vrijdag, mei 17, 2019

Over de uitholling van een metafoor

Bezig met college Stilistiek.
[Oeps, dat is meer een WhatsApp'ige dan een blogige zin, geloof ik]

We zijn, met andere woorden, bij de BA Nederlandse Taal en Cultuur van de UU weer bezig met het college Stilistiek, Henk Pander Maat en ik. En dus ben ik onder andere weer aan het dollen met metaforen, aan de hand van Dorst (2015) en Reijnierse (2017). Dat is vooral leuk in combinatie met teksten van Bordewijk - en niet alleen omdat in zijn naam een concept van Dorst (2015: 7) echoot: 'borderline MRW [= metaphor-related word]').

Reijnierse (2017: 20-21) gebruikt ondermeer vier voorbeeldzinnen om haar ideeën over metaforen duidelijk te maken, die ik hier (verkort) weergeef:

1) 'The political battlefield is strewn with corpses.'
2) 'Hillary Clinton attacks Bernie Sanders'.
3) 'The Battle for New York's Key Voting Blocks'.
4) 'Ted Cruz takes anti-Trump campaign to Wyoming'.

Eerst dacht ik, betrekkelijk simplistisch, in de geest van Rinus Michels: 'De polletiek is zeker ook oorlog.' Vervolgens schoot me een iets ouder, meer gecultiveerd citaat te binnen, van Carl von Clausewitz: 'Der Krieg ist eine bloße Fortsetzung der Politik mit anderen Mitteln.' De politiek heeft zich, naar het zich laat aanzien, in deze lijn mede 'ontwikkeld'. 

In het licht van het bovenstaande (waaronder de vuile presidentscampagne van Trump) is de tweet van Mona Keijzer wel heel erg suf: 'Ik mocht zeven jaar met hem strijden.' En 'met hem' is dus: met Buma, de a.s. burgemeester van Leeuwarden (althans: voorgedragen burgervaderskandidaat).

Strijden? Op welk slagveld heeft die man gestreden, zijn bloed vergoten? En tegen wie of waartegen of waarvoor? Strijden? Samenwerken in een kantoortje aan het Binnenhof. Dat is heel andere koek.


Ik heb er met al mijn kracht en inzet voor gestreden deze tekst volkomen tikfoutvrij de ether in te kunnen slingeren.


Literatuur
Dorst, A.G. (2015). More or different metaphors in fiction? A quantitative cross-register comparison. Language and Literature. Vol. 24 (1) 3-22.
Reijnierse, W.G. (2017). The value of deliberate metaphor. LOT Dissertation Series, 469. Utrecht: LOT.

maandag, mei 06, 2019

Emergo, of zo, dan maar...

... want vlak voordat ik nevenstaand plaatje plaatste op Instagram, dacht ik (toch) nog even aan een ludieker bijschrift, in de geest van: "het eerste deel van my first little Bidet-uitzet", tot ik me plots maar op tijd bedacht dat een swastikavlag-vertrappelend peerd helemaal niet boreaal is. Vandaar dus maar het esprit de l'escalier-motto "Topstuk van de Lombokse rommelmarkt t’Utrecht", dat feitelijk geheel in orde is.

Ik dacht dat een dergelijk bord bij mijn grootouders (Tedje en Peter, zoals ik ze nooit noemen dorst) aan de Hovendaal te Rotterdam aan de muur hing, meer in het bijzonder: boven de deur der woonkamer. Quod non, repliceerde een broer bij navraag. Of misschien in Brielle, bij tante Stien (en met haar is nu zowel de familie van mijn moeders, als die van mijn vaders zijde bediend met een referentie).

Hoe dan ook: ik zag het – overigens sterk vervuilde – prachtstuk Delfts blauw aardebakwerk uit Maastricht daar keramisch liggen te lonken in Lombok, en een gretigheid werd over mij vaardig, dat ik spontaan geld los begon te kloppen van wie er mij na waren en ter zijde stonden in de nationale gezelligheid. Zoals dat gaat: je leent wat uit en, platzak, biets je wat terug. Ik kwam nochtans niet verder dan de helft van de vraagprijs en kon daardoor zonder enig toneel als een volleerd pingelaar bars brommen: "Nou dan gaat het dus niet door..."

Aah, weer een spreekwoord in praktijk gebracht: bij het scheiden van de (rommel)markt, leert men de kooplui kennen... de goede man wilde van zijn zolderzooi af. Hebbes! En schervenloos door de meute  naar huis vervoerd.

Navraag via Google leerde me later dat ik toch zeker een joet onder de marktprijs had geschoten, en raak. Koopje!

Toen begonnen pas de vragen. En als een Mieke Bal die zich op een Rembrandt stort, begon ik 'mijn' bord te 'lezen'.

