zondag, juni 23, 2024

Weer over een zin

Ik las deze zin:

Een doorn is geen splinter, want daar zitten geen weerhaakjes aan.

Mijn eerste, onmiddellijke, onbekookte reactie was: ‘Ja, duhuh! Niet dus! Aan een splinter zitten géén weerhaakjes, aan een doorn juist wèl, althans: dat kan voorkomen!’

Vervolgens, na een moment van bezinning, bedacht ik dat een beetje schrijver dat natuurlijk (pun intended) ook wel weet, en dus niet zoiets wil zeggen als wat ik in die zin las. De meer naar de dieptestructuur neigende formulering van deze zin zou dus niet zijn:

a) Een doorn is geen splinter, want aan een doorn zitten geen weerhaakjes.

maar: 

b) Een doorn is geen splinter, want aan een splinter zitten geen weerhaakjes.

Na een tweede moment van overwegingen (het is weer zo’n geval van: ik begrijp het wel, maar het staat er niet) vroeg ik me af waarom de betreffende schrijver, Daniël Rovers, hier in één, weliswaar samengestelde, zin van het ene grammaticale onderwerp (Een doorn) plots overstapt of -springt naar een ander, namelijk daar, dat hier kennelijk (maar m.i. niet klaarblijkelijk) naar splinter verwijst? Inderdaad neem ik daarbij de vrijheid te veronderstellen dat mijn intuïtie me niet bedriegt. Dat ik het slachtoffer kan zijn van syntactisch gezichtsbedrog, zou ik waarschijnlijk eigenlijk juist niet moeten uitsluiten.

Enige bijkomende overwegingen waren geen overwegingen maar vragen: ‘Hoe kan ik deze zin beter formuleren?’ en: ‘Hebben echt alle doorns (doornen) weerhaakjes?’

Als antwoord op de tweede vraag kwam in mij naar boven: ‘Ik dacht het niet.’ Maar een bioloog ben ik niet en m’n rozenstruiken heb ik, toen ik die nog had, nooit met behulp van een microscoop bezien. 

Op mijn biologische lekenvraag (ik lijd nauwelijks aan biologische intuïtie) gaf de zoekmachine op zondagochtend mij niet snel genoeg een helder antwoord. Wel kreeg ik de onbedoelde informatie dat een bamboesplinter, in weerwil van Rovers apodictische uitspraak, weerhaakjes maakt. Rovers’ maxime klopt dus (ook) van de andere kant niet.

Nu gaat het in de roman waar ik de zin in las, Walter (Wereldbibliotheek, Amsterdam 2011, pagina 31) over een splinter van de vloer van een slaapzaal in een klein-seminarie in Noord-Brabant in 1953; ik vermoed (inderdaad, ik weet niets van rooms-katholieke architectuur) dat bij de bouw daarvan weinig met bamboe werd gewerkt. Dat moet toch ook in de overweging worden betrokken, met andere woorden: het kan zijn dat Rovers zijn hoofdpersoon, Walter, bij wie de focalisatie ligt, niet verder laat kijken dan zijn neusje lang is of dan zijn eikenhouten dormitorium klein was.

Daar komt nog bij dat Walter (plm. 13 jaar oud in het betreffende hoofdstuk) door die splinter terugdenkt aan een preek van een pater die refereerde aan de doornenkroon van Jezus van Nazaret die, voor zover ik de dominee eertijds goed begrepen heb, niet van bamboe was gefabriceerd (diens doornenkroon, bedoel ik). De nieuwe bijbelvertaling heeft het over doorntakken als basismateriaal van dat sarcastische ornament, lees ik op Wikipedia.

Ik tik verder en wacht intussen op een interessante suggestie van een plantkundige bioloog op mijn tweede vraag.

Nog voor ik een antwoord kon gaan bedenken op de eerste vraag, trof mij de herinnering aan een andere tweedelige zin met nevenschikkend voegwoord, die ik reeds had gelezen en geciteerd voor ik was begonnen aan het lezen van de roman van Rovers. Die zin trof ik aan in een recensie in De gids van 1933 door Martinus Nijhoff van Jeanne van Schaik-Willings roman Uitstel van executie (1932):

De puinhoop is niet het leven, maar het gras dat er groeit.

Daar is ook wel wat ontleedkunde op los te laten. Maar zelfs tastend op je syntactische klompen voelt de verhouding tussen de twee delen van deze zin in nuce veel evenwichtiger aan. Bijzonder is wellicht dat pas na lezing van de gehele zin duidelijk wordt dat De puinhoop niet het onderwerp is van de eerste deelzin, maar het naamwoordelijk deel van het gezegde ervan. Doordat de ontkenning in de eerste deelzin (gemarkeerd door niet) benadrukt wordt door de afwijkende formulering van de zin, krijgt deze veel nadruk, en de erop volgende positieve propositie in de tweede deelzin krijgt daardoor eens te meer aandacht, die ook getrokken wordt door de alliteratie van gras en groeit. Dat laatste woord van de zin staat in vol contrast met de inhoudelijke noties die verbonden zijn aan de eerste woordgroep ervan. Mooier kan een antithese niet geformuleerd worden.

Wat nu, dacht ik, als ik de Rovers-zin licht aanpas in de richting van de Nijhoff-zin:

Een doorn is geen splinter, want er zitten geen weerhaakjes aan.

Dán zou de verwijzing in het tweede deel (door er) naar het onderwerp in het eerste deel volgens mij meer voor de hand liggen. Het bijwoord daar in de Rovers-zin verwijst volgens mijn intuïtie net wat anders dan het er van Nijhoff. Ik zou wel willen weten of dat formeel en theoretisch klopt.

Bij aanpassing van de Nijhoff-zin in de richting van de Rovers-zin gebeurt er in mijn syntactische gevoelscentrum echter gek genoeg nagenoeg niets :

De puinhoop is niet het leven, maar het gras dat daar groeit.

Wel kan het zijn dat daar nu de mogelijkheid heeft de lezer af te leiden van de puinhoop naar een andere plaats; en dat is niet de bedoeling.

Behalve op hulp, bijstand, informatie en inzicht van een plant-, hoop ik nu ook op die van een taal- of taalgebruikskundige, iemand die schik heeft in dit soort (minimalistische) varianten in zinsbouw of woordkeus met al dan niet verwarrende implicaties voor de betekenis.

Bouwstenen van deze post verschenen eerder op Instagram s.v. De vrolijke hermeneut ©
Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

dinsdag, juni 18, 2024

Vergeten of genegeerd?

Jeanne van Schaik-Willing (1895-1984) heeft geen eigen website of zelfs maar een Wikipediapagina. Dat doet me, nu ik de tweede druk (1937) van haar roman Uitstel van executie (1932) aan het lezen ben, vrezen voor de plaats die haar is toebedeeld in wat er in mijn boekenkast nog rest aan papieren handboeken Nederlandse literatuurgeschiedenis.

Naslag.

Die vrees bleek terecht. Alleen Bel (2015) noemt haar, maar dan wel vijf maal. In eerste instantie (p. 599) om te melden dat Van Schaik-Willing Amerikaanse literatuur recenseerde in De gids; er is Bel namelijk veel aan gelegen om te benadrukken dat in de jaren twintig van de twintigste eeuw er in de Nederlandse letteren belangstelling was voor Amerika.

Dan noemt ze haar (p. 696) als de enige vrouwelijke recensent van de drie die A.H. Nijhoff op basis van haar romandebuut Twee meisjes en ik (in de Gids van 1930) binnenhaalden als een nieuw talent; de anderen vonden het maar viezigheid, wat die Nettie Wind vertelde.

Daarna (p. 700) beschrijft Bel dat Van Schaik-Willing volgens Simon Vestdijk ‘een belangrijk Nederlands vrouwelijk auteur’ was, ‘de enige van Europees peil, die qua formaat niet onder hoefde te doen voor Virginia Woolf.’ Met mannelijke auteurs vergeleek Vestdijk haar niet. Wat Bel dan weer niet vermeldt, is dat Van Schaik-Willink en Vestdijk samen De overnachting (1947) schreven, een roman in brieven.

Ten vierde wordt zij genoemd, naast Marianne Philips, omdat zij zich teruggetrokken had als medewerkster aan een verhalenbundel (1940) geïnspireerd op het schilderij Het gele huis van Carel Willink. Volgens de samensteller, H.J. Smeding, was dit ‘[n]iet omdat zij van hun jood-zijn een probleem maakten, maar eenvoudig omdat zij ineens een ander probleem hadden: er levend door te komen.’

Ten slotte noemt Bel Van Schaik-Willing (p. 913) omdat zij, ‘die een gedicht van [David] Koker in de schoolkrant Vulpes had gelezen’, Koker in contact heeft gebracht met Menno ter Braak.

Van Schaik-Willing lijkt al met al meer een vijfde wiel aan een onbenullige literaire aanhangwagen dan een respectabele en interessante schrijfster met eigen literaire merites, al zouden het er maar vijf zijn.

Soms is het moeilijk de spelregels van de literatuurgeschiedschrijving te doorgronden.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

woensdag, juni 12, 2024

De man van wien ik dit verhaal vertel

keerde voor kort naar zijn geboorteland;

Altijd gedacht dat de bepaling ‘voor kort’ naar twee kanten uit kon worden gelegd. Enerzijds kan ze doelen op de beperktheid van de periode dat de man in zijn geboorteland terug wilde zijn of beoogde te zijn, dat hij er idealiter maar kort, eventjes zou zijn, en al weer snel de hort op wilde, op reis, op zoek. Niets in de tekst wijst op een terminale ziekte van de hoofdpersoon of iets anders wat zijn verblijf op voorhand slechts van korte duur zou laten zijn, hoe ironisch dit ook mag lijken in het licht van het autobiografisch gehalte van de tekst en Marsmans levensloop, die zich niet verder uitstrekte dan het verschijningsjaar van het gedicht waar de regels uit zijn geciteerd, Tempel en kruis (1940).

