Mijn moeder ging – hoefde ook – nooit mee. Ik vond dat niet erg, en het leek me heel prettig voor haar, maar achteraf realiseerde ik me dat mede daardoor het concept van onze familiale kerkgang nooit een heldere plek in mijn kinderbrein wist te verwerven. Dat we vooral gingen omdat pa, baas van een christelijke onderwijsinstelling ter plaatse met een welgekozen bijbels naam, regelmatig in de buurt van de kansel gesignaleerd moest kunnen worden door collega’s en wijkgenoten, werd me op den duur pas duidelijk.
De dominees woonden bij ons in de straat. Nou ja: wij op het plein en zij in de straat; eerst de ene, die wij (de zonen, bedoel ik weer) ‘oom Ab’ noemden, want hij was de vader van mijn beste vriendje en van de beste vriend van een van mijn broers; hun achtertuin was ons aller paradijs: een grote, schier pre-genesisiale chaos van klimbomen, verstopstruiken, zandbakken, aangrenzende pruimenbomen (vol verboden – want: van de buren! – vruchten, die we ons goed lieten smaken door af en toe doelgericht een bal over de heining te rammen), een houten klimrek en een ondergrondse, donkere grot, door de grote broers zelf gegraven; ik denk dat oom Ab er ook met genoegen vuile handen mee heeft gemaakt.
Na hem kwam er een andere dominee, een spiedende havik met een reuzin van een eega en een kunstgebit dat een keer in de Boskapel dienst weigerde en poogde het ruime sop van het bos te verkiezen boven de benauwde christelijke spraakveste; ook dat was lachen. Dat die nieuwe voorganger niet gewoon naar onze gemeente ‘kwam’ maar er werd ‘beroepen’ was weer zo’n religie-gerelateerde afwijking van de standaardtaal waar ik destijds geen touw aan vast kon knopen. Verwarrend was ook dat we niet gewoon christelijk of protestants of gereformeerd waren maar hervormd terwijl onze kerk de ‘Oude kerk’ heette. Hoe hervormd kan je daarin dan zijn?
Die lieden zeiden domweg nooit iets gewoon, laat staan begrijpelijk, behalve oom Ab, vredesduif in zwarte toga, die heel verhelderend de Heilige Geest een keer concreet maakte door Keuls water vanaf de kansel te sprenkelen over de daaronder bijeengeroepen jeugd. Dat de professionals van de religie niet gewoon konden praten, was me al wel eerder duidelijk geworden, want toen ik nog kleiner was en soms in het verre Rotterdam ging logeren bij mijn grootouders – pa bracht me met zijn eerste Volkswagen Kever, ik weet het kenteken nog – las opa steevast na het avondmaal voor uit de bijbel, ik kan beter zeggen: uit den Bijbel, want het was een Statenvertaling, een foliant die in mijn beeldvorming nog met een degelpers gedrukt moest zijn, zoo authentiek was die kolos, een bakbeest met glossen, glossen bij de vleet die tegen de randen van de bladzijden klotsten en Gods eigen woord haast marginaliseerden, metaforisch gesproken, want het bleef natuurlijk onwrikbaar in het centrum van de zetspiegel staan.
Tijdens mijn studie heb ik lang en grondig gebruik gemaakt van opa’s loodzware Heilige Schrift-uitgave bij het doorvorsen van verplichte werken van Achterberg, Biesheuvel, Gossaert, ’t Hart, Wolkers, en oh ja: Gerhardt, want aan autrices deden ze toen nog niet zo veel. Eenmaal het diploma op zak, toen de computer, het internet en de tekstdigitalisering een steeds hogere vlucht namen, heb ik het lijvige boekwerk (het boekblok kwam inmiddels langzaam maar onomkeerbaar los van de band) aan iemand verkocht, geschonken of ergens gedumpt, maar nooit meer hoeven meeverhuizen naar een volgend onderkomen.
Opa las niet alleen voor uit de bijbel (elke dag een stukje), maar bad ook altijd voor en na de maaltijd, hardop (thuis mocht ieder in stilte z’n eigen gang gaan; het was wel steeds weer een gokje wanneer het genoeg was geweest). Het ‘Onze Vader’ was stevig geprioriteerd in opa’s repertoire; hij bracht het langzamer dan wij ons raffelige ‘He zee dee zpij zame’ maar ging des niet tegenstaande goeddeels langs mij heen, voornamelijk ten gevolge van de merkwaardige woordenschat c.q. de morfologische abberaties der tale des geloofs. Thuis heette pa ‘pa’ en niet ‘V/vader’, laat staan dat we daar ‘onze’ voor plakten in standaardconversaties over dagelijkse ditten en datten.