1. "Herrijzend Nederland" - referentie aan a) een 'song' van Bram en Freek, maar ik weet niet meer welke, waarschijnlijk uit Neerlands Hoop Expres; maar b) natuurlijk ook, en meer specifiek, aan het motto van Zeeland; maar voor alles is het c) een soort – onvolledige – oxymoron van kaliber;

2. "naar Vrede en Welvaart" - een oeroude verbintenis van wapens en zogenaamde voorspoed; maar syntactisch problematisch als het verbonden moet worden met "Herrijzen Nederland"; het is kennelijk maar een losse kreet, net als dat "Je maintiendrai" helemaal onderaan.

3. niet iedereen was kennelijk meteen bereid zich derwaarts te spoeden, want de centrale figuur hanteert een forse toeter voor zijn oproep;


4. die man op dat paard, allebei uitgedost annex weergegeven als uit ook anno 1945 al lang vervlogen tijden; onwederlegbare versterking van het historische, zo niet retrograderende 'her', veeleer dan van het toekomstige 'rijzen' – de toekomst, die lag ook toen, alweer, ver achter ons (het rechter schip op de rivier lijkt wel een trekschuit; het geheel doet denken aan de vergulde koets die het volk aan Wilhelmina schonk toen overal de automobielen al begonnen te rijden);


5. het stadsgezicht, vol kerk en torens, doet eerder denken aan twaalf- tot vijftiende-eeuwse glorie dan een na te jagen modernistisch of futuristisch Utopia;


6. is het trouwens Maastricht, dat op het bord is afgebeeld, de stad waar de kleibakker gevestigd was?


Nee, want die typerende twee torens van de Onze-Lieve-Vrouwe-basiliek (of hoe je dat ook schrijft) lijken te ontbreken; en niet heel Nederland zou zich daarmee kunnen identificeren.

Als het wel Maastricht was geweest, keken we – via het bord – vanaf de rechteroever over de Maas naar de oude binnenstad (met de rug naar Duitschland gewend – dat dan weer wel), naar het westen, naar een druipende of smeulende zonsondergang, nogal unzeitgemäß, abendlänisch, weinig oplaaiend en (her)rijzend.

Best wel een moeilijk bord.

vrijdag, april 26, 2019

Impromptu

Al bladerend door de ochtendkrant, kwam ik vandaag - ver na het ontbijt, want ik had me verslapen - in mijn verstrooidheid, tijdens het ochtenddutje van m'n kleinkind, een bespreking tegen van een CD van András Schiff die Schubert speelt op een piano uit de tijd van de componist; het gaat om sonates en impromptu's. Ik heb er geen verstand van, maar ik heb wel een geluid dragend schijfje van een andere instrumentalist en daarop klinken diezelfde sonates en impromptu's zelfs bij nauwelijks nader toehoren veel gladder of platter dan op de Spotify-versie van de CD van Schiff, waar ik nu al heel de avond naar luister.

Dat vind ik zo leuk aan muziek: dat iedere uitvoering weer anders is (of: per definitie anders kan zijn) terwijl ik toch ook weet dat het echt hetzelfde stuk muziek is. Het kan liggen aan de uitvoerende muzikant(en), aan de dirigent, het soort instrument, u.a.i. - allemaal variabelen die ik als individuele literatuurlezer niet heb. Het is ook het leuke van Spotify en YouTube trouwens, dat ik van een en hetzelfde werk zo veel verschillende uitvoeringen naast en na elkaar kan horen/zien. Wie weet, word ik ooit nog fan van het gestreamde luisterboek (dan moet er wel nog even een wormgat naar een parallel universum worden geboord).

Maar daar dacht ik niet aan onder het luisteren naar Schuberts impromptu's; wel aan die avond tegen het eind van de vorige eeuw waarop ik opeens (als in: volkomen onverwacht, want zeer ongebruikelijk) gebeld werd door Redbad Fokkema, toen mijn co-promotor, met wie ik een tijdje eerder, bij hem thuis (grappig: zo'n protestant op Achter Sint Pieter) een van de laatste hoofdstukken besproken had van mijn proefschrift over Achterberg waarbij hij me naast een wodka (of waren het er drie?) ook wat Schiff schonk, meer in het bijzonder Scarlatti. Ik wist niet wat ik dronk (zeker niet op dat uur van de dag, eveneens ver na het ontbijt, dat wel) en ook niet wat ik hoorde. Heel aangenaam. Maar toen Redbad me dagen later belde, duidelijk door iets aangedaan, hing, naar me later pas bleek, 's levens vlag er voor hem heel anders bij, en vroeg hij me wat dat toch ook weer was geweest, wat toen bij die bespreking zo mooi was geweest (vond-ie leuk, dat ik iets mooi vond wat hij ook). Schiff, dus, en Scarlatti, wist ik, want ik had onmiddellijk die CD gekocht in dat grenzeloze pre-Spotify-tijdperk.

