zaterdag, juni 06, 2020

Hardnekkige framing op lexicaal niveau

In De groene van 4 juni las ik in de rubriek 'In Den Haag' een stuk van Aukje van Roessel onder de titel 'Hardnekkig'. Het handelt, afgaand op het begin van de laatste alinea, over "Pelsdierenhouders, veehouders, eigenaren van slachterijen en het CDA" en de verbanden daartussen die door het coronavirus scherper aan het licht komen (altijd handig als iemand d'r eigen stuk samenvat). 

Maar deze hermeneut heeft de eigenaardige afwijking dat hij zich vaak in eerste instantie aangetrokken voelt door de inhoud van een tekst – zoals ook in dit geval –, maar in tweede instantie wordt afgeleid door iets in de vorm ervan – zoals ook in dit geval. Dat gebrek wordt versterkt door dat hij, althans als hij zijn professionele pet even opzet, anno heden, samen met een zeer des communicatie kundige collega, tot over zijn spreekwoordelijke oren gedompeld is in het zalige bad van de stilistiek, of beter: de cursus 'Stilistische analyse van Nederlandse teksten', het slotstuk van Verdiepingspakket 1: "Nederlands: de taal en het gebruik" van de BA-opleiding Nederlandse Taal en cultuur van de UU (U weet wel, die van de sol iustitiae illustra nos). Deze aberratie leidt ook tot het struikelen over wervend bedoelde zinsnedes als deze:


en deze:


Maar terug naar Van Roessel in De groene. De column begint met een mededeling over de coronabesmetting van mensen door nertsen. Vervolgens gaat de tekst over slachthuizen als tweede situatie met dier-op-mens-besmetting. In de derde alinea gaat het over "deze twee sectoren". Die woordgroep wordt geëxpliciteerd als: "de pelsdierhouderij en de slachterijen", en deze twee worden vervolgens samengenomen onder de abstracte noemer "beide bedrijfstakken". Het is steeds duidelijk waar het over gaat, en de woordkeus is aangenaam gevarieerd.

In het vervolg van de tekst komt eerst de nertsindustrie ter sprake met achtereenvolgens de aanduidingen: "het bedrijfsmatig houden van nertsen", "het houden van pelsdieren", "pelsdierhouders", "pelsdierenhouders", "de Nederlandse Federatie van Edelpelsdierenhouders" en "pelsdierenhouders".

Daarna komt de andere bedrijfstak ter sprake met "de slachterijen", "consumptievlees", "vlees", nog eens "vlees", "slachterijen", "consumptiedieren" en "de stallen waarin al die miljoenen varkens, koeien en kippen zijn gehuisvest".

In de slotalinea komt alles samen in de prachtige woordgroep "Pelsdierenhouders, veehouders, eigenaren van slachterijen en het CDA". Eén pot nat. Een vleugje ironie van Van Roessel. Maar waar ik over struikel is dat over die nertsen niets anders wordt gezegd dan dat ze worden ge-"houden". Die dieren worden kennelijk niet gefokt, niet gevangengehouden, niet opgehokt in kleine kooitjes en vooral worden ze kennelijk niet gedood, omgebracht, vermoord, vergast, of doodgeschoten met een pin door hun kleine hersentjes. Nee, er staat dat ze worden ge-"houden". Een pertinente leugen. Geen enkele nerts wordt door een edelpelsierenslachter gehouden: ze gaan er allemaal aan zodra hun vachtje mooi is, ze gaan kapot, ze worden gedood en gesloopt. Terwille van de mode-industrie.

Bijenhouders houden van bijen en houden hun bijen, zoals duivenhouders hun duiven en melkveehouders hun melkvee. Maar pelsdierenhouders is het louter om de pels te doen, het dier is afval, bij de geboorte al dode materie; en zelfs de pels houden ze niet; die verkopen ze. Kortom: edelpelsdierenhouders zijn slachters. Zo zouden ze ook genoemd moeten worden: "pelsdierenslachters". En laat dat "edel" maar weg. Noem het beestje bij zijn naam.


donderdag, april 16, 2020

Een grondig gepimpte Koeperus

Over oude mensen, over de dingen die voorbijgaan. Zou zo niet de titel moeten luiden van de door Michelle van Dijk hertaalde klassieker van Louis Couperus? Haar hertaling heet: Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (uitgeverij kleine Uil, Groningen, 2019). Oorspronkelijk heet de roman: Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan… (de eerste druk verscheen in 1906, de voorpublicatie in afleveringen in het tijdschrift Groot Nederland in 1904).

Al aan de titel is te bespeuren hoezeer hertaling onderhevig is aan literaire smaak, aan gevoel voor stijl, aan ideeën omtrent wat inmiddels qua taalgebruik ouderwets is of verouderd en daardoor moeilijk(er) toegankelijk, en aan denkbeelden over wat de hedendaagse jeugd, die in een episch tempo literair ontleesd lijkt te raken, nog wel en wat ze niet meer kan behappen, en aan opinies over de fundamentele waarde en de unieke kracht van de oorspronkelijke eigenschappen van kunstwerken. Hertalen is een vak, een professie (al vrees ik dat het slecht betaald wordt), en vooral een ambacht dat veel wikken vergt en wegen, passen ook, en meten.

