vrijdag, juni 22, 2018

In den moreelen boekhouder

Nee, echt, wanneer wordt 'filosoof' nu eens een beschermd beroep, met een serieuze beroepsvereniging die de belangen behartigt van die beroepsgroep, en met een streng maar rechtvaardig register, en met professionele begeleiding voor leden bij het schrijven van opiniestukken en met een verplichting tot het volgen van de basale - en dus preliminaire - cursus 'Hoe lees ik de krant min of meer correct'?

Ik heb bijvoorbeeld - maar dit ter zijde - geen idee waarom en door wie ik tot schrijver ben benoemd.

En Xandra Schutte heeft, als ik haar stuk goed lees, niet het 'moederschap' een duf thema genoemd, maar wel 'de moeder de vrouw'; en het is - onder meer - precies de reproductie van die domme koppeling waartegen de driehonderd morele boekhouders bezwaar aantekenen (niet tegen moederschap als thema, en trouwens ook niet tegen vrouw als thema).

'De literatuur is er niet ter bevordering van welk maatschappelijk doel dan ook', vindt de filosoof en essayist. Mooie mening. Veel plezier ermee. Maar vreemd genoeg zijn er ook mensen die er een andere mening op nahouden. Of die vinden dat literatuur - heel breed opgevat - (ook) wel een of ander maatschappelijk doel kan bevorderen of kan proberen te bevorderen. Ik ken zelfs echte boeken van echte schrijvers die dat daadwerkelijk wilden en willen. Maar misschien is dat beroepsdeformatie...

vrijdag, juni 15, 2018

What de CPNB????

Zonder toestemming vooraf gretig gejat van Facebook, de (niet alleen haar, maar ook mijn, en hopelijk veler) opinie van Kila van der Starre aangaande het eerstkomende boekenweekgeschenk:

Het thema van De Boekenweek 2019 is 'De moeder de vrouw' en de CPNB heeft twee mannen gevraagd de geschenken te schrijven. Binnenkort is het 2019 en zullen vrouwen als moeders beschreven worden door mannen. Het is gewoon niet te geloven. En dan zet CPNB er ook nog bij: 'De moeder de vrouw is het thema van de Boekenweek 2019. Twee identiteiten, zijn zij onlosmakelijk met elkaar verbonden?' What. The. Fuck. Nee, CPNB. Niet alle vrouwen zijn moeders. Niet alle vrouwen willen moeder zijn. Niet alle vrouwen kunnen moeder zijn. En niet alle vrouwen die wel moeder zijn, zien moeder-zijn als hun identiteit. Wat trouwens ook geldt voor vrouw-zijn. Daarnaast lijkt 'vrouw' in 'de moeder de vrouw' naar 'echtgenote' te verwijzen. En, guess what, niet alle vrouwen zijn echtgenotes. Niet alle moeders zijn echtgenotes. En nee, echtgenote-zijn is voor heel veel vrouwen geen identiteit. Echt, what the fuck.

(Kila is een heel goede collega van me; en ik denk dat ik weet waar ik het over heb als ik zeg: als je haar zo gallisch krijgt dat ze dit soort teksten het internet op slingert, ben je echt minimaal zeven sloten te ver over de grens gegaan).

zaterdag, mei 26, 2018

Niet zo vroolijk

Zelden las ik een column, hoe zeg ik het duidelijk..., zo vol grondeloze stupiditeit en misplaatste zelfingenomenheid als die onder de titel 'Het geslachtsdeel van de schrijver' van de zich steevast 'neerlandica' noemende 'journalist' Elma Drayer in de Volkskrant van vrijdag 25 mei 2018, pagina 25 (een dag eerder en onder een andere titel in de digitale versie van die krant verschenen).

Het stuk gaat over het academisch promotieonderzoek van Corina Koolen, gepubliceerd in haar proefschrift Reading Beyond the Female. Koolen onderzocht de invloed van gender op (waardering in) het literaire veld. Publieke discussies over dat onderwerp noemt Drayer 'gekrakeel', een depreciërende kwalificatie in mijn optiek ('krakelen wordt ook volgens het WNT '[m]eestal in afkeurenden of minachtenden zin gebezigd.'

