vrijdag, november 22, 2013

Hyper de hype hoera! De overtreffende trap van Stoner

Bij een couranttweet over de tweede roman van Williams die nu in het Nederlands wordt uitgegeven moest ik al lachen: Butcher's Cross zou 'nog meeslepender' zijn dan Stoner. Een mededeling van het kaliber: Nog hardere seks in Voskuils postume novelle Nicolien goes naughty!

Wat een bericht, net een dag nadat Monty Python zijn come back bekend heeft gemaakt! Een heel goede pastiche.

Maar toen ik de frontpagina van NRC-boeken en/of -cultuur zag, was mijn tijdelijk van gezinsleden ontdane Stichtse rijtjeshuis te klein om de hilarische hoestbui te bevatten. Het dak ging er metaforisch af toen ik las dat de tweede Williams nog 'Spannender' (in Telegraaf-grote vetletters) zou zijn 'dan "Stoner"'.

In de recensie schrijft de dienstdoende criticus (en hier twijfel ik tussen: echter, en: dan ook) dit: 'Butcher's Crossing is Moby-Dick in het Wilde Westen, waarbij de rol van de witte walvis wordt gespeeld door vijfduizend wilde bizons.'

En dat moet ik anno hondertweeënzestig jaren ná Melville's magnum opus met droge ogen als een regelrechte loftuiting consumeren?

Maar de spanning is nog niet eens Williams' unique selling point volgens de recensent. Nee, let op: 'Dat je het boek zo moeilijk kunt wegleggen, komt vooral door de manier waarop Williams zijn verhaal vertelt.' Ja, da's waar, dan geef ik mij onmiddellijk gewonnen, en al helemaal als het daarbij ook nog gaat om een 'tergende traagheid'.

Nee, nee, nog niet afhaken: 'Als je Butcher's Crossing uit hebt, weet je precies hoe je een bizon moet schieten en hoe je hem vervolgens van zijn huid moet ontdoen.'

Genoeg, genoeg, die andere twee kolommen van de recensie kunnen dit nooit overtreffen. Ik weet wat me te doen staat. Toch knap, hoe iemand twee tegengestelde recensies kan schrijven met één tekst.

woensdag, november 20, 2013

Meer meuk!

Vertel ik, met nauw verholen trots (noem het desnoods zelfoverschattende eigendunk) aan een collega van de opleiding Duits, werkzaam binnen het über-departement TLC waarin onze werkkringen sinds kort zijn samengevoegd (of ondergedompeld), dat ik voor het eerst sinds jaren (en na uiterlijk twee jaren onderricht te hebben genoten in de Duitse spraak, in de jaren zeventig der voorgaande eeuw) weer eens een Duitse roman, en geen dunne, in het Duits lees, vrijwillig en voor mijn genoegen - niet voor een interdisciplinair en al dan niet binnen-departementaal of juist domein-extern verdieppingspakketcollege -, repliceert deze, nadat ik de titel van het betreffende werk heb genoemd, met een gortdroog: 'Oh nee, hè?! En, de hoeveelste druk lees jij inmiddels? Ik begin er niet aan!'

Enigszins geraakt, niet gekrenkt - nee, zo gaan wij echt niet met elkaar om - dacht ik terug aan de titel die ik ooit aan een lezing gaf: Meer meuk!

Vanwaar toch dat literatuurvorserlijk standaarddedain jegens literatuur die een breed publiek lijkt te bereiken? Ik lees bij wijle een (men leze hier nadrukkelijk: één) Heleen van Rooyen, een Kluun, een Koch, een Grunberg zelfs. Al was het maar bij wijze van averechtse verkenning. En je moet toch je vooroordeel af en toe proberen om te buigen naar een gefundeerd oordeel, zelfs zonder meteen een vakkundige belangstelling voor tegen- of volkscultuur te vijnzen? Ik las zelfs poëzie van Enquist vroeger, en deel één van die Potterdiarrhea, twee bladzijden Mak, de dikste roman van Siebelink, en drie hoofdstukken Voskuil. Wie verre reizen maakt, kan veel vertellen, wie veel verschillends leest, kan verder door zijn oordelen reizen. Hoop ik.