Michelle van Dijk is een deskundige: neerlandica en lerares Nederlands. Zij probeert haar leerlingen te enthousiasmeren voor de Nederlandse literatuur en zij bespeurde weerstand zodra oudere teksten in het geding kwamen. Multatuli’s Max Havelaarwas al hertaald; dat wilde zij ook met Couperus’ roman doen, eveneens ter wille van leerlingen, een zeer specifieke doelgroep

Inmiddels was ook in academia het tij gekeerd. Had bijvoorbeeld Marita Mathijsen zich in haar handboek voor editiewetenschap Naar de letter (1995) nog puristisch geprofileerd als streng verdedigster van de orthodoxie van het historisch-letterkundige meesterwerk in zijn vakkundig gereconstrueerde  oorspronkelijke en geautoriseerde vorm, inmiddels is zij – onder de indruk van de voortschrijdende scholaire ontlezing – stapsgewijs bekeerd tot een veel gematigder dogma, om niet te zeggen dat ze van haar editorisch geloof was gevallen: de knieval voor de ongeschoolde lezer kon haar bij wijze van spreken niet diep genoeg meer zijn: herspellen was gewoon geworden, hertalen een noodzaak en zelfs inkorten niet meer verboden. Ik hikte daar zelf nog wel een tijdje tegenaan, als bezorger van twee ouderwets-fundamentalistische kritische leesedities: Perks Gedichten (1999) en Alle gedichten van Achterberg (2005, met Edwin Lucas en Peter de Bruijn als mede-editeurs) moesten nog zo oorspronkelijk mogelijk zijn wat de primaire tekst betreft, alleen van evidente en niet-geïntendeerde feilen ontdaan.

Inkorten, dat heeft Van Dijk (anders dan Gijsbert van Es met Max Havelaar) gelukkig niet gedaan; als dat ook al mag, is het einde zoek. ‘[G]een zin is geschrapt’, klaroent het achterplat. Maar anderszins heeft ze talloze ingrepen en ingreepjes gedaan om de nu 116 jaar oude tekst toegankelijk te maken voor de jonge lezer van vandaag. De spelling is gemoderniseerd. Lange, samengestelde zinnen zijn op begrijpelijke wijze (ter hoogte van komma’s en puntkomma’s) opgeknipt tot minder complexe, enkelvoudige(r) zinnen. Ingewikkelde constructies zijn vereenvoudigd, bizarre woordomzettingen rechtgezet. In onbruik geraakte  woorden zijn vervangen door bekendere synoniemen of equivalenten. Ellenlange alinea’s heeft Van Dijk overzichtelijker gemaakt door ze, zoals de lange zinnen, op te delen in beslist beter behapbare brokjes. En al die puntjes, bijna al die puntjes waarin Couperus’ personages hun uitgesproken zinnen en hun gedachten in erlebte Rede laten vervliegen, bijna al die puntjes heeft ze vervangen door solistische punten (full stops, zoals ze pregnant in het Engels heten). Klaar. En veel komma’s, heel veel komma’s, die eveneens de vaart uit de tekst halen, menigten van die komma’s hebben de drukpers niet meer gehaald.

Toen ik de hertaling las, was het lang geleden dat ik überhaupt een versie van deze roman had gelezen. Ik kon dus mooi testen hoe het boek me beviel, in z’n nieuwe jas. En eerlijk gezegd viel het me eigenlijk niet eens op dat ik een bewerking aan het lezen was – het boek is en het blijft wat het volgens mij, wat het voor mij altijd al was: on-ge-loof-lijk traag... En dus draagt ook deze vernieuwde vorm weer bij aan de thematiek en de fysieke (lees)ervaring van het verstrijken van de tijd. Er gebeurt haast niks in dit boek, en zelfs dat wordt uitermate tergend lang en dradig uitgesponnen, herkauwd en herhaald.

Maar toen ik de oorspronkelijke tekst (althans de diplomatische editie van de kritische editie ervan in de DBNL) naast de hertaling legde, wist ik niet wat ik zag: overal, in ieder hoofdstuk, op iedere pagina, in vrijwel elke zin zelfs is het werk van Van Dijk te zien. Het is haast onvoorstelbaar hoeveel typografische, syntactische, grammaticale, lexicale en andere ingrepen zij heeft gedaan.

Ter illustratie volgt hier de eerste zin van het laatste hoofdstuk in de oorspronkelijke tekst, een notendopje typisch Couperus-proza:

Het waren de zonnige dagen in het laatst van April, in Napels, en Lot, uit zijn kamer over de groengelakte palmen heen van de Villa Nazionale, zag de zee blauw strekken een rustige azuurrechte vlakte, die zich verder naar den einder toe verwaasde in parelen mist, waaruit, droom-oneigenlijk, Castellamare opplekte met schellere vierkante witte vlekjes…

Een heel lange, zeer klankrijk beginnende zin, in ouderwetse spelling, met een deels in onbruik geraakt vocabulaire, een tangconstructie om ‘U’ tegen te zeggen, een accusativus cum infinitivo, inversies, nogal wat neologismen of op oneigenlijke wijze gebruikte woord(soort)en, metaforen en veel komma’s en niet te vergeten tot slot de alles verwazende drietallige puntjes.

Dit is dezelfde zin, na behandeling met Van Dijks pimp-applicatie (met de ingrepen cursief):

Het waren de zonnige dagen aan het eind van april in Napels. Lot keek vanuit zijn kamer over de groengelakte palmen van de Villa Nazionale naar de zee, die zich blauw uitstrekte tot een rustige azuurrechte vlakte, en verder naar de horizontoe vervaagde in een mist van parels. Daaruit verscheen Castellamare, als in een onechte droom, met felle vierkante witte vlekjes.

De Couperiaans-samengestelde zin is omgezet in drie Van Dijkse zinnen, waarvan de middelste nog steeds samengesteld is. Wat mij betreft had die nog verder gepimpt kunnen worden: 

Lot keek vanuit zijn kamer over de groengelakte palmen van de Villa Nazionale naar de zee. Die strekte zich blauw uit tot een rustige azuurrechte vlakte. En verder naar de horizon toe vervaagde ze in een mist van parels. En daar weer uit […]

Misschien dacht Van Dijk: met meer dan twintig ingrepen in één enkele zin heb ik de pimplimiet wel bereikt. Maar toch was het er al een te veel: ‘schellere’ had ‘fellere’ moeten en kunnen zijn (en niet felle moeten worden), om het crescendo van de bijvoeglijke naamwoorden te blijven weerspiegelen, dat gelijke voet houdt met het steeds verder reiken van de blik van Lot: ‘groen’, ‘blauw’ en ‘azuur’, ‘parelen’ en (feller) ‘wit’.