Als een wereldberoemde schrijver iets heel seksistisch' zegt over vrouwelijke literatoren, heet het bij Drayer: 'Woede en hilariteit waren zijn deel.' Daarin klinkt door – dus zonder dat het er letterlijk staat – dat die reacties onzinnig zouden zijn, of minstens overdreven.

Als iemand gedurende langere tijd op luchtige wijze tekenen van literair-critisch seksisme verzamelt en analyseert, omschrijft Drayer dat als: 'Toen kwam het grote tellen in de mode.' Ze gebruikt hier (wederom) de overdrijving, nu om het werk van de Lezeres des Vaderlands belachelijk te maken, want heel 'groot' was dat tellen van die Lezeres in werkelijkheid niet, wel lang en aanhoudend, en van een mode was geen sprake want, mede afgaand op de argumenten die Drayer aandraagt (geen enkel) was de Lezeres des Vaderlands de enige die dit telwerk verrichtte; voor een mode is navolging nodig binnen hetzelfde tijdsbestek, lijkt mij.

Dan komt de introductie van de steen des aanstoots, het wetenschappelijk onderzoek van Koolen: 'En onlangs heeft de wetenschap zich weer eens over de materie gebogen.' Voor dat 'weer eens' draagt ze geen enkele onderbouwing aan; en opnieuw is dit in mijn optiek een depreciërende overdrijving.

In interviews in '[a]lle grote kranten' 'mocht' Koolen volgens Drayer allerlei beweringen doen. Het gebruik van het hulpwerkwoord 'mogen' suggereert dat '[a]lle grote kranten' die wetenschappelijke zeurkous hadden moeten corrigeren. Want zie: verderop schrijft Drayer dat zij 'althans bij de interviewers uitsluitend eerbiedig geknik' bespeurde. De formulering 'eerbiedig geknik' is – het wordt vervelend – opnieuw een voorbeeld van half verbloemde depreciatie. En een column biedt natuurlijk geen ruimte voor enige onderbouwing van die individuele, niet-systematische waarneming van Drayer.

'Bijval', noteert Draayer', 'kreeg Koolen van schrijver Herman Stevens', alsof deze de enige zou zijn die zich in gelijke zin over dit onderwerp uitliet, en alsof er bij nader inzien dus toch geen sprake was van de eerder genoemde 'mode'. Inconsistentie is een goed middel om de herhaling van je eigen, ongefundeerde, depreciërende opinie in een column mogelijk te maken.

Als een criticus van aanzien erkent dat hij ongelooflijk seksistisch is geweest bij (het uit de weg gaan van) de beoordeling van een auteur van wie hij dacht dat het een vrouw was en wiens werk hij alleen daarom zelfs niet eens làs, vindt Drayer dat helemaal niet erg: 'Hij kwam er tenminste eerlijk voor uit.' Hoe dringend is dan een herijking nodig van je morose morele besef, columniste, opinievormster?

De zich neerlandica noemende Drayer veronachtzaamt gemakzuchtig het literair-wetenschappelijke onderscheid tussen 'sekse' en 'gender', blijkens haar met een wegwerpgebaar genoteerde terminologische (waarschijnlijk grappig bedoelde) vergissing 'sekse (pardon, gender)' (dat haar heel die terminologie geen moer interesseert, bleek al uit de stompzinnige titel van de column).

Bovenop deze onwelriekende stapel nonsens plaatst Drayer dan de opmerking dat '[i]n de praktijk' dat literair seksisme reuze meevalt, en zij kan dat melden 'uit eigen ervaring'. En met die eigen, singuliere ervaring, veegt zij de gehele wetenschappelijke dataverzameling en -analyse van Koolen van tafel.