Anderzijds kan de bepaling erop wijzen dat de man onlangs, pas, recent, kort geleden terug is gekeerd, waarbij de implicatie wagenwijd openstaat dat zijn terugkeer langdurig of zelfs definitief zou (moeten) zijn. 

De volgende regels van de opening van Tempel en kruis laten beide mogelijkheden open:

’t wordt nu een jaar dat hij zijn intrek nam
boven het vredig makelaarskantoor
dat op den hoek tussen twee grachten ligt
aan ’t plein dat als een zeester in het zand
zijn schachten uitzendt in de mijn de stad.

Het ligt er maar aan wat je onder ‘kort’ verstaat, maar de mogelijkheid van een soort auctoriale ironie is ook aanwezig: de man, die, naar later blijkt, al veel van de (westerse) wereld gezien heeft, zou maar eventjes terugkeren, maar kijk hem nou: hij weet zich al een jaar niet los te maken van die geboortegrond. Iets belangrijkers dan hij had verwacht, houdt hem er vast.

Uit de rest van dit lange gedicht wordt het de lezer wel duidelijk dat deze man terugkeerde omdat hij iets groots wilde gaan verrichten: een grootse terugblik op de lange en bochtige afgelegde weg vastleggen, uitmondend in een diepgaand inzicht in hoe het verder moet gaan zowel met hemzelf als met de wereld of anders wel met alle schrijvers en dichters in die wereld.

Al lezende in Marsmans roman De dood van Angèle Degroux (1933) kwam ik meerdere keren (een variant van) deze bepaling tegen, maar dan in een context waarin geen mogelijkheid voor ambiguïteit is, en alleen de betekenis kort geleden geïntendeerd lijkt te zijn, of alleen een andere. Het servetje waarop ik enkele vindplaatsen noteerde, ben ik kwijt, maar bij herlezing van de roman, vond ik er al snel een terug. In het hoofdstuk ‘De geest zweeft over de wateren....’ denkt Charles de Blécourt terug aan zijn ooit ergens bij iemand verwekte zoon:

Voor vijf jaar had de moeder [van zijn zoon] hem eenmaal geschreven, of hij niet eens over wou komen om den jongen te zien.

Het kan hier niet anders zijn dan dat Charles zich herinnert dat Ann hem vijf jaar geleden schreef om zijn zoon eens op te zoeken; het joch was toen tien, wat wel past bij de speeltuin waarin de ontmoeting in Londen aansluitend plaatsvond.

Verder zoeken in een digitale editie is niet al te moeilijk, maar kost wel tijd. Het woord ‘voor’ komt in deze  roman 266 keer voor, en het schiften op de betreffende bepaling moet met de hand en op het oog. Ik laat het dus bij een uiterst onvolledige verkenning, als het al geen steekproefje heten mag:

1. De nacht had in deze naargeestige straten, waarin het leven al voor jaren gestorven scheen, de benauwde verlatenheid van een droom.

2. langzamerhand ontspon zich tuschen hen een gesprek over hollandsche literatuur waarin Rutgers niet erg goed meer thuis was sinds hij voor twintig jaar het land verlaten en in Parijs zijn landgenooten vermeden had.

3. om de verheugde gezichten der menschen, die tot voor kort nog zoo somber waren geweest

4. Hij had haar voor enkele dagen, toen hij geheel was vastgeloopen in zijn neerslachtigheid, opgebeld en deze afspraak gemaakt

Ook het gebruik met de andere betekenis, gedurende, is eenduidig:

5. wanneer een boek hem soms boeide vergat hij voor korten tijd dat in zijn vreemd mismaakt lichaam zijn hart lag te wachten op zijn dood.

6. Hij vermoedde wel dat de vrouw als hij weg was voor enkele oogenblikken de ramen open zou zetten om wat lucht en daglicht naar binnen te laten , maar als hij terug kwam was alles weer dicht.

Me dunkt dat de dichter Marsman de ironische betekenismogelijkheid van zijn formulering in Tempel en kruis maar beter had moeten proberen uit te sluiten; de tekst is er te ernstig en serieus voor. Maar het kan ook zijn dat hij zich niet bewust was van deze duidingsmogelijkheid c.q. dat hij gewend was geraakt aan zijn eigen gebruik deze dus idiosyncratisch te noemen formulering en dat hij er geen nuance meer in hoorde.


In ‘de’ literatuurgeschiedenis,* om het daar ook nog even over te hebben, is Marsman geen onbekende. Zie hier wat ik thuis op handboekpapier over hem vond.

Van Bork en Laan (red., 1986) noemen Marsman op twaalf bladzijden, maar niet om zijn proza.

Ruiter & Smulders (1996) bespreken, citeren, belichten, gebruiken Marsman negentien maal volgens hun register (dat is even veel als Jacques Maritain). Hij komt onder meer eenmaal voor in de tekst als ‘van oorsprong hervormde vitalist’, een unieke typering van deze dichter, maar weer geen enkele keer als romancier.

Anbeek (1990/1999) heeft voor Marsman negentien plekjes in zijn handboek gereserveerd, afgaande op het register, waarvan zes met een referentie aan zijn debuut Verzen, waaraan zelfs een hele paragraaf van anderhalve bladzijde is gewijd, volgend op een paragraaf van tweeëneenhalve bladzijdes over ‘Marsman in De vrije bladen’. Over zijn creatieve proza geen syllabe.

In Rock e.a. (red., 2013) komt de naam van Marsman maar één enkele keer voor en dat is in een oplepeling van het soort vragen dat in het literatuur-analytische handboek Literair mechaniek aan literatuur wordt gesteld. Met eenvoudige literatuurgeschiedenis, zoals ik die hier begrijp, heeft dat niets te maken.

Vaessens (2013) noemt Marsman op acht bladzijden (de twee verwijzingen naar de ‘Noten’ genoemde bronnenlijst van citaten tel ik niet mee). Hij wordt niet alleen als dichter, maar ook als essayist annex tijdschriftleider en literaire bentgenoot van anderen genoemd. Over zijn proza geen lettergreep.

Bel (2015) loopt, zoals wel vaker, gigantisch uit de maat met 78 (achtenzeventig) bladzijden waarop Marsman volgens het register ter sprake komt; gelukkig staat apart weergegeven welke teksten daarbij aan de orde komen, en dat zijn Critisch proza, Penthesileia, Tempel en kruis, Verzen en (met Vestdijk) Heden ik, morgen gij. Over die laatste tekst meldt Bel weinig meer dan dat Vestdijk en Marsman die gezamenlijk schreven, dus ik overdrijf niet als ik zeg dat ook zij geen literair-historische iota wijdt aan het literaire proza van Marsman.

Vergeten is Marsman als dichter, smaakmaker, criticus, tijdschrift-bobo, (mede)spin in het literaire web niet. Dat hij ook proza produceerde, wordt door de literatuurgeschiedschrijvers collectief genegeerd. Jammer, want naar mijn idee is De dood van Angèle Degroux beter, meer intrigerend dan menig criticus destijds van oordeel was. Maar wellicht zet een geschiedschrijver van de literatuur zijn of haar of diens koers toch ook uit op basis van de contemporaine kritiek.


*Om misverstand te voorkomen: ik zoek deze auteur alleen op in de handboeken literatuurgeschiedenis die hier thuis nog fysiek, analoog, materieel achter mijn rug staan, zijnde de resterende handboeken die ik in mijn werkzame leven gebruikt heb bij het (voorbereiden van) onderwijs in de geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur aan eerste- en tweedejaars studenten Nederlands aan de UU. Ik weet dat er veel meer naslagwerken zijn, maar dit is wat mij nu, in otium, rest van de bronnen waarmee ik, met mijn collegae, geprobeerd heb studenten te verlichten. Lodewick, daar hadden we het vroeger ook mee geprobeerd, en Knuvelder niet te vergeten, dat was zelfs mijn (vierdelige) studiehandboek nog, maar, geloof het of niet, die hebben de weg naar de ondergrondse papiercontainer goed weten te vinden, met een doffe plof, bij mijn verhuizing van de bisschopsstad naar het heerlijke, hoger gelegen Arnhem. Schenkeveld-van der Dussen (red., 1993) is gespaard maar elders gebleven.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

woensdag, juni 05, 2024

Het huwelijk, maar niet van Elsschot

Onlangs las ik een boek over de nogal hoogdravende maar zeker voor een van de betrokkenen zeer slecht eindigende, buitenechtelijke relatie van Charlotte von Stein en Johann Wolfgang (von) Goethe. Het heet Charlotte von Stein. Een episode en is geschreven door Top Naeff. Zij spreekt nergens een kwaad woord over die relatie. Ik las de derde druk, die verscheen in 1949. Het is een bijzondere, gewijzigde druk, verschenen ter gelegenheid van de tweehonderdste viering of herdenking van Goethes geboorte. Die gelegenheid wordt gememoreerd door een lichtelijk idioot buikbandje. Het boek gaat immers helemaal niet over de geboorte van Goethe.


Het boek verscheen oorspronkelijk in 1921. Is de derde druk qua uitvoering al mooi, die eerste druk vind ik nog veel mooier. Dat ontdekte ik toen ik de DBNL raadpleegde. In de daar bewaarde scans van het boek is het fraaie binnenwerk te bewonderen; ik herkende onmiddellijk mijn favoriete drukletter, de Hollandse Mediaeval van S.H. de Roos. De DBNL heeft natuurlijk ook een foto van (de voorkant van) het omslag. Helaas geeft de DBNL geen nadere informatie over de materiële uitvoering van het werk.

