woensdag, september 13, 2017

8, Impasse de la Gaîté, Paris

Afgelopen maandag besprak ik met de nieuwe eerstejaars-studenten Nederlandse Taal en Cultuur aan de UU, in de cursus Literaire Teksten, onder meer het aspect 'ruimte' van Bregje Hofstede's roman De hemel boven Parijs. Daarbij kwamen allerlei typeringen en mogelijke functies ter sprake.

De ruimte werd aangeduid als een topos, als gemarkeerd, er was sprake van couleur locale en van belangenruimte; dat laatste vooral doordat de stad semantisch wel erg nauw verbonden is aan het personage Olivier, die, 'wandelend door Parijs, altijd de neiging [had] gehad om zich alles eigen te maken'. (66) Verderop staat er dit te lezen: 'Het was een hebberige manier om door Parijs te lopen. Hij claimde een eigen versie van die stad, aangepast, ingekleurd, benoemd met zijn eigen namen.' (67)

De aangeduide locaties in de stad bestaan ook in de werkelijkheid. De bekende plekken hoef je natuurlijk niet op te zoeken, maar naar de minder bekende ben ik dan toch wel nieuwsgierig. Ergens wordt een steegje genoemd: 'nummer acht, impasse de la Gaîté.' (26)

En jawel, er is echt een Impasse de la Gaîté in Parijs, en daar is een huisnummer 8, en die straat ligt inderdaad vlak in de buurt van 'de begraafplaats van Montparnasse.' (25)

Maar is er niet ook iets symbolisch' in de naam van de straat waar Olivier samen met Mathilde woonde in haar kleine studio? Het is niet een naam die Olivier heeft gegeven, maar hij gebruikt die wel. De doodlopende straat van het goede humeur, het slop van de blijmoedigheid?

zaterdag, augustus 19, 2017

'k Ging op reis...






en nam mee terug naar huis...

een paar, een piepklein stapeltje, boeken die ik niet kon laten liggen en die nog net in de koffer mee konden in het budgetvliegtuig.

Alleen het eerste, Post-Truth, heb ik inmiddels gelezen, en wel - in zekere zin - zeer tot mijn genoegen. Een prachtig, klein boekje met een pittig essay over... nou ja, dat is niet moeilijk te raden, al is het wel zo dat die onzin van die nep-president door D'Ancona niet als centraal gegeven wordt gezien, maar meer als een van de vele  meer of minder prominente manifestaties van een zieke  ontwikkeling die al langer gaande is (vooral het postmodernisme wijst hij, al dan niet terecht, als wortelgrond aan). Het is een kleine diagnose van een belangrijke ziekte van onze tijd. Nogal onthutsend om al de symptomen op een rijtje gepresenteerd te krijgen. D'Ancona probeert ook remedies of antistoffen aan te reiken en zegt in dat kader dat het weinig zinvol is gebleken om te reageren met louter feiten, zoals gedaan is door de tegenstanders van de Brexit; feiten alleen helpen niet, er moet een heel discours omheen geplooid worden, met een zelfde retorica. Ik zou het graag herlezen, maar heb het inmiddels uitgeleend.

Kid van Armitage, las ik, net als de rest, nog niet; 't was een inpulsaankoop waarvan ik de motivatie niet meer weet; maar ja, poëzie, hè, van een dichter met 'the ability to deal with subjects that many poets turn their backs on'.

De twee werken van Smith, een roman en een verhalenbundel, waren lustaankopen geïnspireerd door de lectuur - maanden terug al - van de waanzinnig(goed)e roman There but for the.

Solar Bones van McCormack is een roman van 223 bladzijden zonder één punt, en stond al een tijd op mijn wensenlijstje, al lijkt het me een opgave om zoiets te lezen; maar juist daarom.

Nou ja, aan het lezen van een en ander kom ik maar niet toe doordat ik, na de debuutroman van Lieke Marsman en de herlezing van die van Bregje Hofstede, ernstig verstrengeld ben geraakt (zeg je dat zo?) in de lectuur van een heel klassieke, realistische, twee generaties overspannende, 765 bladzijden dikke familie- en  tendensroman: Het zingen van de tijd, de vertaling van The Time of Our Singing (2003) van Richard Powers. IJzingwekkend om te lezen hoe weinig er anno nu veranderd is aan het diepgewortelde (Amerikaanse) racisme sinds de jaren veertig en de jaren zestig van de vorige eeuw. Extra prikkelend om nu te lezen, omdat Powers, anders dan zijn centrale personages, nogal wit is. Kon dat anno 2003 nog wel?

maandag, augustus 14, 2017

Komkommerst

De Volkskrant verkeert nog in een diepe, diepe zomerslaap en laat maar weer eens iemand een opinietje opboeren, namelijk dat literatuurwetenschappers taai proza produceren. Vindt iemand die filosoof genoemd wordt. Op Opinie-en-Debat-pagina 19, vandaag, gisteren al on line.

