donderdag, januari 15, 2026

De mislukking

Of het verstandig is, weet ik niet, maar op 13 januari 2026 kocht ik deel I van de biografie van Willem Frederik Hermans, Willem Otterspeers De mislukkingskunstenaar (De Bezige Bij 2013), over de jaren 1921-1952.

In de kasten met tweedehands boeken op de eerste verdieping van boekhandel Het colofon hier in Arnhem was ik op zoek naar iets anders, een willekeurige roman van Dola de Jong. Mirjam van Hengels schitterende biografie Dola (De Bezige Bij 2022) had ik net uit en een plek gegeven op de biografieënplank van mijn huisbieb, vlak naast haar Ganzentijd (De bezige Bij 2025) al is dat niet echt een biografie en zeker geen schrijversbiografie. Haar Campert-bio, Een knipperend ogenblik (De Bezige Bij 2018), las ik, zij het niet helemaal, digitaal, dus die laat zich niet op een echte plank zetten, hoewel een plek op de figuurlijke bovenste zeer verdiend zou zijn; jammer dat ik in mijn boekenkasten slechts één letterlijke plank met ruimte voor bio’s heb. Of beter: had. Die plank is bomvol, onder meer doordat daar al jaren het dikke maar ongelezen deel II van de Hermans-biografie staat, De zanger van de wrok (De Bezige Bij 2015), over de jaren 1953-1995. Ik ga toch zeker niet het tweede deel van een biografie lezen zonder het eerste ervan te kennen. Vandaar mijn vertraagde maar toch nog impulsieve aanschaf eerder deze maand.

Andersom lukt wèl. Ik bedoel: na het eerste deel van de biografie van Van Deyssel, Harry Pricks In de zekerheid van eigen heerlijkheid (Querido 1997, 1080 bladzijden), was ik echt niet meer in staat het tweede zelfs maar te lenen of aan te schaffen, laat staan open te slaan en te lezen. De twee delen van de Van Eeden-biografie van Jan Fontijn daarentegen (Tweespalt en Trots verbrijzeld, Querido 1990 resp. 1996, samen een schamele 1265 bladzijden) las ik beide en nog in de juiste volgorde ook (steeds gekker).

Het tweede deel van het WFH-biodiptiek had ik ooit in een opwelling voor een appel gekocht, en zie: nu heb ik eindelijk het eerste deel erbij, voor een ei. Het geheel is formeel zoals dat heet: tweedehands, maar in feite spiksplinternieuw en ongelezen; de leeslinten lagen bij aanschaf nog in haastige boekbindersplooien vanuit het midden van de rug tussen omslag en schutblad gefrommeld. En daar zat ik dan, met (862+1150=) 2012 bladzijden biografie van een notoire brompot, geschreven door iemand van wie ik nou niet direct denk dat-i er een veel opgewekter humeur op nahoudt. Maar ja, Hermans, hè, een van De-Grote-Drie, hè... zeggen de tot in hun literair-historische typeringen diep-christelijke literatuurders. Van geen van de andere drie à vier Grote-Drieërs – Claus, Mulisch, Reve, Wolkers – las ik de biografie, trouwens. Dus: exit die smoes-motivatie voor het lezen van dat soort studies; er is waarschijnlijk wel sprake van een zekere vorm van professional peer pressure. Misschien overheerst in dit geval een milde vorm van sensatiezucht. WFH was immers een raspolemist en beroepsschoffeerder. Wat voor een karakter kan daaraan ten grondslag hebben gelegen?

Opmerkelijk aan deel I is dat de pagina’s 785 tot en met 836 vol staan met noten, met 1137 noten, wat neerkomt op 1,4 noot per pagina van slechts een half levensverhaal dat 31 jaar beslaat. In de bio van Dola de Jong plaatst Van Hengel in minder dan 280 bladzijden tekst geen enkele noot, het andere uiterste; wel staat achterin een algemene verantwoording van de bronnen van het gehele levensverhaal. Een getalsmatige vergelijking van de hele bio van Hermans, die 75 jaar werd, met die van Dola, die all in 304 bladzijden telt, en over maar liefst 92 levensjaren handelt, leert dat WFH gemiddeld ruim 27 pagina’s beschrijving per geleefd jaar krijgt en Dola maar 3,3 bladzij.

Het verschil in biografische aanpak tussen beide werken moge onder meer blijken uit de enige referentie aan Dola de Jong die er in De mislukkingskunstenaar te vinden is (pagina 591):

Hermans bracht ook bezoeken aan Leo Vroman en de schrijfster Dola de Jong. Beide waren niet echt een succes, het eerste omdat hij het echtpaar Vroman onnavoelbaar excentriek vond, het tweede omdat de vertaling van het verhaal ‘Paranoia’ die De Jong hem in het vooruitzicht had gesteld niet doorging. En toen zat zijn bezoek aan New York er alweer op [...].

Het moet gezegd dat de bio van Dola niet voorzien is van een personenregister en die van Hermans wel (p. 839-875; Aya Zikken en Andreas Burnier, zo blijkt daaruit, heeft Hermans voor 1953 niet ontmoet; maar dit ter zijde). Ook moet gezegd dat ik een register bij het lezen van Dola geen seconde gemist heb; dat boek positioneert zich dan ook een beetje excentrisch in het genre. Maar zodra er een ander persoon in ter sprake komt, krijgt die doorgaans wel enige context. Otterspeer schrijft over Dola de Jong niets anders dan dat zij een schrijfster zou zijn en voornemens was een verhaal van Hermans te vertalen. Dat zij inmiddels Amerikaans staatsburger was, een deels Nederlands-, deels Engelstalig oeuvre op haar naam had staan, en dat zij allerlei activiteiten ontplooide om de literaire uitwisseling tussen Amerika en Nederland na de oorlog aan te zwengelen dan wel gaande te houden, geen woord erover van Otterspeer. Hermans had in New York net zo goed bij ene Richard Simmillion op bezoek kunnen zijn gegaan.

Een of ander neemt niet weg dat ook Otterspeer, met al zijn noten en het personenregister en de verantwoording en de inleiding over de (of deze) biografie onmiskenbaar een persoonlijke visie op het leven en karakter van Hermans neerzet, niet alleen een feitelijk relaas. Heel het boek is erop (in)gericht om aan te tonen dat Otterspeer gelijk heeft met zijn typering van de schrijver als een mislukkingskunstenaar; de biograaf noemt zijn biografie dan ook terecht zelf ‘een monomaan boek’; misschien is ‘manisch’ ook een passend attribuut.

Dat een schrijversbiograaf het literaire oeuvre van de betreffende auteur niet kan negeren, lijkt me op z’n zachtst gezegd evident. Maar de wijze van omgaan met dat werk staat naar mijn inzien nog wel ter discussie. Otterspeer springt heel erg luchthartig om met Hermans’ werk als materiaal voor zijn biografie:

Pa Hermans moet menigmaal met fierheid verhaald hebben van het geschiedenisonderwijs dat hij van [Joh. H.] Been genoot. Althans, de vader van Richard Simmillion deed dat [...].

