dinsdag, april 17, 2018

Dan maar hangmatedities

Het vak ‘Lezen, en laten lezen’, waarin onder meer gebruik werd gemaakt van Naar de letter (1995), het handboek editiewetenschap van Marita Mathijsen, is inmiddels al een aantal jaar geschrapt uit het BA-curriculum Nederlandse Taal en Cultuur van de UU. En nu zie ik dat de destijds zeer-, en later hooggeleerde auteur van dat handboek het niet meer eens is met haar eigen voormalige, wetenschappelijk verantwoorde standpunt; een geharnast vakstandpunt dat ik jarenlang devoot onder studenten verspreid heb. Een echte, wetenschappelijk verantwoorde editie is per definitie volledig en onveranderd; editeursingrepen zijn alleen toegestaan als er evidente fouten recht te zetten zijn die de historische vorm van de tekst geweld aan zouden doen.

Zo was dat, en niet anders. Een kwestie van fatsoen en respect. Respect voor de auteur en voor zijn/haar gezwoeg om de tekst zo goed mogelijk te noteren opdat zijn/haar ideeën en visies, waar het uiteindelijk om gaat, zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen. Fatsoen van de lezer om de schrijver hierin te volgen en op zijn/haar beurt zijn/haar best te doen de schrijver zo goed mogelijk te begrijpen. Er schuilt een beetje Bordewijk in: de schrijver moet niet dalen, de lezer moet klimmen. Dit geldt zeker waar het gaat om historische teksten (en dat zijn inmiddels teksten van voor de Tweede Wereldoorlog, vrees ik). De schrijver kan er als het ware niets aan doen dat literatuur soms zo goed is dat ze lang meegaat en gewaardeerd wordt door docenten en andere enthousiasten, ook al veranderen de taal en de wereld zodanig dat de (latere) lezer er moeite voor moet doen de tekst mede in zn oorspronkelijke vorm te begrijpen, te verstaan. 

In de Volkskrant van 14 april 2018 laat Mathijsen echter een nieuw standpunt optekenen:
Liever een luie lezer dan geen lezer. Hertalen mag. Het is de enige manier om literatuur uit het verleden te redden van de vergetelheid. We leven in een cultuur van haast en snelheid, van korte zinnen. Je kunt niet verwachten dat lezers van nu de tijd nemen voor alle uitweidingen en bijzinnen in literatuur uit vroegere eeuwen. Ze gaan ook niet meer te voet naar Parijs. Ik ben nu zelfs voor inkorten.
Het lijkt er een beetje op dat Mathijsen de krant inmiddels verheven heeft tot een wetenschappelijk platform: ze zette daarin recentelijk ook haar biografiestandaard uiteen. Maar ze heeft haar nieuwe editievisie ook geventileerd in ‘de nieuwste digitale editie’ van haar eigen handboek, ‘in een nawoord’. Hartstikke actueel dus, die krant in die rubriek over mensen die een ommezwaai maken...

... blijkt het te gaan om het onderdeel ‘Vijftien jaar Naar de letter’ (een titel die lijkt te zinspelen op Beets’ Na vijftig jaar’), opgenomen in die digitale edite van de ‘vierde, ongewijzigde oplaag’ van de grijze bijbel, zoals haar handboek met ironisch ontzag door vakgenoten wordt genoemd. Die  ‘vierde, ongewijzigde oplaag’ stamt uit 2010, en is kennelijk ongewijzigd wat betreft de hoofdtekst, maar ze is wel uitgebreid met dat nawoord en dus niet ongewijzigd, maar kortweg gewijzigd (het gaat - dit terzijde - via de krant hollend achteruit met de editietechnische vakkennis).

Terugkijkend op haar oorspronkelijke handboek, constateert Mathijsen anno 2010 in haar handboekInkortingen, herspellingen, hertalingen, selectieve variantenapparaten, edities zonder onderzoek van alle aanwezige bronnen wees ik zonder pardon af.’ En: ‘Inmiddels ben ik milder geworden.’

Maar... dat nieuwe, milde standpunt is een herhaling van het standpunt dat ze niet acht, maar al zon vijftien jaar geleden, met andere woorden al acht, en niet pas vijftien jaar na het verschijnen van Naar de letter, al had ingenomen, en wel in het artikel Een knieval voor de luie lezer? Hertaling als enig redmiddel historische literatuur’ in Nederlandse letterkunde 8 (2003), nr. 2, p. 116-129. Oud nieuws, dus in de krant.