En nu is Schiff er weer, zonder Scarlatti, met een andere muziekopvatting, en weer is het mooi. 

Prosit.

vrijdag, april 12, 2019

Microficties 2018 - Dagen schranzen

De stad ronkt nauwelijks. Ik zit op het balkon om de blaadjes van een plataan te zien bewegen op een briesje. Voor de ochtendstond ga ik niet slapen.
            Ik heb er geen zin meer in om vroeg op te staan. Met de ontslagvergoeding en mijn werkeloosheidsuitkeringen kan ik het twee jaar uithouden. Dan beleen ik mijn flatje, en daarna verkoop ik drie Vlaamse gravures en die paar gouden snuisterijtjes die ik van mijn opa erfde. Als ik dan niets meer heb wat de moeite waard is om te verkopen, geen enkele kredietinstelling me nog een cent wil lenen, steek ik me in de schulden bij lui van m’n familie en als me tegen die tijd een idee te binnen schiet, fles ik ze.

            Ik heb niets tegen werken. Ik was bijna ingenieur, een soort opper-technicus, gepromoveerd tot projectmanager. Ik was er trots op aan hoger gediplomeerden leiding te geven en zelfs aan een jonge hogeschool-ingenieur die ik soms een uitbrander gaf alsof hij een kwajongen was.
            Ik was het slachtoffer van een personeelsinkrimping die een maand later gevolgd werd door een massa-aanwerving. Een streek van het management om zich van de duurste medewerkers te ontdoen, van onwilligen, rotkoppen en lui die meer dan drie dagen per jaar ziek zijn.
            – Uw persoonlijke bezittingen liggen bij de receptie. Ik hoop dat u een vervangende baan vindt.
            – Ik ga nooit meer werken.
            – Houd goede moed.
            De personeelschef had niet begrepen dat ik had besloten mezelf een oneindige vakantie te schenken.
            Sommige weekends wandel ik met een vriendin door de Jardin des Plantes. Op regenachtige dagen cirkelen we om de dinosauriërskeletten in het Museum voor Natuurlijke Historie. Vorige zomer hebben we de liefde bedreven in de Rue Gay-Lassac in een oplegger waarvan de chauffeur de achterklep op een kier had laten staan.
            Ik heb van dat moment genoten maar ik weet niet of we het ooit nog opnieuw doen. Ik ben tevreden met de eenzaamheid. Ik adem, ik denk na, ik besta.
            Ik houd het waarschijnlijk nog vijf of zes jaar vol, voor de totale ondergang. Ik verafschuw het idee de hand aan mezelf te moeten slaan, zelfs als de revolver die ik verstopt heb achter een plint in mijn kamer ervoor bestemd is mijn hoofd te doorboren.
            Langzaam leven zonder de dagen te verzwelgen, ieder uur voorzichtig ter hand te nemen als een mussenjong, liefkozend opdat het niet te snel ervandoor zal vliegen, de minuten op je tong te laten wegsmelten zonder ze door te bijten, te genieten van de smaak van iedere seconde zonder een moment te vergeten dat je in leven bent.
            Ik zal de jaren die me resten uitrekken als gesponnen suiker en er eeuwen van maken.

            Nu zijn de bladeren van de plataan helemaal stil. Het gonzen van de stad lijkt te zijn opgehangen boven de Champs-Élysées. De nacht houdt aan, treuzelt, sluimert.
            Beetje bij beetje wordt het donker een schemer. Ik wil niet dat de dag aanbreekt terwijl ik mijn leven verspil. Geleund over de reling van het balkon verjaag ik de ochtendstond met grote bezemstreken.

dinsdag, april 09, 2019

Tureluurs

(foto geleend van Geert Sines)
Het is misschien een persoonlijke aberratie, maar ik houd 'mijn' studenten steevast voor dat 'kijken' geen interessante academische, meer in het bijzonder: geen narratologische activiteit is, die het vermelden in een essay, paper, verslag of werkstuk waard is; dat ze, wat mij betreft, veel beter een meer concreet en specifiek handelingswerkwoord kunnen zoeken en gebruiken om de kans te lopen de aandacht van een geïnteresseerde, vakgenotelijke lezer (zoals ook de tentaminator er een is) te trekken en vast te houden.