Toevallig scheerde een eerder leesverslag op Klasse! over mijn beeldscherm. Het betreft Een Indisch huwelijk van Carry van Bruggen. Ook dat boek verscheen oorspronkelijk in 1921. Maar nog verrassender dan het jaar van verschijnen, vond ik de overeenkomst in thematiek: alles is leuker dan een huwelijk, als ik het even kort door de bocht mag formuleren. Niet minder verraste me de uiterlijke vorm van het werk.

In mijn uit diverse bronnen geputte beschrijving van dat boek las ik: 

Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam 1921. De literaire luxe-reeks. Bandontwerp: J.B. Heukelom, belettering: S.H. de Roos.

Ik had dus wel gezien dat het een deel uit een reeks was, maar die reeks kwam voor mij pas tot leven toen ik er een tweede deel van had gezien.

De vraag die zich nu aandient, luidt: is de literaire luxe-reeks een verzameling van werken waarin de aard en staat van het burgerlijk huwelijk ter discussie wordt gesteld (of is dat onderwerp gewoon zo oud als de literatuur of als het huwelijk)?

Wikipedia leert me dat het antwoord ontkennend moet zijn (en dat de parenthese dus meer kans maakt op correctheid). De reeks is inhoudelijk/thematisch op z'n zachts gezegd een samenraapsel. De selectiecriteria moeten van een andere aard zijn geweest. Ik leer er ook uit dat het biografisch essay van Naeff wel al in 1921 was verschenen, maar dat pas zes jaar later de tweede druk in de Literaire Luxe-reeks zou zijn opgenomen. Ik zou nu dus mijn leesverslag moeten aanpassen (the cloud is nog veel geduldiger dan papier). Maar dat doe ik pas als ik de gegevens gecontroleerd heb dus niet. Hoeft ook niet.

Controle
De scans in de DBNL tonen een titelpagina van Charlotte von Stein met zo’n Heukelomse versiering, voorzien van titel, auteursnaam, plaats van uitgave, naam van de uitgeverij en het jaar van uitgave, in casu 1921 (en niet 1927). Dito met betrekking tot Van Bruggens Een Indisch huwelijk. DBNL meldt ook nadrukkelijk dat het de eerste druk betreft zowel waar het gaat om het boek van Naeff als om dat van Van Bruggen. Eerlijk gezegd vertrouw ik die lui van de DBNL als het gaat om dit soort gedigitaliseerde feiten.





Tweede les van vandaag:
laat je geen Wikipedialoer draaien
(blijf zelf opletten).

Dus ik deed nog een controle. Ik selecteerde het eerste werk uit de reeks. Daarbij maakte ik gebruik van de Wikipedia-lijst. De eerstgenoemde tekst in de literaire luxe-reeks is daar: Is. Querido, De jeugd van Beethoven. Nadere gegevens zijn: ‘1e druk 1919, 2e 1921 in deze reeks’. Dit werk is aanwezig in de DBNL. Daar vind ik wederom een foto van het kenmerkende Heukelomomslag (zie afbeelding), plus gegevens in de verantwoording. Deze laatste luiden: 

bron
Israël Querido, De jeugd van Beethoven. 1919
[...]
algemene opmerkingen
Dit bestand biedt scans in PDF-formaat van De jeugd van Beethoven van Israël Querido uit 1919.

De scan van de titelpagina (hiernaast) bevat echter duidelijk het jaartal 1921.

Dan maar een blik in de KB-catalogus geworpen. Daarin staan beide boeken vermeld, maar niet als eerste en tweede druk, en alleen het werk uit 1921 heeft de annotatie ‘Literaire luxereeks’.

Derde les van de dag:
kies zelf welk rad (je) voor je ogen draait
(blijf lachen)                                        

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

donderdag, mei 16, 2024

Over m'n nek van de extreemrechtse bagger

O Nederland, let op u saeck

1.
Het is examentijd en ik oefen mijn tekstverklaring door het lezen en analyseren en vervolgens trachten te begrijpen – welwillend als ik ben qua opvoeding, om maar iets te noemen – van wat heet het ‘Hoofdlijnenakkoord 2024-2028’ opgesteld door een viertal zich politieke partij noemende meutes wier afko’s me in de metaforische strot blijven steken als een XXL-tonijngraat in een ansjoviskeeltje en die ik hier dan beter maar niet herhaal.

Ik lees onderaan de eerste en bovenaan de tweede pagina dit:

We leven in tijden van grote spanningen, zoals de Russische inval in Oekraïne. De wereldeconomie staat onder druk. Er zijn nieuwe, ernstige bedreigingen voor de veiligheid van onze samenleving en de stabiliteit van de democratische rechtsorde vanuit verschillende statelijke en niet-statelijke actoren. 

Deze bedreigingen zijn er niet alleen op afstand, maar ze nemen toe en komen ook snel dichtbij. Dit vraagt nu het tijdig treffen van adequate voorbereidingen, alertheid en versterking van weerbaarheid in brede zin, ook van burgers en bedrijven.

Ik begrijp hieruit dat ‘de Russische inval in Oekraïne’ als een grote spanning wordt gezien. Ik noem zoiets echter een uiterst vuile en agressieve Russische oorlog waar iedereen al ruim twee jaar van op de hoogte is en die dus niet expliciet genoemd hoeft te worden in een hoofdlijnenakkoord tenzij er zouden meer van dit soort spanningen genoemd zouden worden met daarbij de duiding van de invloed ervan op (de staatshuishouding van) Nederland.

Graag zou ik willen vernemen welke andere, ‘nieuwe bedreigingen voor de veiligheid’ er zijn, zodat ik beter kan begrijpen hoe de regeringsplannen of -hoofdlijnen, die vast verderop in het akkoord uitgebreid geschetst zullen worden, zich daar precies toe verhouden (meer geld voor Oekraïense vluchtelingen en/of voor wapens voor Oekraïne, en/of het aanleggen van een financiële reserve die gebruikt kan worden als steun bij de wederopbouw van zowel dat langzamerhand volledig aan gort gebombardeerde land als ook Gaza; ik noem maar wat).

Wat wordt er in godes naam verstaan onder ‘bedreigingen [...] vanuit verschillende statelijke en niet-statelijke actoren’. Vraagje voor het examen maatschappijleer: noem minstens drie statelijke en twee niet-statelijke actoren, en leg uit hoe vandaaruit de veiligheid van onze samenleving bedreigd kan worden.

Wat wordt verstaan onder: ‘bedreigingen [die] er niet alleen op afstand [zijn], maar ze nemen toe en komen ook snel dichtbij’?

Verderop, waar ingegaan wordt op hoofdlijn nummer 1 – bestaanszekerheid en koopkracht – wordt het niet beter met de tekst. Weer een citaat (copy-paste, zonder enige ingreep):

Nederland is één van de meest welvarende landen in de wereld. Onze economie is sterker uit de crises gekomen en er waren nog nooit zoveel banen. Onze sterke economie draait op alle Nederlanders die elke dag hard werken of ondernemen en zo bijdragen aan onze welvaart.

Toch zijn veel Nederlanders juist bezorgd geworden over hun toekomst. Ze zijn onzeker over hun dagelijks bestaan en hun levensonderhoud, maar ook over de kosten van basisbehoeften (voedsel, wonen, energie) en de zekerheid daarvan op middellange termijn. Het gaat om de hoogte van het inkomen, om de inkomenszekerheid maar ook om de toegankelijkheid en beschikbaarheid van wonen (bijvoorbeeld voor starters), zorg en onderwijs. Deze zorgen leven niet alleen bij mensen met een lager inkomen, maar ook bij de middeninkomens.

De relatie tussen de eerste en de tweede alinea is een antithese, misschien zelfs wel een paradox: hoewel het Nederland economisch alleen maar keihard voor de wind gaat door de crises (die ze maar even niet met naam en toenaam in dit document noemen want anders zouden ze op hoofdlijnen concreet worden), lopen er verdorie toch allerlei Nederlanders te klagen over een beangstigende toekomst.

De oplossing voor dit hoofdlijnprobleem lijkt me duidelijk: niet lullen maar poetsen, en iedereen die toch zeikt: oprotten. Maar dat ligt niet in de populistische denklijn die drijfvermogen ontleent aan de klachtkracht van de zich immer ten achter gesteld voelende burger.

Die zeikerds zijn dus ‘onzeker over de kosten van basisbehoeften [...] en de zekerheid daarvan op de middellange termijn’. Zijn ze onzeker over de zekerheid van de kosten van de basisbehoeften op de middellange termijn? En is dat even lang als 2024-2028? Of zijn ze bang dat die kosten gaan stijgen? Net zoals trouwens de kosten (prijzen) van werkelijk alles altijd en overal stijgen? Wat een gezeik.

Het nieuwe kabinet streeft er [...] naar om de (kinder-)armoedecijfers niet uit te laten komen boven het referentiejaar 2024.

Zoals al jaren het gebruik is in dit prachtige land waar we trots op kunnen zijn (volgens zin één en zin twee van dit lefhartige hoofdlijnenakkoord), lijkt ook het nieuwe, althans aanstaande kabinet meer bezorgd om de cijfers (administratie) dan om de armoede zelf, de armoede die met een enkele pennestreek wordt gecompliceerd door er ‘(kinder)armoede’ van te maken. Kinderen zijn kennelijk anders arm dan volwassenen. Maar de plannen van het kabinet in spe zijn op hoofdlijnen moedig en getuigen van lef en lopen over van de hoop: de armoede in onze sterke economie, die alleen draait op Nederlanders die hard werken of [sic] ondernemen, mag niet erger worden dan ze nu al is.

