maandag, november 02, 2015

Oude koek, en zopie: lijfgedicht (anno 2006)

Voordracht op Gedichtendag 2006, Stadhuis Utrecht

Der Tod der Geliebten

Er wußte nur vom Tod was alle wissen:
daß er uns nimmt und in das Stumme stößt.
Als aber sie, nicht von ihm fortgerissen,
nein, leis aus seinen Augen ausgelöst,

hinüberglitt zu unbekannten Schatten,
und als er fühlte, daß sie drüben nun
wie einen Mond ihr Mädchenlächeln hatten
und ihre Weise wohlzutun:

da wurden ihm die Toten so bekannt,
als wäre er durch sie mit einem jeden
ganz nah verwandt; er ließ die andern reden

und glaubte nicht und nannte jenes Land
das gutgelegene, das immersüße -
Und tastete es ab für ihre Füße.

Rainer Maria Rilke
Praag 04-12-1875 - Valmont 29-12-1926

Dit gedicht werd oorspronkelijk gepubliceerd in de bundel: Der neuen Gedichte anderer Teil (1908); ik citeer het hier uit: Die Gedichte. Nach der von Ernst Zinn besorgten Edition der Sämtlichen Werke (1957). Frankfurt am Main 1986, p. 507-508.

Waarom is, nee: vind ik dit gedicht zo fraai, dat ik het al jaren uit m'n hoofd ken, en jaren daarvoor uit mijn hoofd wilde kennen? Omdat het van een enorme liefde getuigt, maar niet alleen maar van die liefde, ook en vooral van een ongewoon soort kennis die daar weer het gevolg van is, althans: een kennis die alleen maar op die basis gevestigd kan zijn; en op die kennis rust een stoïsche onverstoorbaarheid jegens datgene wat in principe zo verontrustend is: de dood, en dan in het bijzonder de dood van een/je/de geliefde.

Het gaat veel verder en is veel positiever dan wat P.N van Eyck dichtte:

Wie zijn lijden eeuwge noodzaak heeft bevonden
Vraagt geen heul voor zijn gekneusde menschlijkheid,
Kan niet klagen om de smart der onverbonden,
Zonder deernis in zijn ziel geslagen wonden,
Aan wier scherpe pijn zijn deel der wereld lijdt.
Ook uit het hoofd, maar wel even gecontroleerd in: Inkeer, Bussum 1927, p. 23. Van Eyck blijft wat hangen in 'prijst het zware leven schoon', Rilke komt tot lichtheid. In dit gedicht. Vind ik.

Ik begrijp ook wel dat dit doodsbeeld verre van realistisch is, in de meeste gevallen. Het is een ideaalbeeld. Daarom is het ook zo mooi: zo moet het toch eigenlijk altijd zijn.

Mooi aan dit gedicht vind ik ook dat het een situatie beschrijft die niet kan bestaan, zelfs niet in de fictieve wereld die het schetst (ik kon althans in Leppmanns biografie van Rilke zo gauw niet een gestorven geliefde vinden in of voor 1908). Pas nadat zij al is gegaan, komt die ik-figuur tot zijn inzicht; het lijkt me dat hij dan wat laat is met zijn verkenning van het dodenrijk. Te laat althans om zijn reeds verscheiden geliefde nog van dienst te kunnen zijn. Maar toch, het mooie zit er juist in dat die tijdsgebondenheid hier niet relevant is: die verworven kennis wordt nadrukkelijk wel te haren bate ingezet. Zo staat het er.

Mooi is ook dat aftasten; het suggereert een gaan in den blinde, in een niet-inzichtelijk gebied, ondanks de nieuwe kennis. Dat is ook al te zien in de formulering 'und glaubte nicht', waardoor de aanvankelijke kennis van de dood, dat weten uit het begin, wordt herbezien als weinig meer dan schijnkennis. Deze ene ik-figuur weet dank zij zijn geliefde meer dan wie dan ook; helaas pas na haar dood. Noem het sentimenteel, noemt het romantisch.

De tekst is blijvend aan me verbonden sinds 21 augustus 1997. Op die dag moest ik in het Utrechts Militair Hospitaal (omdat er in het AZU geen plek was, want heus, het leger kent mij niet; ik had zelfs vrijstelling van dienstplicht op grond van broederdienst), onder het mes van een orthopedisch chirurg. Mijn rechterschouder was in de eraan vooraf gaande vijfentwintig jaren door een vierentwintigtal luxaties finaal naar de Filistijnen. Botslijtage van kom en kop, gewrichtskapsel opgerekt en uitgelubberd.