Schrijft er een, en echt niet de slechtste, in een eindnota op één pagina, de eerste pagina, onder het kopje 'Inleiding' zowel
door te kijken naar intertekstuele verbanden
als
om te kijken naar welke betekenis dit zou kunnen hebben
en vervolgens
Zo kan gekeken worden naar een motief
en
Het motief waar nader naar wordt gekeken
en ook
Om deze vraag te beantwoorden kijken we naar
en ook nog
Daarnaast zal gekeken worden naar
en tot slot nog ereis
Er zal gekeken worden naar
Ik werd er naar van.

Betreffende student weet ook dat ik het gebruik van de agens-verhullende passief-constructies verafschuw (onder het motto: jij ziet, jij ziet, wat ik niet zie), en dat mijn waardering voor stilistisch ge-heen-en-weer tussen die constructies en andere met het quasi-gemoedelijke maar niet minder verhullende 'we' navenant is. Zwijg ik er nog over dat er niet alleen dingen gezien worden, maar ook teruggezien worden.

vrijdag, maart 29, 2019

Microficties 2018 - Beruchte bankiers

Mijn jeugd zou zich ook afgespeeld kunnen hebben met willekeurig wie. Ik was een uitwisselbare tiener en de volwassene die ik nu ben zou belichaamd kunnen worden door welke andere wanhopige van mijn generatie dan ook. Mijn vader is zes maanden geleden overleden. Ik heb geen stuiver meer over van de vijfennegentighonderd euro van zijn nalatenschap. Ik heb een uitzettingsbevel ontvangen. Met de inzet van heel veel rechtsmiddelen moet het me lukken hier nog jaren te blijven.
            Sinds mijn dertigste ben ik vastbesloten me definitief aan het celibaat te houden. Liefde duurt nooit lang, de kinderen gaan ervandoor en blijven twee wezens die geïrriteerd zijn doordat ze te lang tegen elkaar aan lagen te schuren in hetzelfde bed, in dezelfde kamers, en doordat ze hun jaren doorgebracht hebben als evenzoveel stuk voor stuk verkrot achtergelaten woonhuizen.
            Ik heb enkele spaarzame liefdesgeschiedenissen achter de rug die me sprakeloos achter hebben gelaten. Ik heb nooit begrepen dat je ik houd van je kon zeggen tegen iemand en later je woord weer terug kon nemen. Ik vroeg iedere keer om uitleg, en ze antwoordden mechanisch en gingen er niet minder vandoor zonder terug te komen.
            Ik sta vaak op wacht op het balkon om de stad te overzien. Ze is gewelddadig, wild, altijd klaar om toe te slaan. Ik neem haar uit de hoogte op en probeer haar te imponeren. Hopend dat ze me vreest als een zweepslag. Ik laat me nimmer intimideren door de straten, de stegen, al de inkervingen, die beekjes, gegrift in de grond van de planeet opdat de mensheid voortdurend kan wegstromen, te voet, per boot, in auto’s, of ervandoor kan gaan op een motor.
            Het gebeurt weleens dat een bewoner over de bordesleuning van zijn venster stapt, zich naar beneden werpt en neerkwakt als een vogel met loden vleugels. Elke dag kiezen anderen voor een vuurwapen, snijden zich de aderen door in hun jacuzzi, zodat ze tenminste aan het eind van de wereld kunnen gaan slapen met de pestlijders om in hun ellende op te gaan en te sterven.
            – Het is niet triester dan een fles die tot op de ziel is leeggedronken.
            Wanneer de ene fles leeg is, trek je de volgende open. Die na ons zijn geboren zullen goed voor ons zijn, ze zullen hun tijdperk net zo gepast bevolken als wij het onze. Ze zullen artsen worden, kunstenaars, onderzoekers, genieën van allerlei soort, hoeren van alle seksen, misdadigers, beruchte bankiers, en net als wij zullen ze geloven dat hun dood een nettoverlies zal zijn voor de menselijke soort.
            Zo nu en dan begin ik aan een zin die plotseling stokt. Aan de rand van een afgrond, de leegte, het einde van de taal en niets kan er meer gezegd worden. Een zwevende zin die nooit tot zijn einde gedacht zal worden. Pratend raak ik de dood aan.

donderdag, maart 14, 2019

L'impossibilité de l'embarras du choix

Eén zo'n klein pokke(t)boekje (linksonder), waar ik dezer dagen met veel plezier mijn colleges aan wijd en verknoop, weet onbedoeld wel ernstig te verhinderen dat ik al dat andere, wat niet minder gretig wacht op niet minder grondige lectuur (rechts van onder tot boven), op de salontafel - tot mijn spijt, tot mijn zeer grote spijt - vooralsnog stof laat liggen te vergaren na een uiterst kortstondig 'aanlezen'...