Grappig: ondernemen is iets anders dan werken, of ondernemers werken niet hard. Zo weet je het nooit. En kennelijk wordt de sterke economie van ons welvarende land helemaal niet mede gedragen door talloze fors uitgebuite arbeidsmigranten, die, zoals hierna blijkt, alleen maar een last zijn. Hoe verschillend moeten de leden van het toekomstige hoofdlijnkabinet toch de wereld zien dan ondergetekende, zelf niet meer werkende burger met twee volwassen kinderen.

Wordt vervolgd, maar niet vandaag; de maat is op heden al vol.

2.

Zekerheid op de arbeidsmarkt wordt gestimuleerd, bijvoorbeeld voor echte zelfstandigen (zzp’ers) in het zelfstandigenbeleid en door regulering van de uitzendsector.

Dat staat op de derde pagina. Maar wàt staat er? Wat zijn bijvoorbeeld ‘echte zelfstandigen’ en hoe onderscheiden die zich van onechte zelfstandigen?

En natuurlijk is doen-wat-er-al-gedaan-werd ook een vorm van hoofdlijn:

Daartoe wordt de wetsbehandeling van de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) en de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (WTTA) voortgezet.

En er wordt nog meer  voortgezet en ‘doorgezet’; nog meer oude koek, of oude wijn in oude zakken, dus, waar ze het zogenaamd over eens zijn geworden.

Interessant wordt het wanneer er een samentrekking in de tekst sluipt in een poging die zo kort en krachtig mogelijk te houden: ‘Beperking van de omvang van en grip op alle soorten migratie naar Nederland’. Daar staat toch: ‘Beperking van de [...] grip op alle soorten migratie in Nederland’?

Nee, toch niet. Er volgt namelijk dit op:

Er worden concrete stappen gezet naar het strengste toelatingsregime voor asiel en het omvangrijkste pakket voor grip op migratie ooit.

Het kan komen doordat dit akkoord alleen hoofdlijnen bevat, maar de tekst is enerzijds in zijn gestrengheid ijzingwekkend, anderzijds wezenlijk nietszeggend, en absurd abstract ondanks de pogingen tot concretiserende metaforiek (‘concrete stappen’, ‘omvangrijkste pakket’, ‘grip’). Welke stappen, wat voor stappen, wat zit er allemaal in dat pakket behalve stappen en een regime en grip? Of wil dit akkoord alleen maar dreigend klínken terwijl de accordanten feitelijk zelf bij lange na nog niet weten hoe ze hun handen uit de bruine hemdsmouwen zouden kunnen gaan steken? Holle vaten klinken inderdaad heel hard.

Mijn oren tuiten. Schele koppijn dient zich aan. Later verder.

3.

Dan komt hoofdlijn twee aan bod voor een inhoudelijke uitwerking: ‘Grip op asiel en migratie’. De openingszin is er een van de langere soort, voor de verandering:

Nederland is een van de dichtst bevolkte landen in Europa met een fors toegenomen en aanhoudend stijgende (asiel-, arbeids-, kennis- en studie en gezins-) migratie, die hard drukt op wonen, zorg, onderwijs en financiële middelen, en op de sociale samenhang in ons land.

(er hoort nog een afbreekstreepje na ‘studie’ te staan). Versluierend of domweg fout lijkt me de keuze om opnieuw van ‘migratie’ te spreken, waar de vier accordanten waarschijnlijk ‘immigratie’ bedoelen. Het is toch van den dolle dat je die minkukels uit moet leggen hoe ze hun eigen pen in hun eigen gal moeten dopen om te omschrijven waar ze zo mordicus tegen zijn?!

Dat ze opnieuw geen enkele onderbouwing van die ‘fors toegenomen’ en ‘aanhoudend stijgende’ migratie (sic) geven, is een kenmerk van de populistische retoriek.

Dat de ‘financiële middelen’ onder druk staan, is een loos nep-argument dat niets toevoegt, omdat het geïmpliceerd is in de huns inziens bijna bezwijkende woningbouw en zorg en het instortende onderwijs.

Dat het kwartet op segregatie, exclusie en Verelendung aansturende accordanten zich zorgen zou maken over ‘de sociale samenhang in ons land’ is – om het eens in goed Nederlands te zeggen – een gotspe van de hoogste orde (Van Dale legt het gratis online uit: een ‘schaamteloos brutale opmerking of daad’). Hier worden eenvoudigweg ‘de migranten’ op het offerblok gelegd van de zondigende rancuneburger.

Vervolgens ontwikkelt ‘de huidige acute situatie’ (waarvan in dezelfde zin wordt gezegd dat die al veel langer het geval zou zijn dan alleen nu) zich na een enkele alinea al tot ‘de acute noodsituatie’. Een dergelijke verbale inflatie lijkt me opnieuw een typisch geval van even agressief klinkende als feitelijk holle populistenretoriek. Nog een alinea verder blijkt dat deze escalerende bombast nodig is als opstapje naar een toekomstige ‘tijdelijke Asielcrisiswet met crisismaatregelen om de acute asielinstroom en -opvangcrisis voor de komende tijd te bestrijden’.

Een crisis wordt ex nihilo de wereld in getoverd. Als er al sprake van een crisis kan zijn, heeft de Nederlandse staat die aan zichzelf te danken door al jaren lang vluchtelingen als uitschot te behandelen. De termijn van de door de accordanten verzonnen crisis (aan degene die eerder een fictieve nareis-tsunami had verzonnen, hebben ze een goede hoofdlijnfabulant), waarvoor een ‘tijdelijk Asielcrisiswet’ nodig is, wordt aanvankelijk losjes bepaald op ‘de komende tijd’. In gewone-mensentaal betekent dat: ‘eventjes’, maar in de bruine inkt waarmee deze hoofdlijnen zijn opgetekend, heeft het allicht de potentie uit te groeien tot: ‘van nu tot in de eeuwigheid’. Gek genoeg is er meteen daarna sprake van ‘voor de duur van maximaal twee jaar’. Dat is toch best wel redelijk?

In die twee jaar gaat de regering in spe ‘[o]p grond van deze Asielcrisiswet de daarin opgenomen bevoegdheden’ inzetten voor het volgende:

- Registratie af te dwingen en de behandeling van asielaanvragen op te schorten (‘asielbeslisstop’), het recht op opvang zal gedurende de opschorting gedifferentieerd worden beperkt en sterk worden versoberd.

- Mensen zonder een geldige verblijfstitel zo veel mogelijk, ook gedwongen, uitzetten [hier zou vanwege de syntactische parallellie moeten staan: uit te zetten].

- Van de Huisvestingswet af te wijken door een verbod in te stellen op het geven van voorrang bij de toewijzing van sociale huurwoningen aan statushouders op grond van het feit dat zij statushouders zijn.

Samengevat: ze gaan de verschoppelingen verder de hoek in trappen. Dat gaat de komende regering doen in dit zich fatsoenlijk noemende, reuze welvarende land van louter hard werkende en ondernemende Nederlanders.

Als ik alleen naar het laatste punt kijk... ‘statushouders’ zijn volgens informatie van de Rijksoverheid asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben gekregen. Asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben, zijn geen asielzoekers meer. Ze krijgen een stempel, een nummer, een strik in het haar of een leuke badge op hun revers en... ze kunnen het verder, noodgedwongen van huis en haard, van familie en vermogen, van alles wat ze hadden verstoken, lekker zelf uitzoeken.

Gek is dat de vier malcontentencohorten het in hun kopzorglijnen hebben over het verbieden van het geven van voorrang bij de toewijzing van woningen aan statushouders. Ik las in de informatie van de Rijksoverheid evenwel:

Gemeenten beslissen zelf wat voor soort woning ze aanbieden. Het kan een zelfstandige (huur)woning zijn, een flexwoning of een gedeelde woning met meer mensen. Vaak doen gemeenten een beroep op sociale huurwoningen van woningcorporaties. Een statushouder mag ook zelf naar woonruimte zoeken.

Een gemeente bepaalt zelf of mensen met een verblijfsvergunning recht hebben op voorrang bij een sociale huurwoning. Dit regelt de gemeente in een huisvestingsverordening.

Ik zie daar niet echt iets tussen staan wat je op landelijk niveau zou moeten verbieden. Verbieden suggereert dat er een misstand is, dat er iets helemaal verkeerd gaat, tegen het illegale aan. Een verbod kan mijns inziens stigmatiserend werken. Statushouders, mensen met een verblijfsvergunning worden in deze hoofdpijnlijnen in verband gebracht met iets dat verboden moet worden.

En dan noem ik nog niet wat er nog meer door de Rijksoverheid gesteld wordt, namelijk:

Als zij [namelijk: statushouders] woonruimte hebben, kunnen zij eerder integreren en meedoen in onze samenleving.

Kijk, geef ze een huis, dan kunnen die mensen met een verblijfsvergunning ook goed bijdragen aan ‘de sociale samenhang in ons land’ die anders nog erger onder druk komt te staan dan ze in de horordromen van de hoofdlijnaccordanten al staat. Waarom zou je het hun anders gunnen dat ze hier zouden verblijven? Of is juist dat het: hun wordt geen verblijf gegund? Maar dat kan niet, want ze hebben die vergunning. Maar ja, crisis, hè?! Dan kan er wel meer dat niet mag.