Richard Simmillion, voor alle duidelijkheid zeg ik het er nu even bij, is de verteller en hoofdpersoon van Hermans’ naar hem genoemde, postuum uitgegeven onvoltooide autobiografische roman (2005), van een werk van fictie dus. Simmillions vader was inderdaad niet de bedoelde Johan Hermans. Van enig ‘moeten’ kan hier dus geen sprake zijn. Toch is dat een werkwoord dat Otterspeer hier maar ook elders inzet om een veronderstelling om te buigen naar een feitelijk gegeven, ook als er geen bron voor lijkt te zijn: 

Zij [Johan Hermans’ aanstaande vrouw, Rika Eggelte] moet hem bij die gelegenheid [hun verloving in 1911] een zilveren houder voor luciferdoosjes geschonken hebben, uitgevoerd in de stijl van de Wiener Secession waarop haar zoon later zo dol zou zijn.

Zo staat het er, met weer een dwingende ‘moet’, op pagina 45. De lezer heeft nog zo’n 740 bladzijden en 41 jaar van Hermans’ leven de ruimte om uit te zien naar de tijd waarin de zoon metterdaad dol blijkt te zijn op deze zilveren houder voor luciferdoosjes, uitgevoerd in de stijl van de Wiener Secession; er is geen zakenregister aanwezig. Het zilveren ding blijkt genoemd te worden ‘in een mooi melancholisch verhaal’ (wellicht een knipoog naar de welgeïnformeerde Hermans-kenner).

Gegevens over de moeder van de schrijver, en over haar naaimachine, ontleent de biograaf, zo blijkt uit noot 46, botweg aan de verhalenbundel De laatste roker. Netjes, die noot, met daarin de drie paginanummers waar de betreffende citaten te vinden zijn. Maar zou, vergelijkenderwijs, Wim Hazeu als biograaf van Gerrit Achterberg aan het gedicht ‘Beau lieu’ in Spel van de wilde jacht ontleend mogen hebben dat het witte kasteel van de baron Van Lynden van Sandenburg een balkon en regenpijpen had, of moest hij daarvoor toch echt even een reëel ommetje maken naar het landgoed aan de Langbroekerwetering waar de dichter in 1905 in de koetsierswoning achter de oranjerie geboren werd?

We zien hier bovendien hoe diep Otterspeer in de familiaire buidel tast in een bizarre poging om het leven van de schrijver te beschrijven, beuzelachtige veronderstelde feitjes over diens fictieve vader en reële moeder daarbij niet uit de weg gaand, gegevens van vergelijkbaar biografisch belang als het loze onderhoud dat Hermans in New York had met de Vromannetjes en met De Jong anno 1948.

Dat Otterspeer in deel een van zijn verhaal een dikke duizend keer naar een bron verwijst, maakt wat mij betreft zijn betoog niet betrouwbaarder, zeker niet waar hij verwijst naar materiaal uit het Hermans-archief, want dat is voor de gewone mens vooralsnog onbereikbaar opgeslagen in het Literatuurmuseum. En dan nog, we mogen er toch op vertrouwen dat een biograaf correct citeert? Het probleem zit niet in de citaten, maar in de wijze waarop de biograaf ze inzet. 

Otterspeer gaat met zijn feiten en Hermans’ teksten om als waren het gedresseerde zeehondjes. Twee bladzijden na de passage over de vertaling van ‘Paranoia’ die niet gemaakt werd door Dola de Jong, noteert hij (en ik schenk de lezer even de precieze context):

‘Hundertwasser’ is geen Simmillion-verhaal, het is niet autobiografisch. En zelfs met autobiografie moet een biograaf op zijn hoede zijn. Toch moet er iets dergelijks gebeurd zijn.

Met ‘toch’ denkt de biograaf het gat tussen een en ander, tussen feit en fictie te lappen. Het ‘moet’ volgens hem zo zijn. En na nog een zin begint hij de erop volgende alinea doodleuk met: ‘Hoe het ook zij, [...].’

Wie es eigentlich gewesen, dat te achterhalen, is toch precies een belangrijk deel van de opdracht van de biograaf? De stoplap, ontleend aan de spreektaal, wordt hier ingezet als een amateur-postmodern anything goes dat een biograaf mijns inziens niet voegt. ‘Mijn moeder heeft al haar kasten op slot’, citeert de biograaf op pagina 66 schijnbaar de auteur, maar de dienstdoende noot verwijst naar een (personage in een) roman als bron, Ik heb altijd gelijk. Ja, ja.

‘Als alles wat hij in ‘‘Elektrotherapie’’ schrijft teruggaat op geleefde werkelijkheid, bouwde hij [...] een ultrakortegolfzender’, noteert de biograaf op pagina 71 over de tienjarige WFH, om vervolgens een anekdote op te dissen over ene Ronald, inclusief een verwijzing naar het notenapparaat naar een bron, namelijk het verhaal ‘Elektrotherapie’. Kennelijk is aan de voorwaarde die genoemd werd in de bijzin zonder meer voldaan, zonder er een woord aan vuil te maken dat een literair verhaal van Hermans wel iets anders is dan het leven van Wim. Verder lijkt de biograaf Hermans ook op zijn woord te geloven wanneer hij later, in zijn volwassen leven van gevierd schrijver herinneringen ophaalt aan zijn jeugd in interviews en memoireachtige geschriften. Zo, zo.

Aldus ontstaat, met alle dank aan de zichzelf beschrijvende beschrevene zelf, het aandoenlijke beeld van een geïsoleerd en geniaal kind dat door de wereld om hem heen niet begrepen werd maar omgekeerd de wereld van de grote mensen om zich heen ook niet begreep (intelligent maar niet verstandig, meen ik dat de biograaf hem ergens typeert). Op zich niets bijzonders, lijkt mij. De vraag blijft onbeantwoord hoe het kon zijn dat zo’n jeugd in dit geval tot een volgens velen groot schrijverschap heeft geleid, althans een ontwikkeling in die richting niet in de weg heeft gestaan. De biograaf had er wellicht goed aan gedaan wat rond te lezen in Het drama van het begaafde kind van Alice Miller, een boek waar Van Hengel aan refereert in Dola. Van Hengel komt erdoor tot een griezelig goed beeld van de blokkades die De Jongs schrijverschap mede typeren. Otterspeer komt op eigen houtje niet verder dan Hermans’ amateur-psychologische privé-ideeën en z’n eigen biografologische inzichten in de menselijke geest, die blijkens een olijk ‘Er is weinig psychologisch inzicht voor nodig [...]’ (p. 50) niet al te diep steken.

Ik maak even kortsluiting en meld dat er in mijn achterhoofd iets bleef zeuren over gedoe met de Hermansbiografie (vandaar ook mijn referentie aan het veronderstelde humeur van de biograaf en aan mijn twijfel of de aanschaf van De mislukkingskunstenaar een goede zet was, zeker gelet op mijn jarenlange onwilligheid om om in het tweede deel van de biografie een blik te werpen). Mijn geheugen werd danig opgefrist toen ik, aanbeland op pagina 72, toch maar eens wat recensies ging zoeken. Eén volstond. Deze. Blijkt dat ik, toen ik het begon te tikken, intuïtief meteen een goede titel boven dit bericht had geplaatst.