Grootste winst van de hertaling van deze zin lijkt me de vereenvoudiging van de aci-constructie ‘Lot […] zag de zee blauw strekken een rustige azuurrechte vlakte’, die misschien ook toegankelijker zou zijn geworden met een minder ingrijpende herschrijving zoals: ‘Lot […] zag de zee zich blauw uitstrekken tot een rustige azuurrechte vlakte’, of zelfs: ‘Lot […] zag de blauwe zee zich uitstrekken een rustige azuurrechte vlakte’. Hoe ver kan je gaan? Maar dan nog: wat is ‘azuurrecht’?

En hoeveel meer is er na de hertaling de jonge, moderne lezer in de weg blijven staan, hoeveel mogelijke begripsdrempels zijn er blijven liggen voor vwo-5… Wat doet dat ‘de’ voor ‘dagen’. Wat zijn ‘groengelakte’ palmen in een tekst die verder is ontdaan van veel van zijn typerende, laat-naturalistische en Couperiaanse sensorische neologismen, zoals ‘opplekken’. Voorts: wat is ziedend water, het openscheuren van een roman, suizend gas in een woonkamer, een avondblad? Allemaal woorden en realia waarvan ik me afvraag of de beoogde lezer, de leerling van Van Dijk, ze begrijpt of kent, of anders bereid is ze op te zoeken in een dictionaire. Doemt er geen smartphone op voor het geestesoog van een scholier bij het lezen van: ‘Ze belde, de meid zou afsluiten’? Wat stelt diezelfde leerling zich voor als daarna de meid naar bed gaat en Ottilie vervolgens het leeggieten van een kom hoort? En wat bij een maandgeld van tweehonderd gulden?

Zou niet een verklarende woordenlijst achterin het boek uitkomst kunnen bieden? In het college Literary Toolbox waar ik aan de UU aan meewerk, staat de klassieker Dubliners van James Joyce centraal. Dat boek is weinig minder oud dan Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan…, maar er is een goedkope recente Engelstalige editie van, voorzien van een prachtige introductie, een editie die de oorspronkelijke tekst in zuivere staat aanbiedt, maar die ook heerlijk rijk geannoteerd is, met voorstellen dus tot duiding van inmiddels mogelijk duistere woorden en begrippen en referenties; gewoon een paperbackje, een pocketboek van Penguin. Zoiets gun ik Couperus ook (naast de door ingrijpende hertaling beslist toegankelijker gemaakte versie van Van Dijk) want zijn eigenzinnige taalgebruik lijkt mij niet onverstaanbaar en wel typerend, authentiek, onmisbaar en, het laatst niet het minst, leerzaam.

Deze post verscheen, in een verwante vorm, eerder in: Filter, 10 april 2020. 

zaterdag, maart 14, 2020

Boekenweekkatindezak



Het is anno 2020 voor de zo-veel-ste keer op een lange rij dat in de boekenweek een geschenk wordt uitgedeeld dat, om een uitdrukking van A.L. Sötemann te gebruiken, met vrucht ongelezen kan blijven. Het enige goede aan het geschenk van dit jaar is dat het aanleiding is voor veel wel overwogen en wel geformuleerde reacties. Bijvoorbeeld die van Jos Joosten in Neerlandistiek.nl, onder de mooie titel 'Warsdenken'.

Terzij: er staat bij Joostens stuk een beroemde, althans veelvuldig gereproduceerde foto, gemaakt door Emiel van Moerkerken op 25 november 1939, maar deze keer is dat kiekje onafgesneden afgedrukt, wat wil zeggen: zo dat er opeens ook nog een jochie op blijkt te figureren, dat op grond van welke overwegingen dan ook, maar schijnbaar oscillerend tussen zorg en paniek, de hand van Du Perron vasthoudt. En pas nu zie ik dat wat ik altijd dacht het lichtgemutileerde rechterhandje van Vestdijk te zijn, eigenlijk het dito klauwtje is van Eddy, bang om van een Haags balkonnetje te donderen. Zoontje-lief houdt niet papa Perron vast, maar pappie zoekt steun bij de kleine Alain, én bij crew cut Simon. Menno is de, dan nog, lachende derde; hij heeft zijn handen vrij.

zaterdag, maart 07, 2020

Evelines dodelijke angst

Een station associeer ik voor alles met reizen, met bewegen, met het gaan naar en komen van andere oorden dan je thuis, idealiter: verre oorden. Een "station" lijkt me, ook in het Engels, een oord van reizen.

In het Dubliners-verhaal "Eveline" is het station het startpunt van Evelines verhuis-beweging, van emigratie vanuit Dublin naar wat in dat verhaal heet: Buenos Ayres. Maar Eveline stáát op dat station, ze réíst er niet vandaan naar het gedroomde echtelijk huis in Argentinië met haar geliefde Frank. Ze reist er in de vertelling strikt genomen zelfs niet eens naartoe. Er wordt geen logische geleidelijke overgang van de ene naar de andere situatie verteld.

In het eerste en grootste gedeelte van het verhaal wordt ze letterlijk sedentair voorgesteld. Ze zit 's avonds aan het raam, bladzijden lang. De openingszin van het verhaal is: "She sat at the window watching the evening invade the avenue." Niet zij, maar de avond reist. Zij zit, peinst en mijmert. En bijna vier pagina's later, met twee (afscheids)brieven in haar schoot, zit ze daar nog steeds: "Her time was running out but she continued to sit by the window". Niet zij, maar de tijd reist, zou je kunnen zeggen.

En dan: "Down far in the avenue she could hear a street organ play." Het deuntje heeft ze eerder al eens gehoord, en ze herinnert zich de wartaal die haar zieke moeder toen, in haar "final craziness", bleef herhalen "with foolish insistence": "Derevaun Serun! Derevaun Seraun!"

Dan pas, na die herinnering, staat ze, plotseling, op: "She stood up".