En: in de krant passen kennelijk niet alle nuances die de wetenschap eigen zijn. In het genoemde vakblad luidt de eerste en belangrijkste van de vijf basisregels die Mathijsen formuleerde en onverbreekbaar noemde:
er mag geen hertaling gemaakt worden van een tekst als er geen betrouwbare editie voorhanden is. Voor historici en literair-historici moet eerst de brontekst betrouwbaar uitgegven zijn, voor je mag gaan stoeien. (p. 127; mijn cursief, IDVH)
Ik hoop van harte dat Mathijsen de eerste basisregel nu ook nog even in de krant wil herhalen. Dan kan ook wat mij betreft het speelkwartier voor de tekstbezorgers beginnen, parallel aan het gewone tropenrooster.

woensdag, maart 14, 2018

"I'm a lucky inheritor of modernism"

Daar werd ik wel zeer vroolijk van. Die avond over met Ali Smith gisteren in de Amstelkerk. Ik was nog nooit eerder in die kerk geweest. Mooi ding, in een heel leuke omgeving. Bijzonder druk was het (net als eergister bij de presentatie van Geert Buelens' grote cultuurgeschiedenis van de jaren zestig, maar dat was niet in een kerk, en ook was Ali Smith er niet bij, terwijl zij in Autumn heel uitgebreid vertelt over Pauline Boty, die Geert in zijn magnum opus maar eenmaal vermeldt, op pagina 380).

Wat kan die Smith enerverend, razendsnel en feilloos, en met mooie modulaties voordragen uit haar eigen werk. Verrassend, dat hoge tempo. Ik lees haar veel langzamer. En wat een gedrevenheid, wat een vrolijke gedrevenheid die deze schrijfster - die zich zeer bewust is van de lamentabele staat van de wereld anno heden - ten toon spreidt, ook wanneer ze over haar werk en opvattingen vertelt, gisteren terecht vooral over het kwartet seizoens-romans dat nu in aanbouw is en waarvan ze elk deel zo snel mogelijk na afronding in de winkel wil hebben, niet pas na een jaar, maar al na zes weken (ik meen echt dat ze dat zei, zes weken).

Wat een wervelwind aan ideeën en wat luchthartigheid ook. Een schrijver, zei ze onder andere, is als een vogeltje: als het van de tak springt, vertrouwt het erop dat het gaat vliegen; zoiets. Want iedere roman begint met niets. Gelukkig zitten haar romans boordevol als ze bij mij belanden.

Het experimentele karakter van haar werk vindt ze wel meevallen. Ze is, zo zei ze gisteren, in dat opzicht wel mild. En: "I'm a lucky inheritor of modernism." Met een rotsvast vertrouwen in de kracht van de roman, meer nog: de kracht van het vertellen. De beste manier om de waarheid te leren kennen en onderscheiden, is het lezen van fictie.

Maar daar was het me eigenlijk niet om te doen. Meer om wat er op de foto staat (klik om te vergroten). En dan nog niet eens het boek, Winter, want daar kan ik nog niets over zeggen, want ik ben pas op de helft (maar ik mag wel alvast zeggen dat het een razende roman is, met heerlijk eigenzinnige, niet gemakkelijke personages, om maar iets te noemen) (Smith zei trouwens dat ze met de herfst was begonnen, omdat ze dan lekker met de zomer kon eindigen). Bovendien is het omslag op de foto niet goed: er hoort nog een stofomslag bij, halve hoogte van het boek, met een repro van een iPad-schilderij van David Hockney, maar dat laat ik eraf tijdens het lezen, opdat het langer heel blijve, want het boek gaat van hand naar tafel naar hand naar andere tafel naar hand naar tas naar hand naar hoofdkussen en zo verder.

Het was me eigenlijk te doen om het bonnetje dat de gasten gister kregen bij hun toegangskaartje: zo'n viltig kartonnen, rechthoekig, roze kaartje met erop gedrukt in vette schreeflozen: Consumptie; zo'n kaartje, met links en rechts een perforatierandje, karteltjes die mijn geest regelrecht doorsturen naar de groene trommel van gemoffeld metaal waar een hele rol van die kaartjes, uitgerold minstens tientallen meters, op fascinerend cyclindrische wijze in verscholen zat.

