donderdag, oktober 06, 2022

Kippenvel met wat greintjes zout


Mijn locale boekhandelaresse – boei in de boekenzee, waar ik zo niet blind, dan toch met één oog op vaar – ried mij een tijdje terug een roman aan met, zoals bleek na aanschaf, tegendraads gecursiveerde, dat wil zeggen: linksachteroverhellende oneven paginanummers. Grappig. De even nummers hellen op de ouderwetse wijze naar rechts.

Een debuut. Van een autrice, geboren in 1996. Het eerste woord is 'Ik'. Typisch.

Op driekwart van de eerste pagina blijft mijn lezend oog (misschien niet hetzelfde als waarmee ik mijn boekenkoers had uitgezet) haken aan een zin. Deze:

Zelfs onder alle lagen kleren die ik aanheb gaan mijn armharen nog recht overeind staan.

Dat er geen komma tussen 'aanheb' en 'gaan' staat, vind ik prima: dat levert geen enkel leesprobleem op.

Ook met de spatie tussen 'recht' en 'overeind' (en het ontbreken van die tussen 'aan' en 'heb') kan ik met gemak leven: daar lees ik zo overheen. Dat 'rechtovereind' in de officiële woordenlijst staat, moest ik opzoeken, ook dat 'aanheb' naast 'aan heb' kan bestaan. Boeit niet, het is duidelijk wat er staat, al heb ik wel de bedenking dat 'recht' hier betrekkelijk redundant is, zowel als bepaling bij 'overeind' als bij 'staan', maar we kunnen het een intensivering noemen. Niet op iedere slak hoeft zout, laat staan als die al in de woordenlijst geconsacreerd is.

Maar 'armharen', daar kijk ik echt van op. Natuurlijk, er zijn allerlei soorten haren: hoofdharen, oogharen, beenharen, schaamharen, baard- en snorharen, neus-, oor- en okselharen, rug- en schouderharen, die de een normaal vindt en waar de ander zich voor schaamt. Dan zullen er ook armharen zijn. Ik denk alleen dat het een laagfrequent woord is, dat 'armharen'. Maar het internet is dodelijk voor de instandhouding van dit soort ideeën: daar blijkt dat je armharen (vaker: 'armhaar') kunt scheren, bleken of waxen en wat al niet; die dingen zijn kennelijk een pijn in de nek, zoals de Anglo-Saksen zeggen.

Als haren ergens van overeind gaan staan (of: rechtovereind, dat kan immers ook), dan is dat vaak een figuurlijk gebruik van taal om aan te geven dat iets als eng, vreselijk of ijselijk wordt ervaren, dat iets  weerzin opwekt. Maar armharen gaan, dacht ik, doorgaans en niet figuurlijk (al dan niet recht) overeind staan ten gevolge van de invloed van een lage omgevingstemperatuur op de lichaamstemperatuur, meer in het bijzonder wanneer je (plots) koude ervaart en gevoelt. Zo ook in deze roman, want direct voor de geciteerde zin staat aangegeven dat het weliswaar halverwege augustus is, daar in Noorwegen, maar dat het voelt 'als een dag in februari'.

Kippenvel is hier, denk ik, het fenomeen dat bedoeld wordt. Maar het staat er niet. Wel staat er dat zelfs onder alle lagen kleren die de ik-figuur aan heeft, haar armharen recht overeind gaan staan. 'Zelfs' kan hier impliceren dat ook de haren boven al die lagen kleren recht overeind gaan staan; maar dat zou gek zijn. Bedoeld is, denk ik, dat de ik-figuur zich warm heeft aangekleed, zoals dat heet, met veel kledinglagen over elkaar. Wie met twee paar goede sokken in zijn of haar schoenen steekt en een stevige broek en onderbroek aan heeft, lijdt bijvoorbeeld al minder onder de kou van de buitenlucht dan wie enkellaags door weer en wind kuiert. Vraag het Reinier Paping. Maar ook onze heldin is tegen de Noorse nazomer gewapend, om het eens belligerent te formuleren.

Letterlijk staat er dat onder al die lagen kleren die ze aanheeft, haar armharen recht overeind gaan staan. Dat roept bij mij de vraag op: hoeveel lagen kleren zal of kan een mens over de armen, met al die haren, aan hebben. Het is in het deel van de wereld waar ik rondloop, heel ongewoon om sokken en een dikke broek over je armen aan te trekken als het koud is (ik geef onmiddellijk toe dat ik nog nooit in Noorwegen ben geweest, anders dan sommige van mijn beste vrienden). Stel ik me voor dat Lee (zo heet de bibberende puberheldin, tevens ik-figuur van de onderhavige roman) een jas, en een fleecevest, en een trui, en een overhemd of bloes, en een thermohemd met lange mouwen, plus een borstrok aan heeft, en verder een broek, en een lange, Jäger- of thermo-onderbroek, eventueel gecombineerd met een skibroek, en een BH'tje wellicht, en onder- en bovensokken plus slobkousen, en een muts, plus een sjaal... dan nog zitten niet onder 'alle lagen' die ze aan heeft armharen. Hoop ik voor haar.