Jakkes, ik ben pas op pagina vier van het hoofdlijnenvod. Het is tijd voor een verfrissend ijsje. 

4.

De nationale asielketen wordt versterkt door deze onder eenduidige regie van de eerstverantwoordelijke bewindspersoon te brengen.

Een zinnetje vol quasi-vaktaal. Ik maak eruit op dat de asielketen momenteel zwak is. Waar dat uit blijkt, wordt natuurlijk weer niet meegedeeld. Alles wat duidelijk zou zijn, wordt in de hoofdpijnlijnen vermeden.

We weten allemaal dat een keten zo sterk is als zijn zwakste schakel; regie lijkt me geen schakel in welke keten dan ook. Ik leid uit de zin nochtans af dat de huidige regie momenteel niet eenduidig zou zijn. Welke vorm die regie nu heeft, wordt niet aangegeven. Alles wat duidelijk zou zijn, wordt immers in de hoofdpijnlijnen vermeden en verzwegen.

Het zinnetje laat doorschemeren dat men nog geen idee heeft in welk departement of ministerie en onder wiens of wier hoede de regie eerlang een veilig en eenduidig plekje krijgt. Gebakken lucht dus, vooralsnog. Gebakken lucht is een andere omschrijving van: bombast en holle frasen uit lege vaten.

Het woord ‘asielketen’, dat ik nog niet kende, heeft akelige connotaties in de richting van ouderwetsche gevangenschap en slavernij. Maar klaarblijkelijk ben ik niet goed geïnformeerd; in een kamerstuk uit 2023 komt het woord ook al voor, naast het mij evenmin bekende ‘migratieketen’.

Staat er, nog steeds op pagina 4, eerst dit:

In deze Asielcrisiswet worden waar mogelijk eerste stappen voor structurele maatregelen al getroffen, zoals versterking van grenscontroles en -bewaking, waaronder aanscherping van mobiel toezicht veiligheid (mtv) [...]

daarna staat er dit:

het structureel intensiveren van mobiel toezicht veiligheid

terwijl die Asielcrisiswet maar een reikwijdte van twee jaar zou hebben, en dus niet structureel zou zijn. Wat er met de linkerhand wordt gegeven, wordt met de rechterhand weer teruggegrist. Daaraan herkennen we de bende van vier accordanten weer. Op dezelfde pagina, maar in een ander item van een opsomming, staat het nog een keer:

Structureel intensiveren in mobiel toezicht veiligheid

Wat het precies inhoudt, blijft een beetje erg in het vage en duistere luchtledige hangen, zoals in deze voddentekst gebruikelijk is.

Tussen haakjes wordt er, zonder omslag van woorden, jegens asielzoekende mensen een ‘beperking rechtsbijstand’ opgevoerd. Alsof dat zomaar kan, selectieve beknotting van de rechtsbijstand.

Deze vierde pagina is een goudmijn voor mensen die een ernstig gebrek hebben aan vreemdelingenhaat. Want zie eens wat de bende van vier accordanten nog meer wil, in een hoofdlijn:

Irreguliere migranten [...] direct terugsturen naar Duitsland en België, onder meer bij het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs.

Daar is weer het reactionaire glijmiddel voor juridische onwelvoeglijkheden: subtiele differentiatie. Naast ‘migranten’ zijn er ook ‘irreguliere migranten’. Men moet niet vergeten dat het hier onder meer gaat over mensen die genocide en oorlogsgeweld ontvluchten. Zij moeten allemaal netjes een identiteitsbewijs bij zich hebben. Ik zie, als ik zelfs maar met een half ook naar journaals en berichten op Instagram kijk, mensen die hun huis uit gebombardeerd worden, ik zie mensen in gammele bootjes vluchten over enorme zeeën. Ze hebben geen luis meer om dood te drukken, geen scherf om hun kont te krabben, geen reddingsvest om zich aan vast te klampen, maar ze moeten wel een waterdicht mapje met hun identiteitsbewijs bij zich hebben om dat aan de welvarende Nederlandse grens te laten zien.

Hoe hatelijk wil je het hebben?

5.

Nog steeds pagina vier van het hoofdlijnenakkoord van de malafide, wederrechtsstatelijke bende van vier:

Nederland is op dit moment te aantrekkelijk voor asielzoekers; de inwilligingspercentages moeten van boven naar onder het Europees gemiddelde, onder meer door bewijslastomkering, zodat het niet aan de IND is om te bewijzen dat iemand geen recht heeft om hier te verblijven.

Nederland te aantrekkelijk? Ik heb het tergende, onterende, ontzielende heen en weer sturen door het te aantrekkelijke Nederland van twee Syrische vluchtelingen (een tandtechnicus en een IT’er van nog geen dertig jaar oud) van nabij mee kunnen maken; in het ene AZC mochten ze nog minder dan ze in het volgende konden; steeds weer moesten ze ergens anders op weer een ander onderdeeltje wachten van de ‘behandeling’ van hun ‘zaak’; ze waren meer nummer dan mens, en het verbaast me nog steeds dat ze niet gek zijn geworden van de hun opgelegde verveling; opgelegd, want zij zelf wilden graag Nederlands leren, wilden graag verder studeren, wilden tegelijk graag al gaan werken. Mocht en kon allemaal niet, want er moest nog dit en het was nog wacht op dat.

Mijn hemel, wat is het toch aantrekkelijk daar in die AZC’s. 

Ja hoor, daar zijn ze: de ‘percentages’, het ‘gemiddelde’: het gaat over cijfers, over de administratie, niet over mensen, niet over de werkelijkheid. De kaart, niet het gebied, dichtte ooit iemand in een heel andere context.

En daar is, naast de beperking van de rechtsbijstand, ook de selectieve ‘bewijslastomkering’. Hoe zat dat toch ook al weer met Artikel 1 van de welvarend Nederlandse Grondwet?

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Tegelijkertijd worden er maatregelen voorzien die welvarend Nederland veel te aantrekkelijk maken voor alleenstaande vluchtelingen en vluchtelingenparen zonder kinderen:

forse beperking na-reizigers, inclusief beperking tot het zogenaamde kerngezin met kinderen tot 18 jaar en langere termijnen voordat zulks überhaupt mogelijk is.

 Alweer in strijd met artikel 1 van de grondwet, lijkt mij dit lugubere, selectieve voornemen:

Er komt voor asiel beroep bij één rechterlijke instantie zonder hoger beroep.

 En dan:

Asielvergunning voor onbepaalde tijd wordt afgeschaft

Allemachtig. Die vergunning kan een vluchteling kan je pas aanvragen als die hier al vijf (5) jaar met een tijdelijke vergunning verblijft. Dan zou die dus alsnog in bestaans- en verblijfsonzekerheid verder rond moeten zien te lummelen in dit te aantrekkelijke Nederland?

En de emmer is nog niet vol, nog lang niet:

Opvang kansarme asielzoekers op aparte locaties met een zo veel mogelijk versoberd en deels gesloten regime; de rijksbijdrage aan de Landelijke Vreemdelingenvoorziening wordt beëindigd.

Naast de ‘irreguliere migranten’ onderscheidt de bende ook nog subtiel de ‘kansarme asielzoekers’. Zij mogen in een soort concentratiekamp plaatsnemen, alvorens ze gedeporteerd worden.

En voort gaat het met glibberig taalgebruik:

De rechtsbijstand bij asielaanvragen wordt zo veel mogelijk beperkt en bij herhaalde asielaanvragen maximaal versoberd.

Iets ‘zo veel mogelijk beperken’ is een bedekte, alternatieve formulering van: ‘opheffen’. ‘Maximaal versoberen’ betekent: ‘tot op het dorre bot ontzielen’. 

Let wel, al deze aalgladde, rottende stankretoriek betreft maatregelen die alleen en specifiek van toepassing zouden kunnen worden op uit gewelds- en oorlogsnood van huis gevluchte mensen die hier graag alsnog of opnieuw een normaal, fatsoenlijk bestaan willen proberen op te bouwen. Die mensen worden in dit strontlijnenakkoord moedwillig en stelselmatig in de buitenwettelijke bagger gezet en het al te aantrekkelijke land uit gekotst.

Ik trek het niet verder. De overige 22 pagina’s lees ik stilletjes en jankend in een hoekje.

P.S.

Naar aanleiding van wat ik zag en hoorde in het debat over het baggerlijnenakkoord, bladerde ik zoëven toch nog eens door die ranzige tekst en struikelde, op de derde pagina, over deze zin, als het al een zin mag heten:

Het hele asiel- en migratiestelsel wordt hervormd, de instroom gericht en maximaal teruggedrongen met een breed pakket maatregelen zodat een oplossing wordt geboden voor de huidige acute situatie, met plek voor wie hier echt mag blijven en draagvlak te behouden.

Allereerst valt de overdaad aan intensiveerders weer op: ‘hele’, ‘gericht’, ‘maximaal’, ‘breed’, ‘acute’ en ‘echt’. De schrijver van dit vod zou, indien toegelaten tot een dorpsfanfare, met de bombardon rondlopen. Laat je de rommel weg, houd je nog steeds iets ranzigs over, dus kuisen helpt niet, wat eens te meer duidelijk maakt hoeveel overbodige poeha er wordt gemaakt:

Het asiel- en migratiestelsel wordt hervormd, de instroom teruggedrongen met maatregelen zodat een oplossing wordt geboden voor de huidige situatie, met plek voor wie hier mag blijven en draagvlak te behouden.

Me dunkt dat het terugdringen van de instroom van asielzoekers en andere immigranten al een maatregel zou zijn of anders wel het resultaat van een maatregel zou kunnen zijn. Maar door de boel ingewikkeld te splitsen en er een soort opsomming van te bakken, klinkt het allemaal extra daadkrachtig.