Of ik de lezer hierna nog lastig val met mijn aantekeningen bij mijn verdere lectuur, zo het daar nog van mocht komen, staat nog te bezien.

Appendix
Het opdissen van literaire citaten als biografisch feitenmateriaal houdt de biograaf krachtdadig vol. Braaf geeft hij er vaak een noot bij of een verzamelnoot (één noot voor een cluster van citaten) met een bronvermelding als: ‘‘‘Een toerist’’, p. 30-31.’ Waar die toerist te vinden is, mag de lezer zelf uitpluizen: van de gehele bron geeft de biograaf alleen de informatie bij eerste vermelding ervan. Pech voor mij dat ik pas bij noot 168 een verwijzing naar ‘Een toerist’ vond; mag ik heel die notenbrij terug gaan lepelen op zoek naar die ene titel.

Resultaat van de zoektocht: ook noot 69 was kennelijk niet de eerste vermelding, jammer joh; noot 66 evenmin, want ook daar staat alleen maar: ‘Een toerist’ plus paginanummer. Eerdere noten die naar deze bron verwijzen, zijn er niet; ik heb de eerste 65 noten er nogmaals op nagezocht. In een geheel ander, digitaal, werk vond ik mijn vermoeden bevestigd: het betreffende verhaal er een dat is opgenomen is in de postume literaire uitgave Richard Simmillion.

Toeval bestaat niet: ik zoek iets feitelijks op in de biografie betreffende de biografie en de biografie is niet informatief. Los daarvan is het eindeloze gebabbel van de biograaf over WFH’s leraren op het Barlaeus van een bedroevend oudehoerderig niveau en dan ook nog goeddeels gebaseerd op de langetenig gekrenkte en in literatuur omgesmede vertekende herinneringen van de grote Een-van-de-Drie, die bij voorbeeld zijn lerares Grieks niet beter weet te typeren dan als ‘[e]en soort manwijf met een baard en een zware stem’, een typering die de biograaf nog wel probeert bij te stellen, want op ‘de foto’ (zo schrijft hij zonder nadere verwijzing naar een bron) is ‘een ‘‘manwijf met een baard’’’ volgens hem niet te zien, maar nochtans ‘zal [zij] wel een stevige dame geweest zijn’ (p. 104). En zo geeft de biograaf mevr. dr. M. J. Baale, volgens Wikipedia ‘de eerste vrouwelijke doctor in de klassieke letteren van Europa’ en ‘een geboren docente’, over het graf van de megalomane schrijver heen nog een venijnige trap na, wellicht in een poging het misogynisme van zijn vereerde object te evenaren. Zou hier meespelen dat onze Wim op zijn eindrapport van de (eerste keer) tweede klas van het gymnasium slechts een 3 had voor Grieks?

Hoe dan ook, zeg ik de hooggeleerde biograaf maar na, de identificatie van de reële persoon W.F. Hermans en willekeurig welk door hem verzonnen literair evenbeeld, zoals Richard Simmillion, neemt groteske vormen aan als de biograaf, zoals op pagina 135, gemakzuchtig noteert: ‘[...], zo realiseerde Wim/Richard zich’.

In mijn optiek is deze hele biografie weinig anders dan oefenmateriaal voor een cursus cursorisch lezen.

woensdag, november 19, 2025

Prijzen winnen

Buwalda brak in 2010 door met zijn debuutroman Bonita Avenue, waar hij verscheidene grote prijzen voor won

Deze (deel)zin las ik vandaag op mijn lijfstek Neerlandistiek.nl in een notitie die mijn aandacht af probeerde te leiden van de met de Prix Goncourt 2024 gelauwerde roman Houris (2024) van Kamel Daoud die ik nu aan het lezen ben, althans de digitale Nederlandse vertaling ervan (en wat deed het me zeer toen ik gisteren in mijn boekenwinkel hier in de provinciehoofdstad aan de Nederrijn het papieren werk zag staan in de originele, zachtgele Gallimard-uitgave en in de oorspronkelijke taal, althans die waarin het is geschreven: dat zou ik toch best hebben kunnen proberen te lezen... als ik niet zo langzaam las, het boek niet zo dik was, mijn pensioen niet eindig, het literaire aanbod niet zo groot...). Deze twee romans zijn onvergelijkbaar; dat weet ik nu al. Maar daar is het me niet om te doen.

Die zin, dus. Nee, ik wil niet stilstaan bij dat ‘doorbreken’, al vraag ik me wel af waar je, zeker als debutant, doorheen breekt; of: op welke hoogte Buwalda is doorgebroken. Boog hij nog goed mee met zijn enkels en knieën en ging het mis bij zijn heupen of brak hij pas ter hoogte van zijn nek door? Hier zal wel bedoeld zijn wat het WNT optekent als ‘doorbreken II’, in de betekenis: ‘1. Eene opening —, een weg breken door.’ Met Bonita Avenue, zo begrijp ik de hoofdzin, brak Buwalda door de figuurlijke muur van het stilzwijgen van de recensenten en/of door het evenmin letterlijke prikkeldraad van de heining om de ongeïnteresseerde lezersmassa.

Buwalda wist met Bonita Avenue de aandacht van veel professionele en koopgrage lezers te trekken. Dat was een grote prestatie, niet in de laatste plaats omdat het hier gaat over een doorbraak van een schrijver met een debuut. Als je even niet oplet, zou je kunnen denken dat de verschijning van een debuut op zichzelf, om niet te zeggen: per se al een doorbraak moet heten, namelijk het slaan van een bres in de verdedigingswal van de verzamelde meesmuilende literaire poortwachters. Doorgaans ploeteren schrijvers zich immers moeizaam een weg langs tijdschrift- en andere redacteuren naar steeds meer sterren en ballen uitdelende recensenten en een langzaam groeiend lezerspubliek, en pas na jaren is er dan opeens de doorbraak naar de erkenning, naar elkaar napratende tv-showpresentatoren en naar hordes  bestsellerlezers. Denk aan the long and winding road to fame van Wessel te Gussinklo. Buwalda legde dat pad met één kleine stap af, en nog wel meteen met zijn allereerste literaire stap. En Buwalda deed meer; nam een enorme sprong vanuit het duister en leverde hoge kwaliteit: zijn debuut werd, met een nuance verschil ten opzichte van de weergave door Neerlandistiek.nl, genomineerd voor verscheidene grote literaire prijzen, en enkele daarvan werden daadwerkelijk aan het boek toegekend. Ik vaar even op het bekende Wikipedia-kompas door de literaire ruimte:

Het boek kreeg nominaties voor de Libris Literatuur Prijs 2011, de NS Publieksprijs 2011 en de 25ste AKO Literatuurprijs voor hetzelfde jaar. Op 22 september 2011 won Buwalda de Academica Debutantenprijs. Op 30 oktober 2011 won hij ook de Selexyz Debuutprijs. Hij won bovendien de Anton Wachter-prijs voor de beste debuutroman in 2012. [mijn koppeltekentje; IdvH; of moet het Anton-Wachterprijs zijn?]