Ik ga voorlopig maar voorbij aan wat er staat, en probeer me voor te stellen wat des niet tegenstaande de bedoeling zal zijn, en lees verder. Ik ben immers pas op pagina 9 (maar dan de andere kant op hellend).

De volgende dag en veertig bladzijden verder, en ook enkele recensies en een mini-interview met de autrice rijker, stel ik vast: het is inderdaad toch weer een young adult coming of age debuut-ik-vertelling van autobiografische snit met een hoofdpersoontje van om en nabij vijftien jaar oud. Dat had de locale boekhandelaresse er niet bij verteld, en zulks indiceert evenmin de wervende blurb op het achterplat die alleen maar rept van een rondreis door Noorwegen die abrupt ten einde komt. Daaronder staat nog de suggestief bedoelde vraag of deze reis 'altijd al' (sic) gedoemd was te mislukken. In minder grote letters gaat het over de verstikkende dynamiek van een gezin en iemand die zichzelf dwangmatig kapotmaakt. De roman wordt achterop ook 'moedig' genoemd. Nu pas begrijp ik dat die laatste kwalificatie een stiekeme verwijzing is naar de sterk autobiografische component van het verhaal. Mijn boekhandelaresse verstaat haar vak goed: op eigen kracht had ik dit boek met een gerust hart op de plank in de winkel laten verstoffen. Maar nu zit ik ermee opgescheept. Aanlezen betekent doorlezen, ook al heb ik reeds meer dan 10% van het totaal aantal bladzijden achter de oogbollen.

Vroeger mocht ik een boek afdrijven als het mij binnen die eerste tien procenten niet bij de kladden had; tegenwoordig zet ik langer door. Ook als vreemde situaties of beschrijvingen me in de weg proberen te staan. Zoals deze:

Voorzichtig neemt mijn vader een slok van zijn koffie. Die is eigenlijk te heet om zo gehaast te drinken [...].

Ervoor staat wel dat vader en broer '[o]ver een paar minuten vertrekken', maar uit niets in de vertelling blijkt dat die voorzichtig een slok nemende vader gehaast zou drinken. In tegendeel: in de volgende alinea blijft 'mijn vader het in zijn mok blazen [...] afwisselen met slokjes slurpen' (dit citaat heb ik driewerf gecontroleerd), en gaat onze Lee maar eens even op Insta koekeloeren, alwaar ze een hartje uitdeelt en vervolgens de app afsluit en de mail opent. Pas een bladzij verder zijn broer en pa klaar voor vertrek. Het is vakantie.

Maar goed, eenmaal zo ver gevorderd, tekent zich de problematiek enigszins af. De schets daarvan wordt opzichtig lang vaag gehouden. Lee is geen doorsnee meisje. Als ze haar moeder bij de ingang van het 'wasgebouw' van de camping wil tegenhouden, staat er:

Zonder dat ik het wil trek ik haar harder terug dan de bedoeling was.

De vorm van deze mededeling lijkt even compulsief tot stand te zijn gekomen als de handeling die ze beschrijft. Maar de zin erna is inhoudelijk ronduit idioot: 'Ze verliest even haar evenwicht, maar kan zich nog net op tijd vastgrijpen aan een lantarenpaal.' Er staat 'een bezem in de deuropening', niet een lantarenpaal! Kan je ook langdurig je evenwicht verliezen?

Vlak daarna loopt er weer een beschrijving uit de rails:

Mijn moeder zet de waterpas op de vloer van de caravan. De doorzichtige capsule lijkt een beetje op een van de pillen die ze elke avond neemt, zo'n plastic huls met twee helften als het cadeautje dat altijd in een surprise-ei zit. Hij helt overwegend naar links.

Die waterpas op de caravanvloer grenst aan geniaal: moeder is bereid heel ver te gaan Lee te helpen bij het beheersen van haar stoornis. Maar daarna wordt het allemaal wat drabbig. De 'capsule' als aanduiding van de luchtbel in de libel van een waterpas is al wat vreemd, maar dat die slechts op één van moeders pillen lijkt, komt me heel vreemd voor. Daarna wordt die capsule een 'plastic huls' met 'twee helften', wat me een bijzonder nietszeggend beeld lijkt. Die tweehelftige huls wordt op zijn beurt vergeleken met een cadeautje dat 'altijd' in een surprise-ei zit. Moeder zal er een hele kluif aan hebben zich iedere avond een van dat soort pillen door de strot te duwen. Ik snap wel wat de bedoeling is, maar het is uiterst belabberd op het papier gekomen. En dan komen we weer terug bij de waterpas waarin de luchtbel niet gewoon afwijkt naar links, maar overwegend naar links helt. Wat doet dat ding dan allemaal nog meer? En hoe staat dan die caravan heen en weer te klapperen op die Noorse camping?