zondag, maart 10, 2019

Microficties 2018 - Bebloede lippen


Ik ging bij hem weg. Ik had mijn zaakjes geregeld. De taxi stond voor de deur. Hij gaf de chauffeur een bankbiljet en die is er vandoor gegaan. Me bedreigend met zijn revolver dwong hij me om me uit te kleden. Hij bond me in de januari-kou vast aan de omheining van het terras.
     Hij gooide al mijn bagage en de kleren die ik mee wilde nemen in het lege zwembad. Hij goot er meerdere flessen benzine over uit. Hij floot naar de hond, pakte haar op en gooide haar bovenop de plunje. Ze snuffelde eraan maar uiteindelijk begon ze vrolijk te blaffen terwijl ze in mijn jurk hapte. Hij ontstak het vuur met de staak die hij ook op 14 juli had gebruikt voor de vuurpijlen. Hij stapte terug en zwierde een jerrycan rond boven zijn hoofd die daarna in de vlammen explodeerde.
     Hij kwam terug. Ik zat gehurkt. Ik sprak hem mechanisch aan, zoals je bidt. Hij baalde ervan dat mijn broer en ouders weer naar huis waren gegaan na de feestdagen. Hij zou ze, de een na de ander, kapot gemaakt hebben, gekneveld, hun koppen in pakpapier.
     – Hij verweet me dat ik niet in staat was hem een kind te schenken.
     Hij zou er rook en as van hebben gemaakt. Hij nam me mee naar beneden in de garage terwijl hij maar op me bleef schelden. Ik huilde. Hij propte mijn mond vol met een smerige doek vol afgewerkte olie en omwikkelde mijn hoofd met plakband. Hij sloot me op in de kofferbak van de Mercedes. Ik was misselijk, ik kotste, ik stikte erin. Ik wou dat ik al jaren eerder was doodgegaan.
     – De auto begon te stuiteren over de weg.
     Ik botste tegen de wanden van de kofferbak. Ik raakte buiten westen. Toen ik weer bij kennis kwam, waren we in een bos. Het was nacht geworden. Hij bond me aan een boom met een nylonkoord dat in mijn buik sneed. De koplampen verlichtten een open plek. Hij probeerde een gat in de grond te graven met een oranje, metalen spa die een tuinman gebruikt om de moestuin te bewerken. Die raakte vervormd door een steen. Hij stond hem stampvoetend uit te kafferen als was het een rampzalige medeplichtige. Het begon te sneeuwen. Ik dacht dat mijn bloed zou bevriezen.
     Hij liet me de volgende dag los op een rondweg, verlicht door een helse middagzon. Een naakt lichaam van een verblinde vrouw, rennend tussen stomverbaasde auto’s die probeerden uit te wijken om te voorkomen dat ze me zouden vermorzelen. Ik werd in het ziekenhuis opgenomen. Hij zit vijf jaar cel uit. Zijn advocaat heeft me een brief gegeven. Hij eist mijn vergiffenis. Niet alleen heeft hij mijn leven gespaard, maar uit liefde had hij mijn gezicht niet aan stukken gesneden met een stanleymes om er de teef mee te voeren alvorens haar, bebloede lippen en al, het zwembad in te keilen.

Vertaling van 'Babines sanglantes' uit Régis Jauffret, Microfictions 2018. Roman. Gallimard, Paris 2018: 37-38.
Het origineel is via Google Books te raadplegen.

zaterdag, maart 02, 2019

Microficties 2018

Bij een vertaling van een kleine bloemlezing uit Microfictions 2018 van Régis Jauffret

Ruim voor het einde van mijn vakantie in Bretagne in de zomer van 2018 was ik door mijn leesvoorraad heen: ik had de geïmporteerde romans die ik daar wilde lezen, gelezen. En vakantie-lezen gaat in Frankrijk in mijn geval  ten koste van aandacht voor Nederlandstalige romans (die lees ik semi-beroepshalve toch al) en vooral ten koste van het lezen van Engels- en Duitstalige romans, zoals ik in Duitsland geen Frans, in Engeland geen Duits lees, en zo verder (nou ja, zó ver ga ik nou ook weer niet op vakantie).

Ik raakte dus, nu noodgedwongen, en het regende ook nog, weer eens verzeild in een librairie. Gelukkig maar: zo kon ik meteen proberen een indruk te krijgen wat er in Frankrijk zoal literair à la mode was en nagaan of er een nieuwe Modiano was verschenen. Maar ik zag een vuistdikke Gallimard-uitgave, zo’n klassieke crèmekleurige paperback met dat eenvoudige, strakke, zwarte en rode kader op het omslag en die mooie schreefletter, auteursnaam, ondertitel en uitgever zwart, titel vetter, groter en rood.