Dat kan kennelijk, in een column in de Volkskrant, die inmiddels een reputatie heeft opgebouwd op het gebied van het in een kwaad daglicht stellen van de geesteswetenschappen, van de neerlandistiek niet in de laatste plaats. Over diversiteit kan je, wat Drayer in de Volkskrant betreft, je beter maar niet uitspreken; doe je dat wel, rekent zij je tot 'de diversiteitsgelovigen'. Hoppa, wetenschap is ook maar een overtuiginkje, een meninkje, meent 'neerlandica en journalist' Drayer.

dinsdag, april 17, 2018

Dan maar hangmatedities

Het vak ‘Lezen, en laten lezen’, waarin onder meer gebruik werd gemaakt van Naar de letter (1995), het handboek editiewetenschap van Marita Mathijsen, is inmiddels al een aantal jaar geschrapt uit het BA-curriculum Nederlandse Taal en Cultuur van de UU. En nu zie ik dat de destijds al zeer-, en later zelfs  hooggeleerde auteur van dat handboek het niet meer eens is met haar eigen voormalige, wetenschappelijk gefundeerde standpunt; een geharnast vakstandpunt, dat ik jarenlang devoot onder studenten verspreid heb: een wetenschappelijk verantwoorde editie is per definitie volledig en onveranderd; editeursingrepen zijn alleen toegestaan als er evidente fouten recht te zetten zijn die de historische vorm van de oorspronkelijke tekst geweld aan zouden doen.

Zo was dat, en niet anders. Een kwestie van fatsoen en respect. Respect voor de auteur en voor zijn/haar gezwoeg om de tekst zo goed mogelijk te noteren opdat zijn/haar ideeën en visies, waar het uiteindelijk om gaat, zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen. Fatsoen van de lezer om de schrijver hierin te volgen en op zijn/haar beurt zijn/haar best te doen de schrijver zo goed mogelijk te begrijpen. Er schuilt een beetje Bordewijk in: de schrijver moet niet dalen, de lezer moet klimmen. Dit geldt zeker waar het gaat om historische teksten (en dat zijn inmiddels teksten van voor de Tweede Wereldoorlog, vrees ik). De schrijver kan er als het ware niets aan doen dat literatuur soms zo goed is dat ze lang meegaat en gewaardeerd wordt door docenten en andere enthousiasten, ook al veranderen de taal en de wereld zodanig dat de (latere) lezer er moeite voor moet doen de tekst mede in zn oorspronkelijke vorm te begrijpen, te verstaan. 

In de Volkskrant van 14 april 2018 laat Mathijsen echter een nieuw standpunt optekenen:
Liever een luie lezer dan geen lezer. Hertalen mag. Het is de enige manier om literatuur uit het verleden te redden van de vergetelheid. We leven in een cultuur van haast en snelheid, van korte zinnen. Je kunt niet verwachten dat lezers van nu de tijd nemen voor alle uitweidingen en bijzinnen in literatuur uit vroegere eeuwen. Ze gaan ook niet meer te voet naar Parijs. Ik ben nu zelfs voor inkorten.
Het lijkt er een beetje op dat Mathijsen de krant inmiddels verheven heeft tot een wetenschappelijk platform: ze zette daarin recentelijk ook haar biografiestandaard uiteen. Maar ze heeft haar nieuwe editievisie ook geventileerd in ‘de nieuwste digitale editie’ van haar eigen handboek, ‘in een nawoord’. Hartstikke actueel dus, die krant in die rubriek over mensen die een ommezwaai maken...

... blijkt het te gaan om het onderdeel ‘Vijftien jaar Naar de letter’ (een titel die lijkt te zinspelen op Beets’ Na vijftig jaar’), opgenomen in die digitale edite van de ‘vierde, ongewijzigde oplaag’ van de grijze bijbel, zoals haar handboek met ironisch ontzag door vakgenoten wordt genoemd. Die  ‘vierde, ongewijzigde oplaag’ stamt uit 2010, en is kennelijk ongewijzigd wat betreft de hoofdtekst, maar ze is wel uitgebreid met dat nawoord en dus niet ongewijzigd, maar kortweg gewijzigd (het gaat - dit terzijde - via de krant hollend achteruit met de editietechnische vakkennis).

Terugkijkend op haar oorspronkelijke handboek, constateert Mathijsen anno 2010 in haar handboekInkortingen, herspellingen, hertalingen, selectieve variantenapparaten, edities zonder onderzoek van alle aanwezige bronnen wees ik zonder pardon af.’ En: ‘Inmiddels ben ik milder geworden.’