Ik vaar voor alle zekerheid ook nog even via een andere koers:

In 2010 debuteerde hij [d.i. Peter Buwalda] met Bonita Avenue. Met dit eerste boek werd hij genomineerd voor twaalf literaire prijzen waarvan hij er vijf daadwerkelijk won, waaronder de Academica Debutantenprijs, de Selexyz Debuutprijs en de Anton Wachterprijs. 

Voor de echte, heel literaire zwaargewichtklasse van de grote prijzen werd het werk kennelijk uiteindelijk toch nog iets te licht bevonden en bleef de roem beperkt tot de eer van de nominaties, maar de drie debuutprijzen waar dit debuut voor was genomineerd, werden alle drie daadwerkelijk toegekend (andere toegekende prijzen worden gek genoeg niet genoemd). Dat lijkt heel redelijk, en niet minder eervol, rekening houdende met de grote hoeveelheden debuten die er toen al, en nog altijd, vaak zonder enig mededogen van een scherpe bureauredactie, op de markt gesmeten worden.

Het nieuws dat Neerlandistiek.nl trouwens tussen neus en lippen door brengt in de hierboven maar half geciteerde volzin, is: de Academica Debutantenprijs, de Selexyz Debuutprijs en de Anton Wachter Prijs behoren tot de ‘grote [literaire] prijzen’. Ik maakte destijds, in de aanloop naar de uitreiking aan Buwalda, mijn debuut als jurylid van de Academica Debutantenprijs (die eerder en later anders heette en inmiddels ter ziele is), maar heb toen noch later vast kunnen stellen dat dat een ‘grote prijs’ zou zijn, althans gemeten in eenheden voor al dan niet Bourdieueske, literair-sociologische importantie.

Nee, het probleem-van-deze-dag zit in de bijzin. Omgebouwd tot hoofdzin luidt de mededeling:

Buwalda won voor zijn debuutroman Bonita Avenue verscheidene grote prijzen.

Deze bijzin (vastgeknoopt als ze is aan de hoofdzin over Buwalda’s doorbreken) suggereert een persoonlijke en doelgerichte, competitieve inspanning van Buwalda, zij het ook een inspanning met een groter belang dan alleen het eigen belang: hij won die prijzen voor zijn boek. Edelmoedigheid in de letteren: alles voor het boek. Zo kennen we Buwalda: ‘Ik ga die Academica Debutantenprijs voor mijn debuut winnen!’ Maar niet heus.

Ik geloof dat er sprake is van een soort contaminatie: Buwalda won de prijs, met dien verstande dat ze aan hem werd toegekend, iets waar hij niets bijzonders voor kon doen, waar hij niets bijzonders voor zou hebben kunnen doen. Hij kreeg de prijs vanwege zijn prestatie een goed boek geschreven te hebben naar de maatstaven van een jury in een prijzencircus waar nauwelijks regels gelden. Strikt genomen was geen enkele van de toegekende prijzen voor Peter Buwalda; het was zijn boek dat ermee gelauwerd werd, omdat het een uitzonderlijk goed boek was en is. De prijs was voor het boek. Hij won de prijs vanwege het boek. Hij nam de prijs in ontvangst omdat het boek geen handen had voor een boeket, geen portemonnaie voor de poet.

Dat staat er, kennelijk. 

maandag, november 10, 2025

Unruhig wandern, wenn die Blätter treiben (I en II)

I
Samenstellingen vind ik al jaren leuk, zelfs al voor ik me had gerealiseerd dat ‘samenstelling’ zelf een samenstelling is. Zeker bezien in combinaties zijn samenstellingen leuk, zoals het woord voor worst-voor-op-brood en het woord voor worst-gemaakt-van-ossenvlees en dat voor worst-die-gemaakt-is-door-middel-van-roken en dat voor een worstje-dat-kennelijk-geluid-maakt; heel verschillende soorten worst, vreemd genoeg aangeduid met nogal gelijkvormige samenstellingen.


Samenstellingen zijn dus ook moeilijk, of op z’n minst: complex. Toen ik maar heel eventjes met een zoekmachine mijn neus om het hoekje van de taalkunde stak, vond ik een bacheloreindwerkstuk (wat een lelijke samenstelling is dàt) over dit onderwerp waarvan het eerste hoofdstuk ‘Introductie’ heet en de eerste paragraaf van het tweede hoofdstuk van het eerste deel ook ‘Introductie’ heet en de eerste subparagraaf van de tweede paragraaf van het tweede hoofdstuk van het eerste deel ook weer ‘Introductie’ heet. Een onderwerp dat met zo veel glijmiddel wordt aangeboden, moet wel heel erg stroef zijn.

Samenstellingen vormen, anders bekeken, kennelijk een taalkundige ijsbaan waarop je heel gemakkelijk op je bek kan gaan. De paragrafen 2.3.1., 3.1 en 4.1 hebben, dit voor de volledigheid, ook de reeds genoemde titel. Met 35 bladzijden hoofdtekst, waarin 135 analytische voorbeeldconstructies, lijkt me deze deels comparatistische fenomenologie van de Nederlandse samenstelling best wel lang èn grondig voor een doorsnee BA-werkstukje dat anno 2011 maar 7,5 ects waard was, weet ik nog. Ik ga mijn tengels hier dus niet branden aan de vraag of ik hier iets opdis over linkshoofdige dan wel (non-)copulatieve samenstellingen. Leve het pensionaat.

Gelukkig zijn sommige enkelvoudige woorden, laat ik voor het gemak zeggen: monomorfematische nomina, ook heel leuk, en dan in het bijzonder die, waarmee aan een (ontelbare) massa in de werkelijkheid kan worden gerefereerd. Een voorbeeld is ‘blad’, dat, vooral in, maar ook buiten een samenstelling, massaaanduidend kan worden gebruikt. Je kunt immers zeggen dat een boom veel ‘blad’ heeft, of, afhankelijk van het betreffende seizoen, juist dat er veel ‘blad’ op het trottoir ligt. Evenzogoed kan je dan met een ander soort zelfstandig naamwoord spreken van veel ‘bladeren’ of ‘blaadjes’.

Ik moest daar, rustig kuierend, aan denken toen ik, net uit de trein, in T., op weg naar mijn kleinkinderen, een bladkorf op het overigens onbezoedelde trottoir zag staan met een bordje erop dat aangaf dat er alleen ‘blad’ in de korf mocht worden gestort; wellicht stond er toch ‘bladerenin het uitleggende, toelichtende tekstje op het aan de korf bevestigde bordje, maar het verzamelpunt heette welzeker ‘bladkorf’ (de hond was mee, ik had geen hand vrij om er een foto van te maken). Van een ‘bladerenkorf’ kan in doorsnee Nederlands geen sprake zijn, als je het mij vraagt. Wel kennen we, sprak hij familiair, daarin de ‘fietsenstalling’, als we het toch eventjes over trottoirverontreinigingbestrijdingsmiddelen hebben, en niet de ‘fietsstalling’, daarentegen wel de ‘rijwielstalling’ en niet de ‘rijwielenstalling’, volgens mij. Zoals er wel ‘broodbakkers’ zijn, zonder enige concurrentie van ‘brodenbakkers’. Met ‘koekenbakkers’ ligt dat een nuance anders. In tijden van oorlog, waar we bijna weer aan toe zijn, is alles nog weer anders: met een ‘raket’- en een granaatwerper kan een staatsmoordenaar maar één raket respectievelijk granaat per eufemistische worp naar de vijand werpen, tenzij er sprake is van een stalinorgel, terwijl bommenwerpers vrijwel synchroon in één worp tientallen bommen uit kunnen strooien, om, nu de maan weer dóór de bomen kan schijnen, nog een eufemisme te gebruiken; opmerkelijk is dat er ook bommentapijten zijn, maar dat die niet geknoopt of geweven worden. Ook het verschil tussen de vijand en de vijanden verdient taalkundige verdieping; maar ik ben inmiddels al te ver gedwaald van het trottoir met de blaadjes waar het allemaal mee begon.

Het eind van de bladellende is nog niet in zicht. Op de website van de bladkorfaanbiedende instantie van de betreffende gemeente las ik:

Tot en met week 51 kunt u hier [d.i. in de bladkorf op het trottoir] alleen bladeren kwijt die afkomstig zijn van bomen in de openbare ruimte, niet van bomen uit uw eigen tuin.

Hoe te handelen met blad van privébomen dat op straat valt, laat zich niet raden maar wordt overgelaten aan de bladblazende ruimdenkendheid van de brave burger in kwestie. Deze moet overigens wel op zijn of haar of diens hoede zijn, want er staat in vette letters op dezelfde website:

Natte bladeren op straat kunnen glad worden en gevaarlijk zijn.

Opeens werd me duidelijk dat in de etymologische achtergrond van de bladkorf hoogstwaarschijnlijk de muilkorf een grotere rol speelt dan ik tot dan voor mogelijk had gehouden.

II
Omdat er al zo veel onwaarheid in de wereld is en zo weinig toetsing, en ook omdat een mens zich zo maar vergist zou kunnen hebben, en tevens om geen excuses aan te hoeven bieden voor een waarneming die niet gedaan is, heb ik de volgende opadag het ophefveroorzakende bordje toch maar op de gevoelige plaat (of het equivalent daarvan in een slimfoon) vastgelegd (zie bijgaand plaatje). Het object heet daadwerkelijk ‘bladkorf’.

Wat ik nog niet wist, is dat het bordje het Nederlands (voor zover ik het althans ken) ook nog eens verrijkt met een nieuw woord, een samenstelling wederom: ‘bladafval’. Dat betekent niet de rotzooi die, bij voorbeeld door een zware regenbui, van een blad wordt gespoeld en op de grond eronder valt, maar juist de bladeren die, zoals ten gevolge van een herfstig briesje, van een of meer bomen naar en uiteindelijk op het aardoppervlak vallen.

Leuk is, dat er ook rekening is gehouden met laaggeletterde computergebruikers (mensen die niet goed kunnen lezen, maar wel allerlei digitale indexen begrijpen). Zij kunnen onder de klassieke tekst (louter letters) vernemen dat het niet is toegestaan (X) om takjes en takken in de korf te dumpen (want dat zijn geen bladeren, maar de dingen waar voorafgaand aan de herfst de bladeren aan vast zaten), noch om er gras in te lozen (want dat is zelfs nooit aan een boom of struik verbonden geweest), noch om etensresten in de korf te keilen (want idem en dito). De laaggeletterden zijn bevoorrecht met hun instructie, want naaldafval en eikels mogen zij, anders dan anderen, wel (V) in de bladkorf deponeren. Voor hen is een bladkorf een blad-, naald- en eikelkorf. Waar de kastanjes te laten, ligt nog ter discussie in de gemeenteraad.

Geletterden genieten veel aanzien bij de firma Arvi, want zij worden geacht te begrijpen dat de onder de plaatjes staande tekst impliceert dat hier onder ‘bladafval’ alleen wordt verstaan het blad dat buiten een ieders tuin van een niet in iemands tuin staande boom is gevallen. Alleen gemeenteboomblad, dus.

Het percentage PVV-stemmers mag dan schrikbarend hoog zijn in T., verstand van blad, val, mijn en dijn heeft die burgerij daar kennelijk wel, en sommigen, wellicht een meerderheid, daarnaast ook van naalden en eikels.

Deel I van dit bericht kreeg een tweede leven in het digitale vakblad voor Nederlandse-taal- en -letterkundigen, Neerlandistiek.nl.

woensdag, september 24, 2025

Over opgeven

Vertrouw geen blurb. Een waarheid als een koe, waar ik steeds niet aan denk als ik in wezen al over de kooptwijfel heen ben. Leuk onderwerp, dacht ik, toen ik er iets over las in een vooralsnog betrouwbare bron, namelijk Filosofie Magazine. Ik zeg er ‘vooralsnog’ bij, omdat ik het blad nog niet zo lang lees, maar tot nu toe wel met interesse vooraf en tevredenheid na dien.

Waar gaat het over? Over opgeven, beter nog, omdat het misschien verkeerde associaties kan genereren: over het boek van Adam Phillips met de titel On giving up. (Penguin, z.p., 2024, 160 blz.). Ik las een interview met de schrijver, een psychoanalyticus met een ‘omvangrijk oeuvre’ op zijn naam; hij is ook hoofdredacteur van de Penguin Modern Classics-vertalingen van Sigmund Freud. Het interview intrigeerde me en ook de paginagrote foto van Phillips die eraan voorafgaat viel bij mij zeer in de smaak. Daarbij deed de onzichtbare grensovergang tussen filosofie en psychoanalyse ook een duit in het zakje; die gaf wellicht de doorslag: spoorslags toog ik naar de webwinkel.

En als dan pontificaal op het omslag John Gray wordt geciteerd: ‘The best living essayist writing in English’, dan wordt zelfs post factum mijn koop- en aansluitende leesdrift bepaald niet getemperd maar aangewakkerd.

Ik had kritischer kunnen zijn en beter mijn zout op de aanwezige slakken moeten strooien: Gray noemt Phillips niet The best essayist’. Nee, Phillips zou alleen uitsteken boven het maaiveld van de levende essayisten en, tweede inperking, boven het maaiveld van de in het Engels schrijvende essayisten. Het barst naast hem wellicht van de even goede en betere doch dode essayisten, om nog maar te zwijgen van de levende en dode anders dan Engelstalige essayisten. Het essay is, nota bene, uitgevonden door een inmiddels bijzonder dode, buitendien Franstalige denker. Ik had op mijn hoede moeten zijn.

Onder het citaat van Gray staat er nog een, van John Banville: ‘One of the best prose stylists in the language’. Een flutblurb van jewelste bij nader inzien en als je het mij vraagt omdat Banville niet aangeeft om welke taal het gaat (grapje) en omdat hij het alleen maar heeft over de stijl en niet over de tekstsoort en daardoor niets zegt over de inhoud. Hetzelfde had hij kunnen zeggen over noem maar welke gothic novelist dan ook en ik had mijn digitale pensioen- en AOW-pegeltjes diep in mijn portemonnaie laten gedijen. Wel eerlijk is het van Banville dat hij niet zo overdrijft als Gray; Phillips zou maar ‘een van de beste’ zijn, waarmee hij duidelijk heeft aangegeven dat er volgens hem nog veel meer beste stilisten in de (betreffende) taal zijn.

Een andere alarmbel had af moeten gaan bij het lezen van het eerste van de vier motto’s die voorafgaan aan de eigenlijke tekst; dat eerste motto begint zo: ‘Another way of saying this would be’. Nog voor het boek begonnen is, nog voor er iets gezegd is, wordt er al een andere manier geopperd om hetzelfde te zeggen. Hoe kon ik weten dat Phillips inderdaad ongeveer niets van wat hij heeft te zeggen in één keer in de juiste vorm weet te gieten.

Hoe groot mijn belangstelling voor het onderwerp ook is, hoe warm en kruidig het als een amuse gueule  in het interview ook werd opgediend, na 26% van het boek gelezen te hebben, heb ik de hoop opgegeven om ooit tot het einde ervan te geraken. De stijl van Phillips is onverdraaglijk. Zodra hij aan een zin begonnen is, onderbreekt hij zichzelf door er een betrekkelijk zinledige parenthese in te weven, een flodderige onderbreking van de zin in de vorm van een tussen komma’s, streepjes of haakjes genoteerde oprisping. Inderdaad: drie notatiewijzen voor een en hetzelfde soort zins- en betoogdraadontwrichting.

Een tweede stilistisch manco, dat doorzeurt tot in de betoogtrant, is het onophoudelijke ge-‘or’. Het lijkt in eerste instantie of Phillips zich voorzichtig zoekend en heel genuanceerd probeert uit te drukken, iets wat in een essay best goed kan, al denk ik met angst en vrees terug aan mijn lectuur van Menno ter Braaks oeverloze schuchterheid, die hem noopte tot het tussen aanhalingstekens zetten van ongeveer ieder begrip waar hij gebruik van probeerde te maken. Ook Phillips lijkt maar niet tot stevige uitspraken te durven komen en weigert mij als lezer bij de hand te nemen en vastberaden door de materie te leiden naar de panoramapositie waar hij met mij uit wenst te komen.

Tijdens het lezen van On giving up was ik niet onmiddellijk begonnen met het markeren van stijlkreukels, maar op een gegeven moment merkte ik dat ik mijn hoofd niet bij het betoog kon houden en begon ik te vrezen dat er minder betoog was dan er zijpaden om, langs en onder het betoog heen werden bewandeld. Het duurde niet lang eer ik de regelmaat zag: primo de afleidende oprispingen, secundo de ‘or’-brokjes en ‘and’-klontjes met een herhalings-, om niet te zeggen: stottereffect.

Na 26% las ik de eerste pagina maar eens opnieuw. Hoe welwillend had ik die bij de eerste leesgang kennelijk gelezen. Ik schrok de tweede keer: zo graag wilde ik mijn veronderstelling nou ook weer niet ondersteund zien. Ik citeer de eerste zin van de ‘Prologue’:

When people say, in the ordinary way of things, that they are giving up, they are usually referring to something like smoking, or alcohol, or chocolate, or any of the other anaesthetic pleasures of everyday life; they are not, on the whole, talking about suicide (though people do tend to want to give up only their supposedly self-harming habits).

De stoorzenders zal ik hieronder markeren (helaas ontbreekt het me aan typografische techniek om een analyse weer te geven zoals Richard Lanham doet in Analyzing Prose):

When people say, in the ordinary way of things, that they are giving up, they are usually referring to something like smoking, or alcohol, or chocolate, or any of the other anaesthetic pleasures of everyday life; they are not, on the whole, talking about suicide (though people do tend to want to give up only their supposedly self-harming habits).

Het semantische nut van de parentheses ‘in the ordinary way of things’ en ‘on the whole’ ontgaat me. De zin van de enumeratie ‘smoking’ - ‘alcohol’ - ‘chocolate’ verdwijnt als sneeuw voor de zon van de leuke, overkoepelende formulering die erachteraan komt: ‘anaesthetic pleasures of everyday life’. Bovendien lijkt me ‘tobacco’ - ‘alcohol’ - ‘chocolate’ met drie stofnamen een betere enumeratie van wat samengenomen ‘pleasures’ heten. Als, tot slot, de laatste parenthese als een zinvolle aanvulling op of nuancering van de eraan voorafgaande deelzin bedoeld is, begrijp ik niet waarom die nuance of aanvulling door de haakjes is weggemoffeld uit de hoofdzin.

Wat, zo vraag ik mij af, verandert er aan het gezegde, als het in de volgende vorm wordt gegoten:

When people say that they are giving up, they are usually referring to the anaesthetic pleasures of everyday life; they are not talking about suicide.

Het antwoord lijkt me: er staat hetzelfde, maar dan duidelijker en steviger, misschien ook uitdagender.

Maar goed, kennelijk wil Phillips wat hij te zeggen heeft op zijn eigen manier zeggen. Waarom geef ik me daar niet aan over? Ik kan me er niet aan overgeven omdat de stijl van Phillips mij in de weg zit, omdat hij al schrijvende draalt, draait, struikelt en zevert.

Een eind verder in het boek, in paragraaf III van het hoofdstuk ‘On Giving Up’, het eerste hoofdstuk na de ‘Prologue’, staat op pagina 90 van de 558 pagina’s die het boek telt op mijn e-lezer, deze zin:

And so the reason Freud proposes something that is by his own admission ‘theoretical’ – neither verifiable nor falsifiable empirically – and that had no obvious biological validity (how could there, in Darwins terms, be an instinct to not survive?), is, I think, that he needs to find a way of addressing or acknowledging or talking about modern human experience, the wish to give up.

Hoewel het door de opening ‘And so’ duidelijk is dat Phillips hier een conclusie formuleert die hij trekt uit het voorafgaande, stopt hij er toch weer sporen in van dat nog vers in het geheugen liggende voorafgaande, maar ook een nieuwe overweging die eigenlijk behoort tot het aan de conclusie voorafgaande. Hij gaat, als Slijmering in Max Havelaar, zo ontzettend moeizaam vooruit, doordat hij steeds treutelpasjes op de plaats maakt of zelfs achteruitstruikelt terwijl ik als nieuwsgierige lezer vooral verder wil. Waarom zou ik anders een essay lezen?

De toegepaste stijltechnieken in het hierboven staande citaat zijn achtereenvolgend:

- parenthese met streepjes,
- parenthese met haakjes, met daar weer in een
- parenthese met komma’s,
- oprisping tussen komma’s, plus
- enumeratie met ge-‘or’, en als klap op de vuurpijl
- explicatie bij een onnodig omslachtige formulering.

Het hele boek gaat over ‘the wish to give up’ maar Phillips omschrijft zijn centrale onderwerp in het citaat op het laatst maar eens als ‘a modern human experience’, wat in feite neerkomt op een onberedeneerde, niet onderbouwde stelling; wat dus die explicatie nodig maakt. Alsof dat nog niet genoeg is, voegt hij daar nog een opmerking aan toe: ‘The most secular wish of all […]’. Maar dan schrikt hij van zijn eigen straffe woorden, wellicht ook omdat hij daarmee buiten de lijnen van zijn essay kleurt, en vlakt hij vervolgens zijn eigen oprisping halfslachtig uit met ‘[…], one might say.’

Nog heeft hij geen genoeg van zijn eigen peripatetische getreuzel, want de volgende alinea begint zo: 

We should note, in passing, that […].

Van werkelijk ‘passing’ is evenwel nauwelijks sprake, laat staan van doorlopen, opschieten, gaan met die banaan.

Het valt te vrezen dat al dit stilistisch geëchternach de uitkomst is van een welbewuste strategie om zogenaamd aangenaam, quasi ex tempore, losjes formulerend ergens proberen te komen (zie de woorden ‘ordinary’, ‘usually’ en ‘everyday life’ in het eerste citaat). Ik wens Phillips nog veel plezier op zijn wandeling in zijn slordig aangeharkte parkje, maar ik ga de hond ergens anders uitlaten en mijn Senecaanse kuiergang oefenen.

[...]

Dat gedaan hebbende, heb ik alle moed die me nog restte verzameld en heb ik me nog eens in de leesstand gedwongen en ben verder gegaan met lezen in het hoofdstuk ‘Dead or Alive’. Helaas struikelde ik daar over dezelfde stilistische hindernissen en drong zich bovendien een nog niet eerder (h)erkende stilistische onhebbelijkheid van Phillips op aan mijn aandacht. Net als de parentheses en het ge-‘or’ en -‘and’ lijkt ook deze stijlkronkel een symptoom te zijn van Phillips grenzeloze onmacht om in de meest letterlijke zin, althans in steenkolen-Engels, to the point te komen.

Hij maakt zijn zinnen niet af, zelfs niet als hij wel al een full stop heeft genoteerd; met een zekere regelmaat kachelt hij daarna verder met een onderdeel van de voorgaande zin. Daardoor ontsieren onvolledige zinnen als de volgende zijn essay:

That life hass to be invaded and [sic] subjugated as though it is a foreign country, not somewhere we are already living in. Life as elsewhere, something we have to get to, or [sic] find, or [sic] seek out.

De zin is iets beter te begrijpen wanneer je weet dat ze afhankelijk is van de voorgaande, die begint met: ‘The implication here being’, waaraan voor de punt al vier bijzinnen zijn vastgeknoopt; de hierboven geciteerde is de vijfde in dezelfde reeks. Zo moeilijk vindt Phillips het om te zeggen dat een personage in een roman, die hij zelf in zijn betoog heeft betrokken, reflecteert over ‘this strange elusiveness of life that seems to haunt and [sic] drive the narrative’, namelijk van The Wings of the Dove van Henry James. Zo ingewikkeld is het niet wat het personage bedenkt: ‘Life [...] was what he must somehow arrange to annex and possess.’

Overbodig te zeggen dat Henry James hier niet vervalt in een Phillipsiaans ge-‘and’ omdat hij geen relatie van platte identiteit legt door middel van zijn voegwoord, zoals Phillips wel aan de lopende band doet in zijn wanhopige zoektocht naar het juiste woord, maar een relatie van chronologie en contiguïteit.

Verder – om het zo maar te zeggen – dan 29% van On Giving Up (mijn e-lezer houdt dat op deze manier bij) kom ik niet, of wil ik niet komen, of kan ik door de stijl van Phillips niet komen. 

maandag, september 22, 2025

Lichte kost

Het moet toch eenvoudig zijn

Op het witst van de strijd sterft
zich de vrede een gat in de hand

hoe ook de broodbon de melkkan het graan
verwijt stapelt op het boek wijd, tenzij

graatman de boomlange stastok
als boon in de loonzak gestort lijkt -


Met morfemen

Ademloos stokt men zijn vulpen, de leegte
bloedt dood leuk ter zijde, er uit zich

geen wondkoorts het koudvuur der ziel, maar
weent nog tot zoutzuur verdampt / in de

kring van het schamele zwijgen van de
meute, zonder een tocht nog getuchtigd -

zondag, augustus 17, 2025

Gestrikt

Nog niet heel lang ben ik geabonneerd op Filosofie Magazine maar het genoegen dat ik eraan beleef is al groot. Een helder, steeds verrassend en ook leerzaam periodiek.

In het jongste nummer (8, jaargang 2025) trof me de rubriek ‘Hetzelfde anders’ (p. 81) in het bijzonder. Ik wil er graag op reageren, omdat vooral de tekst mij aan het denken zette. En met de tekst bedoel ik dan natuurlijk (?) vooral de vorm waarin de tekst gegoten is, de zinnen en de gebruikte woorden. Ik citeer eerst, onder het bijbehorende beeld, de tekst, met door mij toegevoegde regelnummers en plaats mijn kanttekeningen eronder.

Beeld: Bianca Sistermans

 Instappen

1. Schoenen zijn strikt genomen middelen. 2. We schieten ze aan als we iets uit de schuur moeten pakken, zodat we geen koude, vieze of natte voeten krijgen, en we ons niet bezeren. 3. Maar zodra we instappen voelt iedereen zich onmiddellijk verheven boven deze middelmatigheid. 4. Bij schoenen met hakken is dit letterlijk zo, en omdat de middelmatigheid afneemt naarmate de hak hoger wordt, is de verheffing tot een nieuwe status quo radicaler. 5. Maar ook met klompen, sloffen of kaplaarzen stappen we telkens moeiteloos en zonder het te willen in een andere wereld. 6. En dat zien we als we schoenen zien: de middelen die we gebruiken om te doen wat we willen, brengen ons ook altijd iets wat we niet wilden, maar wel willen.


Ad 1. Wat zijn schoenen als we ze – of: het concept ‘schoen(en)’ – niet strikt nemen?

‘Strikt’ betekent iets als: streng, nauwkeurig, precies (ik vaar al jaren betrekkelijk blind op het gedigitaliseerde Woordenboek der Nederlandsche Taal). Misschien is in deze context bedoeld: ‘letterlijk (en dus niet figuurlijk)’. Maar dan nog: wat zijn schoenen wanneer we ze niet strikt nemen? Beschermmiddelen wellicht die om iets anders dan (menselijke) voeten gaan, zoals handschoenen en kabelschoenen. Zo ontzettend afwijkend is dat toch niet?

Dat probleem daargelaten, lijkt het me zonder meer duidelijk dat schoenen middelen zijn, zeker voor wie schoenen gebruikt, of dat nu is om droge, schone en/of minder snel bezeerde voeten te hebben en houden, dan wel om er hard(er) mee te lopen of (met specifieke modellen) beter bergen mee te kunnen beklimmen. Of om mee te voetballen. Er zijn immers verschillende soorten schoenen die elk voor een specifiek doel gemaakt zijn. Zelfs zijn er schoenen die vooral het aanzien van de drager vergroten, die laten zien dat de eigenaar een zekere smaak en/of veel geld heeft. Zo heeft elke schoen, of elk paar schoenen, een doel en is daarom inderdaad te zien als middel.

Alleen voor de schoenmaker zijn (nieuwe c.q. gerepareerde) schoenen een doel; maar dan zijn ze, in combinatie met het ambacht, nog steeds ook middelen, namelijk om geld mee of aan te verdienen.

Het lijkt hierom overbodig om in deze zin de specificatie ‘strikt genomen’ op te nemen; er hoeft immers geen semantische vaagheid uit de weg te worden geruimd. Een korter alternatief volstaat: Schoenen zijn middelen.

Na deze herformulering valt me eens te meer op dat het woord ‘middelen’ wèl te ruim, te vaag, te weinig specifiek is. Uit de erop volgende zin blijkt pas dat bedoeld is: ‘hulpmiddelen’ of, beter nog, ‘gebruiksvoorwerpen’.

Ad 3. Het (tegenstellend) voegwoord ‘Maar’ leidt tot verwarring omdat in deze derde zin geen tegenstelling wordt geschetst met de strikt genomen schoenen; er wordt hier immers niet gezegd dat schoenen, wanneer we ze aan hebben getrokken, opeens geen middelen meer zouden zijn, maar doelen, of immateriële concepten. Dat is maar goed ook, want schoenen, aan of uit, blijven schoenen.

Waar ‘deze middelmatigheid’ naar verwijst of aan refereert, is onduidelijk, tenzij hier ‘middelmatigheid’ als een soort neologisme is gebruikt om ‘het middel-zijn’ mee aan te duiden, dat in zin 1. werd opgevoerd. ‘Middelmatigheid’ wijst normaliter op een eventuele, maar in (het voorafgaande deel van) het tekstje zelf niet genoemde of zelfs maar gesuggereerde geringe kwaliteit, het niet-uitnemend zijn of de alledaagsheid van iets.

Ad 4. In deze zin wordt het al te vaak misbruikte woord ‘letterlijk’ letterlijk misbruikt. Wie voelt zich nou werkelijk en niet-figuurlijk boven zijn of haar schoenen verheven wanneer hij of zij daarin is gestapt? Hopelijk niemand. Men kan, geschoeid met iets beters dan slippers en evident met discoschuiten met blokzolen aan of antieke cothurnen, zich hooguit een ietsje meer boven de aarde verheven voelen dan blootvoets of op kousen dan wel sokken.

Ad 5. Opnieuw is het voegwoord ‘Maar’ niet op zijn plaats, wederom omdat er niet een tegenstelling wordt geformuleerd maar een stelling wordt uitgewerkt en bekrachtigd, de stelling dat niet alleen schoenen een gevoel van verheffing zouden kunnen bewerkstelligen maar ook andere vormen van voetbekleding.

Waarschijnlijk moest ik het tekstje minder serieus nemen dan ik vooronderstelde op grond van het medium waarin het is opgenomen, want de termen ‘verheffing’ en ‘status quo’ lijken hier, strikt genomen, ook niet echt op hun plaats, figuurlijk gesproken; ze lijken ingezet te zijn als ingrediënten van een opzettelijk humoristische, quasi-filosofische amuse gueule, dit ondanks het gegeven dat het stukje helemaal achterin het magazine is opgenomen, een plek waar vroeger in ik weet niet meer welk literair tijdschrift de rubriek ‘De proppenschieter’ stond.

Toch plaats ik mijn misschien al te serieuze reflectie hier, omdat, primo, in het bijschrift van de rubriek ‘Hetzelfde anders’ staat: ‘Coen Simons en Bianca Sistermans kijken nog eens goed in woord en beeld’ (mijn cursief; FS) en, secundo, op de bijgeleverde foto strikt genomen geen schoenen maar Zweedse klompen of muilen staan afgebeeld. Een schoen – ik baseer me wederom op het WNT – is: de ‘Buitenste voetbekleeding, bepaaldelijk van een buigzame stof en uit meer dan enkel een zool bestaande.’


Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het digitale vakblad voor Nederlandse taal- en letterkunde.

zondag, juli 13, 2025

Spruchreif

Vanmorgen plaatste ik dit berichtje op Bluesky: 

‘Die Sache ist noch nicht spruchreif.’

Dat las ik in Das Fenster zum Sommer (Taschenbuchausgabe, 1980) van Hannelore Valencak.

Als wat meer mensen zich dat eens zouden kunnen en willen realiseren.

Goedemorgen.

‘Dat’ had ik me ook beter even kunnen realiseren. Want wandelend met de hond en luisterend naar orgelwerken van Sweelinck schoot me een bedenking te binnen.

Wat betekent het eigenlijk als je zegt dat een zaak/onderwerp nog niet spreekrijp is? Nog even afgezien van wat de betekenis van dat woord zou zijn. Is het wel een officieel woord? Het staat niet in de online-Van Dale en ook niet in het WNT (en trouwens ook niet in de Woordenlijst), evenmin als ‘spraakrijp’.* 

Het lijkt me op een sociale en morele kwestie te kunnen duiden: dat men er nog niet klaar voor is om over een zaak of onderwerp te spreken, erover van gedachten te wisselen, en dat kan dan aan de situatie liggen, de aanwezige personen (‘Niet met de kinderen erbij!’). Of, aan de andere kant, het kan eraan liggen dat het betreffende onderwerp nog in ontwikkeling is, nog niet uitgekristalliseerd is (zoals je de huid niet moet verkopen eer de beer geschoten is, maar juist wel de put dempen voor het kalf verdronken).

Laat ik het anders formuleren: waarop heeft de genoemde of bedoelde rijping betrekking? Op de spraak, de taal (en wellicht daarachter de zich nog ontwikkelende ideeën), of op ‘Die Sache’?

Bij het vergelijkbare ‘eetrijp’, in  mijn bubbel vaak gezegd van avocado’s, heeft de rijping betrekking op ‘Die Sache’, namelijk de avocado’s, die volgens de mededeling op de verpakking al zo ver gerijpt zouden zijn dat ze klaar zijn voor consumptie; de grootgrutter bedoelt er niet mee dat bijvoorbeeld  je kinderen nu oud genoeg zijn om van avocado’s te kunnen genieten.

Ik dacht of bedoelde eigenlijk dat ‘spruchreif’ wel vooral betrekking heeft op de gesteldheid van de betrokken sprekers en eventueel hun situatie. Wat ik met mijn zondagochtendoverdenking bedoelde, was dat ik hoopte dat (meer) mensen wat langer over hun taaluitingen zouden nadenken vooraleer ze die de wereld in slingeren (vooral sociaal-mediaal, natuurlijk). En dat weer betekent dat ik ‘spruchreif’ opvatte als betrekking hebbend op het taalgevoel van mensen en hun gevoel voor de morele implicaties van hun woorden. De toestand van ‘Die Sache’ heeft er minder mee van doen.

Misschien is mijn gedachte nu alsnog spreekrijp. Maar een berichtje op Bluesky kan maximaal 300 posities beslaan, dus deze tekst past daar niet. Dus deel ik haar maar hier. En dan plaats ik daar een link. 

Verbinding, daar gaat het uiteindelijk toch weer om.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online vaktijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde.

* Uit doorgaans betrouwbare bron vernam ik het Duitse woord natuurlijk wel in het Duits-Nederlands woordenboek (i.c. Van Dale, 1983) staat en aldaar als betekenis heeft: 1. rijp voor een beslissing, 2. zo dat men er over spreken kan.

Ik denk dat het woord me in eerste instantie opviel doordat ik (klaarblijkelijk terecht) veronderstelde dat het geen kant en klaar, bondig equivalent in het Nederlands heeft.