Ik lees overigens geen druk van Er ist wieder da, maar een e-versie (handig, want met een geïntegreerd woordenboek en dito encyclopedie). Vooralsnog niet tot mijn verdriet.

maandag, november 11, 2013

Kabaaltaal

NRC, op St. Maarten anno 2013: tussenkop:
Voor hun nieuwste cd ging niets Jack Barnetts fantasie te boven: een havik werd gehuurd om zijn gefladder op te nemen.
Uit de typografisch goed aangezette context (leuk, hoeveel je meer leest in een krant dan je alleen maar echt leest) blijkt in een oogwenk dat het gaat om het optreden van de Britse band These New Puritans o.l.v. genoemde Barnett op het Crossing Border-festival. Dus dat 'hun' geen referent heeft in die tussenkop, dat los je als krantenlezer wel op. Toch bleef die maffe kop in m'n kop hangen.

En anders dan gewoonlijk wel het geval pleegt te zijn, is het geen malheur dat veroorzaakt is door de koppenwrijver (tot mijn stomme verbazing vind ik dit woord niet terug in Van Dale; bestaat het dan niet buiten mijn brein?) De brontekst, van de doorgaans goed formulerende Hester Carvallo, luidt:

Voor de negen nummers van hun nieuwste cd Fields Of Reeds (2013), ging niets Jack Barnetts fantasie te boven: een havik werd gehuurd om zijn gefladder op te nemen;
Dat is nog eens een scherp gesneden excerpt! Wat dat betreft een toptussenkop! Toch bleef die maffe kop in m'n kop hangen.

Nee, ik bedoel niet dat je eraan kunt denken dat die havik werd gehuurd om Jack Barnetts gefladder op te nemen, hoewel ik dat een hilarische en daarom alleen al de beste interpretatiemogelijkheid vind. En dat een havik, anders dan de arend, niet een gereputeerde hoogvlieger is, doet daar weinig aan af.

Nee, het is ook niet de geïmpliceerde onzin dat een creatief concept je eigen kunstenaarsfantasie te boven zou kunnen gaan. Ein musikalisches Opfer des Baron Von Münchhausen oder so etwas? why not?!

Of toch: alles bij elkaar, en dan de echte kop er bovenop:

Wat ik bedenk kan ik zelf niet spelen.
Blödsinn? Wellicht, want andersom net zo goed waar. Maar nu nog even terug naar het begin: hoe afgestompt moet je muzikale fantasie niet zijn om een havik te huren om het geluid van het gefladder van een havik op te nemen? Die kop bevat geen lof, maar haalt de bewonderde Barnett geheel onderuit. Tijd dat ik die cd eens ga beluisteren.

zondag, november 10, 2013

Afstand

Waarom weet ik niet, maar ik las in de Volkskrant van zaterdag 9/11 (terrorerror) Ranne Hovius' recensie van Anna Bentinck van Schoonhetens boek Karl Abraham - Freuds rots in de branding (Garant 2013). Die recensie begint met de beschrijving van de film Geheimnisse einer Seele van Georg Wilhelm Pabst uit 1926.
Deze zwijgende film, die met zijn fraai verfilmde dromen een kassucces werd, had de educatieve inzet het volk te laten kennismaken met de zegeningen van de psychoanalyse. Twee gerenommeerde Berlijnse psychoanalytici, Karl Abraham [1877-1925] en Hans Sachs [1881–1947], tekenden voor de wetenschappelijke onderbouwing.
Dat schoot evenwel de Weense psychoanalytici in het verkeerde keelgat: dachten die Berliner werkelijk 'dat ze met een platvloers filmverhaaltje het gecompliceerde proces van een waarachtige psychoanalyse konden demonstreren?' Welaan, oordeel zelf, het kan dank zij Youtube.

Wat ik niet snap: een roman als Eva van Carry van Bruggen verscheen net een jaartje na die film. Toevallig heb ik de roman net weer fragmentarisch herlezen in verband met het college Moderne Tijd. Misschien is ze niet echt meer van deze tijd (figuurlijk, bedoel ik dat nu), maar er is niet veel voor nodig op het vlak van de welwillende suspensie van ongeloof, om toch van deze Bildungsroman te kunnen genieten. Oordeel zelf, het kan dank zij de DBNL.

Maar die film van Pabst... Dat die uit ongeveer dezelfde tijd stamt?! Wat een gekneuter en gestuntel. En naar mate het verhaaltje meer in de buurt van de feitelijke psychoanalyse komt, inclusief de kennelijk onvermijdelijke ligbank, des te armzaliger blijkt het medium van de zwijgende film. Psychoanalyse gaat immers met woorden, met gesproken tekst.