Er zijn normaliserende pogingen ondernomen om de (corrupt Iers of Gaelic klinkende) onzin die haar in waanzin stervende moeder uitkraamt, te herleiden tot een iets zinniger uitspraak in 'goed' Iers. Maar deze uitroep kan je, in de geest van Hélène Cixous ook opvatten als (een fragment) écriture féminine (net als het geraaskal van Mrs Kearney: "I'm a great fellow fol-the-diddle-I-do"). Zo bezien vormt de uitroep met de reactie erop van Eveline, een fraai voorbeeld van feminiene sympathie: Eveline staat juist pas na die kreet op, niet als uitkomst van rationele overwegingen, maar schijnbaar impulsief, om gevolg te geven aan haar reeds eerder genomen, maar later toch weer betwijfelde, eigen besluit om met haar Frank naar Buenos Ayres af te reizen.

Dat is, denk ik, de productieve interactie tussen herinnering en heden die de tekst impliceert. Het is niet precies wat er (letterlijk) in de tekst staat. Er staat: "She stood up in a sudden impulse of terror. Escape! She must escape! Frank would save her." En "terror" vat ik, op gezag van de Cambridge Dictionary, op in de betekenis: "extreme fear".

Die extreme of finale angst kan veroorzaakt zijn door het inzicht in het lot en het levenseinde van haar moeder: "the pitiful vision of her mother's life laid its spell on the very quick of her being - a life of commonplace sacrifices closing in final craziness." Het is de vraag of in deze samengestelde zin "a life" alleen terugslaat op het leven van Evelines moeder, of dat het ook refereert aan Evelines eigen "being". Als antwoord kies ik voor: "a life" refereert zowel aan het leven van de moeder als aan dat van de dochter. Zij verstaan elkaar. In Argentinië, dacht Eveline eerder al, "She would not be treated as her mother had been."

Als Eveline die impuls aansluitend heeft doordacht en dat doordenken heeft besloten met: "He [Frank] would save her", staat er, na een witregel, opeens: "She stood among the swaying crowd in the station at the North Wall". Plotseling, na de ellips, is ze, nee: staat ze ergens anders (het genoemde treinstation werd voor personenvervoor in 1922 gesloten). En even later "She gripped with both hands at the iron railing." Kortom, om wijlen Bob Fosko te parafraseren: "Ze gaat niet, ze gaat niet, ze staat stil!"

En wat staat er in Van Dale s.v. "station" onder meer? Dit, als vierde betekenis: "standplaats, post aan een of meer oorlogsschepen aangewezen, waar zij belast zijn voor de veiligheid der koopvaardij-schepen van hun natie te waken of de onderdanen van die natie te beschermen". Vooral dat "standplaats" trof me in het licht van Evelines geschiedenis.

Maar ook de eerste betekenis is intrigerend: "pleisterplaats" (namelijk "aan een postweg waar de paarden werden verwisseld"). Vooral heeft het woord - in mijn ervaring althans - de (tweede Van Dale-) betekenis: "plaats van aankomst en vertrek der spoortreinen". De plaats dus waar treinen stilstaan.

Met andere woorden: een station is voor een reis wat de blinde vlek, de plaats waar de gezichtszenuw het netvlies verlaat, is voor het zien: het is de plaats waar niet daadwerkelijk wordt gereisd maar zonder welke de reis onmogelijk zou zijn. Een station staat voor "stasis" binnen de dynamiek van het reizen.

De bittere ironie van het verhaal is dat Eveline, ondanks haar grondige pogingen te ontsnappen aan haar lot, eraan ten onder gaat. Ze wordt net zo gek als haar moeder en sterft (moreel en/of psychisch althans) nog tijdens haar (biologische, organische, sociale) leven, verlamd, verkleefd aan de reling, terwijl haar Frank met de stoomboot naar Argentinië vaart. De gedachte dat "Her time was running out", heeft in de erlebte Rede van Eveline alleen betrekking op het naderen van het moment van afvaart, maar in de tekst van de verteller zijn die woorden ook te verbinden aan haar moeders - en aan Evelines eigen - "final craziness".


(met dank aan David Pescoe en Cathelein Aaftink)

donderdag, februari 13, 2020

Scrupulous meanness

Het is aan de Universiteit Utrecht, meer in het bijzonder op het departement Talen, Literatuur en Communicatie, kortweg TLC weer het seizoen voor de academische contextcursus Literary Toolbox. Daarin staat als primaire tekst de bundel Dubliners van James Joyce centraal (voor het eerst uitgegeven in 1914). Deze week ging het over het verhaal 'A Little Cloud', en over de stilistiek als invalshoek.

Dus belichtten we onder meer de omschrijving die Joyce zelf eens heeft gegeven van zijn stijl in Dubliners:
I have written it for the most part in a style of scrupulous meanness and with the conviction that he is a very bald man who dares to alter in the presentment, still more to deform, whatever he has seen and heard. I cannot do any more than this. I cannot alter what I have written.
Daarnaast of -bij moesten de studenten een artikel lezen van Roy Gottfried, die probeert om (een nieuw) licht te werpen op wat dat nou wellicht zo'n beetje inhoudt, die 'scrupulous meanness'; een klusje dat hij klaart met de inzet van heel veel vooronderstellingen, vooral aangaande wat Joyce allemaal had gelezen, wist, wilde en beoogde (alsof het concept van de 'intentional fallacy' nog uitgevonden zou moeten worden).

Gottfried lanceert allerlei speculatieve, maar mijns inziens ook prikkelende ideeën en opinies. Een ervan is dat Joyce, toen hij zijn eerste Dubliners-verhalen schreef, op verzoek van de redacteur van The Irish Homestead, de stijl probeerde te imiteren van de schrijvers van de Literary Revival, omdat de lezers van dat boerenblad daar wel bekend mee en dol op zouden zijn. Joyce zou die stijl zo goed  hebben willen kopiëren dat hij haar willens en wetens tegelijkertijd belachelijk zou maken.

Deze stijl zou bestaan uit een mix van schijnbaar incompatibele componenten, zoals realistische descripties en gezwollen taal, platvloerse zaken en verheven moraal (ik denk dat ik nu de grenzen van wat nog een nauwkeurige parafrase van Gottfrieds beweringen mag heten, al wel achter me heb gelaten, maar de strekking is nagenoeg geen geweld aangedaan). Naast tegeltjeswijsheden die personages debiteren vind je in Dubliners dan ook nogal wat gezwollen, Latinistische humbug.

En ja, je zou zo ver kunnen gaan om die platheid, het vulgaire, het gemene weerspiegeld te zien in 'meanness', en het protserig Latinistische in 'scrupulous'. Gottfried kan dat laatste niet uitleggen zonder als het ware te putten uit een bron waar hij helemaal geen toegang toe heeft:
As a competent Latinist Joyce would know about the scrupula which, like the small stone that punctures the foot or the small weight that tips the scale, is the small detail which troubles the surface of the apparently placid prose within that 'mean' style.
Me dunkt dat 'scrupulous' ook (en vooral) 'nauwgezet' betekent, en dat juist doordat Joyce de Dublinese platheden zo nauwgezet weer weet te geven, zijn stijl ook 'gemeen' is, venijnig, omdat zijn realisme erdoor omslaat in spot, parodie of ironie.

't Probleem met die Latinismen is dat ze niet allemaal altijd protserig overkomen. Een woord als 'table' zal, ook door een Dublinees, niet als een oorspronkelijk Latijns woord ervaren worden, denk ik. Kwestie van gewenning, onder andere, lijkt me. Om die veronderstelde gewenning aannemelijk te maken, kan je in de British National Corpus nagaan hoe frequent een woord in het Engels wordt gebruikt. 'The British National Corpus (BNC),' moet je weten, 'is a 100 million word collection of samples of written and spoken language from a wide range of sources, designed to represent a wide cross-section of British English from the later part of the 20th century, both spoken and written.'

Vandaag kwam in het werkcollege het woord 'equipoise' ter sprake. Het komt maar eenmaal voor in 'A Little Cloud', en dat is meteen ook de enige keer dat het in heel Dubliners verschijnt. Een uniek, daardoor onbekend, wellicht ook vreemd woord. Maar het blijft leerzaam om toch ook de frequentie ervan in de BNC te checken, alsmede die van enkele synoniemen.

In de BNC heeft 'equipoise' een frequentie van 0,04 per 1.000.000 woorden. Een synoniem als 'equilibrium' heeft een frequentie van 16,86 per 1.000.000, en 'balance' zelfs een van 89,19 per miljoen woorden. Dat geeft wel aan hoe excentrisch Joyce's woordkeuze hier inderdaad is.

Het woord staat in deze zin:
The adventure of meeting Gallaher after eight years, of finding himself with Gallaher in Corless’s surrounded by lights and noise, of listening to Gallaher’s stories and of sharing for a brief space Gallaher’s vagrant and triumphant life, upset the equipoise of his sensitive nature.
Het onderwerp van de zin is (relatief) lang en samengesteld, om niet te zeggen: complex ('The adventure of [1], of [2], of [3] and of [4]'). Qua lengte en samenstelling is dat onderwerp niet in evenwicht met de rest van de zin. Dat lijkt me een nauwgezette, iconische syntactische structuur.

Dat viel me vandaag pas op.

zaterdag, februari 01, 2020

Soliloqium

Ooit las ik een boek dat een monoloog is van schilderslinnen, en later een dat een monoloog is van hout. Vandaag weet ik waardoor die romans, want dat zijn het, me niet konden bekoren. Vandaag las ik een boek dat een monoloog is van boek. Op het omslag heet het leuker dan op de titelpagina (terwijl dat laatste toch de bron is waar de bibliograaf zijn gegevens aan moet ontlenen): My name is Book. An autobiography as told to John Agard (Walker Books, London-Boston-Sidney-Auckland. 2nd Edition, 2016 (2014). Paperback, 141 pagina's). 

Het is rijk geïllustreerd door Neil Parker, wiens bijdrage gek genoeg niet op het omslag staat, althans niet op de voorkant; jammer, want zijn illustraties zijn heel gevarieerd enerzijds en heel erg sterk in louter zwart en wit anderzijds, goed passend bij de tekst en de in talloze lettertypen uitgevoerde pagina's met citaten.


Book vertelt op zeer toegankelijke wijze zijn hele, zeer, zeer lange levensverhaal, vanaf toen hij/zij nog maar een kleitabletje was (en zelfs nog over de periode ervoor) tot en met het e-boek (met wie Book een welwillende, maar toch ambivalente verhouding heeft). Deze autobio is een en al evolutie, een en al overleving door de geschiktste, om Darwin maar eens te vertalen.

Waarom is dit boekje bekoorlijk? Ik denk omdat het (eigenlijk) een boek voor kinderen of jeugdigen is, omdat de personificatie de afstand tot de abstractie verkleint met oog voor de doelgroep, en omdat die personificatie de nadruk die ligt op de hoofdmomenten van de geschiedenis, heel natuurlijk doet 'klinken', en omdat ze heel functioneel is als didactische handreiking, want Book loodst de lezer al babbelend wel door heel veel wetenswaardigheden.

Wat Book me alleen niet duidelijk weet te maken, is waarom een 'hardcover' vaak ook 'hardback' wordt genoemd, want zo hard is de rug van een gebonden boek toch niet, zeker niet vergeleken met die van een 'paperback', een boeksoort dat toch ook beter bij zijn alternatieve naam 'papercover' genoemd zou kunnen worden... Book zegt over de verandering van boekrol naar codex dat de Romeinen
started folding me up [Book is in essentie dus wat het boekblok is gaan heten, de bladen met tekst] and binding me along my folds with leather thongs [dit snap ik nog] or strips of wood [en dit niet meer]. And so I came te be called Codex, from [the] Latin word caudex, meaning 'tree trunk'.
Maar een digitale blik in het Algemeen letterkundig lexicon in de DBNL leverde me een 'Oh, ja, dát!-ervaring:
codex 
Etym: Lat. codex of caudex = boomstam; vandaar: houten plankje, met was bedekt, waarop geschreven werd.[...]De codex dankt zijn naam aan het (beuken)houten wastafeltje (caudex) dat de Romeinen gebruikten als tijdelijke schriftdrager. Men sprak van diptychon (twee plankjes), triptychon (drie plankjes) en polyptychon (meerdere plankjes).
Maar dan nog klopt die 'back' niet, lijkt me, ook niet als ik me, met digitale ondersteuning, herinner, uit lang vervlogen avondlijke colleges Boekwetenschap van W.P. Gerritsen en A.L. Sötemann, dat 
De codex is opgebouwd uit katernen die op hun beurt weer samengesteld zijn uit tweezijdig beschreven dubbelbladen. De oudste codices zijn van perkament gemaakt; vanaf de 15deeeuw wordt ook papier gebruikt.