‘Hemelen’ was ook zo iets geks. Waarom niet ‘hemels’ àls je er al een meervoud van zou willen maken. Wij niet, want wij zagen echt en iedere dag opnieuw maar één enkele, enorm indrukwekkende, wijd en weids uitgespreide hemeltent die (Soesterberg was nabij) met geen van de dagelijks overvliegende Starfighters ten einde toe te doorkruisen en zelfs niet volledig te verkennen was met spaarzamer vanuit het toen nog niet evident perfide Amerika gelanceerde Apollo-raketten. Van zo iets groots kon er onzes inziens überhaupt (een woord dat ik had geleerd van een van mijn twee oudste broederen, geen tweeling, van wie de ander nota bene aan zweefvliegen deed) niet meer dan slechts één bestaan.
Maar nee hoor, opa dreunde het gebed uit zijn hoofd luidop, luidkeels op met bijzonder nadrukkelijke accenten: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt’. Hemelen, galmde het na terwijl ik, weer thuis, in de namiddag verzonken was in de avonturen van iemand die op zoek was naar de weg naar Hamelen; dat ging erin als gesneden koek.
‘Zijt’, nog zo’n gekkigheid. Uit balorigheid hebben Henkie (een ander vriendje) en ik voor, tijdens en na de wekelijkse catechisatie (ook zo iets) – voor zo lang we er geduld werden door de zieleherder met dat gebit – heel wat ge-‘zijt’ in onze gesprekken; je moet je zo’n woord immers eigen proberen te maken. Dit speelt al voor de V.P.R.O. z’n puntjes verloor.
Ik heb er nooit een punt van gemaakt dat ik het regelmatig ook in de kerk herhaalde gebed niet helemaal begreep. Of misschien begreep ik het al wel, maar wat ik begreep leek er niet goed te staan. Om ermee uit de voeten te kunnen, knipte ik eruit wat ik wel snapte: ‘onze | vader | in de | hemel | uw | naam | uw koninkrijk’. Dat hielp, een beetje. Pas tijdens mijn studie Nederlandse taal- en letterkunde werd ik ondergedompeld in Nederlandstalige teksten van allerlei datum en herkomst en raakte zelfs de aanvoegdende wijs in mijn taalschatkist verzeild (Brouwers: ‘Kome er: Vuilnis, Kome: Lelijkheid!’), net als de alternatieve meervoudsvormen; sterker nog: daardoor ging ik in het actuele Nederlands van alle dag de verloren gegane naamvallen missen omdat ik in ging zien dat ze de grammaticale structuur van een zin zo mooi toe kunnen lichten, aanschijnen, markeren. Op de middelbare school hadden die dingen me in diverse talen alleen maar danig in de weg gezeten. Zoals ik pas ná de lagere school inzag hoe belangrijk handschrift is, onderkende ik pas tijdens mijn studie hoe rijk zo’n gymnasium kan zijn.
Een van de wonderlijkste vakken van mijn opleiding was: Gotisch. Eindelijk aan de dode talen van het gymnasium ontkomen in de veilige haven van het Nederlands, kreeg ik er nog eentje voor mijn keizen waar ik zelfs nog niet van gehoord had. We (we waren met ruim 250 personen met de studie gestart) werden in een vrij korte cursus doorkneed in de beginselen van die taal door de heer Knuth, die tegelijk ernstig was en olijk. Alles kwam voor mij bijeen toen we, reeds bekend met de meeste letters van het Gotische alfabet, ons mochten verdiepen in een tekst waarvan ik me de eerste regel als volgt herinner:
Atta unsar þu in himinam
De vertaling was, geloof ik, iets als: ‘Vader van ons[,] jij in de hemel’. Dat ‘jij’ klonk me wat onbeleefd in de oren; misschien moest het ‘gij’ zijn. Hoe dan ook wordt er iemand, grammaticaal bezien een tweede persoon enkelvoud, aangesproken (hij zegt niets terug) door een groep of door een persoon namens die groep in wat grammatical een eerste persoon meervoud is, zoals nu nog steeds in het ‘Onze Vader’. Dat ‘onze’ is eigenlijk best wel gezellig en informeel. Dan kan dat ‘þu’ toch wel ‘jij’ zijn. Als ik verder spiek in de Gothische tekst zie ik ook nog ‘thein’ en ‘theins’, tweemaal ‘jouw’, terwijl ons ‘Onze Vader’ het heeft over ‘Uw’ (namelijk: naam en koninkrijk).
Wat ik van het huidige ‘Onze Vader’ nog steeds niet begrijp, is waarom er ‘zijt’ wordt gezegd, en niet ‘bent’ (een probleem waar de Gotische vertaling listig omheen zeilt). Wanneer je iemand met ‘gij’ aanspreekt, gebruik je, zo heb ik geleerd en gelezen, de daarbij behorende beleefdheidsvorm ‘zijt’ (vergelijk in het Duits: ‘Sie sind’ naast ‘du bist’). Ligt het niet meer voor de hand om te bidden: ‘Onze vader, die in de hemelen bent, / Uw naam worde geheiligd’ et cetera?


Geen opmerkingen:
Een reactie posten