Mentale annotaties, gemaakt staande en lezende in de librairie:
– auteur: Régis Jauffret: nooit van gehoord*
– titel: Microfictions 2018: intrigerend, want deze heerlijk in de hand liggende, plooibare, literaire baksteen telt duizend pagina’s, exclusief inhoudsopgave van nog eens vijftien bladzijden (wat is daar micro aan?)
– ondertitel: Roman, super-intrigerend, dat enkelvoud na het meervoud in de hoofdtitel. Blijkt het boek uit 500 (zegge: vijfhonderd) hoofdstukken te bestaan van elk maximaal anderhalve pagina druks.

Toen de regen opgehouden was, realiseerde ik me (het kan ook andersom geweest zijn) dat ik een behoorlijk lange tijd gefixeerd had staan lezen in een mij totaal onbekend boek. Kortom: op weg naar de terugkerende zon en de uitgang van de winkel heb ik Microfictions 2018 aangeschaft, dat met z’n negenhonderdtachtig gram meer dan driemaal zo veel weegt als mijn e-reader die meerdere tientallen romans en andere boeken bevat (nee, vrijwel geen poëzie, dat wordt een zetspiegelzooitje in zo’n apparaat).

Bij langer lezen, tot ver na de vakantie, bleek me dat deze roman lastiger te doorgronden is dan ik in de boekwinkel had vermoed. De drempels liggen wat mij betreft op lexicaal (idiomatisch) en syntactisch, niet op narratief terrein. Met alleen een standaardwoordenboek red ik het niet; en Jauffrets eigenaardigheid om bij vlagen, tussen zijn korte en anaforische staccatozinnen door, enorm lange, slingerende volzinnen, overladen met her en der geplaatste bepalingen, te punniken, maken een vlotte lectuur niet voor de hand liggend.

De beste manier om zo’n weerbarstig literair werk goed te lezen en te doorgronden, lijkt me te proberen het te vertalen, naast het hardop te lezen. Het één niet minder dan het ander is bovendien een goed antidotum voor mijn aangeboren neiging te vervallen tot reading for the plot, een attitude die, denk ik, al helemaal niet past bij deze uiterst verbrokkelde, ongezellige, grillige verzameling van vaak gore trances de vie, of: trances de vie sale, waarin talloze vertelstemmen zonder enige introductie dooreen klinken en geacheveerde lange en korte norse zinnen elkaar afwisselen en waarin ook nog een betrekkelijk grote verzameling spreektaaleigenaardigheden is verwerkt.

De sfeer van sommige hoofdstukken doet me (maar dit zeg ik er enigszins terzijde bij) denken aan een gedicht van Tonnus Oosterhoff, dat – uit der aard – niet in druk is verschenen en ik vooralsnog niet op het internet terug heb kunnen vinden sinds de oorspronkelijke, dynamische webstekbundel Gedichten waarin het was opgenomen, is opgeheven; het gedicht is helaas niet opgenomen op de vervangende, statische stek met dezelfde url. Ik doel op het ‘schermgedicht’ dat, zoals K. Michel het eens omschreef, ‘op enkele kleurflitsen na bijna geheel uit geluid bestaat’ en waarin ‘een mannenstem […] hard roepend probeert om boven het snelwegverkeer, dat langs zijn bivak raast, uit te komen: “Dank jullie wel. Klootzakken. Bedankt voor de afgedankte skipakken. De lege zakken. Jullie moeten zeker mijn lijf hebben.”’

Het gaat me in m’n eentje niet lukken om de gehele roman binnen afzienbare tijd te vertalen (dit is een euphémisme), maar ik kan het niet laten om enkele proeven (en dat betekent vooral: probeersels) aan te bieden aan Nederlandstalige lezers, omdat ik in tijden niet zo’n merkwaardige en eigenwijze roman heb gelezen die er enerzijds zeer aantrekkelijk uitziet, maar anderzijds zijn  uiterste best lijkt te doen zo veel mogelijk lezers zo snel mogelijk weer buiten het kaft te jagen.

De hoofdstukken zijn in de roman alfabetisch geordend op titel; mijn vertaalde hoofdstukken zijn dat eveneens. Het lijkt me niet nodig de ‘oorspronkelijke’ volgorde aanhouden, omdat de auteur in een interview heeft verklaard dat de ordening van zijn microficties er niet toe doet; je kunt waar je maar wilt in de roman beginnen: ‘On peut le lire dans n’importe quel sens. On peut entrer dans le livre par n’importe quelle porte. C’est un chaos d’histoires.’ Het ontslaat, lijkt me, de vertaler van de plicht om alfabetische equivalenten voor de titels te vinden.