En:
De band van een codex bestond bij voorkeur uit een met leer overtrokken en van gespen voorziene eikenhouten plank (boekband).
Die benaming is dus maar een geleende naam, op basis van analogie: een gebonden boek leek qua vorm op een meerbladig wastafeltje. Ik zie het hout, ik zie het binden, maar geen harde rug. Ik krijg die 'hardback' maar niet verklaard. En soms wil ik dat, op zo'n langzame zaterdagochtend als deze.

Twaalf uur later.
Ik krijg een link doorgestuurd. Meteen springen die stofje los... zou er toch een verklaring zijn? De tekst luidt 'hardback vs hardcover - Google zoeken' en er staat een link onder. Als ik die volg, lees ik dit:


Hardback is a synonym of hardcover.
 Hardcover is a synonym of hardback.
In context|of a book|lang=en terms the difference between hardcover and hardback
 is that hardcover is (of a book) having a rigid binding while hardback is (of a book) having a solid binding.
As nouns the difference between hardcover and hardback is that hardcover is a book with a rigid binding, often of cardboard or leather while hardback is a book with a solid binding. As adjectives the difference between hardcover and hardback is that hardcover is (of a book) having a rigid binding while hardback is (of a book) having a solid binding. 


Dus? Het een is een synoniem voor het ander en het ander voor het een. En het een staat voor een boek met een 'rigid binding' en het ander voor een boek met een 'solid binding'. En als je 'rigid' en 'solid' in een woordenboek opzoekt, zie je je intuïtie snel bevestigd: dat zijn ook synoniemen.

Dus blijft mijn probleem bestaan. Een harde 'cover' of omslag (met houten of kartonnen, dus: met een hard voor- en achterplat) zie je alleen bij gebonden boeken, een zachte 'cover' alleen bij niet-gebonden, gebrocheerde of gelijmde boeken. Het harde zit 'm in de materie van het omslag ('cover'), terwijl de binding in de rug van het boek zit. Bij een 'paperback' zit het papieren omslag helemaal op het boekblok geplakt, ook de rug; bij een gebonden boek zit het omslag op de rug juist ingenieus lòs van het boekblok. Kijk hier maar.

Dat schiet niet op. Ik ken het verschil tussen de twee soorten boeken wel, maar ik begrijp nog steeds de rationale van de naamgeving niet, althans niet die van hardcover vs. paperback.

zondag, januari 19, 2020

Kroon

Op de tweede zondag van de Epifanie in 2020 woonde ik in de Domkerk te Utrecht de dienst bij die in het teken stond van de verbintenis van Ds. Willem Roskam aan het Citypastoraat. Het was weer een frontale herinnering aan mijn Nederlands Hervormde jeugd, althans mijn jeugd in het Nederlands Hervormde deel van Zeist, ver weg in de vijf- en zes- en zeventiger jaren der vorige eeuw en waar ik nogal los van ben geraakt  (ruim voor Roskam in zijn wiegje kwam te liggen). Maar dit ter zijde.

Dominee Roskam las ondermeer vers 1 tot en met 5 van Jesaja 62. Maar ik werd afgeleid door vers 3. In de Statenvertaling – die ik er later, enigszins in de geest van prof. dr. Nicoline van der Sijs, op de computer op nasloeg – luidt:
En gij zult een sierlijke kroon zijn in de hand des HEEREN [...]
(nieuwe bijbelvertalingen, dus ook de NBV die Roskam gebruikte, zijn mij, onverbondene, nog steeds een gruwel zodra het om het echte tekstwerk gaat).

'Kloos!', dacht ik. Zou hij het daarvan hebben, dat stukje uit zijn beroemde, wederstrevige sonnet nr. V uit de eerste druk van zijn Verzen uit 1894:
En als een heir van donker-wilde machten
   Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
   Voor 't heffen van mijn hand en heldre kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.
Ook al is die heldere kroon niet precies een sierlijke, de omkering van de macht of kracht, de toeëigening van de souvereiniteit is er niet minder om.

Was het nu geen weekend, dan las ik alle commentaren op Kloos' sonnet na om na te gaan of Jesaja echt de bron kan zijn. Voor nu houd ik het er, zonder tegengeluid, maar even op.

maandag, januari 13, 2020

Dier en metafoor

Het is vaste prik: als ik iets lees over metaforen, raak ik verstrikt in ver- of betogen waar ik me zo snel mogelijk weer uit wil losmaken omdat ik er kop noch kont aan kan ontdekken, "of zoo" (dat laatste is een disclaimer die Gerrit Achterberg uit angst voor de censuur veel gebruikte in brieven die hij vanuit het gevang of gesticht schreef aan mensen in de gewone wereld – "Wat niet goed is, is niet geschreven" is een andere).

Vandaag, bijvoorbeeld, las ik dit, in een hoofdstuk over de 'comparision theory' met betrekking tot metaforen:
'Feature transfer' means that the B-term [ook wel: vehicle] adds a feature to the A-term [ook wel: tenor] that was not pre-existent in the A-term set. In 'the boy is a rat', the features 'nasty' and 'sneaky' are taken from the B-term and added to the A-term set, so that the A-term ('boy') is also qualified by the features 'nasty' and 'sneaky'.
Dit staat op p. 14 van het proefschrift Metaphor and the Brain: Behavioral and Psychophysiological Research into Literary Metaphor Processing van J.F Hoorn (1997). Ik vraag me af hoe die rat ooit aan zijn kenmerken is gekomen, als ze dat al zijn.