Maar... dat nieuwe, milde standpunt is een herhaling van het standpunt dat ze niet acht, maar al zon vijftien jaar geleden, met andere woorden al acht, en niet pas vijftien jaar na het verschijnen van Naar de letter, al had ingenomen, en wel in het artikel Een knieval voor de luie lezer? Hertaling als enig redmiddel historische literatuur’ in Nederlandse letterkunde 8 (2003), nr. 2, p. 116-129. Oud nieuws, dus in de krant.

En: in de krant passen kennelijk niet alle nuances die de wetenschap eigen zijn. In het genoemde vakblad luidt de eerste en belangrijkste van de vijf basisregels die Mathijsen formuleerde en onverbreekbaar noemde:
er mag geen hertaling gemaakt worden van een tekst als er geen betrouwbare editie voorhanden is. Voor historici en literair-historici moet eerst de brontekst betrouwbaar uitgegven zijn, voor je mag gaan stoeien. (p. 127; mijn cursief, IDVH)
Ik hoop van harte dat Mathijsen de eerste basisregel nu ook nog even in de krant wil herhalen. Dan kan ook wat mij betreft het speelkwartier voor de tekstbezorgers beginnen, parallel aan het gewone tropenrooster.

woensdag, maart 14, 2018

"I'm a lucky inheritor of modernism"

Daar werd ik wel zeer vroolijk van. Die avond over met Ali Smith gisteren in de Amstelkerk. Ik was nog nooit eerder in die kerk geweest. Mooi ding, in een heel leuke omgeving. Bijzonder druk was het (net als eergister bij de presentatie van Geert Buelens' grote cultuurgeschiedenis van de jaren zestig, maar dat was niet in een kerk, en ook was Ali Smith er niet bij, terwijl zij in Autumn heel uitgebreid vertelt over Pauline Boty, die Geert in zijn magnum opus maar eenmaal vermeldt, op pagina 380).

Wat kan die Smith enerverend, razendsnel en feilloos, en met mooie modulaties voordragen uit haar eigen werk. Verrassend, dat hoge tempo. Ik lees haar veel langzamer. En wat een gedrevenheid, wat een vrolijke gedrevenheid die deze schrijfster - die zich zeer bewust is van de lamentabele staat van de wereld anno heden - ten toon spreidt, ook wanneer ze over haar werk en opvattingen vertelt, gisteren terecht vooral over het kwartet seizoens-romans dat nu in aanbouw is en waarvan ze elk deel zo snel mogelijk na afronding in de winkel wil hebben, niet pas na een jaar, maar al na zes weken (ik meen echt dat ze dat zei, zes weken).

Wat een wervelwind aan ideeën en wat luchthartigheid ook. Een schrijver, zei ze onder andere, is als een vogeltje: als het van de tak springt, vertrouwt het erop dat het gaat vliegen; zoiets. Want iedere roman begint met niets. Gelukkig zitten haar romans boordevol als ze bij mij belanden.

Het experimentele karakter van haar werk vindt ze wel meevallen. Ze is, zo zei ze gisteren, in dat opzicht wel mild. En: "I'm a lucky inheritor of modernism." Met een rotsvast vertrouwen in de kracht van de roman, meer nog: de kracht van het vertellen. De beste manier om de waarheid te leren kennen en onderscheiden, is het lezen van fictie.

Maar daar was het me eigenlijk niet om te doen. Meer om wat er op de foto staat (klik om te vergroten). En dan nog niet eens het boek, Winter, want daar kan ik nog niets over zeggen, want ik ben pas op de helft (maar ik mag wel alvast zeggen dat het een razende roman is, met heerlijk eigenzinnige, niet gemakkelijke personages, om maar iets te noemen) (Smith zei trouwens dat ze met de herfst was begonnen, omdat ze dan lekker met de zomer kon eindigen). Bovendien is het omslag op de foto niet goed: er hoort nog een stofomslag bij, halve hoogte van het boek, met een repro van een iPad-schilderij van David Hockney, maar dat laat ik eraf tijdens het lezen, opdat het langer heel blijve, want het boek gaat van hand naar tafel naar hand naar andere tafel naar hand naar tas naar hand naar hoofdkussen en zo verder.