Hoe overbrug je als 21ste-eeuwse kijker en lezer, die digitaal met een handomdraai films en romans van bijna een eeuw oud in huis haalt, een dergelijke historische afstand? En zou Van Bruggen de film hebben gezien? En wat vond zij er toen van?

donderdag, november 07, 2013

Tweede handsje-II Jonge most-appendix

Als ik het wel heb bevat Jonge most 120 gedichten van achtendertig dichters (zie de Nederlandse Poëzie Encyclopedie als je wilt weten wie die dichters zijn). Om de veronderstelling weg te nemen dat de bloemlezer louter dichters zou hebben gekozen uit de stal van opdrachtgever Van Dishoeck, heb ik de bronnen van de opgenomen gedichten geïnventariseerd (leve de kwantificerende letterkunde). De gedichten blijken te zijn ontleend aan tijdschriften en aan bundels van uiteenlopende uitgeverijen: 45 gedichten uit 7 tijdschriften en 75 gedichten uit bundels van 19 uitgeverijen. Hier komen de feiten (tijdschrift respectievelijk uitgeverij: aantal gedichten)
Tijdschriften
De vrije bladen: 17 (zowel het tijdschrift als de cahiers)
Forum: 15
Helikon: 6
Het getij: 4
Groot Nederland: 1
De gemeenschap: 1
De Hollandsche revue: 1

Uitgeverijen
Van Dishoeck: 14
Stols: 11
De gemeenschap: 8
Querido: 6
Boosten & Stols: 5
Folemprise: 5
Palladium: 5
Hijman, Stenfert Kroese en v. d. Zande: 4
Van Munster's Uitgevers Maatschappij: 3
De gulden ster: 2
De spieghel: 2
Ploegsma: 2
Strengholt: 2
C.M.B. Dixon & Co: 1
De Waelburgh: 1
Eben Haëzer: 1
Enschede: 1
Nijgh en Van Ditmar: 1
P.N. van Kampen: 1

Men zou vervolgens ook nog moeten kijken naar welke uitgeverij welk(e) tijdschrift(en) uitgeeft (De gemeenschap geeft De gemeenschap uit, Stols Helikon, en zo verder), maar niet alle tijdschriften zijn daar duidelijk in (noch bibliotheekcatalogi), noch blijven alle gedurende de betreffende twee decennia bij dezelfde uitgeverij, zo min als de dichters dat deden en doen.
Van Dishoeck en Stols springen er met 14 en 11 gedichten bovenuit; Stols nog meer als de gedichten uit bundels van Boosten en Stols en die uit Helikon erbij worden geteld; die komt dan op 22.
Mij heugt een artikel in het eerste nummer van Nederlandse letterkunde (1996, p. 2-29) waarin Wiljan van den Akker en Gillis Dorleijn schrijven 'Over de geschiedschrijving van de moderne Nederlandse poëzie' tussen 1901 en 1940 en waarin ze meer in het bijzonder 'problemen, getallen en suggesties' aandragen. De nummers 1 en 2 van de top 26 van meest poëzie publicerende uitgeverijen (minimaal zestien bundels tussen 1901 en 1940) zijn C.A.J. van Dishoeck en A.A.M. Stols (met 175 respectievelijk meer dan 126 bundels). Ze zitten er wel eens verder naast, die literatuurhistorici.

woensdag, november 06, 2013

Tweede handsje-II Jonge most

Bij een culturele zondagnamiddag-wandeling dwaalde ik door een antiquariaat aan de Doesburgse Gasthuisstraat en zag op een paar planken met literatuurgeschiedenis de naam van G.H. 's-Gravesande op de rug van een bruin, wat smoezelig boekje, getiteld: Jonge most. Kennelijk een bloemlezing, want tussen titel en naam staat: 'verzameld door'.
Uitgever is de respectabele N.V. Uitg. Mij. C.A.J. van Dishoeck te Bussum. Het betreft hier een deel uit de mij voordien geheel onbekende serie serie 'Dishoeckjes'. Zo melig krijg je het tegenwoordig nog maar zelden. Op het omslagplaatje ligt er een boekje op het hoekje van een disje. Het is een serie tekstuitgaafjes en bloemlezinkjes die kennelijk niet specifiek zijn bedoeld voor het onderwijs, want dat soort uitgaven wordt op het achterplat in een fondsopsomming apart vermeld.