Wat er precies onleesbaar is aan literatuurwetenschappelijk proza, geeft de filosoof niet aan. Hij citeert alleen enkele titels van artikelen en noemt die - ironisch - 'prikkelend'. Verderop zegt hij dat de literatuurwetenschap na  een paradigmaverschuiving onder invloed van Said, Foucault en Derrida 'een bloedeloos gebeuren' is geworden, 'voor zover het dat niet al was.' Me dunkt, dat is dan dankzij enkele filosofen (een kleine jij-bak mag nog wel tijdens het zomerreces, hoop ik).

In hetzelfde stuk zegt dezelfde filosoof dat literatuurwetenschappelijk onderzoek een invuloefening is geworden, en hij biedt - grappig - een stappenplan voor het schrijven van een scriptie. Ja, een stappenplan voor een scriptie. Een scriptie is echter geen literatuurwetenschappelijke tekst, maar een proeve van bekwaamheid binnen een opleiding. Een student is nog geen vakbekwame literatuurwetenschapper. Ik heb zelden tot nooit een scriptie gepubliceerd gezien in een vaktijdschrift of als boek bij een gerenommeerde wetenschappelijke uitgeverij.

Het stuk komt erop neer dat de filosoof vindt dat de literatuurwetenschap zich niet richt op onderwerpen en thema's waarvan de filosoof vindt dat de literatuurwetenschap zich op zou moeten richten. Hij opinieert als een keurslager die vindt dat een bakker geen kadetjes moet bakken.

In de digitale versie van het stuk - waarnaar ik hierboven een linkje aanlegde - staat nog een onthutsende domheid die een wakkergeschrokken redacteur van de papieren krant er nog net uit heeft weten te gummen. Na het citeren van één zin, de korte beschrijving van een onderzoek, en dus niet een zin uit een wetenschappelijk artikel, noteert de filosoof generaliserend:
Zinnen als deze zijn doodnormaal in de literatuurwetenschap. We hebben hier, voor alle duidelijkheid, niet van doen met een UvA-kwaal [hij heeft namelijk alleen maar wat rondgeneusd op de website van de UvA, deze filosofische onderzoeker die in de krant zijn meninkje mag babbelen]. Zin om te lezen krijg je niet van zulke teksten. Toegegeven, dat geldt voor de meeste wetenschappelijke artikelen. Toch is er een verschil met de chemicus of AI-onderzoekers die zich nauwelijks bekommeren over de toegankelijkheid van hun proza. Voor literatuurwetenschappers ligt de lat hoger. Dat hoop je althans. Zij drukken zich uit in het medium dat ze bestuderen.
De filosoof zegt dat de lat van de begrijpelijkheid voor de ene wetenschap hoger ligt dan voor de andere wetenschap. Althans, hij hoopt dat dat zo zou zijn. Waarom dat zo zou (moeten) zijn? In dit geval (want nu blijft de generalisatie achterwege): literatuurwetenschappers drukken zich uit in het medium dat ze bestuderen.

Ehhh, bestuderen literatuurwetenschappers een medium? Of hadden we daar toch andere deskundigen voor? Of bedoelt de filosoof dat een literatuurwetenschapper zijn/haar onderzoeksresultaten in volkstoegankelijke kasteelromans moet presenteren?

Ik ben tegen verspilling, maar deze komkommer mag van mij snel doorgedraaid worden.

zaterdag, juni 10, 2017

Maaichine

Bij mijn favoriete Utrechtsche IJzerhandel W. Pijper stond een aanbieding voor de etalage, een gloednieuwe 'grasmachine'. Het ding zelf stond erbij, en daardoor begreep ik dat het om een grasmaaier ging. Het woord 'grasmachine' kende ik niet.