Het was druk nabij de snijzaal. Talloze mannen werden aan hun hernia geholpen en ik moest vreemd genoeg op mijn beurt wachten in wat, geloof ik, in plat Utrechts de recovery room heet (in mijn geval the wrong side of the park, zoals ze in London zeggen). Om de zoveel tijd werd er weer een reutelende en kreunende kerel naar binnen gereden, die net begonnen was een diepe narcose te boven te komen, en semi-subconsciente onzin kermde als: Zuster, zijn m'n ogen nog blauw? en: Zuster, zit-ie er nog aan? (werkelijk: je gelooft je oren niet).

En ik maar wachten, infuus al in de arm, ik moest nog, ik ging nog, al was het niet voor een hernia. De broeders zorgden onderwijl liefderijk voor me, maar de indruk dat ik in het voorportaal van de hel was verzeild geraakt, konden ze niet wegnemen, ook niet met de welwillend aangereikte wachtkamerlectuur. Daarvoor duurde het wachten te lang. Bij gebrek aan beter leesvoer en gesprekspartners, en op basis van de helse associaties die me dit voorportaal aanreikte, ben ik gaan proberen om Rilke's gedicht te memoriseren. Tijd zat, en ik kwam dan ook een heel eind. Toen ik eindelijk de snijzaal in gewield werd, had ik het hele gedicht te pakken, op twee lettergrepen na. Sapperloot: twee van die lettergreepjes nog, en toch al in Morpheus' armen gejaagd, opengesneden, kapsel gereefd, de hele boel weer dichtgestikt en patiënt Stolk weer weggezonden.

Mijn geliefde en springlevende vrouw wist zonder dat ik erom vroeg wat ze na het eerste bezoek moest meenemen: dat mooie kleine, groene, gebonden, dundruk Insel-uitgaafje. Eén van ihre Weisen wohlzutun. Victorie op 22 augustus: regel acht heeft dus echt maar acht lettergrepen.

Voor wie geen Duits in z'n profiel had, een vertaling:

De dood van de geliefde

Wat wist hij van de dood - wat allen weten:
dat hij ons neemt en in het stomme stoot.
Toen echter zij, niet van hem losgereten,
nee, haast behoedzaam uit zijn ogen vloodv

en naar gestalten gleed aan gene zijde -
hij voelde, hoe die onbekenden toen
gelijk een maan haar meisjeslach verblijdde,
en haar manier van goed te doen:

daar werden hem de doden zo verwant,
als kon hij zich met elk van hen inlaten
door haar; hij liet de anderen maar praten,

wou niet geloven en noemde dat land
het welgelegene, het altijd zoete -
Tastend bevoelde hij het voor haar voeten.

C.O. Jellema, Opdrachten. [Bedum] 1988, p. [13].

Deze vertaling is fraai, zeer fraai, maar niet volmaakt. Jellema weet het rijm bijzonder goed te weerspiegelen en laat de syntactische constructies vrijwel intact. Jammer vind ik het, dat hij wel de hoofdzin in eerste regel verknipt: in plaats van één samenhangende constructie, komt hij tot een tweedeling, eigenlijk een vraagzin en een antwoord; het mooie van Rilke's tekst is, dat het juist géén catechismus is, althans niet naar de vorm.

In regel 6 had Jellema niet met een nieuwe zin moeten beginnen, maar de voorgaande zin moeten laten doorlopen, zoals Rilke dat deed. Hoe dat precies moet, weet ik niet: literair vertalen, en al helemaal het vertalen van poëzie, is zo razend moeilijk. Ik stip dit soort zaken dan ook alleen aan om aan te geven waar wat mij betreft de charme van het origineel mede in schuilt.

Zonde van de woorden is bijvoorbeeld de herhaling van 'toen' (regels 3 en 6); Rilke's zin loopt mooier. Dat 'die onbekende' in regel 6 van de vertaling een meewerkend voorwerp is, merk je helaas pas na een tijdje, zodat je dat gedeelte overnieuw moet lezen. Bovendien zou 'verblijdde' eigenlijk 'verblijdden' moeten zijn, omdat 'haar meisjeslach' samen met 'haar manier van goed te doen' onderwerp is; meervoud dus.

Ik snap dat je 'da' met 'daar' kan vertalen (en die ruimtelijke aanduiding is ook niet zonder zin in dit gedicht dat over twee werelden handelt), maar een constructie 'Als [...] da [...]' zou ik toch liever anders vertaald zien (het 'toen [...] toen [...]' in de vertaling hieronder, is ook niet ideaal).

Het 'inlaten' in regel 10 lijkt me een antimetrie, die mij in ieder geval stoort, ook omdat 'zich inlaten met' wat mij betreft een negatieve connotatie heeft, die bij Rilke niet van de partij lijkt te zijn.

De slotregel, in dit gedicht toch de duurzame morfine tegen de pijn, komt in de vertaling niet uit de verf. Dat zou meer iets moeten zijn als: En tastend verkende hij het voor haar voeten, of: En verkende 't tastend voor haar voeten (die gekke hoofdletter aan het begin staat er ook bij Rilke).