Het liefst zou ik verzwijgen dat het stream of consciousness-karakter van de vertelling kennelijk een vrijbrief is voor allerlei spreektalige ruis, zoals de redundantie in 'Ineens word ik overvallen door [...]' en driemaal 'gewoon' in drie opeenvolgende zinnen. Wellicht pour besoin de l'effet du réel, net als de inhoudsloze verzuchtingen ('trouwens') en aansprekingen van, ja, van wie eigenlijk ('Geloof me, daar had je niet bij willen zijn'), die de indruk wekken dat je niet een roman leest maar ongewild een gesprek tussen twee onbekenden in een louche cappuccinobarretje aan een herfstachtige stadsgracht afluistert.

Op pagina 57 is het dan zo ver: Lee geeft openheid van zaken betreffende haar 'project'. Ook dat gaat niet zonder struikelen:

Ik woog mijn brood ook altijd af, elk plakje moest precies 35 gram wegen (zoals op de zak staat) en samen 70.

Heeft hier de redacteur zitten dutten, of is dit een bij de inhoud aansluitende opwelling van uitermate karig taalgebruik: moet de lezer uit de slotwoorden van deze zin afleiden dat Lee slechts twee sneetjes brood meenam naar school? Dan ging het inderdaad niet goed met haar.

En dat gaat het nog steeds niet in het hoofdstuk dat op bladzijde 60 begint en waarin ze met haar moeder op weg is naar een supermarkt:

De grijze, rotsachtige bergen omgeven ons als muren. Het heeft bijna iets claustrofobisch, op sommige stukken hangen de wolken zo laag boven het asfalt dat ik mijn arm maar uit het raam zou hoeven steken om ze aan te raken. Dat doe ik niet.

Het werkt in mijn leeservaring helemaal niet beeldend om bergen 'rotsachtig' te noemen, om iets groots met iets kleins te vergelijken; bij het omgekeerde, bergachtige rotsen, kan ik me beter iets voorstellen, zeker waar het gaat om het beschrijven van iets wat claustrofobische gevoelens opwekt. De vergelijking van die grijze en rotsachtige bergen met muren, werkt evenmin. Een setje bergen zouden mij meer imponeren dat wat muren. Kwestie van smaak misschien.

Daarna wordt 'het' (wat eigenlijk? het omgeven?) nader aangeduid als 'bijna iets claustrofobisch' hebbend. Niet echt 'claustrofobisch', niet 'iets claustrofobisch', maar 'bijna iets claustrofobisch'. Lieve hemel, doe dan beter je best om uit te drukken wat je bedoelt. Of is dit een haarfijn-precieze weergave van het ontoereikend denkwerk van Lee de puber? Mogelijk, maar over haar moeder wordt een bladzijde verder gezegd: 'dat wist ze zich vaag te herinneren', als was ze ook de moeder van Mark Rutte.

Lee zelf komt dan door met deze volzin:

Bij alles wat enigszins op kwark lijkt blijkt het achteraf kaas te zijn[.]

Een voorbeeld van anakoloet, in de Middelnederlandse literatuur een stijlfiguur, maar wat mij betreft in de hedendaagse Nederlandse literatuur een stijlfout. Vlak daarop:

Ik denk dat mijn moeder vooral uit voorzorg daarom [...], omdat ze [...].

Dat zijn drie verklaringen voor één verschijnsel in één zin. De karigheid is weer ver te zoeken. Ik pleit voor het met terugwerkende kracht inzetten van het beste redactionele instrument: Ockham's Razor, onder het devies: Cut the Crap.

Weer een bladzij verder krijgt Lee 'bijna het idee dat [...]'. Zinloze nuance. Ik heb althans nog nooit bijna een idee gekregen, en kan me er dan ook niets bij voorstellen; niet bijna niets, helemaal niets. Maar Lee werkt dat bijna gekregen idee van haar in de vier en een halve regels pruttelend proza die erop volgen nog uit, om vervolgens langs 'opgedoste aubergines' te struinen in die Noorse supermarkt.

'Afgezien van de crackers en verse bolletjes', merkt Lee spitsvondig op, 'zie ik ook bijna [sic] niets wat ik herken, of ook maar enigszins lijkt op wat ik gewend ben.' Kennelijk zijn er dingen die lijken op wat ze gewend is, die zij toch niet herkent, of zijn er dingen die ze herkent, die niet lijken op wat ze gewend is. Dat het niet goed gaat met Lee, wordt er met deze zinderende supermarktscène bij de met iets als een beetje een soort van oplettendheid opgetuigde lezer bijna (grapje) onontkoombaar in geramd.

Na nog wat 'volledige vissen met oog en al' en 'licht naar binnen gekeerde X-benen' haak ik definitief af op pagina 72. Ruim 28% van het totaal gelezen. Het gaat niet meer gebeuren dat deze roman me in zijn kladden krijgt. Dat een dwangstoornis geen lolletje is, wist ik al. Daarom heb ik mezelf ontslagen van de plicht een roman uit te lezen eer ik er iets van vind.

Geen opmerkingen: