maandag, mei 22, 2017

Redengevend verband

Er is een meneer die 'gewoon een jaar door Nederland lopen'. Nog voor hij daarmee begonnen is, heeft hij een kleine demonstratie gegeven van de uitholling van het woord 'gewoon', die al een tijdje gaan is, denk ik. Al een paar jaar interrumpeer ik de aan mij toevertrouwde studenten wanneer ze een uiteenzetting geven waarin ze dat woord gebruiken en ze er, en dat is negen van de spreekwoordelijke tien keren het geval, niet mee bedoelen aan te geven dat iets gewoon, of normaal, of vanzelfsprekend is. Daarmee probeer ik die semantische uitholling te vertragen. Vergeefs, ik weet het, maar het heeft een leuk effect op de rest van de gesprekken tijdens colleges. Het is niet dat ik een Bordewijk of Bint wil zijn (dat zou ook vergeefs zijn, bovendien onwenselijk, wat mij betreft), maar een beetje meer efficiëntie in het taal-, meer in het bijzonder  in het woordgebruik, is wel gewenst.

Die meneer, die wellicht bedoelt dat hij niet gaat hardlopen, hink-stap-springen of achteruitlopen door Nederland, heeft nog een ander aardigheidje te berde mogen brengen boven de titel van de Volkskrant van vandaag: hij gebruikt een retorische vraag. Hij 'vraagt': wie wil er nou niet een jaar gewoon door Nederland lopen?' En omdat hij de stijlfiguur van de retorische vraag gebruikt, weten de kritische Volkskranteniers dat hij eigenlijk of letterlijk bedoelt: 'Iedereen wil (volgens mij) gewoon een jaar door Nederland lopen!'

Net als het gebruik van 'gewoon', is dat van de retorische vraag best lastig. De implicatie van de onderhavige retorische vraag, is, naar het mij voorkomt, zelfs zonder een brede maatschappelijke sondering door Maurice de Hond of het Meertens Instituut, eenvoudig te bekritiseren. Hooguit een door de krant goed gefinancierde semi-journalistieke malloot wil gewoon een jaar door Nederland lopen. Persoonlijk zou ik zo'n wandeling bijvoorbeeld graag beperken tot de droge dagen; bovendien zou ik grote stukken Nederland liever overslaan; en ik denk dat ik met de fiets verder zou komen, meer zou zien, meer zou genieten. Ik ben overigens een enthousiast wandelaar. Maar wat te denken van mensen die niet willen of die niet kunnen wandelen?

Maar het meest interessante van de uitlating van de meneer die graag gewoon een jaar door Nederland zou lopen, is zijn gebruik van het redengevend voegwoord 'want'. Een parafrase van zijn gehele bewering zou kunnen luiden: 'Ik ga gewoon een jaar door Nederland lopen, omdat volgens mij iedereen dat wil.' Hij zegt dus iets te gaan doen omdat iedereen het wil. Ik snap daar geen touw van. Iets gewoon gaan doen omdat iedereen het zou willen. Ik drink gewoon een beetje Ierse, naar verbrande turf geurende whisky, omdat iedereen dat volgens mij wil (nee, omdat ik het lekker vind). Ik geef gewoon een cursus stilistiek aan studenten, omdat ik denk dat iedereen wil doen (nee, omdat ik het interessant vind en wil en mag proberen dergelijke kennis over te dragen).

Verzin gewoon zelf ook wat voorbeelden, want wie begrijpt nou helemaal niet wat die man beweert?

dinsdag, mei 02, 2017

Getalsincongruentie in vergelijkingen

Kijk, de taalkunde ligt, voor een deel, op straat. Ik ben al een tijdje bezig met linguïstisch veldwerk, in die zin dat ik interessante deskundigen op het gebied van de taal- en communicatiekunde in het wild aanspreek met een probleem dat ik met me meezeul omdat ik de kennis niet in huis heb om een begin van een oplossing te vinden. Zo sprak ik onlangs op de Drift in de universiteitsstad U. een loslopende taalkundige aan die werkzaam is op een in een romanreeks verwerkt instituut te A. ('Hé, Marc, jij hier?') en betrok hem onmiddellijk, net als eerder Jacomine N. en via haar Margreet D., en later ook nog Pim M., in mijn vraagstuk van de getalsincongruentie in vergelijkingen; een verschijnsel waarvan ik tot voor kort geen weet had, dat het bestond. Marc van O. slingerde na enig denken vandaag zijn ideeën op Neerlandistiek.nl.

Ik heb de goede man nogal verbouwereerd, want hij weet mijn moeder aller voorbeelden van dit verschijnsel niet goed meer te citeren. Daarom hier de geno-tekst:

(1) Mijn hart barstte open als granaatappels

Een regel uit de debuutbundel van de Vlaamse dichter Mustafa Kör. Een ander fraai exempel, getapt uit dezelfde bron, is: 

(2) staat hij zoals dikbillen in de mist / te dampen rond zijn paleis

In alle poëzieboeken die ik rond me op de studeerkamer heb staan, alsmede in wat naslagwerken op internet, kwam ik niet anders tegen dan vergelijkingen met getalscongruentie, dus veeleer zinnen als:

(1a) Mijn hart barstte open als een granaatappel
(2a) staat hij zoals een dikbil in de mist / te dampen rond zijn pleis

Het enige voorbeeld met getalsincongruentie dat ik uit mijn hoofd in de Nederlandstalige poëzie vond buiten Ben jij liefde, is geen echte vergelijking maar een metafoor in strikte zin, en wel eentje die door Plint zo verduizendvoudigd is, dat hij al haast niet meer opvalt:

(3) Ik noem je: bloemen

Dat is van Jan Hanlo. Net als het tweede voorbeeld, uit hetzelfde gedicht:

(4) In noem je: narcissen in de nacht

(maar dat is eigenlijk van hetzelfde laken een pakje).


Ik ben er nog niet uit; probeer me te verdiepen in 'A Unified Model of Language Acquisition', want het vermoeden is dat deze nieuwe vorm van vergelijking mede gegenereerd is door de tweetaligheid van Kör, die geboren en getogen werd in Turkije; en ik moet ook nog even dat artikel lezen dat Marc noemde. Je hoort nog van me.

(wordt vervolgd)  

vrijdag, april 21, 2017

Nieuwsberichten

Twee koppen op NOS.nl d.d. 2e Paasdag 2017. Ze verschenen naast elkaar op mijn computerscherm. De berichten gaan over vergelijkbare gebeurtenissen, meer in het bijzonder: ongevallen, maar op verschillende locaties, op twee zelfs ver uiteen liggende continenten; gebeurtenissen, dus, met de nodige verschillen qua  context, die tot stilistische variatie aanleiding lijken te hebben geven.

Eens even kijken of er iets aan die koppen valt te rommelen, zo dat zulks duidelijk wordt. Koppen, zeker zulke als deze, geven soms aanleiding te denken: 'Waarom zo?' en 'Kon dat ook anders?' Dit zijn ze:

1 Australisch meisje doodgebeten door haai.
2 Fietser gewond na botsing met hert in duinen Zandvoort.

Alternatieve versies, die elkanders eigenschappen overnemen, zouden de volgende kunnen zijn:

1b Meisje dood na beet door haai in oceaan van Australië.
2b Zandvoortse fietser gewond door botsing met hert.

Allereerst: de identiteit van de subjecten
Het valt op dat de koppen iets aangeven van de identiteit van de subjecten: een jonge, vrouwelijke, Australische staatsburger, respectievelijk een verder onbekende, kennelijk niet jonge man (want er staat 'jongen', 'meisje' noch 'fietsster'). De alternatieve versie leert dat, als de oorspronkelijke versie echt correct is, de onfortuinlijke fietser waarschijnlijk geen inwoner van Zandvoort is; kan best kloppen, want niet alleen met Pasen barst het in die duinen van de toeristen (was er sprake geweest van een verwonding aan het hoofd, dan zou het geen Duitse fietser zijn, want Duitse fietstoeristen dragen zo'n idiote helm).

Ten tweede: de frequentie.
Er wordt niets gezegd over het aantal malen dat de haai heeft gebeten; dat is ook geen zinnig detail, zeker niet in een kop. Belangrijker is dat het beest beet, en dat het meisje daardoor nu dood is. Afschuwelijk.

Anderzijds is, ook zonder kop, wel duidelijk dat een botsing een eenmalig treffen is, dus met maar één 'handeling', geen frequentatief zoals bijten dat doorgaans wel is (denk ik, of liever: vrees ik, als ik op wandelvakantie een loslopende hond ontmoet). Je kunt waarschijnlijk niet herhaaldelijk, iteratief, serieel in één gebeurtenis met een hert in botsing komen (tenzij in een komische tekenfilm). Ik merk, terzijde, nu ik dit tik, dat ik me bij een bericht als: 'Dronken automobilist over de kop geslagen', voorstel dat zo'n kerel dan meerdere keren met kar en al een koprol heeft gemaakt; ik weet niet of dat realistisch is).

Terug naar der haaien bijt-frequentie. Op de site van het AD staat d.d. 2 februari van dit jaar een bericht over een Nederlander die door een haai was gebeten, waarvan de kop als volgt luidt: 'Freek Vonk flink toegetakeld door haai'. 'Toetakelen' lijkt me een werkwoord dat een actie beschrijft (namelijk: aftuigen) die niet met één singuliere handeling achter de rug en afgerond is (net zo min als een boom omhakken of het gras maaien). Daarbij denk ik meer aan een forse vis die met zijn kakement stevig heeft liggen klappertanden.

Maar uit het stuk onder die AD-kop blijkt dat het beest, nota bene volgens het subject van het ongeluk (het lijdend voorwerp van de toetakeling, zo u wilt), slechts éénmaal gebeten heeft: 'Een van de haaien heeft een vergissing gemaakt en nam een grote hap uit mijn rechter bovenarm.' Ik heb zelf, anders dan Freek, zo veel door tv en films gevoed ontzag voor die beesten, dat ik denk dat kop 1b dus wel correct kan zijn in dit opzicht. Overigens kan ik me, wederom anders dan Freek, die die optie kennelijk wel kent, niets, maar dan ook niets voorstellen bij een haai die ergens een klein hapje van zou nemen – Vonk als amuse gueule requinesque?

Ten derde: de locatie.
Die moet genoemd worden in dit soort teksten, denk ik, en wel om uiteenlopende redenen.

Ad 1: Die haai beet Freek bij Bimini, en dat is ver verwijderd van Australië, dat evenwel inmiddels een goed gevestigde reputatie heeft op het gebied van dodelijke haaien in zijn hem omringende surf- en snorkelwateren. Dat ene 'great country' met die drie-letter-naam staat ook in dit opzicht weer eens bovenaan de lijst (zie Wikipedia/ISAF). Overigens is de eerste zin van het bericht onder kop 1  specifieker over de locatie: 'In West-Australië is een meisje van 17 doodgebeten door een haai.' Maar dat gaat helaas ten koste van de informatie over de herkomst van het slachtoffer (er zou hebben moeten staan: 'West-Australisch meisje in Australische oceaan doorgebeten door haai' om dit probleem te vermijden).

Dit ongeval past 'dus'  in een patroon, wat het patroon op zijn beurt weer bevestigt; gelukkig geschiedde het ongeluk ver van ons luchtbed.

Ad 2: Zandvoort, dàt is nabij! En daar hebben ze toch die herten uitgezet? Die beesten vermenigvuldigen zich als eertijds de konijnen dat deden in Australië. Daar moet dus maar eens flink op geschoten worden. Altijd wat, met die agressieve rotherten. Nu dit weer: een fietser verwonden! Voor je het weet, wordt dat een patroon.

Maar toch: Hollanders zijn zuinig op hun 'natuur', want terwijl er aan de haai geen woord wordt vuilgemaakt in het onderkopse bericht, staat er in het hert-en-fiets-bericht dat de fietser naar het ziekenhuis is gebracht met onbekende verwondingen, en...  'Onbekend is hoe het staat met het hert. Het dier was verdwenen toen de hulpdiensten aankwamen.' Just like Neil: 'I feel sorry for the elephant.'

dinsdag, april 04, 2017

Digitale inktvraat

Hoe ook de techniek voortsnelt, hoe voortvarend ook de humaniora worden omgetoverd tot Digital Humanities, de problemen worden er niet anders door, in zekere zin.

Ik wilde een scan maken van een stuk uit Anthonie Donkers even verbijsterende als intrigerende boekje De vrijheid van den dichter en de dichterlijke vrijheid. Een critiek op de moderne poëzie (Van Loghum Slaterus uitgeversmaatschappij n.v. Arnhem in 't jaar MCMXLVI), maar mijn scanner dacht dat het nog maandagochtend was of zo, en kreeg krampjes. Het resultaat heet ik vooralsnog digitale inktvraat.

Het boekje is verbijsterend doordat Donker te keer gaat als een enorme, van zichzelf overtuigde betweter: bij elke moderne dichter die hij aanhaalt, en het zijn vrijwel uitsluitend goed gecanoniseerde dichters (en een enkele dichteres) weet hij feilen aan te wijzen in hun taalgebruik. Of eigenlijk: overtredingen van zijn eigen ideale taalgebruiksregels. De minste of geringste afwijking van wat hij noemt de 'gewone' taal, veroordeelt hij. Poëzie moet helder zijn, verstaanbaar. Dus keurt hij afwijkingen van de gewone of gangbare woordvolgorde af, neologismen, samentrekkingen, door rijm afgedwongen variatie in grammaticale tijden en nog veel meer.

Hij doet dit omdat hij vindt dat de taal van zichzelf al rijk genoeg is, en dat de dichter een vakmens moet zijn en zijn uiterste best moet doen om het gedicht dat in hem zat en zich door inspiratie heeft aangediend, zo perfect mogelijk weer te geven, naadloos in woorden moet vangen. In uitzonderlijke gevallen, als het echt niet anders kan, mag de dichter de taal naar zijn hand zetten, of liever: naar zijn gedicht modelleren. Donker heeft dus een op zichzelf bezien lovenswaardige, zeer hoge, uiterst idealistische opvatting van poëzie.

Het boekje is intrigerend doordat Donker tot zijn 'critische' exercitie is gekomen onder invloed van de toen recente oorlogservaringen. Hij vraagt zich af of men eertijds wel goed heeft opgelet, of men wel kritisch genoeg is geweest, want men had misschien wel die hele oorlog aan kunnen zien komen in plaats van er door overvallen te worden. En misschien heeft men op vergelijkbare wijze te zeer en te klakkeloos geloof gehecht aan de (positieve) literaire kritiek en hebben de lezers zich een rad voor ogen laten draaien, en is er te veel poëzie goedgekeurd.

Afgaande op de hoeveelheid stilistische muggen die Donker met precisie weet te ziften, is zijn antwoord op die vraag: ja, er zit veel ruis in zelfs goede poëzie. Opmerkelijk consistent is het dat hij af en toe in overweging geeft dat een Franse dichter een of andere fout nooit zou maken ('Fransche ooren zijn op dit stuk gevoeliger') en dat hij anderzijds germanismen afkeurt.

De man was oprecht verontrust. Maar nu ik net over de helft ben van zijn vijftig pagina's critiek op de moderne poëzie, ga ik me op mijn beurt ernstig zorgen maken over de kwaliteit van de poëzie van Anthonie Donker.

woensdag, maart 08, 2017

Faint praise

Dan lees je in een krant d.d. 27-05-2016 over een dichter die net zijn eerste bundel het licht heeft doen zien: '[De dichter] componeerde een aangrijpende bundel die een dichter maar een keer in z'n leven kan schrijven.' En denk je: dat is een fenomenale dooddoener: meeste dichters, en zeker de goede, componeren iedere bundel maar één keer (al kan dat proces lang duren en veel herschrijvingen vergen, maar als ze een bundel twee keer componeren, krijgen ze geen uitgever zo gek dat die het boek twee keer apart uitgeeft) (over herdrukken heb ik het hier niet).