Toen mijn neef nog een neefje was, had hij een heel lief en mooi en slim huisdiertje, dat een rat bleek te zijn. Een groot soort muis. En tot mijn genoegen zie ik in de papieren kantoor-Van Dale (1984) staan dat zo'n beest inderdaad een 'knaagdier' is, 'van de familie van de muizen'. Wat nou: snood en geniepig???

Daar komt bij dat ik voor 'nasty' en 'sneaky' in de Cambridge Dictionary alleen maar betekenissen vind die betrekking lijken te hebben op mensen c.q. typisch menselijke eigenschappen; daar is niks  specifiek rattigs aan te ontdekken. Hoe kan zo'n beest dan in een metafoor semantisch-overdrachtelijk functioneel zijn?

En ik heb ook nooit begrepen wat er dom is aan een koe (of, zoals mijn moeder altijd zei: het achtereind van een varken), wat er slim is aan een uil, gehaaid aan een neet, moedig aan een leeuw, sluw aan een vos.

Met andere woorden: de hierboven aangehaalde uitleg van de zogeheten betekenisoverdracht lijkt me niet een beetje, maar heel erg simplistisch en onvolledig, en daarom niet goed.

'De Bree zijn denken was hoekig en norsch.' Duid daar de betekenis(kenmerken)overdracht liever maar eens in aan.


De volgende dag:

Dat slakken traag zijn, lijkt me duidelijk, zelfs dat mieren ijverig zijn, of althans lijken, want ook daar komt wel wat duiding, zo niet: framing, bij kijken; een onbevooroordeeld amateur-waarnemer zou hun bewegingen ook als chaotisch kunnen zien.

Die ijverige mieren kwam ik vanochtend tegen in Schilf (2007) van Juli Zeh. Daarin begeeft zich commissaris Schilf bij zijn onderzoek op een gegeven moment in een varenrijk bos, en:
Ein spiralförmiger Ton schraubt sich in seine Gehörgänge. Da kommen die Mücken [...].
Hoe beeldrijk deze beschrijving, hoe gewaagd of vreemd om een geluid voor te stellen als iets materieels, en dat dan ook nog handelend optreedt (hoewel ik nog nooit goed in mijn eigen gehoorgangen gekeken heb, denk ik toch dat die best een beetje gedraaid zijn; goed gevonden, dus, dat schroeven.

Schilf wordt belaagd door de beestjes, en dan komt een vlinderaar hem tegemoet, die belerend een vinger opsteekt:
"Das sind die Ratten unter den Hexapoden. – Sechsfüßler", ergänzt er, weil Schilf nichts sagt.
Zijn die muggen in dat bos ook 'snood' en 'geniepig', of mogen de ratten hier een andere kwaliteit overdragen op de muggen, iets als 'uitschot' of 'irritant en moeilijk te bestrijden ongedierte'?

Scharen en vallen, of de overeenkomst tussen de heup en het presens historicum

Afgelopen vrijdag (10/01/20) mijn opadag verzaakt (oma geregeld als waarneemster) en naar de tweede bijeenkomst van de Werkgroep Stijl geweest.* Heerlijk: jonggeleerd en oudgeleerd, gewoon geleerd en hooggeleerd uit heel het land in een vierkante kring bijeen om over stijl van gedachten en inzichten te wisselen.

Het thema van de bijeenkomst was: Methoden voor stijlonderzoek: kwantitatief en/of kwalitatief?  Een kwalitatieve aanpak van stijl- of taalgebruiksonderzoek is dan een ontwerp waarin een ‘rijke’ analyse van bepaalde teksten, gesprekken of uitdrukkingen centraal staat. Een kwantitatieve aanpak houdt in dat het ontwerp zich richt op het statistisch aantonen van verschillen tussen verschillende teksten, gesprekken of de reacties daarop (door een vorm van corpusanalyse, of door experimenten). De bedoeling was niet om kwantitatief en kwalitatief stijlonderzoek polemisch tegenover elkaar te plaatsen, maar om iets te leren over zwakke en sterke punten van iedere methode, en over mogelijkheden om ze te combineren.

De uitkomst was dat we – ik laat hier, ten overstaan van het grote publiek, de nuances even weg – unaniem waren: iedereen mengt die methoden eigenlijk wel. Er ontstond (inderdaad) geen richtingenstrijd of iets dergelijks (terwijl die er 'ergens' 'natuurlijk' wèl is, zie alleen al het stiekeme oprukken van de alternatieve term 'taalgebruiksonderzoek'). Gaandeweg – wellicht moet ik schrijven: sprekenderweg – werd duidelijker wat er allemaal onder de kwantitatieve methode valt te scharen. Uiteindelijk viel zelfs 'gewoon tellen' eronder.** Dat 'gewoon' werd er letterlijk bij gezegd, niet als een spreektalige stoplap, zoals ik het hiervoor gebruikte; het verraadt een diepgeworteld alpha-ontzag voor het bêta-tellen, dat als moeilijk wordt gezien, misschien vooral doordat het voorbij het tellen gaat en er vaak statistiek bij komt kijken.

In een enkel geval kon een onverhoeds nakende richtingenstrijd beslecht worden door het loutere  inzicht dat er niet sprake was van een echt kwantitatieve methode maar van dom tellen; dat is voor alph- èn bêta's unisono een handelswijze hors concours.

Van nature nogal secundair, ben ik pas in de loop van de nacht na de werkgroepbijeenkomst tot acceptatie van het inzicht gekomen dat het hele onderscheid tussen deze twee methoden misschien wel praktisch is, maar inderdaad niet niet principieel. Na twee korte presentaties tijdens de werkgroep was me al wel opgevallen dat er een overeenkomst is tussen de menselijke heup en en het presens historicum in Latijnse literaire teksten, althans tussen het taalgebruiksonderzoek dat zich richt op operatiekamer-leergesprekken en de mogelijke functie en het mogelijke effect van het gebruik van het presens historicum in literaire historiografische teksten. Maar tot een generaliserend inzicht kwam ik pas in de werfkelder onder Bodytalk aan de Oudegracht.