* Mag, op vakantie, van iemand niet gehoord hebben, vind ik, zelfs als een auteur al 25 titels op zijn naam heeft staan. Maar het kon anders... er is immers, ook in Nederland, al over hem geschreven; er is al werk van hem vertaald, bijvoorbeeld hoofdstukken uit zijn eerste Microfictions (2007).

vrijdag, februari 15, 2019

Barbaricco

In een vermetele bui, en als de lente weer Tollensachtig lijkt door te breken zoals de tandjes van m'n kleinkind, werp ik me op een essay (Frans voor: probeersel) in De groene geschreven door iemand van wie ik al eens een boek las, ook al een essay, (en daarnaast las ik een roman van de man, maar die was mijns inziens nog niet eens een probeersel in dat genre te noemen), en met 'werpen op' bedoel ik dan: welbewust beginnen aan, en als het niet in een keer lukt, dan nog maar een keer, en daarna een derde...

... en dan loop ik nog steeds stuk op een frase als deze:
Kunnen we zeggen, als we denken aan de crisis van 2007- 2009, dat dit werkelijk is gebeurd?
Ik weet het niet met zekerheid, maar wel zeker is dat het zo is gevoeld door de mensen.
Het antwoord op de vraag in de eerste zin, ongeacht de ervoor geleverde gegevens, is bijna per definitie: "Neen, dat kunnen wij niet zeggen", of beter: "Wij kunnen het wel zeggen, maar wij weten niet of het dan ook waar is." Dat is dus een zin die bestaat uit gebakken lucht. A.k.a. een windei.

Gelukkig is het antwoord op de, kennelijk retorisch bedoelde, vraag ook voor de schrijver zelf: "Nee", althans, dat zou het moeten zijn, maar de 'essayist' zegt: "Ik weet het niet met zekerheid". Dat klinkt mij in de oren als: "Boeit me geen hol: ik denk het lekker keihard toch! En ik schrijf het hier op, en dus moet je het daarmee als gegeven maar doen." Een discussie- annex discoursstructuur die ik meen te herkennen in sommige spectra van de hedendaagse restanten van de parlementaire democratie.

Daarna zegt hij, heel ruimhartig: "maar wel is zeker dat [...]". Er is dus verschil tussen wat de essayist (niet met zekerheid, maar des niet tegenstaande) persoonlijk "weet", en wat objectief wèl "zeker is". Het een is subjectief en onzeker (maar de essayist herhaalt het en maakt het dusdoende al wat zekerder), het ander is objectief ("het is zo dat") en (dus) vaststaand of vastgesteld (door... eh,  nou, door niemand dus, want er wordt nergens naar een bron verwezen). En wat "is" dan zeker? Nou: "zeker is" dat "de mensen" iets voelen.

Nou is de referentie aan "de mensen" een soort satirico-populistische gimmick in dit sloppy proza van de 'essayist', maar het blijft daarmee wel pertinente nonsens dat hij niet iets weet vast te stellen over de crisis van 2007-2009 (waar de kranten van vol hebben gestaan) maar wel over wat "de" mensen voelden, of nog ergerlijker: over wat "is gevoeld door de mensen".

Mijn hemel, waar heeft deze essayistische draaideuressayfraudeur het nog over???

Over zijn binnenkort te verschijnen boek.

Niet alleen boeken zijn handel, ook de reclame voor een boek is handel.


dinsdag, februari 05, 2019

Steen der wijzen

Het lijkt me echt niet makkelijk om van niets (toch nog) iets te maken. Makkelijker, en naar mijn inschatting ook vele malen beter, lijkt het me om van niets helemaal niets te proberen te maken, het absoluut niets te laten, weg te laten, om erover te zwijgen, omdat dat niets er niets toe doet. Klinkt me (neuro-)ecologisch heel efficiënt in de oren. 

Neem de idiotie van de langlijsten, de kortere lijsten, de kortste lijsten en de ultiemste kortstlijsten van literaire en andere prijzen. Je kunt over die zogenaamde dynamiek berichten tot je een ons weegt, of minder, maar niemand heeft er ook maar één zier aan te om weten hoe kort de lijst nu weer is geworden in de duistere binnenkamers van het juryberaad - tenzij de lijstkorters zelf, maar zij hoeven hun notulen, dacht ik, niet uit de krant te distilleren; of de handel, omdat publicitaire aandacht nu eenmaal aandacht is, en die kan door iedere mercantiele geest worden omgezet in een aankoopaanbeveling (zonder dat die aankoop vervolgens zou kunnen leiden tot een grotere kans op een plek op de kortste lijst). Maar als geïnteresseerde krantenlezer ben ik er niet van gediend op de hoogte te worden gehouden van de communicatie tussen symbolische lijkstbeknotters en economische papier- en drukinkthandelaren.

