Posts tonen met het label Hella S. Haasse. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hella S. Haasse. Alle posts tonen

donderdag, februari 22, 2024

Fama non olet - Zikken, Kouwenaar en Haasse

In de prachtige biografie men moet beschrijft Arjen Fortuin meerdere financiële troebelen alsmede het eeuwige gevecht om aandacht en reputatie in het leven van Gerrit Kouwenaar. Enig soelaas op beide gebieden bracht, neem ik aan, het aanbod van Querido dat Kouwenaar samen met Adriaan Morriën en Jacques den Haan de redactie zou vormen van Stemmen van schrijvers, een serie grammofoonplaatjes waarop 'de beste schrijvers van Nederland' uit eigen werk voordragen; het was Querido's vroege poging om de audiomarkt te bestormen, waar na negentien 45-toerenplaatjes met voordrachten van 38 auteurs  in twee jaar al een einde kwam (Fortuin rept overigens van twintig singletjes).

Natuurlijk behoorde Kouwenaar zelf, volgens de redactie waartoe Kouwenaar ook behoorde, tot de de 'beste schrijvers van Nederland'. Hij deelt het vijfde singletje van de reeks met Hans Andreus. Niet alleen 'P.C. Hooft scheet op de grote hoop', zoals Fortuin dat noemt. (350)

Tot mijn verrassing las ik net weer over de platenreeks die ik nog maar net had leren kennen. Een tijd terug had ik een oud maar fris ogend boek in een straatboekenkastje gevonden dat met zijn typische zestiger-jaren-uiterlijk mijn aandacht trok en waar ik gisteren in ben gaan lezen (na een setje teleurstellende leeservaringen met actuele Libris-nominaties): 's Morgens en 's avonds niet bellen (1969) van Aya Zikken (1919-2013), een auteur die ik alleen van naam kende, waarschijnlijk uit een handboek literatuurgeschiedenis.

In 1959-1960 behoorde Zikken, althans volgens Kouwenaar c.s., tot de besten:  met niemand minder dan Hella S. Haasse op de andere zijde draagt ze voor uit eigen werk op het zeventiende plaatje, het op twee na laatste van de reeks.

Ik moet zeggen, nu ik tot bladzijde 24 gekomen ben: het valt me helemaal niet tegen, deze Grote ABC 147 van 130 bladzijden omvang, volgens de tekst op het achterplat 'een mengsel van dagboek, herinneringen, overpeinzingen, gedichten, polemieken en korte verhalen'.

Door Zikkens boekje weet ik dat Kouwenaar met zijn voordracht een meier verdiend zal hebben. Zikken schrijft immers (19), wanneer iemand bij haar langs is geweest 'om honderd gulden te lenen omdat ze plotseling naar Parijs wilde' (nog zoiets wat ook in Kouwenaars leven voorkomt):

Jammer genoeg kon het toevallig want ik had net van Querido honderd gulden ontvangen voor meewerking aan de grammofoonplatenserie 'Stemmen van schrijvers' en wat bij mij zelden voorkomt: die honderd gulden lagen dus gewoon voor het grijpen.

Plaatgenote Haasse is iets bekender gebleven dan Zikken, denk ik. Opmerkelijk is dan weer wat er in de achterplattekst van 's Morgens en 's avonds niet bellen staat, na de hierboven aangehaalde karakterisering van het boek:

Aya Zikken biedt ons hier haar 'zelfportret als legkaart', het privé-domein van een altijd nieuwsgierige schrijfster.

Zowel een referentie aan de bekende autobiografische publicatie van Haasse uit 1954 als een aan de beroemde serie autobiografieën en egodocumenten waarmee de Arbeiderspers in 1966 was gestart, maar waarin geen van beide auteurs is opgenomen. Met Haasse deelt Zikken trouwens ook een (gedeeltelijke) jeugd in toenmalig Nederland-Indië.

Dit bericht kreeg een tweede leven op Neerlandistiek.nl, het online tijdschrift voor taal- en letterkunde.

zaterdag, december 12, 2020

Motto's overbruggen eeuwen

Zo leerzaam, een oude cursus met een verfriste, of in ieder geval veranderde, inhoud. Zeker waar het een overzicht betreft van de Moderne Nederlandse (lees: Nederlandstalige) Letterkunde.

Al een tijd prijkt op onze literatuurlijst het eerste hoofdstuk van Zelfportret als legkaart van Hella Haasse (1955). Een indrukwekkend hoofdstuk, vind ik, met een piepkleine Natureingang die mythische proporties althans mogelijkheden heeft; een stel buitelende kinderen die aanleiding zijn voor een overpeinzing van het eigen zijn van de vertelster; en een echtgenoot die zodra hij genoemd is alweer (en waarschijnlijk voorgoed) uit beeld verdwijnt.

Omdat we in de betreffende cursus alleen het eerste hoofdstuk lezen (en hopen dat dat wel uitnodigt tot verder lezen), was ik tot nu toe voorbijgegaan aan het motto, dat weliswaar voor het eerste hoofdstuk staat (en in de DBNL-versie ook erboven), maar betrekking heeft op het gehele boek, mede gelet op de prachtige titel. Het motto is ontleend aan sir Thomas Browne (1605-1682):

The world that I regard is myself; it is the microcosm of my own frame

that I cast mine eye on; for the other, I use it but like my globe, and turn

it round sometimes for my recreation.

Samen zeggen deze twee tekst-elementen veel over de problematiek van zelf, wereld en identiteit die in dit boek wordt behandeld. Meer ga ik er niet over zeggen; je moet studenten niet het gras voor de voeten wegmaaien, immers.

Dit jaar staat voor het eerst ook Hugo Claus' De geruchten (1996) op de literatuurlijst van deze eerste-jaarscursus Letterkunde Nederlands II: Moderne Tijd. Lang is het geleden dat ik dat voor het eerst las. En ook bij deze roman bleef ik bij het herlezen nu wèl braaf even hangen bij het motto; dit is ontleend aan andere oude Engelsman, John Donne (1572-1631):
'Tis all in pieces, all coherence gone;
All just supply and all relation.
Op een dag als vandaag vind ik het mooi om te zien dat al die eeuwen die er tussen Moderne Nederlandse en Vroegmoderne Engelse teksten liggen overbrugd worden door motto's.

Een dag later constateer ik dat ik veel langzamer door De geruchten geraak dan met het oog op het naderende college handig is, terwijl ik me wederom verbaas over de opbouw van deze roman en over de ongelooflijke en naar ik vrees tijdloze wreedheden waarover daarin wordt verteld tussen al het volkomen of gespeeld onnozele geroddel door. Nochtans blader ik ter afwisseling en ontspanning nieuwsgierig door een nieuw boek, Suppose a Sentence van Brian Dillon, dat ik oningezien heb aangeschaft omdat iemand, laat ik haar Sophie Kok noemen, me erover tipte naar aanleiding van mijn opmerkingen over First You Write a Sentence. Wat schetst mijn verbazing die de kop opsteekt als ik in de inhoudsopgave van dat door Fitzcarraldo Editions prachtig uitgegeven boek achtereenvolgens een essay van vijf en een halve bladzijde lang zie aangekondigd over een zin van John Donne en een ander dat drie bladzijden vult over een zin van Sir Thomas Browne, twee lieden wier naam ik de afgelopen decennia nog nooit binnen een en dezelfde context had gelezen.