Maar in een niet gedateerd verslag van een gesprek met die dichter op een website, overtreft degene die ook de hierboven geciteerde recensie schreef deze lumineuze gedachte als volgt in de lead: 'Het poëziedebuut [...] van [....] is er een dat je slechts eenmaal in een dichtersleven kunt schrijven.' Touché, zeker een debuut kan je maar één keer schrijven. Een debuut is, zo blijkt maar weer eens, per se uniek.

dinsdag, maart 07, 2017

Als

"Als de therapie van één individu een land in het ongeluk dreigt te storten, wordt het tijd voor een alternatieve therapie."

Zo eindigt Grunberg zijn 'Voetnoot' vandaag. Wat die therapie, wie dat individu en welk dat land is, lepelt hij erboven op. Maar wat bedoelt hij met deze slotzin? Hij zegt 'Als', oftewel: 'Indien', of: 'Zodra'. Wanneer dat is, mag de lezer zelf verzinnen: tijdens of na de parlementsverkiezing, bijvoorbeeld. Lijkt me te laat. Grunberg zegt niet: 'Nu'.

Kennelijk ziet hij het boeltje nog wel een tijdje aan, vanaf de wal, vanuit de marge. Laat maar waaien. Lauwe thee, dus. Blijkt ook wel uit zijn loze voorstel tot genezing, mocht dat volgens hem nog niet dreigende ongeluk zich toch eens echt aan gaan dienen: "een alternatieve therapie". Onbepaald lidwoord. Echte inhoud past niet in een voetnoot. Bladvulling. Ruis.

donderdag, februari 23, 2017

De nog-quotiënt

Sinds kort ben ik (zie de post hieronder) aanvoerder van een vijftienkoppige groep die Lezen na de Nacht heet. Of: dat is wat ieder voor zich heeft gedaan. En in het Literatuurhuis te Utrecht komen we dan eenmaal per week bijeen om de laatst verschenen bundel te bespreken van een van die dichters die optraden op de Nacht van de Poëzie. Bespreken is een soort lees-extensie en -verrijking.

Achteraf bezien is de wijze waarop de selectie van de zes bundels tot stand gekomen is, betrekkelijk ondoorgrondelijk te noemen. Het palet bevat van alles wat (en van veel ook niets want de Nacht was rijk gevuld). Toen Literatuurhuishoudster Sophie Kok en ik de selectie eenmaal gemaakt hadden, hebben we maar besloten om de bundels te lezen in een chronologische ordening op basis van de leeftijd van de dichters, van oud naar jong, in concreto van geboortejaar 1948 naar 1995, kortom een halve eeuw poëzie, in zeker zin. Ik weet het niet zeker, maar de samenstelling van de groep lezers is qua leeftijd wat minder gespreid, vooral aan de jongste kant halen de lezers het niet bij de laatste dichteres.

Maar eigenlijk is dat niet van groot belang. Wat telt is dat we met ons zestienen enthousiast aan het lezen en praten en herlezen zijn gegaan. De deelnemers komen van alle kanten, als gezegd jonger en ouder door elkaar, maar ook geverseerde lezers en beginnelingen, mannen en vrouwen; wat ze gemeen hebben is dat ze naar de Nacht zijn geweest (en dat ze 'blank' zijn, voor zover ik dat kan beoordelen). Het is heel leuk en ook informatief en leerzaam om met zo'n waaier aan invalshoeken, meningen, achtergronden, belangstellingen e.t.q. uiteenlopende bundels te bespreken. Het enige huiswerk dat ik heb opgegeven, is dat ze iedere week een bundel ge- en herlezen moeten hebben; ik stuur ze ook een verzamelingetje recensies, maar - tweede huiswerk - die mogen ze pas lezen als ze  zich de betreffende bundel zelf hebben eigen gemaakt, om het zo maar eens te noemen.