Al het kwantitatieve onderzoek waar we over spraken, is in diepste wezen of: fundamenteel kwalitatief, want wat er ook aan tekst- of taalgebruikseigenschappen gemeten, geteld, vergeleken en becijferd wordt, het heeft in elk onderzoek eerst een kwalitatieve bewerking ondergaan (en als het dat niet heeft, dan had het gemoeten). Of het nu gaat over de aspecten van gesprekken tussen een arts-in-opleiding en een docent-arts tijdens het uitvoeren van een heupoperatie of over de verschillende functies en/of effecten die het voorkomen van het presens historicum heeft in de Annales van Tacitus, eerst moeten die teksten worden ontleed en moeten de elementen die van belang worden geacht worden gekwalificeerd, getagd, benoemd, gecategoriseerd. Wat er uiteindelijk geteld wordt, zijn niet de loutere taalgebruiks- of tekstelementen, maar de gekwalificeerde elementen.

Zulks werd bijvoorbeeld ook duidelijk bij de presentatie van een onderzoek naar het verschil tussen teksten van leugenaars en die van waarheidssprekers. De vooronderstelling is dat 'concreetheid' daarbij van belang kan zijn. Maar het bepalen van wat een concreet en wat een abstract element is, kan je echt niet aan een algoritme overlaten, vooralsnog. Of de hand-out was misleidend: dat een specifiek getal als 'tien' concreet kan zijn, wil ik graag geloven; maar is een uiting als 'tien gerechtjes ofzo' ook concreet?

De werkgroep werd ferm maar vooral verstandig en vriendelijk geleid, zodat we niet gederailleerd zijn en de kwestie van het verschil tussen handmatig en geautomatiseerd tellen, oftewel tussen close  en distant reading niet aangesneden hebben. En zo kon ieder tegen het vallen van de avond vredig haars respectievelijk zijns weegs huiswaarts gaan.


* Mag dat: twee verschillende hulpwerkwoorden van tijd – 'hebben' en 'zijn' – samentrekken en dan ook nog elideren? Of: wordt de zin er onbegrijpelijk door?


** Ik zou als stilist nu graag afdwalen naar de vraag wat de verschillen en overeenkomsten zijn tussen de uitdrukking 'iets onder een noemer scharen' en 'iets onder een noemer laten vallen', dus tussen 'scharen' en 'vallen, maar ik doe het niet.

maandag, januari 06, 2020

Beeldend taalgebruik


[...] een vaag plan dat al een tijdje door je hoofd sluimert.
Dit staat op pagina weet-ik-veel (noteerde de gedesoriënteerde e-reader-lezer) van Welkom in het rijk der zieken, de roman van Hanna Bervoets (Uitgeverij Pluim, 2019) die me, onder de invloed van de positieve recensies en van Bervoets' gesprek in Zomergasten, toch een beetje tegenviel (maar daar gaat het hier niet over). Het citaat staat op de eerste pagina van hoofdstuk 2: 'Naar het centrum', voor wie het na wil zoeken. 

Ik vind het een mooie neologistische uitdrukking. 'Sluimeren' betekent, volgens mij, gewoonlijk iets als: half wakker, half slapend of half on/bewust zijn. Maar hier gebruikt Bervoets het woord figuurlijk; het leidt tot een concretisering, een personificatie van het 'plan'. Dat wordt zo een plan dat wel in essentie of in aanleg al is gevormd in iemands gedachten, maar dat nog niet ontwikkeld en uitgewerkt is, en daardoor, stel ik mij voor, nog niet klaar is voor uitvoering.

Het Woordenboek der Nederlandsche taal steunt mijn betekenishypothese, want 'thans' betekent het woord (dat een frequentativum is van het mij onbekende 'sluimen') volgens dat gezagdragend naslagwerk 'bepaaldelijk': 'licht of zacht slapen', en in figuurlijk gebruik: 'tijdelijk buiten werking zijn; niet werkzaam zijn'.

Maar 'sluimeren' is hier (ook) ingezet als een handelingswerkwoord. Dat komt, denk ik, vooral door dat 'door'. Stel je voor dat er had gestaan:
[...] een vaag plan dat al een tijdje in je hoofd sluimert.
Dat was minder beeldend; het plan zou dan maar een beetje duf liggen te sudderen. Door 'door' lijkt het juist niet stil te liggen. Je kunt de formulering van Bervoets zien als een alternatief voor een – eveneens figuurlijke – uitdrukking als: 'er speelt een gedachte door mijn hoofd' of iets dergelijks, waar je achteraan kunt zeggen of denken: 'maar ik krijg 'm nog niet goed te pakken' – 'spelen' in de zin van: 'Zich bezighouden met een dartel of bedrijvig vermaak, waarbij een zekere wedijver of de verbeelding betrokken is', zoals het WNT dat noemt.

Zo'n nog dartel, dolend plan, stel ik mij voor, is volgens het denkende subject nog niet rijp, nog niet volwassen en nog niet uitvoerbaar; het 'speelt' – om het met een andere metafoor op basis van hetzelfde werkwoord te zeggen – nog maar 'op de achtergrond', niet voluit op het 'hoofdtoneel', maar het is toch ook weer niet zo afwezig dat het niet voortdurend 'de kop opsteekt'.

Waar zouden we zijn zonder figuurlijk taalgebruik?

Pas nu, tot hier gekomen, zie ik dat 'vaag' in het Bervoets-citaat eigenlijk overbodig is.

P.S.
Een dag later. Ik herlees IJstijd (inkt op papier, De Bezige Bij 2014) van Maartje Wortel: 'Het moet een zin zijn die vaak door zijn hoofd spookt.' (p. 31) Iets als de zin van Bervoets, maar toch anders; en 'vaak' is hier misschien wel overbodig.