Maar als je je lezers er dan toch iets over wilt zeggen, doe het dan... goed. Wanneer een lijst van genomineerden voor een prijs is ingekort van ik-weet-niet-welk-aantal tot achttien, zou je dat als 'nieuws' kunnen brengen, als je tenminste iets te zeggen hebt over hoe, op welke gronden, langs welke ontwikkelingslijnen, door welke discussies, met welke argumenten en/of slaande ruzies die selectie tot stand is gebracht.

En als je daarover bericht hebt, kan je inderdaad gaan opsommen wie de resterenden, de overblijvers, de die hards zijn. Maar dan komt de krantenkoppenwrijver vragen om een kop boven je vijf-kolomsstuk, en dat wordt dan, onder de debiele, naar het hopelijk onbedoeld mercantiele neigende ondertitel 'boekenprijs': 'Pfeijffer, Van Essen en Middeldorp kanshebbers Librisprijs'.

Die kop klopt van geen kanten, want er zijn nog eens vijfmaal zoveel (summa: vijftien) anderen ook en evengoede kanshebbers Librisprijs. En als je dan geen ruimte hebt om vijftien namen in de vijfkolomskop te wrijven, plaats dan in het stuk zelf niet een foto van een kanshebber die niet in de domme kop genoemd wordt, laat staan met als onderschrift: 'Ook op longlist [...]'. Of, anders: waarom noem je drie mannen in de kop en plaats je de foto van een vrouw in je stuk? Ook haar, Esther Gerritsens, roman 'kwam[...] door de eerste selectie en bereikte[...] de longlist' zoals over de drie gekopte mannen wordt verteld - en hetzelfde geldt voor de romans van Marente de Moor, Bregje Hofstede, Joke van Leeuwen en Marieke Lucas Rijneveld, die in het stuk tenminste nog genoemd worden. Maar wie is de zesde vrouwelijke genomineerde?

Enfin, de heren Pfeijffer, Van Essen en Middendorp komen in de kop, en komen ook in het stuk nog tweemaal ter sprake en wel omdat zij 'in 2018 de beste recensies' kregen. Gek genoeg doet dat er voor deze prijs helemaal niet toe, want het is geen wie-kreeg-de-beste-recensies-prijs, maar een ordinaire, onafhankelijke jury-prijs over het achterliggende selectiemechaniek waarvan we helemaal niks en niemendal te lezen krijgen.
  

donderdag, januari 24, 2019

Zijn romans sinds 1950 eenvoudiger geworden?

Zijn Nederlandse romans wat betreft taalgebruik eenvoudiger geworden sinds 1950? Laurens Ham, Leo Lentz, Henk Pander Maat en Fabian Stolk (Universiteit Utrecht) dàchten van wel... en zochten het uit. Zie (een samenvatting van) het verslag van hun zoektocht naar een antwoord in de NRC en het TNTL.

zondag, januari 13, 2019

Geheimtipp


Raak dezer dagen wat uit m'n hum tijdens het lezen van een roman van een auteur die me tijdens een academisch diner werd aangeraden door een moeder-Duits sprekend en literair geschoold iemand wie ik vroeg om een goede Duitse leestip.

Ben eraan begonnen zonder dat ik ooit eerder van deze auteur (heb ik zijn naam wel goed verstaan bij het dessert?) of van deze roman gehoord had. Valt een beetje tegen. Soort historische, biografische dubbelroman. Het enige wat er een beetje leuk aan is: dat het boek in zekere zin een antwoord geeft op de vraag die Alice stelt in Asymmetry: wat heeft een boek zonder aanhalingstekens nou voor zin? Het bleek al in 2005 mogelijk dat in een roman alle mono- en dialogen niet in de directe rede worden weergegeven. Alleen van elliptische uitingen, zonder persoonsvorm, zou je kunnen denken dat ze toch in de directe rede staan. Maar de en-toen-en-toen-structuur van twee levenslopen wordt er niet mee verholpen of verdoezeld.

Raadpleeg ik voor de zekerheid even het aardklootomspannende weefsel, blijkt het boek een miljoenenpubliek te hebben en nog verfilmd te zijn ook. Dat heb ik weer. Nochtans staak ik de lezing na 18% van het totaal verorberd te hebben.

Heb nu dus wel lekker tijd om Die Hungrigen und die Satten te lezen, de tweede roman van Timur Vermes, die debuteerde met Er ist wieder da (2015), een roman met een eveneens zeer groot publiek en die ook verfilmd is... Het ene succes is het andere nog niet.

Het weekend is al bijna om, helaas.