donderdag, februari 22, 2018

Letterlijk

Lily, the caretaker's daughter, was literally run off her feet.
Met die zin begint het slotverhaal 'The Dead' van James Joyce's Dubliners. Wallace Gray maakt op WWD deze notitie bij dat 'literally':
A fine example of stylistic infection, in which the personality of the character being written about begins to influence the author's choice of words and rhythms. The correct word would be 'figuratively,' but to say 'literally' is common among many people, particularly those with Lily's minimal education.
Dan is het wel grappig om het volgende te lezen in een artikel van een hoogleraar Engels van de University of Massachusetts-Boston over 'A Little Cloud', eveneens uit Dubliners:
Even Warren Beck,* whose reading of the story is, among all of the commentaries on and analyses of the story proper, one of the more compelling and more coherent, finds the specific significance of the 'little cloud' literally nebulous 
Nu kan het zijn dat die hoogleraar, Thomas B. O'Grady, in dat citaat uit zijn artikel 'Little Chandler's Song of Experience' (in James Joyce Quarterly 28.2 (1991): 399-400) bedoelt dat Warren Beck letterlijk het woord 'nebulous' gebruikt (en niet, dat Beck dat woord 'letterlijk' gebruikt, als ik nog duidelijke ben...), maar om dat  te controleren, zou ik Becks Joyce's "Dubliners": Substance, Vision, and Art moeten inzien.

* Pas op: in de Joyceaanse epitekst-fabriek worden zelden eenvoudige hengeltjes gebruikt om minieme betekenisvisjes binnen te halen (excuses voor de metaforenmix). Of, om te variëren op wat de Franse spoorwegen bij alle overwegen zeggen: Voorzichtig, een interpreet kan een andere verbergen.

donderdag, februari 15, 2018

A Close Reading of some "But"'s

In een werkgroepbijeenkomst van de cursus Literary Toolbox (UU) vroeg een student naar de betekenis van een rare zin in de eerste alinea van “The Dead” van James Joyce. Het gaat om de tweede zin in het volgende citaat:
It was well for her she had not to attend to the ladies also. But Miss Kate and Miss Julia had thought of that and had converted the bathroom upstairs into a ladies’ dressing-room. (Joyce, 175)
Die was mij ook al opgevallen, maar ik kon er niets mee, dus dacht ik er wijs aan te doen erover te zwijgen (symptoom van een omgekeerd Halbe-Zijlstra-syndroom). Vooral dat “But” leek me vreemd, omdat er geen tegenstellend verband tussen de inhoud van de twee zinnen lijkt te bestaan, maar een verklarend. Ik zou eerder iets als “Since” verwachten. Ik wil proberen het gebruik van “But” op deze plaats te verklaren.

Pas bij herlezing van het verhaal zag ik dat aan het eind van de tweede alinea nog tweemaal “But” op een opmerkelijke manier wordt gebruikt, en wel in een passage die met dezelfde woordgroep begint als de allereerste alinea:
Lily, the caretaker’s daughter, did housemaid’s work for them [i.e. for Julia and Kate]. Though their life was modest they believed in eating well; the best of everything: diamond-bone sirloins, three-shilling tea and the best bottled stout. But Lily seldom made a mistake in the orders so that she got on well with her three mistresses. They were fussy, that was all. But the only thing they would not stand was back answers. (176)
Maar er is meer op te merken over taalgebruik en Lily. Zij weet de achternaam van hoofdpersoon  Gabriel Conroy kennelijk niet goed uit te spreken: “Gabriel smiled at the three syllables she had given his surname and glanced at her.” (177) Dat Gabriel zich welbewust is van zijn hoge(re) scholing (“their grade of culture differed from his”, denkt hij over al de anderen, p. 179), moet ik hier helaas onbesproken laten, net als de gedachte dat er een associatief verband kan bestaan tussen “surname en sirloins” dat weer een verklaring kan zijn voor Lilys geprikkelde reacties op Gabriel.

Sommige taaluitingen van Lily zijn (misschien, want mijn Engels is verre van feilloos) niet van het hoogste BBC-gehalte: “Oh no, sir, she answered. I’m done schooling this year and more.” (177) En: “The men that is now is only all palaver and what they can get out of you.” (178) Zeker die laatste zin lijkt me een uiting van informele spreektaal.

Als dit klopt, denk ik dat er in de eerste twee citaten sprake is van erlebte Rede, van de vervlechting van enerzijds specifieke taalelementen van een personage in het verhaal en anderzijds taalelementen van de verteller, die buiten de verhaalde wereld staat; tekstinterferentie dus (zie verder Van Boven en Dorleijn). De verteller blijft aan het woord, maar geeft gedachten of visies van een personage weer, daarbij gebruikmakend van enkele typische spreektaalelementen van het personage. Het lijkt erop dat de verteller hier een eigenaardigheidje van Lilys taalgebruik kopieert, namelijk om zinnen met “But” te beginnen, een woord dat dan betrekkelijk betekenisloos is. Een spoor van haar spreektaal.