De vraag is waarom er geen probleem wordt genoemd dat hiermee opgelost zou worden. Er is slechts sprake van een situatie, een situatie die huidig is en acuut is. Dat ‘huidig’ is pure ruis, maar ‘acuut’ is vuile ruis, want afgaand op de gratis Van Dale wordt dat woord vooral gebruikt met betrekking tot ziekten:

(van ziekten) plotseling (optredend) (tegenstelling: chronisch (1)): acute blindedarmontsteking met snel verloop en hevige klachten

Ik zou daarnaast toch denken dat ‘de situatie’ al wat langer het geval is. Gemiste kans voor de bende van vier om de asiel- en migratieproblematiek als een chronische nationale ziekte neer te zetten. Dan had men in één keer duidelijker kunnen impliceren dat die asielzoekers en migranten ziektekiemen zijn; een metafoor met een roemruchte geschiedenis.

Inmiddels blijft de vraag waar het aan de zin bungelende, syntactisch blinde darmpje, namelijk ‘met plek voor wie hier mag blijven en draagvlak te behouden’ een bepaling bij is en wat de samenhang is tussen het deel ‘met plek voor wie hier mag blijven’ en het deel ‘draagvlak te behouden’. Er kan veel met AI, maar er wordt ook veel onzin mee gegenereerd.

Terwijl de vuige bende van vier asociale brokkenpiloten een tekst de wereld in slingert die overloopt van het buitenissige en overbodige lawaai, probeert ze anderen monddood te maken in een kort zinnetje dat onderaan pagina zes staat, nog steeds in de paragraaf over de tweede hoofdlijn, ‘Grip op asiel en migratie’:

Er komt regulering van versterkte gebedsoproepen.

Klinkt als een algemene maatregel. Klinkt bijna vriendelijk met dat ‘regulering’; trotse en hoopvolle  Nederlandse lefgozers en -meiden zijn immers dol op fijnmazige wetjes en regeltjes, hoe meer, des te beter. Het woord ‘regulering’ staat niet in de gratis Van Dale (vooruitlopend op de btw-verhoging op boeken en andere cultuurgoederen, moet ik de papieren versie toch maar snel gaan heraanschaffen) maar het zal iets betekenen als: ‘regelgeving’, ‘onderwerping aan regels’.

Ik wist echter niet dat er iets mis is met de huidige (ha ha, ik kan het ook) versterkte gebedsoproepen. Het zijn toch doorgaans misstanden, die om regulering vragen? Maar websurfend zag ik verschillende bronnen die als eerste betekenis van ‘regulering’ noemen: ‘matiging’.

Het moet zeker zachter? Maar ja, dan werkt zo’n oproep niet meer effectief, zeker niet in een rumoerige stad. Het is dan ook overduidelijk geen algemene maatregel, maar een voorbeeld van enigszins sluw verpakt, uiterst onvriendelijk, haatdragend specifiek moslims-treiteren. Het heeft niets te maken met de huidige asielsituatie, niets met acute migratie, niets met grip, niets met lef, niets met hoop en al helemaal niets met zelfs maar de schijn van trots.

Hoe verder ik lees, hoe meer ik kots van het strontlijnenakkoord.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

dinsdag, april 23, 2024

De Grote ABC-reeks is groter en tegelijk toch ook best wel kleiner dan ik dacht

Van Aya Zikkens ’s Morgens en ’s avonds niet bellen verscheen de eerste en, voor zover ik kan nagaan, enige druk in 1969 bij De Arbeiderspers, en wel als nr. 147 van de reeks Grote ABC. Achter in het boek is een lijst van Grote ABC-pockets opgenomen van nr. 1 tot en met 155. Ik neem aan dat het gaat om alle tot dan toe verschenen nummers, plus, na het boek van Zikken, nog negen andere die om en nabij hetzelfde jaar zijn verschenen of zouden verschijnen.

De eerste Grote ABC was de vijfde druk van Simon Vestdijks De nadagen van Pilatus, verschenen in 1964. De eerste druk van die roman dateert van 1938 en werd uitgegeven door Nijgh en Van Ditmar; de tweede druk was in 1957 bij De Arbeiderspers verschenen als nr. 96 in de reeks ABC-boeken (net als de derde druk in 1959).

De serie ABC-boeken is, let op, iets anders dan de reeks Grote ABC-pockets, waarin, als gezegd, de vijfde druk van De nadagen van Pilatus als eerste werd opgenomen in 1964, en vervolgens de zesde druk in 1966 en zo voort tot en met de twaalfde druk in 1987, afgaand op de nogal uitgebreide lijst (687 items) van grote ABC-pockets op de website Last Dodo.

Best wel een gekke naam, ‘Grote [...] pockets’. De lol van pockets was toch dat ze in je jaszak pasten? Probeer Vestdijks Pilatus er maar eens in te proppen... Dankt die reeks zijn naam aan het feit het woord paperback in Nederland nog niet gangbaar was en de Grote Literatuur tot dan vooral in gebonden boeken met harde kaften en rechte ruggen de markt op werd geslingerd?

Nr. 148 van de Grote ABC is Louis Paul Boons Niets gaat ten onder. Via de catalogus van de KB verneem ik dat die roman voor het eerst in 1956 was verschenen bij De Arbeiderspers en dat de tweede druk ervan in de Grote ABC-reeks verscheen in 1970. Last Dodo vertelt een heel ander verhaal over het boek uit 1956 met een plaatje erbij van het omslag waarop met grote letters ‘Grote ABC’ staat. Ik weet niet wie we nu moeten geloven. Misschien maar eens de grote definitieve verzameld-werkuitgave van LPB raadplegen.

Nr. 149 van de reeks Grote ABC, zo gaat uw verkenner onverstoord door, is Hermann Hesse, Narziss en Goldmund, de derde druk, verschenen in 1972; gegevens over een eerdere Nederlandstalige uitgave ontbreken, ook in de KB-catalogus.

Nr. 150, Ulrich Stöwe, Geliefde Antinous! kan ik vooralsnog überhaupt niet vinden, in de KB, op Last Dodo of elders op het internet. Het oorspronkelijke boek verscheen in 1967 bij Paul List Verlag onder de titel Antinous, Geliebter. Ein Schicksalsjahr für Kaiser Hadrian.

Nr. 151 is Boris Vian, Herfst in Peking  en verscheen in 1970; andere KB-gegevens ontbreken.

Nr. 15[2]  is Stendal, Italiaanse kronieken, verschenen in 1969 (in de Grote ABC-lijst in het boek van Zikken staat abusievelijk ook hierbij nr. ‘151’).

Nr. 153, Marianne Sinclair, De man in het park, verscheen in 1969.

Nr. 154, Magdalen King-Hall, Dagboek van een meisje van stand uit de 18e eeuw, verscheen in 1970.

Nr. 155, Alexander I. Koeprin, De kuil, verscheen eveneens in 1970.

De staart van de lijst in Zikkens boek bevat dus inderdaad uitgaven die de lezer in het nabije vooruitzicht werden gesteld, waarvan er een echter kennelijk niet gerealiseerd is.

Overigens is de lijst in Zikkens boek verre van volledig: de nummers 4, 14, 15, 16, 18, 20, 22, 23, 25, 26, 28, 29, 31, 32, 33, , 42, 43, 48-51, 53-56, 58-61, 65, 80 en 96 ontbreken.

Nr. 4 heeft wel bestaan; het was De autocraten (1963) van Rutger van Zeijst, waarvan de tweede druk pas verscheen in 2017 bij uitgeverij Brooklyn volgens Last Dodo en de KB.

Nr. 14 ontbreekt niet alleen in de Zikken-lijst maar ook bij Last Dodo.

Nr. 15 is een bloemlezing uit het werk van Saki (ps. van H.H. Munro), Kwartelzaad & 37 andere verhalen. Verzameld en ingeleid door Graham Greene (1964; vert. van The Best of Saki).

Nr. 16 ontbreekt ook op Last Dodo, net als nr. 18, 20.

Nr. 22 is de eerste druk van De kwerulant (1964) van Pieter Reeuwijk; volgens de KB is er geen tweede druk van verschenen.

Nr. 23 ontbreekt op Last Dodo net als nr. 25 en nr. 26.

Kortom, de rest is huiswerk voor de lezer; er valt nog genoeg uit te zoeken over de ware reeks Grote ABC-pockets van De Arbeiderspers.

Maar nu is het voor uw verslaggever tijd om een bezoekje te brengen aan ABC Libertas, het Arnhems boekencafé waar ze ook heerlijke taart en gemberthee verkopen.


P.S.

Rolf den Otter, die deze post las via Neerlandistiek.nl, suggereerde niet alleen info over de Grote ABC-reeks te zoeken via Boekwinkeltjes.nl, maar wees me ook op Librarythings.nl. Daar staat een enorme Grote ABC-lijst. Je kunt er bij voorbeeld vinden dat nr. 14 is: De luistervink van Martin Beheim-Schwarzbach. Louter klassieke grootheden bevat de reeks dus niet.

Maar wat schetst mijn verbazing? Niet alleen ontbreekt in die lijst nr. 3, 1984 van George Orwell, en is nr. 151 niet ontdubbeld, maar ook nr. 147 ontbreekt! Arma Aya, steeds weer de pineut.