Met de machines in mijn lexicon kan je meestal machinaal datgene doen wat in het eerste lid van de samenstelling genoemd wordt. Met vliegmachines kan je vliegen, met naaimachines naaien, met snijmachines snijden, met nietmachines nieten, met wasmachines wassen en zo verder. Dus was mijn eerste gedachte dat je met een grasmachine wel zou moeten kunnen grassen, maar wat dat is, weet ik dan weer niet. Maar het bleek, als gezegd, te gaan om een machine waarmee je kunt maaien, en wel in het bijzonder gras. Een grasmaaier dus, of een grasmaaimachine, om preciezer te zijn.

Toen ik, eveneens vandaag, Google naar 'grasmachine' liet zoeken, kreeg ik 124.000 resultaten; een zoekactie met  'grasmaaier' leverde 1.010.000 resultaten op. Ik concludeerde voorzichtig dat ik een mainstream lexicon heb in dit opzicht. Die gedachte werd bevestigd toen ik de dubbele zoekactie herhaalde met de n-gramviewer van de DBNL: 22 grasmachines (sinds 1905) en maar liefst 80 grasmaaiers (sinds 1867) (de oudste variant wordt het vaakst gebruikt, en dat komt niet door die 38 jaar verschil, want in die periode kwam het woord maar dertien keer voor). Een derde zoektocht, nu met SoNaR – het referentiecorpus van hedendaags, geschreven Nederlands – leverde 196 maal 'grasmachine' op in 146 documenten en 319 keer 'grasmaaier' in 260 documenten. Mijn persoonlijke lexiconhypothese lijkt me hiermee wel bevestigd.

(16 juni 2017: omdat het kan, ook gekeken in de 44 miljoen woorden van Subtlex-nl, een gegevensbestand van Nederlandse woordfrequenties gebaseerd op 44 miljoen woorden uit film- en tv-ondertitels,  en daarin komt 'grasmachine' tweemaal voor in twee bronnen, en 'grasmaaier' 81 maal in 52 bronnen.)

Grappig is dat in de resultaten van de Google-zoektocht met 'grasmachine', doorgaans wordt gesproken over 'grasmaaier'. Ik kwam er overigens ook de 'handmaaier' tegen; luguber. 

maandag, mei 29, 2017

Uitschrijfgever

Peter Nijssen - UU-alumnus, maar dit ter zijde - is uitgever. En hij schrijft. Hij plaatst zijn goed geschreven teksten (vind ik, nadrukkelijk) op zijn weblog: Nijssen schrijft. Een heel rudimentaire, maar wel maar moderne vorm van uitgeven, zou je kunnen zeggen. En ik denk dat hij geen redacteur nodig heeft voor zijn weblogposts. Ik ken 'm een beetje.

Nijssen - niet Nijsen, want die heet Joost en is van Podium en schrijft ook en goed, namelijk een column op de webstek van zijn uitgeverij; steeds blijven opletten, net als met Arjan en Arjen, respectievelijk Peters en Fortuin, niet verwarren - Nijssen dus is geen kleintje, want hij is van De Arbeiderspers, sinds 2013 (de uitgeverij is er al sinds 1929, Peter is er sinds 2013 uitgever); daarvoor was hij, Peter, er al redacteur. Vandaar ook dat ik dacht: die heeft geen redacteur nodig voor zijn eigen teksten. It's a small world after all.

Zijn blog schrijft Nijssen, zo staat er in de bio-info, 'op persoonlijke titel'. Ja, dat zal wel, drs. Nijssen. Maar de uitgeverij is, net als de krant, een meneer (oh, Dumoulin-shit, dit kan je zo niet zeggen; dus opnieuw:) de uitgeverij is, net als de krant een persoon (m/v). De persoon Peter Nijssen schrijft op Nijssen schrijft, toevallig of niet, alleen maar over uitgaven van De Arbeiderspers. Als ik niet wist dat Peter zo'n voortreffelijk aangename gast is, zou ik hem nog steeds prettig vinden, deze - wat is het - contradictio in terminis: de uitgever schrijft op persoonlijke titel alleen maar over boeken van zijn uitgeverij.

'Aan mijn hoela', dacht ik er altijd, al lachend, bij. Maar zie, de tekstuele kogel is door de weblogkerk. In zijn jongste post noteert hij ronduit, hoewel in een parenthese, mijmerend over Olympisch zwemmer, de tweede dichtbundel van Lans Stroeve: 'ik geef toe dat ik parti pris ben'.

Daaruit kan de oplettende lezer bovendien afleiden dat deze uitgeef-persoon goed is opgeleid, dat hij z'n peri- of para-Derrida wel kent: Il n'y a pas de hors-parti-pris!

zaterdag, mei 27, 2017

Vladimir Nabokov, Pnin

2e druk. Vertaling: Else Hoog. De Bezige Bij, Amsterdam 2007 (1e dr. 1993; oorspronkelijk 1957).

Een groot c.q. geverseerd Nabokov-lezer ben ik nog niet, maar na Pale Fire (1962) en The Original of Laura (2009) had ik de smaak goed te pakken en trek gekregen in meer.

Omdat ik van Lolita (1955) alleen een heel grauw pocketboekje in huis heb, met een rug van verdroogde lijm en gezet uit een heel klein lettertje, las ik de afgelopen dagen eerst maar Pnin, dat ik tussendoor blijkbaar had aangeschaft, een nog kakelvers restantje van de eermalige Leesclub van NRC-Handelsblad.

Het is niet moeilijk om Nabokovs fraaie stijl in deze korte roman te herkennen. En het is wederom duidelijk dat er autobiografische noties in deze zeven hoofdstukken zijn verwerkt. En het is aantrekkelijk dat Nabokov opnieuw op een subtiele, en in dit geval steeds nadrukkelijker wijze, speelt met de lezer, door de roman - op het achterplat aangeduid als een verhalencyclus - te beginnen met een schijnbaar neutraal opererende auctoriale vertelinstantie die gaande weg het product blijkt te zijn van een ik-verteller, die op het laatst niet alleen een personage blijkt te zijn naast de hoofdfiguur, professor Timofey Pnin, maar zelfs diens academische concurrent; aldus krijgt de lezer, als het goed is, steeds meer argwaan jegens de vertelling, en steeds meer sympathie met de als een klungelige geleerde op het toneel gezette Pnin.

Ook de voorzichtig geserveerde onzekerheid omtrent de identiteit van andere personages is een gekend en naar mijn smaak aantrekkelijk Nabokov-stijlelement.

Toch kwam ik er niet 'in'. Twee keer kon ik de roman niet ten einde toe lezen, en pas bij een derde keer, na strenge zelfvermaning, kon ik het bij het begin van de roman aansluitende einde ervan bereiken. Ik denk dat het komt doordat de personages te schetsmatig zijn, doordat Pnin te veel een speelbal is van de vertelling, en daardoor wat klinisch blijft. Het is allemaal net wat te kluchtig ook.

Gek is dat: de ingrediënten zijn vergelijkbaar, maar het resultaat is minder, in mijn optiek. 

maandag, mei 22, 2017

Redengevend verband

Er is een meneer die 'gewoon een jaar door Nederland [gaat] lopen'. Nog voor hij daarmee begonnen is, heeft hij een kleine demonstratie gegeven van de uitholling van het woord 'gewoon', die al een tijdje gaan is, denk ik. Al een paar jaar interrumpeer ik de aan mij toevertrouwde studenten wanneer ze een uiteenzetting geven waarin ze dat woord gebruiken en ze er, en dat is negen van de spreekwoordelijke tien keren het geval, niet mee bedoelen aan te geven dat iets gewoon, of normaal, of vanzelfsprekend is. Daarmee probeer ik die semantische uitholling te vertragen. Vergeefs, ik weet het, maar het heeft een leuk effect op de rest van de gesprekken tijdens colleges. Het is niet dat ik een Bordewijk of Bint wil zijn (dat zou ook vergeefs zijn, bovendien onwenselijk, wat mij betreft), maar een beetje meer efficiëntie in het taal-, meer in het bijzonder  in het woordgebruik, is wel gewenst.

Die meneer, die wellicht bedoelt dat hij niet gaat hardlopen, hink-stap-springen of achteruitlopen door Nederland, heeft nog een ander aardigheidje te berde mogen brengen boven de titel van de Volkskrant van vandaag: hij gebruikt een retorische vraag. Hij 'vraagt': wie wil er nou niet een jaar gewoon door Nederland lopen?' En omdat hij de stijlfiguur van de retorische vraag gebruikt, weten de kritische Volkskranteniers dat hij eigenlijk of letterlijk bedoelt: 'Iedereen wil (volgens mij) gewoon een jaar door Nederland lopen!'

Net als het gebruik van 'gewoon', is dat van de retorische vraag best lastig. De implicatie van de onderhavige retorische vraag, is, naar het mij voorkomt, zelfs zonder een brede maatschappelijke sondering door Maurice de Hond of het Meertens Instituut, eenvoudig te bekritiseren. Hooguit een door de krant goed gefinancierde semi-journalistieke malloot wil gewoon een jaar door Nederland lopen. Persoonlijk zou ik zo'n wandeling bijvoorbeeld graag beperken tot de droge dagen; bovendien zou ik grote stukken Nederland liever overslaan; en ik denk dat ik met de fiets verder zou komen, meer zou zien, meer zou genieten. Ik ben overigens een enthousiast wandelaar. Maar wat te denken van mensen die niet willen of die niet kunnen wandelen?

Maar het meest interessante van de uitlating van de meneer die graag gewoon een jaar door Nederland zou lopen, is zijn gebruik van het redengevend voegwoord 'want'. Een parafrase van zijn gehele bewering zou kunnen luiden: 'Ik ga gewoon een jaar door Nederland lopen, omdat volgens mij iedereen dat wil.' Hij zegt dus iets te gaan doen omdat iedereen het wil. Ik snap daar geen touw van. Iets gewoon gaan doen omdat iedereen het zou willen. Ik drink gewoon een beetje Ierse, naar verbrande turf geurende whisky, omdat iedereen dat volgens mij wil (nee, omdat ik het lekker vind). Ik geef gewoon een cursus stilistiek aan studenten, omdat ik denk dat iedereen wil doen (nee, omdat ik het interessant vind en wil en mag proberen dergelijke kennis over te dragen).

Verzin gewoon zelf ook wat voorbeelden, want wie begrijpt nou helemaal niet wat die man beweert?

dinsdag, mei 02, 2017

Getalsincongruentie in vergelijkingen

Kijk, de taalkunde ligt, voor een deel, op straat. Ik ben al een tijdje bezig met linguïstisch veldwerk, in die zin dat ik interessante deskundigen op het gebied van de taal- en communicatiekunde in het wild aanspreek met een probleem dat ik met me meezeul omdat ik de kennis niet in huis heb om een begin van een oplossing te vinden. Zo sprak ik onlangs op de Drift in de universiteitsstad U. een loslopende taalkundige aan die werkzaam is op een in een romanreeks verwerkt instituut te A. ('Hé, Marc, jij hier?') en betrok hem onmiddellijk, net als eerder Jacomine N. en via haar Margreet D., en later ook nog Pim M., in mijn vraagstuk van de getalsincongruentie in vergelijkingen; een verschijnsel waarvan ik tot voor kort geen weet had, dat het bestond. Marc van O. slingerde na enig denken vandaag zijn ideeën op Neerlandistiek.nl.

Ik heb de goede man nogal verbouwereerd, want hij weet mijn moeder aller voorbeelden van dit verschijnsel niet goed meer te citeren. Daarom hier de geno-tekst:

(1) Mijn hart barstte open als granaatappels

Een regel uit de debuutbundel van de Vlaamse dichter Mustafa Kör. Een ander fraai exempel, getapt uit dezelfde bron, is: 

(2) staat hij zoals dikbillen in de mist / te dampen rond zijn paleis

In alle poëzieboeken die ik rond me op de studeerkamer heb staan, alsmede in wat naslagwerken op internet, kwam ik niet anders tegen dan vergelijkingen met getalscongruentie, dus veeleer zinnen als:

(1a) Mijn hart barstte open als een granaatappel
(2a) staat hij zoals een dikbil in de mist / te dampen rond zijn pleis

Het enige voorbeeld met getalsincongruentie dat ik uit mijn hoofd in de Nederlandstalige poëzie vond buiten Ben jij liefde, is geen echte vergelijking maar een metafoor in strikte zin, en wel eentje die door Plint zo verduizendvoudigd is, dat hij al haast niet meer opvalt:

(3) Ik noem je: bloemen

Dat is van Jan Hanlo. Net als het tweede voorbeeld, uit hetzelfde gedicht:

(4) In noem je: narcissen in de nacht

(maar dat is eigenlijk van hetzelfde laken een pakje).


Ik ben er nog niet uit; probeer me te verdiepen in 'A Unified Model of Language Acquisition', want het vermoeden is dat deze nieuwe vorm van vergelijking mede gegenereerd is door de tweetaligheid van Kör, die geboren en getogen werd in Turkije; en ik moet ook nog even dat artikel lezen dat Marc noemde. Je hoort nog van me.

(wordt vervolgd)