Misschien duidt in het eerste citaat ook de woordgroep “It was well for her” op het vermengen van de twee registers; die woordgroep kan vertaald als: Het was haar best, de weergave door de verteller van wat in een echte Lily-monoloog zou kunnen luiden: “’t Is mij best […].” En deze veronderstelling deel ik, bij nadere naslag, met Wallace Gray, die in zijn digitale introductie tot Dubliners noteert: “The expression ‘well for her’ is the kind of language a Dubliner of her economic and social caste would use; here, it becomes part of the author’s style.” By the way: ik zou hier liever van “the narrator’s style” spreken.

Over het tweede stuk vertellerstekst dat ik hierboven citeerde, zou dan nog dit zijn op te merken. Aanvankelijk is daar inderdaad de verteller aan het woord. In de zinnen die eraan voorafgaan, refereert deze namelijk aan “Julia” en “Kate”, terwijl het bij de positie van Lily past om netjes te spreken over “Miss Kate and Miss Julia” zoals uit het eerste citaat blijkt, en zoals ze ook daadwerkelijk doet als ze hen vertelt dat Mr Conroy is aangekomen (176).  Gabriel op zijn beurt heeft het over “Aunt Kate” (177, bijvoorbeeld), en de verteller neemt dat van hem over wanneer deze Gabriels gedachten of visie weergeeft (179, bijvoorbeeld). Overigens duidt ook de letterlijke herhaling van de beginzin erop, dat de verteller aan het woord is. De twee zinnen die met “But” beginnen, bevatten dan dus zijn weergave van observaties van Lily.

Om een en ander helder te houden, is het handig om het narratologisch onderscheid te hanteren tussen ‘vertelling’ (wie voert het woord) en ‘focalisatie’ (wie neemt waar). Leonard maakt in zijn bijdrage aan het boek van Attridge wel het onderscheid tussen deze fenomenen, maar hij gebruikt helaas niet deze terminologie. Hij omschrijft wat hij (mijns inziens niet geheel terecht) noemt “one of Joyce’s great achievements” (dat kunstje had Joyce af kunnen kijken van Flaubert onder anderen) als volgt: “an ‘objective’ narrative that, at the same time, appears unable to exceed the character’s perspective.” (Leonard, 96)


Literatuur

Boven, Erica van, and Gillis Dorleijn. Literair Mechaniek: Inleiding tot de Analyse van Verhalen en Gedichten. 1999. Coutinho, 2013.

Gray, Wallace. “James Joyce’s Dubliners: An Introduction.” World Wide Dubliners.

Joyce, James. “The Dead.” Dubliners, with an introduction and notes by Terence Brown. 1992. Penguin Books, 2000, pp. 175-225.


Leonard, Garry. “Dubliners.” The Cambridge Companion to Joyce, edited by Derrek Attridge, Cambridge UP, 2004, pp. 87-102. CambridgeCore.

woensdag, januari 31, 2018

Klont Klont Klont. I refer to my former statement: Klont, Klont, Klont.

En dan lees ik (in De groene Amsterdammer) dit:
Niet voor niets gaf journalist Brad Stone zijn boek over Amazon de titel The Everything Store.
En dan denk ik (om zeven uur 's avonds was dat) na over een Nederlandse vertaling van die titel, en dan kom ik op: De winkel van SinkelWant de wervende tekst daarvan was toch: 'In de winkel van Sinkel is alles te koop!'?

Wat is er tussen Sinkel en Bezos in godsnaam gebeurd, of hoe heet dat: misgegaan? Echt niet alleen maar: 'L'irrationnel, la nostalgie humaine et l'absurde qui surgit de leur tête-à-tête'...

Steeds weer denk ik: lees Klont! Lees nou toch eindelijk eens Klont!!

woensdag, januari 24, 2018

De kracht van tekst

De film Three Billboards Outside Ebbing, Missouri (zie hier een klein stukje) is in essentie een ouderwets harde, Amerikaanse rot-film, met enorm veel aandacht en respect voor de claim op het stupide 'recht' van de eigenzinnige behartiging van de belangen van de egocentrische eenling (vaak romantisch aangeduid als 'the lone wolf'), respect ook voor en verering van het persoonlijk recht op geweldsuitoefening (wat in andere, beschaafdere culturen dan die door Hollywood worden uitgedragen, doorgaans depreciërend wordt aangeduid als: eigenrichting), en dus voor het schijnbaar onbetwistbare recht om over vuur- en andere moordwapens te beschikken en die, of bij gebrek daaraan de harde barre vuisten en wat dies meer zij, ook te gebruiken, 'till death do us part'.