Omdat Jellema's vertaling, ondanks de vele kwaliteiten, niet helemaal goed is, nog maar een, als vergelijkingsmateriaal:

De dood van de geliefde Zoals wij allen wist hij van de dood
alleen dat hij ons neemt en ons verstoot,
verstommen doet. Maar toen zij weggesneden
was uit zijn leven - nee, zacht weggegleden

uit zijn gezichtsveld, naar een onbekende
wereld van schimmen, wist hij dat voor hen de
maan was gaan schijnen van haar meisjeslach,
en dat zij er vertroosting bracht:

toen werden hem de doden zo verwant,
alsof juist zij hem innig kon verbinden
met elk van hen; wat andere mensen zeiden,

nam hij niet aan; hij noemde 't gindse land
het welgelegene, het steeds beminde -
Daar ging hij tastend haar de weg bereiden.

Rainer Maria Rilke, Nieuwe gedichten; het andere deel. Vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen. 2e dr. Amsterdam 1998, p. 21.

Verstegen heeft voor mij al veel buitenlandse poëzie ontsloten, dan wel extra toegankelijk gemaakt, mede doordat hij zijn vertalingen vaak van uitgebreid commentaar voorziet met extra informatie over het gedicht en ook met kanttekeningen bij de vertaling/het vertalen. Maar toch: in dit geval overtuigt hij me niet. Hij stopt er hier te veel enjambementen in die Rilke niet heeft.

De herhaling van 'ons verstoot, / verstommen doet' vind ik lelijk, en dat 'weggesneden' is veel te chirurgisch. Weggereten, dat is wat er in het origineel staat; dat is ruwer, daar komen geen mooie wonden van.

'[E]en onbekende wereld van schimmen' is veel te omslachtig, vergeleken bij 'unbekannten Schatten'; zo ook de reconstructie van de zin in het tweede deel van de tweede strofe: Verstegen maakt er verbale constructen van in plaats van nominale.

Het niet (meer) geloven (Rilke's regel 12) is geheel verdwenen, anders dan bij Jellema; en als gezegd de omslag van het inzicht, het erkennen dat het 'weten' niet meer was dan 'geloven', en dan het afzweren van dat geloof, daar gaat dit gedicht toch over.

De keuze voor ''t gindse land' lijkt me niet gepast; zie Jellema's 'dat land' waarmee ten minste iets van het onbekende van dat andere land zo lang mogelijk bewaard blijft.

De strekking van de slotregel is misschien wel gelijk aan die van het origineel, maar toch had ik liever: 'En tastte het dan af voor hare voeten', inderdaad, met een wat archaïsch 'hare'. Maar, kom op: het gedicht ís bijna honderd jaar oud [schreef ik toen], waarom zou dat niet in de vertaling terug mogen keren? Regel 1 mag wat mij betreft vertaald met: 'Hij wist slechts van de dood wat allen weten'.

Hoe dan ook: moest ik voor een vertaling kiezen, dan werd het toch die van Jellema; maar hoe dierbaar vele van Jellema's gedichten me ook zijn, moet ik kiezen tussen het originele gedicht en Jellema's vertaling, dan blijft het toch het gedicht van Rilke. Op de gedichtendag las Doreen Bonekamp 'Drijfjacht' uit Droomtijd (Amsterdam 1999, p. 31). Ook mooi, met als slot: 'mij heugt, die ene stap, en dat instinct / waarmee bestaan zich redt op eigen kracht.' Kijk voor de rest in Jellema's Verzameld werk, onlangs verschenen.

[27-01-2006 / 09-11-2015, voor W.]

1 opmerking:

Erik de Smedt zei

Mooi, begin november deze geïnspireerde beschouwing en analyse opnieuw te lezen. Behalve de vertaling van Menno Wigman verscheen er ook een van Piet Thomas. Omdat elke vertaling een ander licht werpt op het origineel (ook schaduw, natuurlijk), tik ik ze even over:

De dood van de geliefde

Hij wist slechts van de dood wat allen weten:
dat hij ons neemt en in verstomming stoot.
En toch, toen zij, niet van hem weggereten,
nee, zachtjes uit zijn ogen weggenood,

naar onbekende schaduwen vergleed
en toen hij voelde dat die verre stad
nu 't maanlicht van haar meisjesglimlach had
en de manier waarop ze 't goede deed,

toen werden hem de doden zo bekend
als was hij dankzij haar met elk van hen
innig verwant. Wat anderen zeiden,

hij kon het niet geloven. Was niet aan gindse zijde
het goed gelegen land, 't oneindig zoete?
De weg aftasten wou hij voor haar voeten.

Rainer Maria Rilke, 'De mooiste gedichten', vertaald door Piet Thomas. Davidsfonds/Literair, Leuven, 1999, p. 21.