Wat leren we hieruit? 1. Geen lijst zo groot, of er ontbreekt wel een item aan. 2. Twee weten meer dan een (en drie meer dan twee). Mogelijk zijn dat tevens de twee hoofdwetten van de vroolijke hermeneutiek. Waren ze dat nog niet, dan bij dezen.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

zaterdag, maart 23, 2024

Kiezen

1. Misschien wel juist in de meest afschuwelijke berichten leiden bijzonderheden in het taalgebruik mijn aandacht helemaal van de inhoud af; bieden dankbaar door mijn onderbewustzijn ingeslagen vluchtwegen uit de ellende. Zoals een bepaling in volgende formulering in een bericht in de digitale Gelderlander:

In een fractie van een paar seconden staat zijn leven op zijn kop. Maar vooral dat van de nabestaanden van de mensen die hij net heeft aangereden.

Doodgereden.

Die zelfcorrectie na een alinea-einde, en in de vorm van een enkel woord na een combinatie van een relatief lange, volledige zin en een relatief lange, onvolledige zin lijkt me een heel treffende dosering van de informatie. Het leed is de syntaxis voorbij en grijpt je zo bij de lurven.

Maar de bepaling in de volledige zin die mijn aandacht de semantische ruimte in slingerde, is: ‘in een fractie van een paar seconden’.

Waarom zou je dat zo zeggen in plaats van bijvoorbeeld: ‘in een seconde’? Een ‘seconde’ is immers een fractie van ‘een paar seconden’? Of betoon ik me nu een echte alpha? En dan laat ik nog in het midden of ‘een paar’ ‘twee’ betekent dan wel ‘enkele’ of ‘weinig’. Hoe dan ook kan je dan gaan piekeren over wèlke seconde het hier betreft, de eerste of de tweede, of, in geval van ‘enkele’ of ‘weinig’, ook nog de derde of de vierde? Veel meer kunnen het er toch niet geweest zijn, want het gebeurde kennelijk heel erg snel. Het meest voor de hand en op het toetsenbord liggende alternatief lijkt me het cliché ‘in een fractie van een seconde’ of ‘in een oogwenk’, ‘in een ogenblik’, of ‘op slag’, hoewel dat laatste misschien weer al te plastisch is bij de kop-staartbotsing waar het in het bericht over gaat.

Stijl is een kwestie van kiezen en doseren: welke woorden, hoeveel, en waar ten opzichte van elkaar.

2. In het debuut van Andreas Burnier, Een tevreden lach (Querido, Amsterdam, 1965, p. 19) las ik ook iets waardoor ik afdwaalde, maar dan zonder dat ik meteen kon vermoeden waardoor die détour aangezwengeld werd. 

Later werd er ook een film hier opgenomen: L'esclave, met Daniel Gelin als verslaafde aan verdovende middelen in de hoofdrol.

De inmiddels breed geaccepteerde formule ‘tot slaaf gemaakte’, een begrijpelijk gemaakte en terechte correctie op de ouderwetse aanduiding ‘slaaf’, leidt mij nog altijd enigszins af van de inhoud van een bericht waarin dat woord voorkomt. Burniers expliciete formulering ‘verslaafde aan verdovende middelen’ zette me aan het denken, want  tegenwoordig heet zo iemand, geloof ik, kort door de bocht ‘verslaafde’.

Als je dat lapidaire, koloniale ‘slaaf’ wilt vervangen door iets beters, een aanduiding die de realiteit van het concept erachter beter, eerlijker, zuiverder beschrijft, zou je, in een ouderwetse opvatting van woordvorming of etymologie zoals de mijne, mensen die tot slaaf gemaakt zijn, kortheidshalve kunnen aanduiden als ‘verslaafden’. Omdat stijl en morfologie ook te maken hebben met aan analogieën, voeg ik eraan toe: zoals er ook verworpenen der aarde zijn, en veronachtzaamden, vergetenen, verlorenen, allemaal mensen met wie iets gebeurd is, mensen die iets aangedaan is waardoor hun zijn veranderd is. Verschoppelingen heten echter doorgaans weer niet ‘verschopten’. Had ook gekund, toch. Maar een drenkeling is echt iets anders dan een verdronkene. De systematiek van taal is nooit volledig, lijkt het.

Van ‘gebruikers’ (van verdovende middelen) die in hun gebruik gevangen zijn, zou je, om het onderscheid duidelijk te houden, kunnen zeggen dat zij zich verslaafd hebben, hoewel ik vrees dat velen, tabaksverslaafden voorop, in de waan leven dat ze zelf geen enkele rol spelen in hun verslaving maar dat het de ‘middelen’ zijn die hen in hun macht genomen hebben.

Op de website Slavernijenjij lees ik dat de nieuwe terminologie uit het Engels is overgenomen, en: ‘Omdat het Nederlands geen equivalent heeft voor het woord ‘‘enslaved’’, wordt het hier dus letterlijk vertaald.’ Ik denk dat dat equivalent er wel was, maar dat het al in gebruik was geraakt voor een heel andere referent. Het zou daardoor leiden tot ongewenste associaties en connotaties. In het Engels hebben ze opmerkelijk genoeg een apart woord voor een drugsverslaafde: addict. Was voor ons ook wel handig geweest.

Stijl is een kwestie van kiezen, maar je moet er van de taal wel de ruimte voor krijgen.

Ieder weldenkend mens had hier vast al eerder over nagedacht. Bij mij duurde het wat langer.

En hoewel ik pas net begonnen ben, denk ik, maar dit ter zijde, dat ik Een tevreden lach nu al kan aanraden: heel scherp gedacht, heel sterk geschreven, zeker niet langs lijnen van geleidelijkheid, eigenzinnig buiten de perken tredend van de literaire genres.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

maandag, februari 26, 2024

Een oude geschiedenis

Om redenen die hier niet van belang zijn lees ik momenteel 's Morgens en 's avonds niet bellen (1969) van Aya Zikken (1919-2013), een auteur die ik, toen ik dit boek op straat vond, waarschijnlijk alleen van naam kende uit een bijzin in de literatuurgeschiedenis, een zin in de trant van: 'Verder moet ook nog genoemd worden [...]' of iets vergelijkbaar denigrerends waar Lodewick een kei in was, dezelfde Lodewick met de vele voorletters die niet meer in mijn boekenkast figureert omdat hij vooral literatuur opsomde in plaats van er de geschiedenis van te schrijven.

Nu ik het nakijk in wat er wel nog in de huisbieb staat, zie ik dat Ton Anbeek met geen woord rept over Zikken in Geschiedenis van de literatuur in Nederland, 1885-1985 (5e, herz. dr. 1999, oorspr. 1990). Ook Thomas Vaessens heeft in Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur (2013) zelfs geen bijzin voor Zikken gereserveerd, evenmin in het aanpalende boek Literatuur in de wereld. Handboek moderne letterkunde (2013), geredigeerd door Jan Rock, Gaston Franssen en Femke Essink. Eerder in de geschiedenis van de literatuurgeschiedenis was er geen plaats voor haar in Twee eeuwen literatuurgeschiedenis. Poëticale opvattingen in de Nederlandse literatuur (1986), geredigeerd door G.J. van Bork en N. Laan. En in (het register van) Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 (1996) van Frans Ruiter en Wilbert Smulders is er tussen, nota bene, 'Zangeres zonder Naam, De' en 'Zola, Emile' alleen een regel ingeruimd voor de socioloog 'Zijderveld, A.C.' Ook in de door Erica van Boven en Mary Kemperink bewerkte tekst van de heer J.M.J. Sicking, uitgegeven onder de titel Literatuur van de moderne tijd. Nederlandse en Vlaamse letterkunde in de negentiende en twintigste eeuw (2006), ontbreekt Zikken volledig.

Dat ik Zikken toch kende van naam, dank ik kennelijk aan Hugo Brems.* In Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005 (2006) noemt hij haar op maar liefst vijf plaatsen. Bij nadere inspectie slaat mij echter de twijfel om het hart, want in hoofdstuk 5, onder het kopje 'Vrouwelijke schrijvers', heeft hij Zikken verstopt in een opsomming van 'oudere en jonge debutanten' uit de periode 1955-1965; de schrijfster, voeg ik eraan toe, debuteerde in 1953 met Het godsgeschenk onbegrepen, en kan dus met haar toenmalige 34 jaar zowel een 'oudere' als een 'jonge' debutante heten; de kenners discussiëren er, bijna twintig jaar later, waarschijnlijk nog steeds over.

Vervolgens verdwijnt Zikken onder de pen van Brems in een andere opsomming, ingeluid met: 'Opmerkelijk is het relatief grote aandeel van schrijfsters met een Indische achtergrond' (175). Net als leeftijd, is ook achtergrond, voor zover die al relevant is, relatief. Hoe opmerkelijk zoiets is, staat natuurlijk ook nog te bezien. En de vaklui, zij kibbelden voort.

Daarna dient Zikken met Als wij groot zijn, dàn misschien (1954), waar Brems verder geen enkel woord aan vuil maakt, als een van de vele opgesomde voorbeelden van experimenten met de romanvorm na 1945; het gaat daarbij om, let goed op: 'wisselingen van perspectief in het algemeen', overigens maar een van de 'tientallen voorbeelden [...] van romans waarin los wordt omgesprongen met de conventies van het genre.' Juju, het ging er ruig aan toe in die dagen!

Maar vergis je niet: 'die experimenten [bleven] in veruit de meeste gevallen ondergeschikt [...] aan het fundamenteel realistische romanproject waarbinnen zij functioneerden.' Reden genoeg voor Brems om hier resoluut historische planken te zagen van dik literair hout en gedurende meerdere bladzijden in te gaan op het werk van Louis Paul Boon, dat 'een belangrijke uitzondering op deze algemene tendens' vormt. (190)

Op bladzijde 434, in hoofdstuk 9, doemt Zikken weer op in de dikke Brems-van-de-Taalunie, nu onder het kopje 'Indisch-Nederlandse auteurs van de tweede generatie', een generatie waar zij evident niet toe behoort. Brems noemt haar daar alleen in een inleidende alinea waarin hij stelt dat '[r]ond 1975 [...] een hoofdstuk van de Oost-Indische letteren definitief [leek] te worden afgesloten' (quod non, natuurlijk, voor de goede verstaander), wat onder meer zou blijken uit: de bekroning van het werk van Zikken met de Marianne Philips-prijs.