Jonge most is een dikkerd, een dubbelnummer: 58-59. Achterop staat aangegeven dat het niet slechts drie of viel vel druks bevat, zoals de meeste andere, maar acht. De prijs ervan was dan ook niet slechts 40 à 60, maar liefst 90 cent (guldencent, dat is, en volgens de omrekenaar op de site van het IISG zou die prijs nu ruim € 8,50 bedragen). Komt trouwens nooit meer voor, tegenwoordig: het aangeven van de omvang van een boek in het aantal vellen. In dit geval wisten ze 120 bladzijden op acht vellen te drukken (de katernen, behalve het eerste, zijn op de eerste pagina links onderaan genummerd). En inderdaad: dat klopt niet; het laatste katern beslaat slechts acht bladzijden, een half vel. De oplichters!

De 'Inleiding' is gedateerd op 'April 1936'; in dat jaar zal het boekje ook wel uitgegeven zijn (de catalogus van de KB denkt dat ook). Het papieren kaft van het boekje is gevlekt en gescheurd op de rug, waarvan het bovendien begint los te laten. Een ander exemplaar was iets mooier en iets duurder; een derde exemplaar was er slechter aan toe dan dit maar kostte eveneens slechts € 2,-. Er blijkt ook nog een gebonden uitgave van het werk te zijn; een afbeelding staat in de Nederlandse Poëzie Encyclopedie, de enige treffer toen ik 'jonge most' googlede. Nogal wiedus: ooit wel eens van oude most gehoord?

De ondertitel is saaier, maar iets beter en interessant: bloemlezing uit de gedichten van medewerkers aan Het getij, De vrije bladen en Forum. Een rijtje tijdschriften dat anno heden in literair-historische overzichten nog steeds als rijtje wordt opgevoerd, blijkt reeds in zijn eigen tijd ook al een 'officieel' of gecanoniseerd rijtje te zijn geweest. Ze zitten er wel eens verder naast, die literatuurhistorici.

De inleiding weerspreekt wat ik dacht te kunnen afleiden uit de tekst op het achterplat. 's-Gravesande begint namelijk met deze mededeling:

Bij het samenstellen van een bloemlezing voor de school is men verplicht ook andere dan uitsluitend aesthetische eisen voorop te stellen bij de keuze. Wat uit een aesthetisch oogpunt volkomen te verantwoorden is kan soms voor leerlingen ongeschikt zijn.
Dit betekent, geloof ik, dat er rommel in opgenomen is, maar dat dat dan is gedaan om wille van het onderwijskundige doel. Moeilijk om dan nog vol te houden dat het onderwijs vroeger beter was.

Een tweede beperking van des bloemlezers vrije keuze is het volgende:

De bloemlezing moest samengesteld worden uit de tijdschriften Het Getij (1916-1924), De Vrije Bladen (1924-1931) en Forum (1932-1935) en de dichters, die zich om die maandbladen hadden gegroepeerd.
Van wie dat moest, zegt 's-Gravesande er niet bij. Wel legt hij uit dat sommige dichters die hij in deze bloemlezing zou hebben kunnen opnemen, er niet in heeft opgenomen, omdat ze al waren opgenomen in andere deeltjes van de reeks. En met dichters als J.C. Bloem, A. Roland Holst en M. Nijhoff 'was het weer een ander geval'. Lekker vaag; welk geval, zegt hij er niet bij; de genoemde drie dichters zijn wel in deze bloemlezing vertegenwoordigd.

Ik kocht het boekje omdat ik er twee gedichten van Achterberg in aantrof en omdat ik toen nog dacht dat het geen schoolbloemlezing was. Schoolbloemlezingen zijn in zoverre vreemde dingen, dat bloemlezers er maar van alles in kunnen gooien en dat auteurs daar lang niet altijd bemoeienis mee kunnen hebben. Echte bloemlezingen bevatten als het goed is alleen geautoriseerde tekstversies en voor opname van gedichten moet de bloemgeleesde auteur door de bloemlezer of diens uitgever dan ook betaald worden. Ik kende Jonge most niet, ook niet als een van de bronnen van R.L.K. Fokkema's Varianten bij Achterberg (Amsterdam 1973) en de historisch-kritische editie van Achterbergs Gedichten, bezorgd door P.G. de Bruijn (Den Haag 2000), twee rotsen in de variantenbranding. Dat klopt dus, want daarin zijn alleen geautoriseerde versies verwerkt.