Het was me eigenlijk te doen om het bonnetje dat de gasten gister kregen bij hun toegangskaartje: zo'n viltig kartonnen, rechthoekig, roze kaartje met erop gedrukt in vette schreeflozen: Consumptie; zo'n kaartje, met links en rechts een perforatierandje, karteltjes die mijn geest regelrecht doorsturen naar de groene trommel van gemoffeld metaal waar een hele rol van die kaartjes, uitgerold minstens tientallen meters, op fascinerend cyclindrische wijze in verscholen zat.

donderdag, februari 22, 2018

Letterlijk

Lily, the caretaker's daughter, was literally run off her feet.
Met die zin begint het slotverhaal 'The Dead' van James Joyce's Dubliners. Wallace Gray maakt op WWD deze notitie bij dat 'literally':
A fine example of stylistic infection, in which the personality of the character being written about begins to influence the author's choice of words and rhythms. The correct word would be 'figuratively,' but to say 'literally' is common among many people, particularly those with Lily's minimal education.
Dan is het wel grappig om het volgende te lezen in een artikel van een hoogleraar Engels van de University of Massachusetts-Boston over 'A Little Cloud', eveneens uit Dubliners:
Even Warren Beck,* whose reading of the story is, among all of the commentaries on and analyses of the story proper, one of the more compelling and more coherent, finds the specific significance of the 'little cloud' literally nebulous 
Nu kan het zijn dat die hoogleraar, Thomas B. O'Grady, in dat citaat uit zijn artikel 'Little Chandler's Song of Experience' (in James Joyce Quarterly 28.2 (1991): 399-400) bedoelt dat Warren Beck letterlijk het woord 'nebulous' gebruikt (en niet, dat Beck dat woord 'letterlijk' gebruikt, als ik nog duidelijke ben...), maar om dat  te controleren, zou ik Becks Joyce's "Dubliners": Substance, Vision, and Art moeten inzien.

* Pas op: in de Joyceaanse epitekst-fabriek worden zelden eenvoudige hengeltjes gebruikt om minieme betekenisvisjes binnen te halen (excuses voor de metaforenmix). Of, om te variëren op wat de Franse spoorwegen bij alle overwegen zeggen: Voorzichtig, een interpreet kan een andere verbergen.

donderdag, februari 15, 2018

A Close Reading of some "But"'s

In een werkgroepbijeenkomst van de cursus Literary Toolbox (UU) vroeg een student naar de betekenis van een rare zin in de eerste alinea van “The Dead” van James Joyce. Het gaat om de tweede zin in het volgende citaat:
It was well for her she had not to attend to the ladies also. But Miss Kate and Miss Julia had thought of that and had converted the bathroom upstairs into a ladies’ dressing-room. (Joyce, 175)
Die was mij ook al opgevallen, maar ik kon er niets mee, dus dacht ik er wijs aan te doen erover te zwijgen (symptoom van een omgekeerd Halbe-Zijlstra-syndroom). Vooral dat “But” leek me vreemd, omdat er geen tegenstellend verband tussen de inhoud van de twee zinnen lijkt te bestaan, maar een verklarend. Ik zou eerder iets als “Since” verwachten. Ik wil proberen het gebruik van “But” op deze plaats te verklaren.

Pas bij herlezing van het verhaal zag ik dat aan het eind van de tweede alinea nog tweemaal “But” op een opmerkelijke manier wordt gebruikt, en wel in een passage die met dezelfde woordgroep begint als de allereerste alinea:
Lily, the caretaker’s daughter, did housemaid’s work for them [i.e. for Julia and Kate]. Though their life was modest they believed in eating well; the best of everything: diamond-bone sirloins, three-shilling tea and the best bottled stout. But Lily seldom made a mistake in the orders so that she got on well with her three mistresses. They were fussy, that was all. But the only thing they would not stand was back answers. (176)
Maar er is meer op te merken over taalgebruik en Lily. Zij weet de achternaam van hoofdpersoon  Gabriel Conroy kennelijk niet goed uit te spreken: “Gabriel smiled at the three syllables she had given his surname and glanced at her.” (177) Dat Gabriel zich welbewust is van zijn hoge(re) scholing (“their grade of culture differed from his”, denkt hij over al de anderen, p. 179), moet ik hier helaas onbesproken laten, net als de gedachte dat er een associatief verband kan bestaan tussen “surname en sirloins” dat weer een verklaring kan zijn voor Lilys geprikkelde reacties op Gabriel.