Naar aanleiding van de lectuur van Het moet nog ergens liggen van Joke van Leeuwen (Querido, 2016), de tweede bundel in de reeks, heb ik onlangs ad hoc de nog-quotiënt geïntroduceerd, een onzinnige lexico-rekenkundige formule (iets heel anders dan de editiefactor). Al lezend dacht ik namelijk dat in Van Leeuwens bundel het bijwoordje nog nogal vaak voorkomt, het in uiteenlopende betekenissen dan wel functies. Om mijn vermoeden te toetsen heb ik eerst de nog's in Het moet nog ergens liggen geteld (de bundeltitel is inderdaad indicatief), en daarna die van Ontsnappingen (Arbeiderspers, 2016) van Eva Gerlach, de bundel die we de week ervoor lazen. En inderdaad: veel meer nog's bij Van Leeuwen dan bij Gerlach. Toen was het hek van mijn teldam, en heb ik de overige bundels ook maar op het oog geïnventariseerd (bij gebrek aan digitale of gedigitaliseerde tekstversies): Te voet is het heelal drie dagen ver (Atlas Contact, 2016) van K. Michel, Eiland berg gletsjer (Querido,  2011, 5e dr. 2016), Ben jij liefde (Vrijdag, 2016, 2e dr. 2016) van Mustafa Kör, en Kalfsvlies (Atlas Contact 2015, 5e dr. 2016).

Om de nog-frequenties enigszins te kunnen vergelijken, zou ik ze eigenlijk moeten relateren aan frequenties van bijvoorbeeld andere bijwoorden of aan het totaal aantal woorden van iedere bundel. Bij gebrek aan makkelijk doorzoekbare digitale teksten, heb ik dat gemakshalve en tijdbesparend maar niet gedaan. Om nog iets van een vergelijking mogelijk te maken, heb ik de frequenties aanvankelijk gerelateerd aan het aantal pagina's met poëzie per bundel (door de frequentie te delen door het aantal pagina's), en in tweede instantie aan het aantal gedichten per bundel, waarbij ik genummerde onderdelen onder een gezamenlijke titel als aparte gedichten binnen een reeks heb beschouwd. Omdat de zo ontstane nog-quotiënten in een grafiek onzichtbaar zouden zijn, heb ik ze met 100 vermenigvuldigd (het zijn dus heel maffe percentageachtige getallen geworden geworden). Het resultaat ziet er zo uit:


Met een nog-frequentie van 36 en 45 zitten Van Leeuwen en Rijneveld ver boven het gemiddelde van 17,33 (en Michel en Vegter zitten er met 1 respectievelijk 4 ver onder). Als ik de twee extremen weglaat, is het gemiddelde nog altijd 14,5.

Als de frequentie gerelateerd zou worden aan het aantal woorden per bundel, wat meer voor de hand lijkt te liggen, zou het nog-quotiënt van Rijneveld fors kunnen kelderen, want haar debuutbundel wordt gekenmerkt door extreem lange versregels en bijzonder veel regels per pagina, waarbij ook nog opgemerkt moet worden dat die pagina's het grootst zijn van die van alle bundels in dit corpus. De bundel van Van Leeuwen komt als enige in de buurt van die oppervlakte, maar daarin is juist weer erg veel ruimte gebruikt voor typografisch wit (de zetspiegel is dus relatief klein) en een grotere drukletter (trouwens ook voor tekeningen en lege pagina's tussen afdelingen, maar die zijn sowieso niet meegeteld, net zo min als die van Vegter). Ik bedoel: die score van Van Leeuwen lijkt me uiteindelijk de meest uitzonderlijke.

Voor wie meer concrete cijfers wil:


Maar valt er ook nog iets over te zeggen? Nog niet veel op grond van alleen de cijfers. De tekst zal er nog bij genomen moeten worden, bijvoorbeeld om te bezien of Van Leeuwen nog meer dan de anderen dicht over het verstrijken van de tijd, of dat zij degene is die nog het meest vasthoudt aan een metrische structuur van de gedichten (zeker in de afdeling 'Visioenen') en daarom nog meer betrekkelijk betekenisarme stoplapjes nodig heeft dan de andere dichters.

Per figures iterum ad fontes.