In zekere zin is het een old-school western, dus. Maar ja, 2018 is niet old, maar new en now, en het Wilde Westen is thans in principe volkomen gedomesticeerd, zelfs in Trumpania, en ook daar ligt Missouri niet echt in het westen. Maar in films kan alles, kan alles anders.

Three Billboards Outside Ebbing, Missouri is dus gelukkig nog veel meer dan dat wat ik hierboven erover scheef. De film is onder meer: erg grappig; heel erg aangrijpend, zowel emotioneel als ethisch; en heel erg je-steeds-weer-op-het-verkeerde-been-zettend (terzijde: ik beleefde er erg veel genoegen aan dat ik door het masker van het aanvankelijk uiterst rotte personage van sheriff Willoughby - een van de grote (actantiële) vijanden van de tragische heldin Midred Hayes - steeds maar die oer-sullige kop schemeren zag van Woody uit de tv-serie Cheers).

Mooi is dat de tragedie - want dat is het, western-gewijs, ook - in gang wordt gezet door die drie gigantische billboards, waarop de getraumatiseerde Mildred krachtige teksten aanbrengt, die de lokale gemeenschap tot in haar voegen in beroering brengen. Eindelijk.

Mooi is ook dat the root of all evil - namelijk de ontwrichtende kracht van de woede - aan het licht wordt gebracht door een van de meest stupide bordkartonnen domme blondjes die er ooit op het celluloid zijn verschenen, namelijk het dierentuinmeisje met wie de gewelddadige ex van Mildred aan de haal is gegaan. Dat stereotiepe dierentuinmeisje (dat inmiddels niet meer in de dierentuin werkt, maar met rijpaarden voor gehandicapten) zegt: 'Anger just begets greater anger'. Niemand gelooft dat zij tot zo'n intellectuele prestatie in staat is, dat ze het werkwoord 'to beget' kent, laat staan dat ze het gebruikt; ze geeft ruiterlijk maar onwetend toe dat het geen wijsheid van haarzelf is; ze had het gelezen; in een boek; nou ja: op een bladwijzer in een boek.

Mooi ook is dat een positievere versie van haar boodschap door sheriff Willoughly wordt verwoord in de afscheidsbrieven die hij achterlaat voor verschillende personages, brieven die in voice-over worden voorgelezen.

Zo bezien draait de film om het conflict tussen primaire, onbezonnen onderbuiks-emotionele hardvochtigheid en secundaire, weloverwogen, in taal gevatte morele liefdadigheid.

Ja, zo soft is deze onbeschoft harde film.


P.S. 26-01-2018
In de film zit een snerpende tandarts-scène, uitmondend in geweld en weer een triomf van Mildred. Die scène deed mij onmiddellijk denken aan de vader aller tandartsscènes, namelijk die in de paranoia-thriller  Marathon Man (1976). Daar denk ik wel vaker aan, als ik een tandarts zie in een film (niet in het echt; de mijne heet gewoon Bart).

Er zit een tand los in Mildreds onderkaak (ik weet even niet meer waardoor) en ze bezoekt een een uiterst onappetijtelijk vette smoelsmid, net zo'n gruwel als de priester en andere dorpelingen van Ebbing die tegen haar gekant zijn. De witgejaste bullebak stelt, als Mildred zegt dat er een tand erg wiebelt, zonder meer: 'Die moet eruit.' En pakt een boor. Mildred vraagt of hij niet eerst even moet kijken wat er loos is. De slachter werpt een blik van een kwartseconde en zegt: 'Die moet eruit.' En komt weer op de proppen met zijn boor. 'Zou je me niet even verdoven?' vraagt Mildred, die misschien Marathon Man ook gezien heeft. De slager verdooft haar onderkaak. (de eerste spanning lost gelukkig op). En pakt wederom zijn boor...

Hoe het dan verdergaat, moet je zelf maar bekijken in de bios. Maar wat ik niet snap: hoe kan je nou een tand trekken met een boor?

Ik zou zeggen: niet, dus. Dat doe je met een tangetje. Maar een tangetje, daar kan je geen geweld me uitoefenen. Hup, die boor erin. Gat, bloed, pijn!