Sommige taaluitingen van Lily zijn (misschien, want mijn Engels is verre van feilloos) niet van het hoogste BBC-gehalte: “Oh no, sir, she answered. I’m done schooling this year and more.” (177) En: “The men that is now is only all palaver and what they can get out of you.” (178) Zeker die laatste zin lijkt me een uiting van informele spreektaal.

Als dit klopt, denk ik dat er in de eerste twee citaten sprake is van erlebte Rede, van de vervlechting van enerzijds specifieke taalelementen van een personage in het verhaal en anderzijds taalelementen van de verteller, die buiten de verhaalde wereld staat; tekstinterferentie dus (zie verder Van Boven en Dorleijn). De verteller blijft aan het woord, maar geeft gedachten of visies van een personage weer, daarbij gebruikmakend van enkele typische spreektaalelementen van het personage. Het lijkt erop dat de verteller hier een eigenaardigheidje van Lilys taalgebruik kopieert, namelijk om zinnen met “But” te beginnen, een woord dat dan betrekkelijk betekenisloos is. Een spoor van haar spreektaal.

Misschien duidt in het eerste citaat ook de woordgroep “It was well for her” op het vermengen van de twee registers; die woordgroep kan vertaald als: Het was haar best, de weergave door de verteller van wat in een echte Lily-monoloog zou kunnen luiden: “’t Is mij best […].” En deze veronderstelling deel ik, bij nadere naslag, met Wallace Gray, die in zijn digitale introductie tot Dubliners noteert: “The expression ‘well for her’ is the kind of language a Dubliner of her economic and social caste would use; here, it becomes part of the author’s style.” By the way: ik zou hier liever van “the narrator’s style” spreken.

Over het tweede stuk vertellerstekst dat ik hierboven citeerde, zou dan nog dit zijn op te merken. Aanvankelijk is daar inderdaad de verteller aan het woord. In de zinnen die eraan voorafgaan, refereert deze namelijk aan “Julia” en “Kate”, terwijl het bij de positie van Lily past om netjes te spreken over “Miss Kate and Miss Julia” zoals uit het eerste citaat blijkt, en zoals ze ook daadwerkelijk doet als ze hen vertelt dat Mr Conroy is aangekomen (176).  Gabriel op zijn beurt heeft het over “Aunt Kate” (177, bijvoorbeeld), en de verteller neemt dat van hem over wanneer deze Gabriels gedachten of visie weergeeft (179, bijvoorbeeld). Overigens duidt ook de letterlijke herhaling van de beginzin erop, dat de verteller aan het woord is. De twee zinnen die met “But” beginnen, bevatten dan dus zijn weergave van observaties van Lily.

Om een en ander helder te houden, is het handig om het narratologisch onderscheid te hanteren tussen ‘vertelling’ (wie voert het woord) en ‘focalisatie’ (wie neemt waar). Leonard maakt in zijn bijdrage aan het boek van Attridge wel het onderscheid tussen deze fenomenen, maar hij gebruikt helaas niet deze terminologie. Hij omschrijft wat hij (mijns inziens niet geheel terecht) noemt “one of Joyce’s great achievements” (dat kunstje had Joyce af kunnen kijken van Flaubert onder anderen) als volgt: “an ‘objective’ narrative that, at the same time, appears unable to exceed the character’s perspective.” (Leonard, 96)


Literatuur

Boven, Erica van, and Gillis Dorleijn. Literair Mechaniek: Inleiding tot de Analyse van Verhalen en Gedichten. 1999. Coutinho, 2013.

Gray, Wallace. “James Joyce’s Dubliners: An Introduction.” World Wide Dubliners.

Joyce, James. “The Dead.” Dubliners, with an introduction and notes by Terence Brown. 1992. Penguin Books, 2000, pp. 175-225.


Leonard, Garry. “Dubliners.” The Cambridge Companion to Joyce, edited by Derrek Attridge, Cambridge UP, 2004, pp. 87-102. CambridgeCore.