En dat was het dan weer voor de schrijfster met haar opmerkelijke Indische of Oost-Indische achtergrond. U moet van die prijs weten, ik zeg het er maar bij want Brems verzuimt het, dat er alleen auteurs voor in aanmerking kwamen 'vanaf vijftig jaar die nog steeds creatief waren maar wier werk enigszins op de achtergrond was geraakt of dreigde te raken' (aldus Wikipedia). Dat, kan Brems gedacht hebben, is ook best wel een soort opmerkelijke achtergrond.

Tegen het einde van Brems' geschiedverhaal mag Zikken toch nog één keer het aanminnelijke kopje even opsteken; dat gebeurt traditiegetrouw in een opsomming, deze keer ter illustratie van 'de plotselinge heropleving van [het] "stiefkind van de literatuur"', het reisverhaal. Welk verhaal van Zikken? Geen idee. Brems noemt er geen. Zoek dat, lieve lezer, zelf maar uit.

--

Tot zover Aya Zikken als schimmige figurant in opsommingen van literaire stiefkinderachtigheden maar vooral als onzichtbare ster in de duisternis van de (mannelijke) literatuurgeschiedenis, althans voor zover die mijn huidige boekenkast bereikt heeft en er behouden is gebleven. Dat is natuurlijk niet de literatuurgeschiedenis, maar wel het instrumentarium waarmee ik, met mijn collega's, decennialang studenten heb trachten te verlichten. Schaamte komt al sinds de tijd van Adam te laat.

Iets olijker en lichter was de situatie van Zikken in 1969, toen de recensies verschenen van 's Morgens en 's avonds niet bellen. LiteRom noemt er vijf, waarvan er maar liefst vier geschreven zijn door  vrouwelijke recensenten: Nel Noordzij in de Telegraaf, Margaretha Ferguson in Het vaderland, Ellen Hermens in Nieuw Utrechts dagblad en J. Polak-Siliava in NRC-Handelsblad; die ene mannelijke recensent heet, heel leep, Anne, het is Anne Wadman, schrijvend in de Leeuwarder courant. 

Polak-Siliava noemt het boek, met enige tegenzin lijkt het, 'hier en daar niet onaardig, meestal onnozel en onbenullig, soms ook een tikkeltje vals.' Hermens noemt het geen meesterwerk. Ferguson – ooit, net als Haasse, klasgenote van Zikken – noemt Zikken een 'produktieve, zichzelf steeds vernieuwende schrijfster' die in dit werk even een pas op de plaats maakt. Noordzij ziet het onderhavige werk van Zikken als:

een zowel baldadige als diepzinnige autobiografie, die bestaat uit polemieken, beschouwingen, herinneringen, losse notities, een geestig-ondeugend vervolgverhaal en, voor het eerst, gedichten. Men komt er de schrijfster in tegen, zoals zij bekend werd in haar overige werk: intelligent, licht ironisch, totaal onburgerlijk, mild en geestig, en als kosmopoliet.

Ik ken dat overige werk van Zikken niet, maar 's Morgens en 's avonds niet bellen vind ik een intelligente, licht ironische, bij vlagen stevig onburgerlijke, milde, geestige, smakelijke, literaire ratatouille van dagboek, herinneringen, overpeinzingen, gedichten en korte verhalen, met enkele uitschieters naar wat al te flodderig geoudehoer. Parallel lees ik nu, maar dit terzijde, The Friend van Sigrid Nunez (2018), dat een serieuze roman is, maar net als dit boek van Zikken een aangenaam literair mozaïek, gemaakt door een schrijfster die van schrijven weet.

*Altijd weer mannen die literatuurgeschiedenis schrijven? Nederlandse literatuur, een geschiedenis (1993), onder redactie van M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ben ik media vita of iets later helaas kwijt geraakt. Maar in de bibliotheek van Arnhem, Rozet, was het werk ter inzage. Ik zag het in en zag ook daar niet het minste spoor van Zikken.


P.S.

Oud-collega dr J.H.M. Anten, die erkende dat hij van Zikken ook nog geen bladzijde gelezen heeft, zei me gisteren (d.w.z. 06-03-2024), nadat bovenstaand bericht was geplaatst op Neerlandistiek.nl, dat hij haar naam kende van het tv-programma Hou je aan je woord. Zikken werkte daaraan mee, samen met tal van andere bekende Nederlands(talig)e auteurs uit die tijd. Ze schrijft er uitvoerig over in 's Morgens en 's avonds niet bellen, misschien om haar posture wat te pimpen, maar vooral om de gewekte suggestie van de spontane talige gevatheid der literatoren die aan het programma meewerkten, door te prikken (wat ook weer bijdraagt aan haar posture). Hans wees me erop dat er beeld bewaard is gebleven van dat programma. Helaas is ook het op Youtube geconserveerde materiaal een beschamende historische vertoning, in zoverre dat alleen bijdragen van Godfried Bomans aan elkaar zijn gemonteerd (die inderdaad hilarisch en heel sterk zijn), en Zikken de hele tijd, af en toe minzaam lachend, steeds zwijgend, als ware het voor spek en bonen, naast Bomans zit, zonder dat zelfs haar naam maar genoemd wordt of in beeld komt, al was het maar ter afwisseling van de even monotone als eindeloze hoeveelheid shots van de cigarettes en glazen wijn waar de in kennelijk spirituele staat verkerende Godfried zijn andere dan verbale behoeften breeduit in beeld mee bevredigt.

donderdag, februari 22, 2024

Fama non olet - Zikken, Kouwenaar en Haasse

In de prachtige biografie men moet beschrijft Arjen Fortuin meerdere financiële troebelen alsmede het eeuwige gevecht om aandacht en reputatie in het leven van Gerrit Kouwenaar. Enig soelaas op beide gebieden bracht, neem ik aan, het aanbod van Querido dat Kouwenaar samen met Adriaan Morriën en Jacques den Haan de redactie zou vormen van Stemmen van schrijvers, een serie grammofoonplaatjes waarop 'de beste schrijvers van Nederland' uit eigen werk voordragen; het was Querido's vroege poging om de audiomarkt te bestormen, waar na negentien 45-toerenplaatjes met voordrachten van 38 auteurs  in twee jaar al een einde kwam (Fortuin rept overigens van twintig singletjes).

Natuurlijk behoorde Kouwenaar zelf, volgens de redactie waartoe Kouwenaar ook behoorde, tot de de 'beste schrijvers van Nederland'. Hij deelt het vijfde singletje van de reeks met Hans Andreus. Niet alleen 'P.C. Hooft scheet op de grote hoop', zoals Fortuin dat noemt. (350)

Tot mijn verrassing las ik net weer over de platenreeks die ik nog maar net had leren kennen. Een tijd terug had ik een oud maar fris ogend boek in een straatboekenkastje gevonden dat met zijn typische zestiger-jaren-uiterlijk mijn aandacht trok en waar ik gisteren in ben gaan lezen (na een setje teleurstellende leeservaringen met actuele Libris-nominaties): 's Morgens en 's avonds niet bellen (1969) van Aya Zikken (1919-2013), een auteur die ik alleen van naam kende, waarschijnlijk uit een handboek literatuurgeschiedenis.

In 1959-1960 behoorde Zikken, althans volgens Kouwenaar c.s., tot de besten:  met niemand minder dan Hella S. Haasse op de andere zijde draagt ze voor uit eigen werk op het zeventiende plaatje, het op twee na laatste van de reeks.

Ik moet zeggen, nu ik tot bladzijde 24 gekomen ben: het valt me helemaal niet tegen, deze Grote ABC 147 van 130 bladzijden omvang, volgens de tekst op het achterplat 'een mengsel van dagboek, herinneringen, overpeinzingen, gedichten, polemieken en korte verhalen'.

Door Zikkens boekje weet ik dat Kouwenaar met zijn voordracht een meier verdiend zal hebben. Zikken schrijft immers (19), wanneer iemand bij haar langs is geweest 'om honderd gulden te lenen omdat ze plotseling naar Parijs wilde' (nog zoiets wat ook in Kouwenaars leven voorkomt):

Jammer genoeg kon het toevallig want ik had net van Querido honderd gulden ontvangen voor meewerking aan de grammofoonplatenserie 'Stemmen van schrijvers' en wat bij mij zelden voorkomt: die honderd gulden lagen dus gewoon voor het grijpen.

Plaatgenote Haasse is iets bekender gebleven dan Zikken, denk ik. Opmerkelijk is dan weer wat er in de achterplattekst van 's Morgens en 's avonds niet bellen staat, na de hierboven aangehaalde karakterisering van het boek:

Aya Zikken biedt ons hier haar 'zelfportret als legkaart', het privé-domein van een altijd nieuwsgierige schrijfster.

Zowel een referentie aan de bekende autobiografische publicatie van Haasse uit 1954 als een aan de beroemde serie autobiografieën en egodocumenten waarmee de Arbeiderspers in 1966 was gestart, maar waarin geen van beide auteurs is opgenomen. Met Haasse deelt Zikken trouwens ook een (gedeeltelijke) jeugd in toenmalig Nederland-Indië.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.