk dat de verwoording van de mystieke eenheidservaring (extase) essentieel is in die teksten van Hadewijch.

Misschien ben ik te nuchter om van een overvloed aan metriek al uit mijn dak te gaan.


P.S.

*
Had Hadewijch dat gedaan, dan had ze Joke van Leeuwen geheten. Maar ze deed het niet zo, maar zo:
Het was in enen sondaghe Ter octauen van pentecosten dat men mi onsen here heymelike te minen bedde brochte, Om dat ic gheuoelde / soe grote treckinghe van binnen van minen geeste/, Dat ic mi van buten onder die menschen soe vele niet ghehebben en conste dat icker ghegaen ware/. Ende dat eyschen dat ic van binnen hadde / dat was om een te sine ghebrukelike met gode/. Daer wasic te kinsch toe ende te onghewassen/, ende ic en hadder niet ghenoech toe ghepijnt / noch gheleeft / int ghetal van soe hogher werdecheit / alse daer toe behoerde / Ende als mi daer wel vertoent wart doen / ende mi noch wel scijnt/.
Doen ic onsen here ontfaen hadde/, doen ontfinc hi mi te heme /, Soe dat hi mi op nam alle mine sinne buten alle ghedinckenisse van vremder saken / omme sijns te ghebrukene in enecheiden/. Ende ic wart geuoert als in enen beemt /, Jn een pleyn dat hiet die wijtheit der volcomenre doech- de/. Daer instonden boeme dar ic toe wart ghe- leidt/. Ende mi worden ghetoent haer namen / ende de nature van haren namen.
Ik zou zeggen: zoek de zeven verschillen.

Maar nu ben ik niet correct, want onvolledig, in mijn Van den Berg-citaat. Hij voegt aan zijn vergelijking van Hadewijch en Van Leeuwen immers dit toe: 'Maar anders dan de visioenen van de abdis van Acquiria zijn die van Joke van Leeuwen niet religieus of esoterisch. InHet moet nog ergens liggen is ook geen sprake van ‘minne’, laat staan goddelijke minne. Missiedrang is vreemd aan deze reeks.'


Daarmee trekt hij heel die door de flaptekst ingegeven vergelijking volledig onderuit. Het is als over Schuld van Walter van den Berg zeggen: Zo had Louis Couperus het twee eeuwen eerder kunnen schrijven. Maar anders dan de romans van de Haagse veelschrijver is Schuld niet doortrokken van fatalistisch naturalisme of decadentisme. En er is ook geen sprake van fijnzinnige écriture artiste of lang uitgesponnen beschrijvingen van onderhuids zinderende erotiek in welgevormde, uiterst weldadig meanderende volzinnen, noch speelt het verhaal zich af in Den Haag of voormalig Nederlands-Indië, noch is een en ander verpakt in een weelderige jugendstil-omslag.