Van Achterberg zijn in Jonge most de gedichten 'Moordballade' en 'De slag' opgenomen. De jeugd moest dus verkwikt worden met regels als 'O gij die ik had omgebracht' en 'uwen lach vond / den dood in mijnen lach' en 'mijn handen, waar uw bloed afdroop' zoals ze in De vrije bladen hadden gestaan (augustus-september 1930). Maar 's-Gravesande citeert Achterberg niet uit De vrije bladen, hij citeert Achterberg uit diens officiële debuutbundel Afvaart, waarin 'Moordballade' in dezelfde versie is opgenomen. Die bundel verscheen in 1931 bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum. Daaruit citeert 's-Gravesande ook 'De slag', dat evenwel niet in De vrije bladen voorgepubliceerd werd, noch in Het getij noch in Forum, maar in Opwaartsche wegen (1 februari 1930).

Het lijkt erop dat 's-Gravesande hier een kleine inlijfpoging onderneemt: hij trekt Achterberg het 'neutrale' kamp in. Hij heeft, zo zegt hij in de inleiding, sommige dichters, die hij in deze bloemlezing zouden hebben kunnen opnemen, er niet in heeft opgenomen, omdat ze al zijn opgenomen in andere deeltjes van de reeks. Twee van die andere deeltjes zijn samengesteld door J. van Ham en omvatten Protestantse poëzie na '80 (deeltjes 54 en 55 van drie respectievelijk vier vel druks voor een bedrag van 40 respectievelijk 50 cent; wanneer ze verschenen, weet ik niet, mogelijk ook in 1936; ik heb ze nog niet gevonden en ingezien).

Opwaartsche wegen was wat je noemt een blad voor en vol van protestantsche literatuur, en het was ook niet ongebruikelijk om Achterberg daartoe te rekenen. Het is niet zonder reden dat hij vertegenwoordigd is in Spectrum, een bloemlezing uit de poëzie van jong-protestantsche dichters, samengesteld door Bert Bakker, Barend de Goede en G. Kamphuis, die later datzelfde jaar 1936 verscheen bij uitgeverij Kok te Kampen. In datzelfde jaar neemt Jan H. Eekhout drie gedichten van Achterberg op in Werk; het boek der Jong-Protestantsche letterkunde (Den Haag, uitgeverij Daamen; zie het Schrijvers prentenboek 21 over Achterberg (Amsterdam-Den Haag 1981). Om maar iets te noemen.

Of de jonge dichter zelf zo welbewust voor een bepaald letterkundig en levenbeschouwelijk kader koos, kan met een gerust hart betwijfeld worden. Van de 51 gedichten die Achterbergs officiële debuutbundel Afvaart rijk is, zijn er 35 in tijdschriften voorgepubliceerd; opgesomd (op basis van de registratie in de historisch-kritische editie Gedichten, aan welk boek ik ook de [nummering] ontleen:
7 stuks [61, 62, 63, 64, 65, 66, 67] in Opwaartsche wegen,
5 [40, 46, 48, 50, 90] in Elsevier's geïllustreerd maandschrift,
6 [49, 55, 60, 86, 102, 103] in De gids,
2 [57, 101] in De gemeenschap,
7 [99, 100, 110, 112, 119, 120, 121] in De vrije bladen,
2 [115, 116] in Balans,
6 [71, 91, 93, 94, 95, 98] in Groot Nederland, en slechts
16 [87, 88, 104, 105, 106, 107, 108, 109, 117, 118, 122, 123, 124, 127, 128, 129] niet.

Als het maar gedrukt wordt, lijkt de strategie; zelfs de katholieken werden niet gemeden. In een brief van 11 april 1929 aan zijn mentor Roel Houwink spreekt Achterberg zelfs van 'een campagne' tegen de tijdschriften. Gedichten die hij van het ene tijdschrift terugkreeg, bood hij domweg ter publicatie aan in (weer) een ander. Hij had haast. Zo jong was zijn most niet meer. De boel was al aardig aan het gisten. Van 'Moordballade', zo leer ik uit Gedichten (deel 3a), heeft Achterberg op 20 november 1928 al een versie aan Houwink gestuurd, terwijl hij al een nog oudere versie aan De gids had gestuurd. Na publicatie van het gedicht in De vrije bladen en in Afvaart, heeft hij er (weer) wijzigingen in aangebracht. Tweede gisting.